CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

A Veenbes1-Huijbergen-nw3-2022.pdf

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente woensdrechtBij agendapunt: Vaststellen gewijzigde grondexploitatie Bergsestraat – Sportpark Huijbergen6.048 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICK SCAN FLORA EN FAUNA

Veenbes 1, Huijbergen

Datum

: 19 december 2022

Rapportnummer

: 222-HVe1-nw-v3

Koolweg 64 5759 PZ Helenaveen Tel: 0493-539803 E-mail: mena@m-en-a.nl NL46 INGB 0007735427 KvK: 67445519

Project

: Quick scan flora en fauna in de omgeving Veenbes 1 te Huijbergen

Opdrachtgever

: Gemeente Woensdrecht

Datum rapport

: 19 december 2022

Van toepassing zijnde certificaat Van toepassing zijnde protocollen Nummer certificaat

: NEN-EN-ISO 9001, 2015 : -: EC-KWA-00044

Projectleider Collegiale toets

: Dhr. Ir. W.A. van Aerle : Mevr. Ing. A. van der Vleuten

Voor akkoord: W.A. van Aerle

Voor akkoord: A. van der Vleuten

Inhoud INHOUD.......................................................................................................................... 2 1.

INLEIDING ........................................................................................................... 3

2.

LOCATIEBESCHRIJVING ................................................................................... 4

3.

JURIDISCHE UITGANGSPUNTEN ..................................................................... 5 3.1. 3.2. 3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.3.

4.

Wet Natuurbescherming ............................................................................................. 5 Bepalingen in de Wet Natuurbescherming(verkort) ..................................................... 5 Beschermingsmaatregelen algemeen ......................................................................... 5 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn ................................................................ 5 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn .............................................................. 6 Aanwijsbeschikking..................................................................................................... 6

INVENTARISATIE................................................................................................ 7 4.1 Algemeen ................................................................................................................... 7 4.1.1. Mogelijke relevante soorten .......................................................................................... 7 4.2 Soortgroepen .............................................................................................................. 7 4.2.1. Planten ......................................................................................................................... 7 4.2.2. Vogels .......................................................................................................................... 8 4.2.3. Zoogdieren ................................................................................................................... 9 4.2.4. Vleermuizen ................................................................................................................. 9 4.2.5. Insecten...................................................................................................................... 13 4.2.6. Reptielen .................................................................................................................... 13 4.2.7.

Amfibieën ................................................................................................................... 14

5.

ANALYSE .......................................................................................................... 16 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5.

Vogelrichtlijn ............................................................................................................. 16 Habitatrichtlijn ........................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Brabant ............................................................................................. 17 Effectenbepaling ....................................................................................................... 19 Zorgplicht en aanbevelingen ..................................................................................... 19

6

LITERATUUR..................................................................................................... 20

7

SAMENVATTING ............................................................................................... 21

Bijlage 1 : Beschermde soorten Wet Natuurbescherming Bijlage 2 : Foto's onderzoekslocatie en omgeving Bijlage 3 : Inrichtingstekening incl te kappen bomen Bijlage 4 : Situatietekening en luchtfoto Bijlage 5 : Natuurnetwerk Noord Brabant

2

1. Inleiding Gemeente Woensdrecht heeft het voornemen om het sportcomplex te Huijbergen te reconstrueren. Op 20 oktober 2022 is aan M&A Omgeving BV opdracht verleend voor de beoordeling te geven of de werkzaamheden kunnen worden gerealiseerd zonder in conflict te komen met de wet Natuurbescherming. Het rapport is onderverdeeld in een aantal hoofdstukken. Per hoofdstuk zal een bepaald aspect worden behandeld. Deze aspecten zijn nodig om een objectief oordeel te geven of de voorgenomen werkzaamheden in strijdt zijn met de wet Natuurbescherming. In hoofdstuk 2 wordt in het kort behandeld; de ligging van de locatie, een globale werkbeschrijving en de aangetroffen soorten. In hoofdstuk 3 worden de juridische uitgangspunten besproken. De relevante bepalingen van de wet Natuurbescherming zijn samengevat weergegeven. De relevante delen uit de aanwijsbeschikking zijn beschreven. Hiermee is het beoordelingskader voor de toetsing geschetst. De relevante bepalingen van de wet Natuurbescherming worden beschreven alsook het toetsingskader dat in dit rapport wordt gebruikt. In hoofdstuk 4 wordt de flora en fauna van het gebied beschreven. Dit is een compilatie van gegevens uit literatuur en resultaten van het veldbezoek. Per soort is zo goed mogelijk aangegeven op welke wijze de vermelding van de soort als voorkomend of mogelijk voorkomend tot stand is gebracht.

In hoofdstuk 5 is een analyse gemaakt van de invloed van de werkzaamheden op de (beschermde) flora en fauna. Tevens wordt ingegaan op de zorgplicht ten aanzien van de natuurwaarden op het terrein.

3

2. Locatiebeschrijving Op de locatie zijn de voetbalvelden van voetbalvereniging Vivoo gesitueerd. Rond de velden zijn bomen aanwezig die destijds zijn aangebracht om als inpassing in de omgeving te dienen. Op onderstaande luchtfoto is de locatie aangegeven.

Figuur : Luchtfoto Veenbes 1 in Huijbergen met locatie voetbalvelden

4

3. Juridische uitgangspunten 3.1.

Wet Natuurbescherming

Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. In deze wet zijn drie wetten verenigd die voorheen de aanwezige natuur, flora en fauna en bossen in Nederland beschermde. Het doel van de Wet Natuurbescherming is een integraal en vereenvoudigd wettelijk kader voor het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en ter uitvoering van richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206), richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving. De uitvoering van de Wet Natuurbescherming is een taak van de Provinciën die daarvoor zijn gemandateerd. Per provincie is er een verordening opgesteld die deze taken reguleert. In de provinciale verordening zijn beleidsvrijheden vastgesteld en deze kunnen per provincie verschillend zijn. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving, voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’ principe. Dat betekent dat alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten in principe verboden zijn.

3.2.

Bepalingen in de Wet Natuurbescherming(verkort)

3.2.1. Beschermingsmaatregelen algemeen o o

o

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

3.2.2. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn o o o

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 5

o

Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

o Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

3.2.3. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn o o o o o

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

3.3.

Aanwijsbeschikking

Het meest nabij gelegen is het gebied de Brabantse Wal. Bij de aanwijzing behoort een toelichtende nota waarin de begrenzing is aangegeven alsmede de redenen van aanwijzing. Deze waarden vormen de formele instandhoudingdoelstellingen. “De Brabantse Wal bestaat uit diverse gebieden die op het grensgebied van het Brabantse hogere zandlandschap en de Zeeuwse kleilandschap van de delta liggen. Het meest westelijke deel van het Kempense Plateau eindigt hier in een hoge steilwand. Loodrecht op deze steilwand bevinden zich enkele beekdalen. Op de Brabantse wal komen meerdere stuifzandgebieden voor, behalve relatief recente stuifduinen betreft het hier ook veel oudere rivierduinen, die zijn ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd. De Mattemburgh is een oud landgoed op de overgang van de Brabantse Wal naar de jonge zeeklei van de Oosterschelde. Door de gradiëntrijke ligging is er een grote biologische rijkdom. Op de Woensdrechtse Heide wordt stuifzand, naaldbos en gemengd bos aangetroffen. De Wouwse Plantage is een oud landgoed met gemengde bossen, landbouwgronden, een relict van een zandverstuiving en lange beukenlanen in de vorm van een ster. Zoomland is ontstaan uit vier zeventiende-eeuwse landgoederen. Het landgoed is opgebouwd uit gevarieerde gemengde bossen, wei- en bouwland, heide met eikenstrubben dichtgegroeid stuifzand en moeras.

Kortenhoef bestaat uit natuurlijk bos en heidelandschap op voormalig landgoed. Het noordelijke deel van het landgoed Grote Meer bestaat uit licht geaccidenteerde zandgronden met daarop plantages van voornamelijk naaldhout met hier en daar stukjes landbouwgrond en enkele natuurlijke vennen: het Groote Meer, Kleine Meer en het Zwaluwmoer. De zuidelijke helft bestaat uit dennenbos, heide en zandverstuivingen.”

6

4. Inventarisatie 4.1 Algemeen 4.1.1. Mogelijke relevante soorten Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 27 oktober 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving, beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van de aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten.

4.2 Soortgroepen 4.2.1. Planten Bureaustudie Alvorens het onderzoek ter plaatse op te starten is er vooronderzoek gedaan om vast te stellen van welke soorten de aanwezigheid bekend is in de omgeving van het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van de NDFF, verspreidingsatlassen en waarneming.nl. Volgens de diverse bronnen kunnen de volgende soorten voor komen op korte afstand van het plangebied: • Drijvende waterweegbree • Knollathyrus • Knolspirea • Wolfskers 7

Veldwerk Onder de Wnb beschermde planten komen voornamelijk voor in voedselarme biotopen met specifieke standplaatscondities. Dit soort locaties worden voornamelijk gevonden in de duingebieden langs de Noordzeekust en in de provincie Limburg. Op basis van de ligging en de aard van de locatie is het onwaarschijnlijk dat er binnen het plangebied beschermde vaatplantsoorten voorkomen. Het veldwerk bestond uit het, ter plaatse, inschatten of er potentiële groeiplaatsen voor beschermde flora in het plangebied aanwezig zijn. Geen van de beschermde soorten is aangetroffen, noch geschikt biotoop dat bewijs zou geven dat deze soort(en) er aanwezig zouden kunnen zijn. 4.2.2. Vogels Bureaustudie Alvorens het onderzoek ter plaatse op te starten is er vooronderzoek gedaan om vast te stellen van welke soorten de aanwezigheid bekend is in de omgeving van het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen, NDFF en waarneming.nl. Volgens de diverse bronnen kunnen de volgende soorten voorkomen op korte afstand van het plangebied: • Boomvalk • Buizerd • Gierzwaluw • Havik • Huismus • Kerkuil • Ooievaar • Ransuil • Roek • Slechtvalk • Sperwer • Steenuil • Wespendief Veldwerk Alle vogelsoorten behoren tot de strikt beschermde soorten. Tijdens het veldonderzoek zijn een aantal inheemse soorten (Koolmezen, Buizerd, Roodborstjes, Zwarte Kraaien, Houtduiven, Vinken) waargenomen.

Tijdens het veldonderzoek in de dagperiode zijn geen verblijfplaatsen / nesten van jaarrond beschermde soorten zoals bijvoorbeeld Huismussen, uilen en Gierzwaluwen waargenomen. Bij de inventarisatie is ook speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten, zoals uitwerpselen en achtergelaten nestmateriaal. Hierbij is ook aandacht besteed aan weide- of struweelvogelsoorten. Deze kunnen in de omgeving (vooral op gras- en akkerland) mogelijk voorkomen. Er zijn in of rondom de locatie geen sporen van verblijf van fauna aangetroffen. Het is mogelijk dat deze wel in de omgeving foerageren, maar de vogels ondervinden hierbij geen verstoring door de bomenkap buiten het vogelbroed-seizoen.

8

4.2.3. Zoogdieren Bureaustudie In de NDFF worden alle soorten uit categorie 1 en 2 benoemd, dus ook de soorten waarvoor door de provincie Noord Brabant vrijstelling is verleend. Deze soorten waarvoor vrijstelling is verleend betreffen onder andere de bosmuis, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree en vos. Volgens de geraadpleegde bronnen kunnen de volgende soorten voorkomen op korte afstand van het plangebied waarvoor geen provinciale vrijstelling is verleend: • Boommarter • Eekhoorn Veldwerk Gedurende het veldbezoek is gezocht naar sporen zoals uitwerpselen en vraatsporen, afgebeten veren of loopsporen van bijvoorbeeld marterachtigen. Deze zijn niet aangetroffen. Door de intensieve bewerking van het terrein voor het sportterrein (o.a. maaien, sproeien, verlichting) is de kans klein op de permanente aanwezigheid van soorten. 4.2.4. Vleermuizen Bureaustudie Vleermuizen kennen verschillende soorten gebiedsfuncties (wijze waarop het plangebied gebruikt kan worden). Het gebiedsgebruik van een vleermuis(soort) wordt daarbij onderverdeeld in verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Alvorens het onderzoek ter plaatse op te starten is er vooronderzoek gedaan om vast te stellen van welke soorten de aanwezigheid bekend is in de omgeving van het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen, NDFF en waarneming.nl.

Volgens de diverse bronnen kunnen de volgende soorten voorkomen op relatieve afstand (1 tot 5 kilometer) van het plangebied: • Gewone Dwergvleermuis • Ruige Dwergvleermuis • Laatvlieger Op de onderstaande kaarten zijn de waarnemingen van de diverse soorten vleermuizen op kaart weergegeven. Uit het bronnenonderzoek blijkt dat er geen verblijfplaatsen in de nabijheid van de onderzoekslocatie bekend zijn.

Gewone dwergvleermuis

Ruige dwergvleermuis

9

Laatvlieger

Veldwerk Het veldwerk bestond uit het, ter plaatse, inschatten of er potentiële verblijfplaatsen, foerageergelegenheid en/of vliegroutes aanwezig zijn. Verblijfplaatsen Inspectie van de bomen rondom het sportcomplex wees uit dat er geen mogelijkheden aanwezig zijn die duiden op een vleermuisverblijf voor boombewonende soorten (er zijn geen holtes, scheuren, loszittende bast of anderszins aangetroffen). Aanvullend onderzoek naar verblijven van boombewonende soorten is niet noodzakelijk. Foerageergebieden Ze foerageren over het algemeen binnen 5 kilometer van hun verblijfplaats. Vaak wordt op een avond/nacht gebruik gemaakt van verschillende foerageergebieden/trajecten die volgens een vaste route worden bereikt. De gekozen jachtlocatie hangt af van het insectenaanbod en weersomstandigheden. Bij bijvoorbeeld harde wind kunnen alternatieve, meer beschutte foerageerlocaties worden gebruikt. De gewone dwergvleermuizen (meest voorkomende soort in bebouwde omgeving) zal de verlichte delen van de stad mijden: het eerste jagen op een avond lijkt bij niet-verlichte objecten plaats te vinden. De gewone dwergvleermuis kent grofweg twee typen foerageergebieden: • Open ruimten ter grootte van circa 1 – 3 volwassen bomen in dichte begroeiing zoals bossen. • Sterk windbeschutte plaatsen langs lineaire hoogopgaande begroeiing of windbeschutte plaatsen langs water.

Hier is het voedselaanbod hoger en de energiekosten om ze te bejagen lager. Hoe hoger de bomen of hoe breder de structuur is, hoe groter het insectenaanbod. Alleen bomenrijen met een porositeit (doorlatendheid) kleiner dan 30% (in midden Nederland) en 10 % (noord en west Nederland) bieden voldoende windbeschutting om te kunnen dienen als foerageergebied. Een foerageergebied is van essentieel belang voor het functioneren van de verblijfplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om de eventuele aantasting ervan op te vangen. De grootte van het jachtgebied van een individu is sterk afhankelijk van het voedselaanbod en bedraagt 0,3 in zeer natte gebieden tot 300 hectare in droge gebieden. Ondanks dat uit bronnen onderzoek blijkt dat er geen vleermuizen in de omgeving zijn waargenomen is het de mogelijkheid dat het gebied wordt gebruikt als foerageergebied. In de onderstaande luchtfoto zijn de mogelijke foerageergebieden in kaart gebracht met een classificering variërend van hoog (rood), gemiddeld (oranje) en laag (geel) op basis van de eisen die worden gesteld conform de kennis documenten van de verschillende vleermuizen.

10

Op basis van de classificering en de tekeningen in bijlage 2 en 3 is te concluderen dat het mogelijk verlies aan foerageergebied zeer beperkt is en geen negatief effect zal hebben op de mogelijk aanwezige vleermuizen. Door de aanleg van nieuwere verlichting en de nieuwe beplanting is het aannemelijk dat het foerageergebied van de eventueel aanwezige vleermuizen zal verbeteren. Essentiële vliegroutes ’s Avonds rond zonsondergang vliegen vleermuizen uit om te foerageren. Dit uitvliegen gebeurt één voor één en kan daardoor, afhankelijk van de grootte van de groep, enige tijd duren. Vervolgens worden beschutte trajecten benut om de foerageergebieden te bereiken. Ze kiezen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en vliegen bij voorkeur uit de wind en uit het licht (straatverlichting, verlichting van gebouwen etc.). Veelal wordt langs deze structuren ook gefoerageerd, het gaat dan bijvoorbeeld om bomenrijen, watergangen met opgaande begroeiing, groene erfafscheidingen, etc. De voorkeur gaat uit naar inheemse boomsoorten omdat zich daar meer insecten rondom verzamelen dan rond uitheemse soorten als plataan. Er zijn niet altijd duidelijke vliegroutes aanwezig. Soms vindt een diffuse verspreiding over de woonwijk en groengebieden plaats en wordt gefoerageerd in tuinen, bomen, bij stedelijk groen, watergangen en dergelijke. 11

Een vliegroute is essentieel wanneer er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de verblijfplaats het betreffende foerageergebied te bereiken dan wel dat er wel een alternatieve vliegroute is, maar het gebruik hiervan kost vergeleken met de originele vliegroute teveel energie (te ver omvliegen of te onbeschut). Aan de vliegroutes worden door de gewone dwergvleermuis (meeste voorkomende soort in bebouwde omgeving) eisen gesteld, wat ondermeer betreft de • hoogte • dichtheid • structuur (enkel, dubbel, overhangend) • aanwezige gaten / onderbrekingen • aanwezige lichtbronnen • hoe ligt de vliegroute ten opzichte van de lijnvorm. Op basis van de boven gestelde eisen zijn de volgende essentiële vliegroutes (zie onderstaande figuur) in de omgeving van het plangebied te definiëren. Door de voorgenomen ingreep worden geen essentiële vliegroutes aangetast.

12

Algemene grondgebonden zoogdieren Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van de sloop van de panden en het (eventueel) wegnemen van groene elementen (als bijvoorbeeld bomen en heesters) alsmede de graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door (bv) het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 4.2.5.

Insecten Bureaustudie Conform de diverse bronnen komt er een beschermde insectensoort (bosbeekjuffer) voor op een afstand van 1 tot 5 km van het plangebied. Uit de verdere literatuurstudie is het niet aannemelijk gebleken dat er in het plangebied beschermde ongewervelden voorkomen. Veldwerk Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het onderzoekslocatie zelf minder geschikt is als onderdeel van het leefgebied van zowel vlinders als libellen, vanwege het ontbreken van waadplanten en water op het perceel. In de omgeving van het onderzoeksgebied is wel een juiste biotoop voor vlinders en libellen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten geconstateerd. 4.2.6. Reptielen Bureaustudie De meeste reptielen houden zich voornamelijk op in geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos-, heide- en veengebieden. Alvorens het onderzoek ter plaatse op te starten is er vooronderzoek gedaan om vast te stellen van welke soorten de aanwezigheid bekend is in de omgeving van het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen, NDFF en waarneming.nl. Volgens de diverse bronnen kunnen de volgende soort voorkomen op korte afstand van het plangebied: • Levendbarende hagedis Veldwerk In het terrein is gekeken naar de geschiktheid van de biotoop voor beschermde reptielen. Heide en hoogveen vormen de voorkeurshabitat van de Levendbarende hagedis.

De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde 13

landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. Er zijn ook enkele waarnemingen bekend uit laagveen. In het plangebied komen geen oevers of vochtige terreindelen voor en is daarom geen geschikt biotoop . Derhalve kan de soort worden uitgesloten. 4.2.7. Amfibieën Bureaustudie Alvorens het onderzoek ter plaatse op te starten is er vooronderzoek gedaan om vast te stellen van welke soorten de aanwezigheid bekend is in de omgeving van het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen, NDFF en waarneming.nl. Volgens de diverse bronnen kunnen de volgende soort voorkomen op korte afstand van het plangebied: • Alpenwatersalamander • Heikikker • Kamsalamander • Poelkikker • Vinpootsalamander

Veldwerk In het terrein is gekeken naar de geschiktheid van de biotoop. Alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris) De soort komt vaak voor in de buurt van bos en/of houtwallen. Hij heeft een voorkeur voor zanderige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. Alpenwatersalamanders leven binnen een afstand tot 300 à 600 mtr. van oppervlaktewater waarin zij zich voortplanten. Het plangebied kent geen geschikt biotoop. Derhalve kan de soort worden uitgesloten. Heikikker (Rana arvalis) De heikikker is een soort die erg kritisch is ten aanzien van zijn habitat. Het habitat waar de heikikker wordt aangetroffen is in zijn algemeenheid te kenschetsen als schraal, ietwat ruig en vochtig. Het bestaat met name uit heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland, maar ook bos en struweel, alles met een hoge grondwaterstand. Waterhabitat is vaak zuur en relatief voedselarm en bestaat uit ondiep, zonbeschenen water. Heidevennen en wateren op hoog- en laagveen zijn de belangrijkste voortplantingswateren. (kennisdocument heikikker, versie 1.0, juli 2017) Het plangebied kent geen geschikt biotoop. Derhalve kan de soort worden uitgesloten.

Kamsalamander (Triturus cristatus) Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Ze komen relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen. Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. In het rivierengebied komt de soort voor in zelden overstromende (laagdynamische) strangen, kleiputten en kolken. Er moet altijd een geschikt voortplantingswater binnen enkele honderden meters, zonder barrières, te bereiken zijn. Het plangebied kent geen geschikt biotoop. Derhalve kan de soort worden uitgesloten.

14

Poelkikker (Pelophylax lessonae) Poelkikkers zijn typische waterkikkers. (kennisdocument poelkikker, versie 1.0, juli 2017) De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Het plangebied kent geen geschikt biotoop. Derhalve kan de soort worden uitgesloten. Vinpootsalamander (Lissotriton helveticus) Vinpootsalamanders worden in Nederland in twee landschapstypen aangetroffen, de heidegebieden op de hogere zandgronden en het heuvellandschap van Zuid-Limburg. . (De reptielen en amfibieën van Nederland, KNNV uitgeverij, Jeroen van Delft et al.) Het plangebied kent geen geschikt biotoop. Derhalve kan de soort worden uitgesloten.

15

5. Analyse 5.1.

Vogelrichtlijn

Figuur 6: Locatie Natura 2000 gebied

De onderzoekslocatie is in de nabijheid van een gebied gelegen waarop de Vogelrichtlijn van toepassing is. Het vogelrichtlijngebied is aangewezen als leefgebied voor diverse soorten zoals aangegeven in de onderstaande tabel.

16

5.2.

Habitatrichtlijn

Het perceel is gelegen binnen een straal van één kilometer van een gebied waarop de Habitatrichtlijn van toepassing is. De habitatgebieden zijn aangewezen voor in de onderstaande tabellen weergegeven habitattypen en soorten.

Omdat de onderzoek locatie is gelegen op ruime afstand van een aangewezen gebied kan worden gesteld dat de mogelijkheid op significante effecten nihil is. De werkzaamheden zijn van tijdelijke aard. De conclusie is dat er door de werkzaamheden geen significante effecten zullen optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000 gebieden.

5.3.

Natuurnetwerk Brabant

De onderzoekslocatie is gelegen nabij de NNB. De doeltype die voor het nabij gelegen gebied is aangewezen is Droog bos met productie en bestaat uit verschillende, veelal van oorsprong aangeplante, bosopstanden van den, (winter)eik, beuk, Douglas, lariks of fijnspar. De voedselarmere delen worden grotendeels gedomineerd door den, eik en beuk, op de wat rijkere bodems is er een hogere groei van beuk, Douglas, lariks en spar, met betere mengingsmogelijkheden. Dit bostype is de productievariant van het bostype dennen-, eiken- en beukenbos. Het is het omvangrijkste bostype en combineert een redelijk tot goede groei met een ruime variatie aan, en mengingsmogelijkheden van, loof- en naaldboomsoorten, vooral op de wat 17

lemigere bosgroeiplaatsen. Het maakt dit type tot het belangrijkste type voor de houtproductie. De diversiteit is (nog) relatief laag. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de uniforme aanleg en beheer in het verleden, door de jonge leeftijd van de bossen en onvoldoende abiotische kwaliteit als gevolg van verzuring en vermesting. Oudere bossen en bossen op of grenzend aan oude bosgroeiplaatsen, hebben een relatief hoge natuurpotentie vooral wanneer deze een gevarieerde structuur met substantieel aandeel zware bomen en dood hout hebben. De betekenis voor de biodiversiteit bestaat vooral uit (vaak bedreigde) paddestoelen, korst- en bladmossen, enkele vaatplanten, insecten en broedvogels. Door de voorgenomen ingreep zal er geen oppervlakteverlies plaatsvinden van de NNB of worden de natuurlijke kenmerken van het NNB-gebied aangetast.

18

5.4.

Effectenbepaling

Zoals in de wijziging van de wet Natuurbescherming is opgenomen wordt hieronder onderscheid gemaakt in strikt beschermde soorten en algemene soorten. Van de strikt beschermde soorten komen diverse soorten in de nabijheid van het gebied voor. In en rond de locatie waar de voorgenomen werkzaamheden worden uitgevoerd komen geen voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde soorten voor. Van de algemene soorten komen diverse vogels voor. Er zijn voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van soorten in het werkgebied aangetroffen maar geen jaarrond beschermde nesten.

5.5.

Zorgplicht en aanbevelingen

Met of zonder ontheffing, de zorgplicht zal altijd in acht moeten worden genomen. Hiertoe wordt het volgende geadviseerd: • Eventuele te rooien bomen en beplanting dienen te worden gerooid buiten het broedseizoen (maart tot en met augustus). • De nieuwe beplanting dient te worden gerealiseerd aansluitend aan de rooiwerkzaamheden zodat er het nieuw aan te leggen voetbal complex direct is omrand met groen.

19

6 Literatuur De Sprinkhanen en Krekels van Nederland - Nederlandse Fauna dl.1, Uitgeverij KNNV, 2004, Utrecht, Nederland. De Nederlandse libellen - Nederlandse Fauna dl.4, Uitgeverij KNNV, 2002, Utrecht, Nederland. Atlas van de Nederlandse Broedvogels - Nederlandse Fauna dl.5, SOVON, Uitgeverij KNNV, 2002, Utrecht, Nederland. De Dagvlinders van Nederland - Nederlandse Fauna dl.7, Uitgeverij KNNV, 2006, Utrecht, Nederland. De Amfibieën en Reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna dl.9, Uitgeverij KNNV, 2009, Utrecht, Nederland. Held, J.J. den, Beknopt Overzicht van Nederlandse Plantengemeenschappen, Wetenschappelijke mededeling No. 134 8e druk, Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 1991, Utrecht, Nederland. Meijden, R. van der, E.J. Weeda, W.J. Holverda, P.H. Hovenkamp, Heukels Flora van Nederland, 21e druk, Wolters-Noordhoff, 1990, Groningen, Nederland. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Directie Natuurbeheer, Nota van Antwoord Vogelrichtlijn Deel 1, 23 februari 2000, Den Haag, Nederland. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Directie Natuurbeheer, Nota van Antwoord Vogelrichtlijn Deel 2, 23 februari 2000, Den Haag, Nederland. Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra, T. Westra, Nederlandse Oecologische Flora, Wilde planten en hun relaties, KNNV Uitgeverij / IVN, Utrecht, Nederland.

Internet www.Brabant.nl (EHS en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.BIJ12.nl (natuurwetgeving en kennisdocumenten) www.NDFF.nl (verspreidingsgegevens flora en fauna) www.telmee.nl (waarnemingen van vrijwilligers) www.vlinderstichting.nl (verspreidingsgegevens dagvlinders en libellen) www.waarneming.nl (waarnemingen van vrijwilligers) www.zoogdieratlas.nl (verspreidingsgegevens zoogdieren)

20

7 Samenvatting De uitvoering van de quick scan is een eerste stap om te vermijden dat soorten verstoord of vernietigd kunnen worden bij de uitvoering van nieuwe ontwikkelingen. Met een bureauonderzoek en veldwerkonderzoeken wordt vastgesteld of er bij de plannen sprake kan zijn op overtreding van de Wet natuurbescherming, of dat deze met eenvoudige maatregelen zijn te voorkomen. Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen. In de nabijheid van het perceel zijn tijdens het veldbezoek in oktober 2022 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom de percelen zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Hierbij is met name gecontroleerd op jaarrond beschermde soorten (waaronder Huismussen, Gierzwaluwen, uilen en vleermuissoorten). Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dagperiode op 27 oktober 2022, is buiten het broedvogelseizoen uitgevoerd. Daarom is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten en hun kuikens, achtergebleven nestmaterialen, vraatsporen en uitwerpselen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd.

Bij de inventarisatie is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. De afstanden tot de ecologische verbindingszones en waardevolle natuurgebieden zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied een positieve invloed zullen hebben op deze gebieden. Door de bomenkap zal er nauwelijks verstoring plaatsvinden van fauna, op voorwaarde dat de activiteiten buiten het vogelbroedseizoen plaatsvinden. In hoofdstuk 3 is een aanvullende onderbouwing gegeven, waarom de te kappen bomen niet als kansrijk lijnvormig element hoeven te worden beschouwd. In de directe omgeving (Bergsestraat ten westen en de bosrand ten oosten) zijn wel als potentiële vliegroute van vleermuizen te beschouwen. De kap van de bomen langs het voetbalveld hebben hier echter geen invloed op. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de kap van de bomen, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.

Geadviseerd wordt om de bomenkap buiten het broedseizoen plaats te laten vinden.

21

Bijlage I

Beschermde soorten Wet Natuurbescherming

Vogelrichtlijn Alle vogelsoorten (ca. 700)

Habitatrichtlijn, bijlage IV toepassing) (inclusief Verdrag van Bern, Bijlagen I en II voor zover van toepassing)

22

Zoogdieren (Algemeen) Bever Hamster Hazelmuis Lynx Noordse woelmuis Otter Wolf* Wilde kat*

(vervolg Walvisachtigen) Bultrug Dwergpotvis Dwergvinvis Gestreepte dolfijn Gewone dolfijn Gewone spitsdolfijn Gewone vinvis Griend Grijze dolfijn Hille (Butskop) Kleine zwaardwalvis Narwal Noordse vinvis Orca Potvis Spitsdolfijn van Gray Tuimelaar Witflankdolfijn Witsnuitdolfijn Witte dolfijn

(Vleermuizen) Bechsteins vleermuis Bosvleermuis Brandts vleermuis Franjestaart Gewone baardvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis Grote hoefijzerneus Grote rosse vleermuis Ingekorven vleermuis Kleine dwergvleermuis* Kleine hoefijzerneus Laatvlieger Meervleermuis Mopsvleermuis Noordse vleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis Vale vleermuis Watervleermuis

Amfibieën Boomkikker Geelbuikvuurpad Heikikker Kamsalamander Knoflookpad Poelkikker Rugstreeppad Vroedmeesterpad Reptielen Gladde slang Muurhagedis Zandhagedis

(Walvisachtigen) Bruinvis

23

(Schildpadden) Dikkopschildpad Kemps’ zeeschildpad Lederschildpad Soepschildpad

(uitsluitend) Verdrag van Bern, bijlagen I en II** Vogels Aasgier Appelvink Baardman Beflijster Bergeend Bergfluiter Bijeneter Blauwborst Blauwe kiekendief Boerenzwaluw Bontbekplevier Bonte strandloper Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Boompieper Boomvalk Bosrietzanger Bosruiter Bosuil Braamsluiper Brandgans Bruine kiekendief Buizerd Casarca Cetti's zanger Draaihals Duinpieper Dwergmeeuw Dwergstern Engelse kwikstaart Europese kanarie Fitis Fluiter Geelgors Gekraagde roodstaart Gele kwikstaart Geoorde fuut Glanskop Goudhaan Grasmus Graspieper Graszanger Grauwe kiekendief

Vissen Houting Steur Insecten (Vlinders) Apollovlinder Boszandoog Donker pimpernelblauwtje Grote vuurvlinder Pimpernelblauwtje Teunisbloempijlstaart Tijmblauwtje Zilverstreephooibeestje (Libellen) Bronslibel Gaffellibel Gevlekte witsnuitlibel Groene glazenmaker Noordse winterjuffer Oostelijke witsnuitlibel Rivierrombout Sierlijke witsnuitlibel (Kevers) Brede geelrandwaterroofkever Gestreepte waterroofkever Heldenbok Juchtleerkever Vermiljoenkever Overigen Bataafse stroommossel Platte schijfhoren Planten Drijvende waterweegbree Groenknolorchis Kruipend moerasscherm Zomerschroeforchis 24

Grauwe klauwier Grauwe vliegenvanger Griel Groene specht Groenling Grote bonte specht Grote gele kwikstaart Grote karekiet Grote stern Grote zilverreiger Havik Heggenmus Hop Huiszwaluw IJsvogel Kerkuil Klapekster Klein waterhoen Kleine barmsijs Kleine bonte specht Kleine karekiet Kleine plevier Kleine zilverreiger Kleinst waterhoen Kluut Kneu Koereiger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Kraanvogel Krekelzanger Kruisbek Kuifmees Kwak Kwartelkoning Lepelaar Matkop Middelste bonte specht Nachtegaal Nachtzwaluw Noordse stern Oehoe Oeverloper Oeverpieper Oeverzwaluw Ooievaar Orpheusspotvogel

Putter Ransuil Rietgors Rietzanger Rode wouw Roerdomp Roodborst Roodborsttapuit Roodhalsfuut Rouwkwikstaart Sijs Slangenarend Slechtvalk Smelleken Snor Sperwer Spotvogel Sprinkhaanzanger Steenuil Steltkluut Strandplevier Taigaboomkruiper Tapuit Tjiftjaf Torenvalk Tuinfluiter Velduil Visarend Visdief Vuurgoudhaan Wespendief Wielewaal Winterkoning Witbandkruisbek Witte kwikstaart Witwangstern Woudaap Zeearend Zwarte mees Zwarte ooievaar Zwarte roodstaart Zwarte specht Zwarte stern Zwarte wouw 25

Paapje Pestvogel Pimpelmees Poelruiter Porseleinhoen Purperreiger

Zwartkop Zwartkopmeeuw

26

Zeezoogdieren Walrus***

Planten Geel schorpioenmos Kleine vlotvaren Liggende raket Tonghaarmuts

Insecten (Libellen) Mercuurwaterjuffer (Vlinders) Moerasparelmoervlinder Monarchvlinder (Haften) Oeveraas***

* = niet opgenomen in bijlage 3 Memorie van Toelichting, maar wel op lijst Habitatrichtlijn Bijlage IV en reeds onder huidige Flora- en faunawet beschermd. ** = mbt de in bijlage II Conventie van Bern genoemde vogelsoorten is het nog enigszins onduidelijk of deze wel of niet onder de reikwijdte van art 3.5 van de wet vallen. Hoewel in de Memorie van Toelichting en andere Kamerstukken de vogelsoorten niet worden genoemd, maar hiervoor wordt verwezen naar de Vogelrichtlijn, staat in art. 3.5 van de wet geen expliciete uitzondering van vogels. De eerste ontwerpverordeningen van de provincie Noord-Holland en Zuid-Holland geven echter beide aan dat de vogels onder Bern II onder de beschermingsregime staan van art. 3.5 van de Wet Natuurbescherming. Opgenomen zijn alle vogels van de Conventie van Bern, Bijlage II die in Nederland voorkomen (standvogel of onderdeel natuurlijk verspreidingsgebied, geen zwervers). De lijst is dus een selectie van de oorspronkelijke lijst in de bijlage II van de Conventie van Bern. *** = niet genoemd in Bijlage 3 Memorie van Toelichting: Tabel I, staat wel in Bijlage II van de Conventie van Bern.

27

Onderdeel A (behorende bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a) Zoogdieren Aardmuis Boommarter Bosmuis Bunzing Damhert Das Dwergmuis Dwergspitsmuis Edelhert Eekhoorn Egel Eikelmuis Gewone bosspitsmuis Gewone zeehond Grote bosmuis Grijze zeehond Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Molmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Veldspitsmuis Vos Waterspitsmuis Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën Alpenwatersalamander Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker Vinpootsalamander Vuursalamander Reptielen Adder Hazelworm Levendbarende hagedis Ringslang

28

Vissen Beekdonderpad Beekprik Elrits Europese rivierkreeft Gestippelde alver Grote modderkruiper Kwabaal Dagvlinders Aardbeivlinder Bosparelmoervlinder Bruin dikkopje Bruine eikenpage Donker pimpernelblauwtje Duinparelmoervlinder Gentiaanblauwtje Grote parelmoervlinder Grote vos Grote vuurvlinder Grote weerschijnvlinder Iepenpage Kleine heivlinder Kleine ijsvogelvlinder Kommavlinder Pimpernelblauwtje Sleedoornpage Spiegeldikkopje Veenbesblauwtje Veenbesparelmoervlinder Veenhooibeestje Veldparelmoervlinder Zilveren maan Libellen Beekkrombout Bosbeekjuffer Donkere waterjuffer Gevlekte glanslibel Gewone bronlibel Hoogveenglanslibel Kempense heidelibel Speerwaterjuffer Kevers Vliegend hert

29

Onderdeel B (behorende bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c) Vaatplanten Akkerboterbloem Akkerdoornzaad Akkerogentroost Beklierde ogentroost Berggamander Bergnachtorchis Blaasvaren Blauw guichelheil Bokkenorchis Bosboterbloem Bosdravik Brave hendrik Brede wolfsmelk Breed wollegras Bruinrode wespenorchis Dennenorchis Dreps Echte gamander Franjegentiaan Geelgroene wespenorchis Geplooide vrouwenmantel Getande veldsla Gevlekt zonneroosje Glad biggenkruid Gladde zegge Groene nachtorchis Groensteel Groot spiegelklokje Grote bosaardbei Grote leeuwenklauw Honingorchis Kalkboterbloem Kalketrip Karthuizeranjer Karwijselie Kleine ereprijs Kleine Schorseneer Kleine wolfsmelk Kluwenklokje Knollathyrus Knolspirea Korensla Kranskarwij Kruiptijm Lange zonnedauw 30

Liggende ereprijs Moerasgamander Muurbloem Naakte lathyrus Naaldenkervel Pijlscheefkalk Roggelelie Rood peperboompje Rozenkransje Ruw parelzaad Scherpkruid Schubvaren Schubzegge Smalle raai Spits havikskruid Steenbraam Stijve wolfsmelk Stofzaad Tengere distel Tengere veldmuur Trosgamander Veenbloembies Vliegenorchis Vroege ereprijs Wilde averuit Wilde ridderspoor Wilde weit Wolfskers Zandwolfsmelk Zinkviooltje Zweedse kornoelje .

31

Bijlage 2 Foto’s locatie en omgeving

32

33

34

Bijlage 3 Inrichtingstekening incl te verwijderen bomen

36

Bijlage 4 Situatietekening en luchtfoto

37

Bijlage 5 Natuurnetwerk Noord-Brabant

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=eeee80fb-3f64-42a4-b457-5040bc37cf96