B06 - Landschappelijk inpassingsplan H2XP Woensdrecht
Tekst van het document
Landschappelijk inpassingsplan groene waterstofinstallatie Leidingstraat in Woensdrecht.
Bas Koppers Leendert de Bruin 19 september 2025
~1~
Inhoud 1. Afsprakenkader kwaliteitsverbetering van het landschap, regio West-Brabant ..........................3 2. Landschapsbeschrijving ...............................................................................................................7 4. De locatie ...................................................................................................................................10 5. Landschappelijke inpassing .......................................................................................................10 6. Onderhoud..................................................................................................................................13 7. Financiële bijdrage groenfonds ..................................................................................................13
~2~
1. Afsprakenkader kwaliteitsverbetering van het landschap, regio West-Brabant De locatie van de groene waterstofinstallatie bevindt zich aan de Leidingstraat 11 te Woensdrecht. De provincie Noord-Brabant en de regio West-Brabant hebben gezamenlijk eenduidige afspraken gemaakt met betrekking tot de toepassing van het principe Kwaliteitsverbetering van het landschap, deze zijn vastgelegd in het ‘Afsprakenkader kwaliteitsverbetering van het landschap, regio West-Brabant, 2014; aangevuld met de Uitgangspuntennotitie van 2022’. Dit principe vindt zijn oorsprong in de Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie NoordBrabant en de Verordening ruimte. Het principe voor kwaliteitsverbetering van het landschap is in principe van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied zoals aangegeven in de provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant artikel 5.11. Het afsprakenkader geeft aan hoe de gemeenten in de regio West-Brabant toepassing geven aan artikel 5.11 van de provinciale omgevingsverordening. Het kader biedt:
een eenduidig regionaal beleidskader en methodiek voor de WestBrabantse gemeenten, met uitzondering van de gemeente Steenbergen, met instemming van de provincie Noord-Brabant; duidelijkheid over hoe aan het principe Kwaliteitsverbetering van het landschap uitvoering gegeven kan worden in te ontwikkelen bestemmingsplannen in overeenstemming met de Verordening ruimte; de mogelijkheid tot maatwerk. Voor gemeenten is het mogelijk om de ‘couleur locale’ te behouden.
Het afsprakenkader biedt duidelijkheid voor het grootste gedeelte van de buitenstedelijke ruimtelijke ontwikkelingen. In het afsprakenkader is opgenomen of en welke vorm van kwaliteitsverbetering van toepassing is bij ontwikkelingen, aan de hand van een drietal categorieën. Artikel 5.11 stelt dat elke ruimtelijke ontwikkeling, buiten het “bestaand stedelijk gebied” gepaard moet gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap.
~3~
Onder kwaliteitsverbetering wordt verstaan: landschappelijke inpassing (van bebouwing), toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land, activiteiten gericht op behoud of herstel van cultuurhistorische waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding, slopen van bebouwing, een fysieke bijdrage aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Ook voorzieningen ten behoeve van extensieve recreatie, extra investeringen in beeldkwaliteit en watergerelateerde elementen, zoals poelen, worden als kwaliteitsverbetering van het landschap gezien. Groen- of landschappelijke structuren die onderdeel uitmaken van een stedelijke uitbreiding/ontwikkeling of de inrichting van (recreatieve) bedrijfspercelen worden hier niet toe gerekend. Landschappelijke inpassing van deze gebieden en terreinen in het buitengebied wel. De regio West-Brabant meent dat het begrip "elke ruimtelijke ontwikkeling" genuanceerd moet worden op basis van de ruimtelijke invloed die een beoogde ruimtelijke ontwikkeling heeft op de omgeving. Deze invloed wordt onder meer bepaald door:
de omvang van de ontwikkeling (is daarvoor vergroting bestemmingsvlak of bouwvlak nodig); nieuw ruimtebeslag of wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing; de aard van de locatie en de omgeving; de aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving (verkeersaantrekkende werking, geluid, milieucategorie); het onderscheid in een (traditionele) gebiedseigen, of gebiedsvreemde ontwikkeling; de “gewenstheid” van een ontwikkeling vanuit een (sectorale) beleidswens
De voorgenomen ontwikkeling is voor wat betreft de omvang vergelijkbaar met de bestaande situatie. Het bestemmingsvlak en het bouwvlak worden niet gewijzigd. De bestaande stallen worden afgebroken en hiervoor komen gebouwen terug. Het beeld blijft na de ontwikkeling vergelijkbaar ten opzichte van de huidige situatie. De bestaande groenelementen, zoals opgenomen op de verbeelding, blijven gehandhaafd en worden versterkt.
~4~
Figuur 1 Luchtfoto 27-3-2020
Figuur 1 Bestaande situatie
Figuur 2 Digitale verbeelding waterstofproductie-installatie
De aard van de locatie en de omgeving is momenteel agrarisch, waar een intensieve veehouderij is gevestigd. Dit wijzigt naar een bedrijfsmatige bestemming voor een waterstofproductie-installatie. Dat lijkt een gebiedsvreemde ontwikkeling. In het gebied zijn echter verschillende initiatieven ontplooit voor ontwikkeling van zonnevelden. Deze wekken duurzame
~5~
elektriciteit op die aangewend kan worden om groene waterstof te maken. Dit verkleint de congestierisico’s op het teruglevernet, waardoor investeringen in geld en ruimte voor uitbreiding van hoogspanningsstations minder noodzakelijk zijn. Bovendien lopen de voor waterstof benodigde infrastructuur (waterleiding en waterstofleidingen) direct langs het perceel. Dit maakt de ontwikkeling wel gewenst en van toegevoegde waarde. Vanwege de wijziging naar een bedrijfsmatige bestemming is dit initiatief, overeenkomstig het Afsprakenkader, geschaard onder categorie 3. Dit betreft ‘Alle ruimtelijke ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via met name een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie (1 of 2)’. Een ontwikkeling in categorie 3 hebben een beduidende invloed op de omgeving, waarbij vergroting van de geldende bouwmassa/-oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsvlak en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Grootschalige ontwikkelingen, dan wel niet aan het buitengebied gerelateerde ontwikkelingen, moeten voldoen aan een kwaliteitsverbetering van het landschap van 20% van de bestemmingswinst, of een compensatie die dezelfde waarde vertegenwoordigt.
Na onderstaande landschapsbeschrijving beschrijven we hoe met dit initiatief wordt voldaan aan een kwaliteitsverbetering van het landschap, conform categorie 3.
~6~
2. Landschapsbeschrijving De locatie voor de nieuwe groene waterstofinstallatie ligt in de polder NieuwHinkelenoord, die in 1787 is drooggelegd.
Figuur 2 Situatie 1787
Het landschap is zeer open, de polders zijn sinds jaar en dag in gebruik voor akkerbouw. De oude dijken zijn vaak voorzien van bomenrijen, die structuur aan het landschap geven. Rondom boerderijen is van oudsher opgaande beplanting, geriefhout en dergelijke aangeplant. De bodem bestaat uit kalkrijke poldervaaggronden. De aanleg van de A4 heeft geleid tot een scheiding in de polder. De weg die tot de aanleg in de jaren 90 van de vorige eeuw langs het erf van oost naar west liep is daarmee komen te vervallen. Daar zijn in het huidige maaiveld geen restanten meer van te zien, ook de wegbegeleidende sloten zijn uit het landschap verdwenen. Zie afbeeldingen hieronder:
~7~
Figuur 4 Situatie rond 1975, de weg langs het erf is nog aanwezig
Figuur 3 Situatie medio 20ste eeuw
Figuur 4 Situatie heden
~8~
3. Ecologie Het gebied grenst niet direct aan natuurgebieden. De A4 is een flinke barrière tussen het plangebied en de houtwallen en houtsingels ten oosten van de A4
Figuur 5 Natuurnetwerk Noord-Brabant
Aan de westkant zijn er op enige afstand dijken met botanische grasland.
Figuur 6 Natuurnetwerk Zeeland
~9~
4. De locatie De bouwkavel is voor een kwart in gebruik als woongedeelte en driekwart is in gebruik ten behoeve de varkenshouderij. Rondom het bebouwde deel van de kavel is een houtsingel aangebracht aan de zuid en oostkant, aan de noordkant is een elzensingel aangeplant. Deze zorgen ervoor dat de stallen mooi in een groen omlijsting staan en niet zichtbaar is. Aan de voorkant loopt een dijk. Van de weg die aan de voet van de dijk loopt is de bebouwing nog net te zien, deze wordt gefilterd door de bomenrij die op de dijk is aangeplant. Aan de kant van het woonhuis zijn 4 bassins gegraven die als waterberging fungeren, voor het regenwater dat van de bijgebouwen komt. Verder is er een kleine boomgaard met hoogstamfruit aan de zuidkant van het woonhuis. De voortuin is als siertuin ingericht, en bestaat voornamelijk uit gazon, hagen en heesterborders. Aan de zuidkant en oostkant van de kavel en het achterliggende perceel loopt er een grenssloot tot aan de A4, de oostelijke begrenzing van de kavel. Dit achterliggende perceel is in gebruik als landbouwgrond en kan deels worden ingezet ten behoeve van de landschappelijke inpassing en of waterberging.
5. Landschappelijke inpassing De landschappelijke inpassing is gebaseerd op de provinciale Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap en de uitwerking hiervan voor de regio West-Brabant (notitie Afsprakenkader kwaliteitsverbetering van het landschap, regio West-Brabant, 2014; aangevuld met de Uitgangspuntennotitie van 2022). Overeenkomstig deze notitie is het initiatief geschaard onder categorie 3. Dit betreft ‘Alle ruimtelijke ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via met name een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie (1 of 2)’. Een ontwikkeling in categorie 3 hebben een beduidende invloed op de omgeving, waarbij vergroting van de geldende bouwmassa/-oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsvlak en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Grootschalige ontwikkelingen, dan wel niet aan het buitengebied gerelateerde ontwikkelingen, moeten voldoen aan een kwaliteitsverbetering van het landschap van 20% van de bestemmingswinst, of een compensatie die dezelfde waarde vertegenwoordigt. In de bijlagen is een nadere invulling van de benodigde kwaliteitsverbetering onderbouwd. De positie van het complex achter de met bomen beplante dijk zorgt ervoor dat de installatie slechts deels en gefilterd zichtbaar is vanaf de openbare weg.
Aan de oostkant loopt de A4 op een afstand van meer dan 250 meter van de
~ 10 ~
toekomstig achtergevel van de gebouwen. Visueel is dat een aanzienlijke afstand.
Figuur 7 aanzicht groenstrook voorzijde
Figuur 8 Overzicht groenstroken rondom het perceel
~ 11 ~
Houtsingel Rondom de bebouwing is in met de bouw van de varkensstallen aan de zuid- en oostzijde een houtsingel aangeplant. Aan de noordzijde staat een elzenhaag. Deze beplanting rondom de bouwkavel zorgt dat er een duidelijk erfafscheiding is die een heldere overgang tussen de velden en de bebouwing markeert. De opgaande beplanting kan gezien worden als stepping stone voor kleine zoogdieren en vogels, die zich kunnen verschuilen, nestelen en voeden door het gevarieerde aanbod van beplanting erin. Daarnaast fungeert het als windbreker en het zorgt voor beschutting op het erf, ook zorgt het ervoor dat de bebouwing een groen omlijsting krijgt en deze daarmee visueel verzacht. Deze beplanting blijft in zijn geheel in stand en wordt op kleine schaal zo nodig aangevuld. De houtsingel wordt, als onderdeel van de landschappelijke inpassing, her en der, versterkt. Dit gebeurt door open plekken in de aanvullende te beplanten met hagen, inheemse bomen en struiken. Waterberging In de zuidoosthoek van het perceel en het naastgelegen perceel wordt een waterberging gegraven van 927 m3 (2538 m2 bij een diepte van 0,40 meter) water kan bergen. Deze zorgt voor infiltratie van hemelwater in de bodem. Bij grote regenval realiseert deze een vertraging van regenwaterafvoer naar het openbare water, waardoor de druk op het omliggende watersysteem vermindert.
Deze zone zal een overwegend drassig karakter hebben en dit biedt ruimte voor planten en insecten die belang hebben in een overgangszone tussen water en land. De wadi is ontworpen om een aantrekkelijk habitat te vormen voor insecten, kleine zoogdieren en amfibieën Door de bodem van de wadi licht af te laten lopen stroomt het water naar het laagste punt. De bodem is doorlatend door aanwezig zand of aangebracht grind. De bodem ligt boven het gemiddeld hoge grondwaterpeil (GHG). Waterminnende, inheemse planten zoals lisdodde, rietgras en dotterbloem, zorgen voor een aantrekkelijke omgeving voor insecten en daarmee voor een groei in biodiversiteit.
Figuur 90 Plottekening
~ 12 ~
6. Onderhoud Het struweel wordt als volgt onderhouden: De noordzijde betreft een elzenhaag, deze dient elke drie jaar geschoren te worden om deze als zodanig in stand te houden. De Oostzijde is een houtsingel met boomopstanden. De heesters dienen iedere zes jaar teruggezet te worden. Ook wordt om ieder jaar een zesde van dit deel terug te zetten, zodat de functie voor biodiversiteit en landschappelijke inpassing intact blijft. De bomen hebben behalve het uitzagen van dode takken, om gevaar voor mens, dier en installatie te voorkomen geen specifiek onderhoud nodig. Het is aan te raden om eens in de 5-10 jaar de bomen te checken op hun gezondheid en indien nodig maatregelen te nemen. Op het erf zijn enkele hagen, deze dienen twee keer per jaar geschoren te worden. De overige houtsingels dienen net zo behandeld te worden als de heesters in het oostelijk vak. Een keer per zes jaar terugzetten van een zesde van de singel. Voor een biodivers en duurzaam functionerende wadi gelden de volgende ecologische beheerrichtlijnen: - Maaien van zoomvegetatie: maximaal 2× per jaar (juni/juli en september), maaisel afvoeren. - Bodemzone: alleen maaien indien dichtgroei of verstikking dreigt (om de 2–3 jaar). - Geen bemesting of bestrijdingsmiddelen toepassen. - Geen zware machines gebruiken in de natte zone.
- Monitoring op ontwikkeling: controle op vestiging gewenste soorten en verwijderen exoten. - Overweeg bij te planten na 2 jaar indien soorten onvoldoende zijn aangeslagen.
7. Financiële bijdrage groenfonds De versterkende elementen in de houtsingel en de wadi en het onderhoud ervan zijn niet voldoende om te voldoen aan de gestelde voorwaarde in categorie 3 van het Afsprakenkader (een kwaliteitsverbetering van het landschap van 20% van de bestemmingswinst). De resterende benodigde kwaliteitsverbetering wordt dan ook gestort in het gemeentelijke groenfonds. De datum van de betaling van de netto investering wordt vastgelegd in een privaatrechtelijk overeenkomst voor verstrekken van de BOPA.. De onderbouwing hiervan is opgenomen in de bijlage.
~ 13 ~