CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

02.b Integrale verordening sociaal domein Woudenberg 2026.pdf

Gemeenteraad 18 december 2025, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 8: Integrale verordening Sociaal Domein 202645.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Integrale verordening Sociaal Domein Woudenberg 2026

Versie oktober 2025

Inhoudsopgave

1

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Algemene bepaling Artikel 1. Toepassing en begrippen

4 4

Hoofdstuk 2 Integrale benadering Artikel 2. Melding hulpvraag Artikel 3. Vooronderzoek Artikel 4. Het gesprek Artikel 5. Advisering Artikel 6. Verslag (Wmo/Jeugdwet) Artikel 7. Aanvraag Artikel 7a. Medewerkingsverplichting (Wmo/Jeugdwet) Artikel 8. Inhoud beschikking (Wmo/Jeugdwet) Artikel 9. Algemene criteria maatwerkvoorziening Artikel 10. Regels voor persoonsgebonden budget (Wmo/Jeugdwet)

6

4

6 6 6 7 7 8 8 8 9 11

Paragraaf 10.1 Voorwaarden pgb 13 Paragraaf 10.2 Voorwaarden pgb voor ondersteuning door informele aanbieder Paragraaf 10.3 Voorwaarden pgb-beheerder 13 Paragraaf 10.4 pgb niet mogelijk 14 Paragraaf 10.5 Hoogte pgb 15 Paragraaf 10.6 Onderscheid formele en informele hulp 16 Artikel 11. Opschorting, beëindiging en wijziging Artikel 11a. Opschorting betaling uit het pgb Artikel 11.b Herziening of intrekking Artikel 11c. Terugvordering en verrekening Artikel 11d. Fraudepreventie en controle

13

17 17 17 18 18

Hoofdstuk 3 Voorzieningen 18 Artikel 12. Algemene voorzieningen 18 Artikel 13. Maatwerkvoorzieningen: vormen van jeugdhulp 19 Artikel 14. Maatwerkvoorzieningen: vormen van Wmo 19 Artikel 15. Maatwerkvoorzieningen: vormen Participatiewet en IOAW/IOAZ 20 Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 20 Artikel 17. Klachtregeling 21 Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Jeugdwet 21 Artikel 17A. Stappen jeugdhulponderzoek 21 Artikel 18. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Artikel 19. Vertrouwenspersoon jeugd 21 Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Wmo 22 Artikel 20a. Stappen Wmo-onderzoek 22 Artikel 20b. Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning 22 Artikel 20c. Specifieke criteria maatwerkvoorzieningen 22 Artikel 21. Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 23 1

21

Artikel 22. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen, pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 23 Artikel 23. Criteria financiële tegemoetkoming 24 Artikel 24. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 24 Artikel 25. Kwaliteitseisen 25 Artikel 26. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid 25 Artikel 27. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 25 Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld maatschappelijke ondersteuning 25 Artikel 29. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 25 Hoofdstuk 6 Specifieke bepalingen Participatiewet Artikel 30. Begrippen

25 25

Paragraaf 6.1 Re-integratie 26 Artikel 30a. Evenwichtige verdeling en evaluatie 26 Artikel 31. Budget- en subsidieplafonds 27 Artikel 32. Algemene bepalingen over re-integratievoorzieningen 27 Artikel 33. Beperkingen Anw-ers en Nuggers 27 Artikel 34. Werkervaringsplaats 28 Artikel 35. Sociale activering 28 Artikel 35a. Detacheringsbaan 28 Artikel 36. Scholing 28 Artikel 36a. Participatieplaats 28 Artikel 37. Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt 28 Artikel 38. Participatievoorziening beschut werk 28 Artikel 38a. Werkgeverssubsidie 29 Artikel 39. Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 29 Artikel 39a. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 29 Artikel 39b. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. 30 Artikel 39c. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 30 Artikel 39d. Persoonlijke ondersteuning bij werk. 30 Artikel 39e. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk. 30 Artikel 39f. Jobcoaching 30 Artikel 39g. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 31 Artikel 39h. Jobcoaching in natura 31 Artikel 39i. Interne werkbegeleiding 31 Artikel 39j . Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 31 Artikel 39k.

Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 31 Artikel 39l . Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 31 Artikel 39m. Specifieke voorwaarden werkaanpassingen 32 Artikel 40. Proefplaatsing 32 2

Artikel 41. Loonkostensubsidie en loonwaarde Artikel 41a. Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers 32 Artikel 41b. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie Artikel 41c. Uitstroompremie Artikel 41d. Proefplaats Artikel 42. Werkvoorzieningen Artikel 43. Aanspraak op ondersteuning Artikel 44. Verplichtingen van de cliënt Artikel 45. Inkomstenvrijlating

32

33 33 33 34 34 34 34

Paragraaf 6.2 Individuele Studietoeslag Artikel 46. Doelgroep Individuele Studietoeslag Artikel 47. Hoogte, duur en uitbetaling van de toeslag Artikel 48. Nadere uitvoeringsregels

34

Paragraaf 6.3 Tegenprestatie Artikel 51. Duur en omvang van een tegenprestatie Artikel 52. Mantelzorg

34 35 35

Paragraaf 6.4 Individuele Inkomenstoeslag Artikel 53. Indienen verzoek Artikel 54. Langdurig laag inkomen Artikel 55. Hoogte individuele inkomenstoeslag

35 35 35 35

34 34 34

Paragraaf 6.5 Afstemming 35 Artikel 57. Horen van belanghebbende 35 Artikel 58. Afzien van verlaging 36 Artikel 59. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 36 Artikel 60. Berekeningsgrondslag 36 Artikel 61. Gedragingen Participatiewet 36 Artikel 62. Gedragingen IOAW en IOAZ 37 Artikel 63. Hoogte en duur van de verlaging 38 Artikel 64. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Artikel 65. Verrekenen verlaging 38 Artikel 66. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 38 Artikel 67. Zeer ernstige misdragingen 39 Artikel 68. Niet nakomen van overige verplichtingen 39 Artikel 69. Samenloop van gedragingen 39 Artikel 70. Recidive 40 Artikel 71. Controle tijdens en na beëindiging van de bijstand 40 Artikel 72. Controlemiddelen 40 Hoofdstuk 7 Beslistermijn schuldhulpverlening Artikel 73. Beslistermijn schuldhulpverlening

38

40 40

Hoofdstuk 8 Hardheidsclausule, betrekken van ingezetenen bij het beleid en slotbepalingen 40 Artikel 74. Hardheidsclausule 40 Artikel 75. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 41 Artikel 76. Inwerkingtreding en citeertitel 41 3

Toelichting

4

42

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Algemene bepaling Bij het nemen van besluiten op aanvragen wordt niet alleen acht geslagen op de wet en regelgeving, maar ook op het doel van de wetgeving en het effect van het besluit. Bij elk besluit wordt rekening gehouden met de volgende waarden en normen: 1. Dat aan het gezin of huishouden, als kern van de samenleving, als de natuurlijke omgevingen voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van de kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dienen te worden verleend opdat zij hun verantwoordelijkheden binnen de samenleving volledig kunnen dragen. 2. Dat het kind geen schade leidt en kan opgroeien in een liefde- en begripsvolle gezinsomgeving. 3. Dat burgers met een handicap en/of een chronische ziekte op voet van gelijkwaardigheid met anderen de toegang hebben tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere voorzieningen en diensten. 4. Dat de eigen verantwoordelijkheid van de burgers centraal staat om voor hun zelfredzaamheid, participatie en inkomen naar vermogen al het mogelijke te doen om deel te nemen aan de maatschappij, mede door inzet van personen uit hun sociale netwerk. 5.

Dat als het burgers niet lukt om zelf, of met hulp van de eigen omgeving en het aanbod uit de sociale basis, knelpunten op te lossen, de gemeente samen met partners hen helpt de juiste weg te wijzen of aanvullende (jeugd)hulp of ondersteuning te bieden. De ondersteuning is daarbij gericht op het zoveel mogelijk versterken van de eigen kracht van de burgers, het huishouden, het gezin of het sociale netwerk. Hierbij is het belangrijk dat Wmo en Jeugd voorzieningen gezien moeten worden als vangnet van de sociale zekerheid en niet iets waar men als vanzelfsprekend recht op heeft. 6. Dat ondersteuningsvragen integraal worden benaderd. Niet de voorzieningen, maar de resultaten die de burger en/of het huishouden/gezin wil bereiken staan centraal.

Artikel 1. Toepassing en begrippen 1. Deze verordening is van toepassing op het (integrale) proces rond de uitvoering van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ) en de beslistermijn van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening (WGS). 2. In deze verordening wordt onder de niet-gedefinieerde begrippen verstaan, wat daarmee in de Jeugdwet, de Wmo 2015 of de Participatiewet, IOAW, IOAZ of WGS wordt bedoeld. 3. In deze verordening wordt verder verstaan onder: a. Aanvraag: - een verzoek om toekenning van een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet; - een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning; - een aanvraag als bedoeld in artikel 41 van de Participatiewet;

5

-

een aanvraag als bedoeld in artikel 1 van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening. b. Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en die een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. c. Algemene voorziening: - niet zijnde een individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet - een algemene voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; - een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet. d. Andere voorziening (Jeugdwet) : voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. e. Bovengebruikelijke hulp: hulp die gebruikelijke hulp, zoals gedefinieerd in lid 3. k, overstijgt. f. Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft. g. Cliënt: - een jeugdige of zijn ouders of pleegouders als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet; - een persoon als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; - een persoon als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet. h. Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. i. College: college van burgemeester en wethouders. j.

Financieel besluit: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van dezen verordening nadere regels en bedragen zijn gesteld. k. Gebruikelijke hulp: de hulp of de zorg op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf, die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s)/verzorger(s)/opvoeder(s), partners, huisgenoten of anderen uit het sociale netwerk, rekening houdend met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. l. Maatwerkvoorziening: een op de cliënt toegesneden aanvullende voorziening waarvoor een (verlengings)beschikking van het college nodig is; - een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; - een individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet; - een voorziening als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet. m. Mantelzorg: de hulp aan een hulpbehoevende door iemand uit diens directe sociale omgeving, die verder gaat dan de gebruikelijke hulp. n. Melding: - het stellen van een hulpvraag of een verzoek van een cliënt om toekenning van een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet; - een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo; - een melding als bedoeld in artikel 44 van de Participatiewet. o. Nadere regels: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van deze verordening nadere regels zijn gesteld. p.

Onderzoek: - een onderzoek naar aanleiding van een melding in het kader van de Jeugdwet; 6

- een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo; - een onderzoek als bedoeld in artikel 53a van de Participatiewet. q. Pgb: persoonsgebonden budget: een bedrag waarmee inwoners zelf hun jeugdhulp, ondersteuning of hulpmiddel kunnen inkopen. Als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 2.3.6 van de Wmo. r. Pgb-plan: een plan opgesteld door (of namens) de cliënt en/of zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening zo nodig aangevuld met voorwaarden die daar naar het oordeel van het college aan gesteld mogen worden. s. Plan van aanpak: - het hulpverleningsplan, als bedoeld in de Jeugdwet (art. 1.1); - al dan niet gecombineerd met het persoonlijk plan, als bedoeld in de Wmo of het familiegroepsplan, als bedoeld in de Jeugdwet; - en/of een plan van aanpak voor één of meer personen, gerelateerd aan de Participatiewet. t. Sociaal netwerk: gezinsleden, (voormalig) partner, huisgenoot, familielid, vrienden of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie onderhoudt; van wie mogelijk sociale steun verwacht kan worden. u. Spoedeisend geval: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel vraagt;

Hoofdstuk 2

Integrale benadering

Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Een melding als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder n van deze verordening kan schriftelijk of digitaal bij het college via Coöperatie De Kleine Schans worden ingediend. Meldingen in verband met aanvragen levensonderhoud op basis van de Participatiewet worden digitaal ingediend via werk.nl. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk of per e-mail, tenzij cliënt heeft medegedeeld dit niet te wensen. In de ontvangstbevestiging is informatie opgenomen over de mogelijkheid van cliëntondersteuning, het keukentafelgesprek, een familiegroepsplan/persoonlijk plan en eventueel aanvullende informatie die bij de eerste afspraak moet worden meegenomen. 3. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijke een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

Artikel 3. Vooronderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder p, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2. Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 3. Hierbij brengt het college de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om binnen de wettelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen of een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo. In het geval de cliënt daarom verzoekt, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan of persoonlijk plan. 4. Voorafgaand aan het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek 7

nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verschaft inzage in een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 5. Het college kan in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4. Het gesprek 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de cliënt en/of diens wettelijke vertegenwoordiger en/of een gewenst persoon uit het sociaal netwerk, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken, eerder ingezette ondersteuning, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en situatie van het huishouden van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. Het vermogen om met gebruikelijke hulp een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mogelijkheden om, al dan niet naast de gebruikelijke hulp of andere voorzieningen of algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn hulpvraag te beantwoorden; e. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk een oplossing te vinden voor zijn hulpvraag; f. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h.

de mogelijkheid om, eventueel aanvullend op maatregelen zoals in lid c en d, een collectieve of individuele maatwerkvoorziening te verstrekken, waarbij collectieve maatwerkvoorzieningen voorliggend zijn aan op individuele maatwerkvoorzieningen; i. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van participatie, zorg en onderwijs; j. hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt en zijn huishouden; k. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. l. Indien het een jeugdige betreft wiens ondersteuningsvraag naar verwachting ook na hun 18e jaar nog niet beantwoord is, de mogelijkheden tot zorgcontinuïteit of vervolgstappen, in afstemming met andere voorzieningen. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan of een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 3, vierde lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 8

3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. Afhankelijk van de leeftijd wordt er bij een jeugdige om toestemming gevraagd aan de ouders of de jeugdige zelf, conform artikel 7.3.4. van de Jeugdwet. 4. Het college kan alleen in overleg met de cliënt en vertegenwoordigers afzien van een gesprek. 5. Het college kan, na toestemming van de cliënt en/of zijn ouder(s) informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of de onderwijsinstelling, en met deze in gesprek gaan over de aangewezen hulp. 6. Dit artikel is niet van toepassing op verwijzingen van de huisarts en de medisch specialist zoals bedoeld in artikel 2.6 onder e van de Jeugdwet.

Artikel 5. Advisering 1. Het college kan om deskundigenadvies vragen voor zover dit van belang is voor het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag. 2. De cliënt dan wel zijn huisgenoot verleent zijn medewerking aan het onderzoek als bedoeld in het eerste lid voor zover die redelijkerwijs kan worden gevergd.

Artikel 6. Verslag (Wmo/Jeugdwet) 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 3 en 4 of stelt een plan van aanpak op waarbij rekening wordt gehouden met het eventuele persoonlijk plan of familiegroepsplan en het verzoek om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 5 van de verordening. 2. Het college verstrekt aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij deze heeft medegedeeld dit niet te wensen. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd als bijlage.

Artikel 7. Aanvraag 1. Inwoners kunnen een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk of digitaal indienen bij het college. Een aanspraak op grond van de Participatiewet kan ambtshalve (zonder aanvraag) worden vastgesteld. 2. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dit op het verslag e/o het plan heeft aangegeven en deze is voorzien van een dagtekening, de naam, het identiteitsbewijs (mits inzage niet eerder is verschaft) en de geboortedatum van de cliënt.

Artikel 7a. Medewerkingsplicht (Wmo/Jeugdwet) 1. De cliënt, en diens ouder(s) als de cliënt jeugdige is, is/zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van een maatwerkvoorziening. 2. Als de cliënt, en diens ouder(s) als de cliënt jeugdige is, naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld of is de maatwerkvoorziening niet effectief en kan door het college worden besloten geen maatwerkvoorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende maatwerkvoorziening in te trekken.

9

Artikel 8. Inhoud beschikking (Wmo/Jeugdwet) 1. De inhoud van de beschikking is in lijn met artikel 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht. 2. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. De beschikking is mede gebaseerd op het plan van aanpak. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de maatwerkvoorziening wordt verstrekt; d. Indien van toepassing de hoogte van de eigen bijdrage. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; f. Indien van toepassing de hoogte van de eigen bijdrage.

Artikel 9. Algemene criteria maatwerkvoorziening 1. Een cliënt en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) kan in aanmerking komen voor een aanvullende collectieve of individuele maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen met: a. gebruikelijke hulp; b. mantelzorg; dan wel c. gebruikmaking van algemene voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; d. gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen. 2. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als: a. de cliënt de aangevraagde voorziening heeft gerealiseerd of aangeschaft (voor of) na de melding maar nog voor de datum van besluit, tenzij: I. het college daarvoor uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft verleend; II. of de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; III. of uit die beoordeling blijkt dat dit niet in eigen kracht is gerealiseerd; IV. bovenstaande uitzonderingsgronden vervallen 3 maanden na de startdatum van de aangevraagde voorziening; daarna kan de maatwerkvoorziening niet meer met terugwerkende kracht worden toegekend. b.

de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen belangrijke reden aanwezig was; c. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten, mogelijk is. 10

de effectiviteit van de gewenste maatwerkvoorziening naar het oordeel van het college onvoldoende wetenschappelijk bewezen is e. e. de gevraagde voorziening in geen redelijke verhouding staat tot het te bereiken resultaat, gelet op de kosten, de effectiviteit en mogelijke alternatieven; f. f. de cliënt of diens vertegenwoordiger geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, het keukentafelgesprek of het opstellen van het plan van aanpak. d.

Er is in het kader van de Jeugdwet sprake van gebruikelijke hulp, zoals genoemd in lid 1.a, wanneer: a. de noodzakelijke hulp, in geval van maatwerkvoorzieningen vanuit de Jeugdwet, naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s)/verzorger(s), ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft, rekening houdend met: I. de leeftijd van de jeugdige, II. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft, III. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige, IV. de mate van planbaarheid van de hulp, en V. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; 4. Wanneer er in het kader van de Jeugdwet geen sprake is van gebruikelijke hulp, is er sprake van bovengebruikelijke hulp. Bij bovengebruikelijke hulp wordt van ouder(s)/verzorger(s) verwacht dat ze deze zelf bieden wanneer: a. de situatie kortdurend is, dat wil zeggen: als er uitzicht is op herstel van het probleem en de samenhangende zelfredzaamheid en als het probleem voortduurt over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp niet van ouder(s)/verzorger(s) of huisgenoten mag worden verwacht; of b.

in het geval van een langdurende situatie, het gaat over het bieden van een beschermende woonomgeving van ouder(s)/verzorger(s) aan kinderen tot en met de leeftijd van 17 jaar. c. En het college heeft onderzocht of: I. De ouder(s)/verzorger(s) in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, II. De ouder(s)/verzorger(s) beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden, III. Het bieden van de noodzakelijke hulp geen overbelasting oplevert, en IV. de ouder(s)/verzorger(s) de noodzakelijke hulp kunnen blijven bieden zonder vergoeding. d. En de volgende factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de bovengebruikelijke hulp, bij de beschikbaarheid van de ouder(s)/verzorger(s) voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouder(s)/verzorger(s) en bij de financiële situatie van de ouder(s)/verzorger(s): I. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige, 3.

11

II. III. IV.

de mate van planbaarheid van de hulp, het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouder(s)/verzorger(s), de manier van omgaan van ouder(s)/verzorger(s) met de problemen van de jeugdige, V. vaardigheden van de ouder(s)/verzorger(s) om zelf hulp te bieden, VI. of er sprake is van problematiek bij de ouder(s)/verzorger(s), zoals relationele problemen of schulden, VII. welke verplichtingen de ouder(s)/verzorger(s) hebben, bijvoorbeeld met betrekking tot werk en sociale verplichtingen, VIII. het belang van ouder(s)/verzorger(s) om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen, IX. de woonsituatie, X. de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden, XI. is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) te ondersteunen, of XII. overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouder(s)/verzorger(s) worden ingebracht; e. in het geval dat een ouder uitvalt en er meer dan één ouder gezag heeft over de minderjarige, neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over, met inachtneming van de punten onder lid d, ook als de jeugdige niet bij die ouder woont. f. Het college kan beleidsregels stellen ten aanzien van het onderzoek naar gebruikelijke hulp en de uitwerking daarvan. 5.

Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot de Wet maatschappelijke ondersteuning geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt indien: a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was; b. de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de ondersteuningsvraag deels of geheel opgelost had. 6. Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen met: a. gebruikelijke hulp; b. mantelzorg; dan wel c. gebruikmaking van algemene/basisvoorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; d. gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; kan verminderen of wegnemen. 7.

De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid levert, rekening houdend met het plan van aanpak als bedoeld in artikel 5 van de verordening en voor 12

zover aanwezig het persoonlijk plan of familiegroepsplan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt voldoende en op aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht op verantwoorde wijze te handhaven in de samenleving. 8. Het college beoordeelt de hulpvraag aan de hand van het gesprek en de genoemde onderwerpen als bedoeld in artikel 4 van deze verordening. 9. Om te zorgen dat een maatwerkvoorziening kan worden afgestemd op andere voorzieningen als bedoeld in artikel 12, van de verordening draagt het college zorg voor afspraken met onder meer: a. partijen in het kader van gezondheidszorg; b. partijen in het kader van de algemene gebruikelijke voorzieningen c. gecertificeerde instellingen; d. instellingen die voorschoolse voorzieningen bieden; e. onderwijsinstellingen voor primair-, voortgezet- en speciaal onderwijs; f. de betreffende gemeentelijke afdelingen. 10.

Ten aanzien van situaties (Jeugd en Wmo) waar sprake is van overbelasting, bijvoorbeeld overbelasting van ouders, kan het college slechts een tijdelijke voorziening van maximaal 6 maanden verstrekken waarbij van degene die overbelast is wordt verwacht dat hij/zij in die periode actief en aantoonbaar gaat werken aan het verminderen van de belasting, dan wel het vergroten van de belastbaarheid.

Artikel 10. Regels voor persoonsgebonden budget (Wmo/Jeugdwet) Paragraaf 10.1 Voorwaarden pgb 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, beoordeelt het college of wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zoals omschreven in artikel 2.3.6 Wmo 2015 en artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet. 2. Het college beoordeelt of de cliënt, eventueel met behulp van zijn pgbbeheerder, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen en het uitvoeren van de aan een pgb verbonden taken. De cliënt dient in zijn pgb-plan ten minste aan te geven: a. welke ondersteuning de cliënt nodig heeft; b. wat de cliënt met het pgb wenst in te kopen; c. waarom de cliënt de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; d. indien van toepassing: wie de cliënt heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; e. hoe de cliënt een keuze maakt voor een geschikte pgb-aanbieder; f. op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; g. op welke wijze de cliënt de zorgverlener aanstuurt in de praktijk; h. op welke wijze de zorg wordt gecontroleerd; i. op welke wijze de cliënt een juiste administratie gaat bijhouden; j.

hoe hij omgaat met geconstateerde onjuistheden. 3. Het college beoordeelt of de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het pgb-plan zoals omschreven in lid 4. Daarnaast dient de uitvoerder van de ondersteuning – tenzij de uitvoerder de ouder(s) van de cliënt is/zijn - te beschikken over een recente VOG (afgiftedatum 13

ligt maximaal 3 maanden voor indiening pgb-plan). De budgethouder is verplicht om gebruik te maken van de op zijn situatie van toepassing zijnde modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank. 4. De cliënt en/of pgb-beheerder is verplicht ten aanzien van het waarborgen van de kwaliteit van de ondersteuning een pgb-plan op te stellen. Het college kan een format voor dit pgb-plan vaststellen. In het pgb-plan staat in ieder geval omschreven: a. welke zorgverlener de zorg gaat verlenen; b. wie de directe zorgverlener(s) is; c. wat de deskundigheid is van de directe zorgverlener(s); d. wie de directe zorgverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid; e. welke doelen behaald moeten worden; f. welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; g. waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden; 5. In de zorgovereenkomst die client sluit met de zorgverlener dienen in ieder geval de volgende punten te zijn opgenomen: a. Om wat voor zorg het gaat; b. Werkafspraken zoals salaris/uurtarief; c. Het aantal uren dat de zorg wordt afgenomen per week/maand; d. Werkafspraken over de financiële afhandeling; e. Algemene afspraken over geheimhouding. 6. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen maatwerkvoorziening voldoet de uitvoerder van de hulp aan de volgende eisen: a.

Beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder is dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) van de cliënt zijn uitgesloten van deze eis; b. Beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c. Houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d. Is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal de communiceren; e. Werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f. Voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g. Stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de cliënt, en in het geval van jeugdhulp diens ouder(s); h. Stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en maatwerkvoorzieningen waar de cliënt, of in het geval van jeugdhulp diens ouder(s) gebruik van maken; i. Respecteert de privacy van de cliënt, en in het geval van jeugdhulp diens ouder(s), en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; j. Neemt bij vermoedens bij huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de cliënt voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; k.

Meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van de maatwerkvoorziening aan het college;

14

l.

Werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en m. Is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 7. Ter waarborging van de kwaliteit van de met het pgb ingekochte professionele ondersteuning voldoet de uitvoerder aan de volgende aanvullende eisen: a. ingeschreven staan in het handelsregister; b. in overeenstemming met de professionele standaard handelen; c. adequaat opgeleid personeel in dienst hebben; d. een VOG van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers) kunnen overleggen, die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie; e. beschikken over een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem dat voldoet aan de landelijke eisen; f. de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van een maatwerkvoorziening hanteren; g. Een vertrouwenspersoon aanstellen die in staat is diens taak uit te voeren; h. een verklaring betalingsgedrag belastingdienst kunnen tonen; i.

een afschrift van de meest recente jaarrekening - of in het geval van een ZZP’er een balans en een winst- en verliesrekening -kunnen tonen; en j. verzekerd zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid. 8. Een pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb en: a. er geen weigeringsgrond van toepassing is zoals omschreven in artikel 10.4; b. in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; c. er op geen enkele manier druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 9. Als de gewenste zorg bij de betreffende zorgaanbieder door middel van ZIN gecontracteerd is door de gemeente, zal deze primair op deze wijze worden geleverd. 10. Het niet voldoen aan de kwaliteitseisen heeft tot gevolg dat het college de aanvraag van de cliënt voor ondersteuning in de vorm van een pgb afwijst. Het college kan de pgb-aanbieder een waarschuwing met een redelijke hersteltermijn geven, of de pgb-aanbieder niet (langer) accepteren in het kader van een pgb.

Paragraaf 10.2 Voorwaarden pgb voor ondersteuning door informele aanbieder 1. Alvorens de cliënt een aanvraag doet voor een voorziening, wordt van hem verwacht dat hij eerst een beroep doet op zijn familie en vrienden. Er wordt geen pgb verstrekt waarvan het gebruikelijk is dat de activiteiten door het sociaal netwerk worden verricht, zoals: a. (sociale) activiteiten ondernemen met de cliënt; b. het doen van de boodschappen: c. lichte huishoudelijke taken; 15

d. eenvoudige hulp bij de administratie; e. het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met specialisten; f. vervoer naar afspraken met specialisten. 2. Een cliënt heeft de mogelijkheid om dienstverlening te betrekken van een persoon of organisatie behorende tot het sociale netwerk: a. als de cliënt een gelijkwaardig of beter resultaat kan behalen als iemand uit het sociale netwerk de zorg verleent ten opzichte van een professionele aanbieder en; b. als dit leidt tot volwaardige dienstverlening die passend is aan de hulpvraag van de cliënt.

Paragraaf 10.3 Voorwaarden pgb-beheerder 1. Het beheren van het pgb kan door zowel de cliënt als door een pgb-beheerder worden uitgevoerd. Indien de pgb-beheerder het pgb gaat beheren, dan zijn de regels over het pgb beheer waar cliënt wordt genoemd van overeenkomstige toepassing op de pgb-beheerder. 2. Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek; b. aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; c. ernstige verslavingsproblematiek; d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; h. niet zelfstandig zorg kunnen dragen voor het opstellen van het pgb-plan; i. signalen van overbelasting; j. twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid, zoals opgenomen in artikel 10.1 lid 2.

3. Onverlet het bepaalde in het vorige lid wordt een pgb-beheerder alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: a. hij eerste of tweedegraads bloed-of aanverwant is van de cliënt of tot het sociaal netwerk behoort; b. hij door de rechtbank is aangesteld als mentor, curator of bewindvoerder; c. hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend; d. er geen sprake is van een (financiële) relatie tussen de pgb-beheerder en de pgb-aanbieder; e. er geen sprake is van is van belangenverstrengeling tussen de pgbbeheerder en de pgb-aanbieder. f. er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd; 16

g. hij de belangen van de cliënt voldoende kan behartigen zoals omschreven in artikel 10.1 lid 2; h. hij de aan een pgb verbonden taken kan uitvoeren zoals omschreven in artikel 10.1. lid 2. 4. Een cliënt krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om een pgb-beheerder aan te dragen. Indien geen geschikte pgb-beheerder wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een pgb worden afgewezen.

Paragraaf 10.4 pgb niet mogelijk 1. Het college weigert een pgb te verstrekken als het college eerder een beslissing heeft herzien of ingetrokken omdat: a. de cliënt of zijn pgb-beheerder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt of zijn pgb-beheerder niet heeft voldaan aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden; c. de cliënt of zijn pgb-beheerder het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 2. Het college verstrekt geen pgb als: a. er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 1.3. b. het een pgb behandeling binnen het informele netwerk van de cliënt in het kader van jeugdhulp betreft. c. deze dient als inkomstenderving voor (boven)gebruikelijke hulp die geboden wordt binnen het eigen huishouden of het sociale netwerk. d. de cliënt of zijn gewenste pgb-beheerder ongeschikt wordt geacht op basis van de voorwaarden paragraaf 10.3 lid 2. 3. Het college verstrekt geen pgb voor vervoer als de cliënt in deze behoefte kan voorzien door gebruik te maken van het collectief vervoer. 4.

Het college verstrekt geen pgb voor zover deze is bedoeld voor bemiddelingsof administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de pgb-beheerder. 5. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een pgb-aanbieder die fraude heeft gepleegd. 6. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een zorgverlener indien er twijfels zijn over de integriteit van de zorgverlener, wat zich in ieder geval voordoet indien de zorgverlener: a. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; b. verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c. bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; e. er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk

17

samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; f. zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie. 7. Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: a. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt en/of zijn pgbbeheerder problemen zal hebben bij het omgaan met een pgb; b. er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het verleden; c. er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking. Paragraaf 10.5 Hoogte pgb 1. De hoogte van een pgb, niet zijnde beschermd wonen, wordt vastgesteld op basis van het pgb-plan, het te bereiken resultaat (doel) of het aantal geïndiceerde uren dan wel een tijdeenheid naar rato daarvan of het aantal geïndiceerde dagdelen of etmalen in natura. 2. De hoogte van het pgb bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate oplossing, tenzij de cliënt aantoont dat met het toe te kennen pgb de geïndiceerde maatwerkvoorziening niet kan worden ingekocht. 3.

De gedifferentieerde tarieven voor hulpverleners zijn opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten (all-in tarief). 4. Het college kan een pgb, welke betrekking heeft op een periode voorafgaande aan de aanvraag weigeren, tenzij: a. het college vaststelt dat de aanvraag niet eerder ingediend kon worden; b. en de cliënt aantoont verplichtingen met derden te zijn aangegaan die onherroepelijk zijn; c. en het college tot het oordeel komt dat de verleende ondersteuning noodzakelijk is. 5. Voor de goedkoopst passende bijdrage hanteert het college gedifferentieerde maximumtarieven die zijn afgeleid van de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde diensten heeft ingekocht: a. 90% voor een daartoe opgeleide professional in dienst van zorgaanbieder; b. 75% voor een professional die werkzaam is als zelfstandig werkend ondernemer of via een arbeidsovereenkomst; c. 50% voor personen uit het sociaal netwerk, indien er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. d. voor personen uit het sociaal netwerk, indien er wel sprake is van een arbeidsovereenkomst, geldt als ondergrens de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren als het gaat om hulp uit het sociaal netwerk. e. Het tarief uit lid 5d.

is ook van toepassing op personen die niet uit het sociale netwerk komen, maar ook niet voldoen aan het bepaalde in lid 5a en 5b.

18

f.

de tegemoetkoming voor een hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 bedraagt maximaal € 141,-- per kalendermaand, voor zover van toepassing aangevuld met een tegemoetkoming voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten ten behoeve van de hulp overeenkomstig de door het college daarvoor vastgestelde bedragen. 6. In het door het college jaarlijks vast te stellen Financieel besluit wordt per ondersteunende dienst een omschrijving en daarbij behorend tarief opgenomen. Uitgangspunt is het tarief waarvoor de desbetreffende dienst in natura is ingekocht. 7. De hoogte van het pgb voor woonvoorzieningen en hulpmiddelen bedraagt in ieder geval niet meer dan het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende bijdrage waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten en is toereikend voor het inkopen daarvan. De hoogte van het pgb voor het gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer wordt vastgesteld op bedragen op jaarbasis. Daarbij geldt dat het pgb toereikend is voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Het college kan op het jaarbedrag dan ook een korting toepassen indien sprake is van: a. verblijf in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg; b. een samenvallende vervoersbehoefte; c. een beperkte (zelfstandige) vervoersbehoefte; d.

andere aanwezige vervoersvoorzieningen of vervoersmogelijkheden. 8. Het college stelt het pgb voor een woningaanpassing vast op basis van een programma van eisen. Daarbij kan het college bijkomende noodzakelijke kosten in aanmerking nemen. 9. Het college kan de hoogte van het pgb vaststellen op basis van een offerte indien de geïndiceerde maatwerkvoorziening waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten niet valt binnen het assortiment van gecontracteerde aanbieders 10. Het college stelt nadere regels over de omvang van de budgetperiode van hulpmiddelen. 11. a. De hoogte van het pgb voor beschermd wonen vloeit voort uit het voor de cliënt van toepassing zijnde zorgarrangement. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het aantal geïndiceerde uren, het geldende uurtarief zoals bedoeld in sub. b van dit artikel en het pgb-plan; b. De hoogte van het pgb-uurtarief voor professionals in dienst van een instelling wordt gebaseerd op de tarieven zoals vastgesteld bij de inkoop van zorg in natura (ZIN); c. Het pgb-uurtarief bedraagt 90% van het uurtarief ZIN. Jaarlijks worden deze tarieven geïndexeerd conform de inkoopafspraken zoals gehanteerd bij de inkoop van ZIN (Beschermd Wonen) en door het college vastgesteld in het financieel besluit; d.

Indien sprake is van overgangsrecht geldt een tarief van 75% van het van toepassing zijnde zorginstellingstarief; e. Het werkelijk toe te kennen pgb wordt afgestemd op de ondersteuningsbehoefte, dat volgt uit het plan van aanpak en de hiermee samenhangende kosten.

19

Paragraaf 10.6 Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de budgethouder: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c, is sprake van informele hulp.

Artikel 11. Opschorting, beëindiging en wijziging 1. Het college kan een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel (uitbetaling van) pgb geheel of gedeeltelijk beëindigen, dan wel de inzet (levering) daarvan tijdelijk geheel of gedeeltelijk (laten) opschorten indien: a. niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld op grond van de wet of bij of krachtens de verordening; b. de cliënt wordt opgenomen of gaat wonen in een instelling, tenzij dat gebeurt in het kader van de te bieden jeugdhulp of ondersteuning op grond van de Wmo; c. de cliënt of zijn vertegenwoordiger(s) zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan de maatwerkvoorziening of de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het toegekende pgb; d. de cliënt is overleden; e. de gemeente Woudenberg op grond van het woonplaatsbeginsel niet meer verantwoordelijk is voor het bieden van (jeugd)hulp.

Artikel 11a. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b. 3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. 20

Artikel 11.b Herziening of intrekking 1. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo doet cliënt of diens vertegenwoordiger onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten. 2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een beslissing aangaande een voorziening geheel of gedeeltelijke herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt naar het oordeel van het college niet langer op de voorziening, of op het pgb is aangewezen; c. de voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt langer dan vier weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Zorgverzekeringswet; e. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb; f. de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 3.

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4. Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken indien blijkt dat de jeugdige niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit een dienstverleningsovereenkomst.

Artikel 11c. Terugvordering en verrekening 1. Het college kan nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening, tegemoetkoming meerkosten dan wel pgb is herzien of ingetrokken: a. het ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb terugvorderen; b. geheel of gedeeltelijk de geldswaarde van een maatwerkvoorziening in natura terugvorderen; c. de ten onrechte ontvangen tegemoetkoming terugvorderen 2. Het college kan de kosten van de maatwerkvoorziening, het pgb of de tegemoetkoming meerkosten terugvorderen in geval van een onverschuldigde betaling. 3. De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn. De hoogte van het na verrekening resterende (periodieke) bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie. 4. Voor zover sprake is van de wettelijke terugvorderingsbepaling kan het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. Dat geeft een executoriale titel. Bij andere terugvorderingsgronden moet de invordering langs civielrechtelijke weg plaatsvinden. 5. Het college maakt gebruik van de in de Zorgovereenkomst SVB opgenomen derdenbeding, wanneer sprake is van toerekenbaar tekortschieten van de pgb zorgaanbieder, ook als de budgethouder niets te verwijten valt.

21

Artikel 11d. Fraudepreventie en controle 1. Het college zet in op fraudepreventie. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college cliënten en diens wettelijk vertegenwoordigers informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. 2. Het college beoordeelt, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van de pgb’s conform het pgb-plan. Tevens beoordeelt het college of de pgb-houder en/of cliënt nog voldoet aan de criteria om voor een pgb in aanmerking te komen. 3. Fraude of vermoedens van fraude worden afgehandeld volgens het vigerende fraudebeleidskader. 4. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van de Wmo, waaronder wordt begrepen de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en (onterecht) niet-gebruik van de Wmo.

Hoofdstuk 3

Voorzieningen

Artikel 12. Algemene voorzieningen 1. Een algemene voorziening op het gebied van ondersteuning en dienstverlening die wordt aangeboden door maatschappelijke organisaties en door de markt vrij toegankelijk is voor iedere inwoner van de gemeente Woudenberg. 2. Een algemene voorziening kan zich richten op collectief vervoer, collectieve of individuele begeleiding, dagbesteding en voorzieningen gericht op preventie van en ondersteuning bij opvoed- en opgroeivragen. Algemene voorzieningen bestaan onder andere uit: a. Voorzieningen gericht op ondersteuning bij opvoed- en opgroeivragen b. Voorzieningen gericht op (sociale) participatie van jeugdigen c. Voorzieningen gericht op (mentale) weerbaarheid in de sociale basisstructuur d. Voorzieningen gericht op een positieve gezondheid van jeugdigen e. Voorzieningen gericht op cultuur, sport en bewegen van jeugdigen f. Sociaal Team voor hulpverlening bij opvoed- en opgroeivragen. 3. Om vast te stellen of een cliënt behoort tot de doelgroep kan het college een lichte toegangstoets uitvoeren. 4. Een lichte toegangstoets kan ook worden uitgevoerd door de aanbieder van de algemene voorziening. 5. Collectieve voorzieningen gaan voor op individuele voorzieningen.

Artikel 13. Maatwerkvoorzieningen: vormen van jeugdhulp 1. De volgende vormen van niet vrij-toegankelijke jeugdhulp zijn beschikbaar: a. Hulp voor jeugdigen vanuit de ondersteuningsstructuur van de school. b. Hulp voor jeugdigen met (ernstige) opvoed- en opgroeiproblemen die niet preventief of door Coöperatie De Kleine Schans geboden kan worden; c. Hulp voor jeugdigen met psychische klachten of stoornissen (voorkomen, behandelen, stabiliseren, genezen); d. Hulp voor jeugdigen met een verstandelijke beperking; e. Begeleiding en persoonlijke verzorging jeugdigen; f. Respijtzorg/logeren. 2. Hulp die vanuit de ondersteuningsstructuur van de school wordt aangeboden is voorliggend aan andere vormen van jeugdhulp; mits passend. 22

3. Hulp die collectief aangeboden kan worden is voorliggend aan jeugdhulp die individueel aangeboden wordt; mits passend. 4. Het college kan nadere regels vaststellen over welke overige en maatwerk voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Artikel 14. Maatwerkvoorzieningen: vormen van Wmo 1. De volgende vormen van (individuele) niet vrij-toegankelijke Wmo ondersteuning zijn beschikbaar: a. Dagactiviteit, vervoer en begeleiding b. Hulp bij het huishouden c. Respijtverblijf in een instelling d. Ondersteuning bij het wonen e. Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer f. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang 2. Het college verleent een maatwerkvoorziening gericht op ondersteuning bij deelname aan het maatschappelijk verkeer zijnde een kortingspas (gebruikerspas) Regiotaxi – Collectief vraagafhankelijk vervoer, waarvoor de cliënt een ritbijdrage is verschuldigd voor het zich lokaal (15 tot 20 km rondom de woning) kunnen verplaatsen. 3. Bij de toekenning van hulpmiddelen die ten doel hebben zich buitenshuis te verplaatsen (zoals bijvoorbeeld een driewielfiets of een scootmobiel) is het een vereiste dat er een brandveilige stallingsplek voor dit hulpmiddel beschikbaar is conform het besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). 4. Het college kan nadere regels vaststellen over welke overige en individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Artikel 15. Maatwerkvoorzieningen: vormen Participatiewet en IOAW/IOAZ 1. Ondersteuning bij arbeidsinschakeling kan bestaan uit praktische hulp, advies, doorverwijzing naar andere organisaties of uit het aanbieden van één of meerdere voorzieningen die gelijktijdig of achtereenvolgend ingezet kunnen worden. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan aan de cliënt voorzieningen aanbieden ter ondersteuning bij arbeidsinschakeling in de vorm van onder andere: a. werkervaringsplaats; b. sociale activering; c. scholing; d. ondersteuning bij aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt; e. participatievoorziening beschut werk; f. persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen; g. proefplaatsing h. loonkostensubsidie; i. werkvoorzieningen; j. ondersteunende instrumenten, waaronder de eigen bijdrage voor kinderopvang, schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen, taalen beroepsgerichte scholing, nazorg etc; 3. k. Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de re-integratie, zoals: a. jobcoaching; b. vervoersvoorziening; c. noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap; 23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/3277/documents/70394