CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

A 2021-04-01 Bijlage Vast te stellen BP Onderstal 2, Hoogerheide -Toelichting bijlage 2 - Nader bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek.pdf

Raadsvergadering 1 april 2021, gemeente woensdrechtBij agendapunt: Bestemmingsplan Onderstal 2 Hoogerheide21.965 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

x AW

x maal Achtergrondwaarde

xT

x maal Tussenwaarde

Pagina 8 van 8

Overschrijding Achtergrondwaarde

Project

20170443-Onderstal 2 te Hoogerheide

Certificaten

710419

Toetsing

T.1 - Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de bodem BoToVa 3.0.0

Toetsversie Monsterreferentie

5525158

Monsteromschrijving

101-1

Analyse

Eenheid

Analyseres.

Gestand.Res. Toetsoordeel

Toetsdatum: 26 oktober 2017 16:20

AW

WO

IND

140

200

720

Lutum/Humus Organische stof

% (m/m ds)

3.7

10

Lutum

% (m/m ds)

1.3

25

%

84.7

84.7

@

mg/kg ds

110

250

IND

Droogrest droge stof

Metalen ICP-AES zink (Zn)

Toetsoordeel monster 5525158:

Pagina 1 van 8

Klasse industrie

Pagina 2 van 8 Monsterreferentie

5525159

Monsteromschrijving

102-1

Analyse

Eenheid

Analyseres.

Gestand.Res. Toetsoordeel

AW

WO

IND

140

200

720

Lutum/Humus Organische stof

% (m/m ds)

4.8

10

Lutum

% (m/m ds)

1.8

25

%

95.3

95.3

@

mg/kg ds

290

640

IND

Droogrest droge stof

Metalen ICP-AES zink (Zn)

Toetsoordeel monster 5525159:

Pagina 2 van 8

Klasse industrie

Pagina 3 van 8 Monsterreferentie

5525160

Monsteromschrijving

103-1

Analyse

Eenheid

Analyseres.

Gestand.Res. Toetsoordeel

AW

WO

IND

140

200

720

Lutum/Humus Organische stof

% (m/m ds)

5.2

10

Lutum

% (m/m ds)

2.0

25

%

92.6

92.6

@

mg/kg ds

120

260

IND

Droogrest droge stof

Metalen ICP-AES zink (Zn)

Toetsoordeel monster 5525160:

Pagina 3 van 8

Klasse industrie

Pagina 4 van 8 Monsterreferentie

5525161

Monsteromschrijving

104-1

Analyse

Eenheid

Analyseres.

Gestand.Res. Toetsoordeel

AW

WO

IND

140

200

720

Lutum/Humus Organische stof

% (m/m ds)

3.8

10

Lutum

% (m/m ds)

2.1

25

%

89.3

89.3

@

mg/kg ds

190

430

IND

Droogrest droge stof

Metalen ICP-AES zink (Zn)

Toetsoordeel monster 5525161:

Pagina 4 van 8

Klasse industrie

Pagina 5 van 8 Monsterreferentie

5525162

Monsteromschrijving

105-1

Analyse

Eenheid

Analyseres.

Gestand.Res. Toetsoordeel

AW

WO

IND

140

200

720

Lutum/Humus Organische stof

% (m/m ds)

2.8

10

Lutum

% (m/m ds)

1.3

25

%

86.4

86.4

@

82

190

WO

Droogrest droge stof

Metalen ICP-AES zink (Zn)

mg/kg ds

Toetsoordeel monster 5525162:

Pagina 5 van 8

Klasse wonen

Pagina 6 van 8 Monsterreferentie

5525163

Monsteromschrijving

106-1

Analyse

Eenheid

Analyseres.

Gestand.Res. Toetsoordeel

AW

WO

IND

140

200

720

Lutum/Humus Organische stof

% (m/m ds)

3.4

10

Lutum

% (m/m ds)

1.0

25

%

82.4

82.4

@

mg/kg ds

210

480

IND

Droogrest droge stof

Metalen ICP-AES zink (Zn)

Toetsoordeel monster 5525163:

Pagina 6 van 8

Klasse industrie

Pagina 7 van 8 Monsterreferentie

5525164

Monsteromschrijving

107-1

Analyse

Eenheid

Analyseres.

Gestand.Res. Toetsoordeel

AW

WO

IND

140

200

720

Lutum/Humus Organische stof

% (m/m ds)

4.7

10

Lutum

% (m/m ds)

2.1

25

%

77.7

77.7

@

mg/kg ds

140

310

IND

Droogrest droge stof

Metalen ICP-AES zink (Zn)

Toetsoordeel monster 5525164:

Pagina 7 van 8

Klasse industrie

Pagina 8 van 8 Monsterreferentie

5525165

Monsteromschrijving

108-1

Analyse

Eenheid

Analyseres.

Gestand.Res. Toetsoordeel

AW

WO

IND

140

200

720

Lutum/Humus Organische stof

% (m/m ds)

6.6

10

Lutum

% (m/m ds)

2.8

25

%

73.4

73.4

@

mg/kg ds

340

700

IND

Droogrest droge stof

Metalen ICP-AES zink (Zn)

Toetsoordeel monster 5525165: Legenda @

Geen toetsoordeel mogelijk

IND

Industrie

WO

Wonen

Pagina 8 van 8

Klasse industrie

BIJLAGE 7 TOELICHTING EN ACHTERGROND TOETSINGSKADER

AGEL adviseurs BIJLAGE 7

In deze bijlage wordt een toelichting gegeven op het toetsingskader dat gehanteerd wordt bij de beoordeling van de resultaten van uitgevoerd bodemonderzoek. Circulaire bodemsanering 2013 Op 27 juni is in de Staatscourant een nieuwe versie van de Circulaire bodemsanering gepubliceerd. Deze circulaire is per 1 juli 2013 in werking getreden Staatscourant 2013 nr. 16675 27 juni 2013 en in de plaats gekomen van de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd per 3 april 2012. De circulaire treedt in de plaats van de circulaire Saneringsregeling Wet bodembescherming: Beoordeling en afstemming (Staatscourant 1998, nr. 242), de circulaire Bepaling saneringstijdstip (Staatscourant 1997, nr. 47), de Circulaire bodemsanering 2006, de Circulaire bodemsanering 2006, zoals gewijzigd op 1 oktober 2008 en treedt tevens in de plaats van de Circulaire bodemsanering 2009 en de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd per 1 april 2012 (Stcrt 2012, 6563).Sinds oktober 2002 golden het Besluit en de Regeling locatiespecifieke omstandigheden bodemsanering (LSO), bedoeld als invulling van de mogelijkheid om af te wijken van de doelstelling in artikel 38. Door de wijziging van artikel 38 zijn het Besluit en de Regeling vervallen sinds 1 januari 2006.

Met het in werking treden per 1 juli 2008 van het tweede deel van Besluit bodemkwaliteit dat betrekking heeft op het toepassen van grond en baggerspecie op landbodems zijn de Bodemgebruikswaarden (BGW’s) komen te vervallen. In het Besluit bodemkwaliteit zijn de Achtergrondwaarden en de Maximale Waarden opgenomen die in plaats komen van de BGW’s als terugsaneerwaarde. Een toelichting op de Maximale Waarden is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2002 (Staatscourant 2007, nr. 2477). De Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering is per 1 oktober 2008 vervallen. De streefwaarden grondwater blijven een rol houden in het bodemsaneringsbeleid en zijn daarom opgenomen in bijlage 1 van de circulaire. De interventiewaarden voor grond zijn in 2008 herzien op basis van recente wetenschappelijke inzichten. Als bijlage 1 van de Circulaire is ook de in de Beleidsbrief asbest aangekondigde interventiewaarde voor asbest opgenomen. Tevens zijn de indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging (INEV’s) opgenomen. De Circulaire gaat in op de saneringsdoelstelling en de wijze waarop de ernst en spoedeisendheid van een geval van bodemverontreiniging wordt vastgesteld. De streefwaarden voor grond zijn vervangen door de achtergrondwaarden van het Besluit bodemkwaliteit.

De gewijzigde streef- en interventiewaarden voor grondwater en gewijzigde interventiewaarden voor grond zijn opgenomen als bijlage in de Circulaire. Daarnaast wordt in de circulaire ingegaan op de uitwerking van de saneringsdoelstelling zoals die is opgenomen in de gewijzigde tekst van artikel 38 van de Wbb. Bij de uitwerking van de saneringsdoelstelling is aansluiting gezocht bij het Besluit bodemkwaliteit en wordt ruimte geboden voor een gebiedsgerichte aanpak. In de circulaire worden de volgende toetsingswaarden genoemd:

Streefwaarden grondwater en interventiewaarden bodemsanering Streefwaarden grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. De getallen voor de streefwaarde grondwater zijn overeenkomstig de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000). Voor metalen wordt er onderscheid gemaakt tussen diep en ondiep grondwater. Reden hiervoor is het verschil in achtergrondconcentraties tussen diep en ondiep grondwater. Als grens tussen diep en ondiep grondwater wordt een arbitraire grens van 10 m gebruikt.

Interventiewaarden bodemsanering De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. De interventiewaarden grond gelden voor droge bodem. Voor waterbodem zijn aparte interventiewaarden opgesteld die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit (Staatscourant 20 december 2007, nr. 247) en in de Circulaire sanering waterbodems 2008 (Staatscourant 2007, nr. 245). De interventiewaarden grondwater zijn niet herzien en overgenomen uit de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000).

Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging Voor een aantal, niet bij regulier bodemonderzoek gangbare stoffen, zijn indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging vastgesteld. Een interventiewaarde ontbreekt. De indicatieve niveaus hebben een grotere mate van onzekerheid dan de interventiewaarden. De status van de indicatieve niveaus is daarom niet gelijk aan de status van de interventiewaarde en derhalve hier buiten beschouwing gelaten.

Tussenwaarde Naast de toetsingswaarden uit de circulaire is bij de interpretatie van bodemonderzoek de tussenwaarden van belang. De tussenwaarde is in beginsel het concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek behoort te worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat. Voor grondwater is dit het gemiddelde van streef -en interventiewaarde en voor grond het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden.

Geval van ernstige verontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. Er kunnen gevallen zijn waarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden en er toch sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Ook in het geval van verontreinigingen met stoffen waarvoor geen interventiewaarde is afgeleid kan sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Als de bodem op een locatie is verontreinigd, maar het betreft geen geval van ernstige verontreiniging, hoeft niet te worden bepaald of er met spoed dient te worden gesaneerd. Verbeteren van de bodemkwaliteit kan niet worden voorgeschreven op grond van de regels voor bodemsanering. Als een gemeente een gebiedskwaliteit heeft vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit, dan kan de gemeente wel bevorderen dat bij bijvoorbeeld bouwactiviteiten de gebiedskwaliteit als uitgangspunt geldt. Als er grond moet worden toegepast kan dat ook verplicht worden gesteld. Het is echter niet zo dat bij niet ernstig verontreinigde grond een verplichting kan worden opgelegd op grond van de bodemregelgeving om de bodem schoner te maken.

AGEL adviseurs BIJLAGE 7

Saneringscriterium Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is er sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Het saneringscriterium dient om vast te stellen of sanering van een geval van ernstige bodemverontreiniging met spoed dient te worden uitgevoerd. Wanneer sprake is van spoed, is het nemen van maatregelen verplicht. De werkwijze van het saneringscriterium geldt voor:  Een geval van ernstige verontreiniging;  Een historische verontreiniging. Voor verontreinigingen die sinds 1987 zijn ontstaan is artikel 13 van de Wbb (zorgplicht) van toepassing;  Huidige en voorgenomen gebruik;  Grond en grondwater. Voor waterbodem is een separate systematiek ontwikkeld;  Alle stoffen waarvoor een interventiewaarde is afgeleid, met uitzondering van asbest. Daar asbest heel specifieke chemische en fysische eigenschappen heeft, is voor asbest separaat het ‘Milieuhygiënisch saneringscriterium, protocol asbest’ ontwikkeld hetgeen ook van toepassing is voor waterbodems. Wanneer sanering niet met spoed hoeft plaats te vinden kan voor de aanpak van de verontreiniging worden aangesloten bij maatschappelijk gewenste ontwikkelingen. Deze saneringen vinden plaats op initiatief van de eigenaar of andere belanghebbende met het oog op gewenst gebruik van de bodem.

Uiteindelijk moet het resultaat van de sanering zijn dat de locatie geschikt is voor het (toekomstig) gebruik. Het saneringscriterium is een instrument voor het bevoegd gezag waarmee zij een (schuldig) eigenaar kan verplichten tot saneren binnen een gestelde termijn. Risico’s hebben een directe relatie met het gebruik van de bodem en daarmee met de functie. Als er aan het gebruik binnen de aanwezige of toekomstige functie onaanvaardbare risico’s zijn verbonden staat voorop dat maatregelen zo snel mogelijk moeten worden genomen. De risico’s die aanleiding kunnen zijn om met spoed te saneren worden verdeeld in: a) risico’s voor de mens, b) risico’s voor het ecosysteem en c) risico’s van verspreiding van verontreiniging. ad a) Er is sprake van onaanvaardbare risico’s voor de mens indien bij het huidige of voorgenomen gebruik van de locatie een situatie bestaat waarbij:  Chronische negatieve gezondheidseffecten kunnen optreden;  Acute negatieve gezondheidseffecten kunnen optreden. Indien de aanwezigheid van bodemverontreiniging bij het huidig gebruik leidt tot aantoonbare hinder voor de mens (door o.a. huidirritatie en stank) dient eveneens met spoed te worden gesaneerd.

ad b) Er is sprake van onaanvaardbare risico’s voor het ecosysteem indien bij het huidige of voorgenomen gebruik van de locatie:  De biodiversiteit kan worden aangetast (bescherming van soorten);  Kringloopfuncties kunnen worden verstoord (bescherming van processen);  Bio-accumulatie en doorvergiftiging kan plaatsvinden. ad c) Er is sprake van onaanvaardbare risico’s van verspreiding van verontreiniging indien:  Het gebruik van de bodem door mens of ecosysteem wordt bedreigd door de verspreiding van verontreiniging in het grondwater waardoor kwetsbare objecten hinder ondervinden;  Er sprake is van een onbeheersbare situatie, dat wil zeggen indien: 1. Er een drijflaag aanwezig is die door activiteiten en processen in de bodem kan verplaatsen en van waaruit verspreiding van verontreiniging kan plaatsvinden; 2. Er een zaklaag aanwezig is die door activiteiten en processen in de bodem kan verplaatsen en van waaruit verspreiding van verontreiniging kan plaatsvinden; 3. De verspreiding heeft geleid tot een grote grondwaterverontreiniging en de verspreiding nog steeds plaatsvindt.

Geval van verontreiniging met asbest In het ‘Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest’, dat is opgenomen als bijlage 3 van de circulaire, is geregeld wanneer er voor een bodemverontreiniging met asbest sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Voor een bodemverontreiniging met asbest is het volumecriterium voor het vaststellen van de ernst van het geval niet van toepassing.

Zorgplicht artikel 13 Wet bodembescherming Voor bodemverontreiniging veroorzaakt vanaf 1 januari 1987 geldt de zorgplicht (artikel 13 Wbb). Voor deze gevallen geldt dat degene die de in artikel 13 beschreven handelingen heeft verricht alle maatregelen moet nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd. Dat wil zeggen: zo spoedig mogelijk en zo volledig mogelijk de gevolgen beperken of ongedaan maken, ongeacht de aangetroffen gehalten en de risico’s van de verontreinigde stoffen. De bepaling ernst van de verontreiniging en spoed van de sanering spelen hier geen rol.

Toetsing rapportagegrenzen De normen waaraan getoetst wordt kunnen lager zijn dan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Dit betekent dat deze waarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Bij een resultaat ‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond, baggerspecie, bodem of bodem onder oppervlaktewater voldoet aan de van toepassing zijnde normen. Indien het laboratorium een waarde ‘< een verhoogde rapportagegrens’ aangeeft (dit is hoger dan de vereiste rapportagegrens AS3000 dan dient de desbetreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde wordt getoetst aan de van toepassing zijnde normen.

AGEL adviseurs BIJLAGE 7

Indien het laboratorium een gemeten gehalte rapporteert (zonder < teken), moet dit gehalte aan de van toepassing zijnde norm worden getoetst, ook als dit gehalte lager is dan de vereiste rapportagegrens AS3000. Bij het berekenen van een somwaarde, het rekenkundig gemiddelde en een percentielwaarde worden voor de individuele componenten de resultaten ‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ vermenigvuldigd met 0,7. Indien alle individuele waarden als onderdeel van de berekende waarde het resultaat ‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ hebben, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond, baggerspecie, bodem of bodem onder oppervlaktewater voldoet aan de van toepassing zijnde normen uit de Regeling bodemkwaliteit. Indien een of meer individuele componenten het resultaat hebben ‘< dan een verhoogde rapportagegrens’, of er een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normen uit de Regeling bodemkwaliteit. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens AS3000. Besluit bodemkwaliteit Op 1 januari 2008 is de eerste fase van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk)1 in werking getreden die het toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater regelt.

Op 1 juli 2008 is de tweede fase van het Bbk van kracht geworden die het toepassen van grond en baggerspecie op landbodems en het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem en in het oppervlaktewater regelt. De verschillende onderdelen, Kwalibo, Bouwstoffen en Grond en Baggerspecie zijn gefaseerd in werking getreden:  Voor het toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater en het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater: per 1-1-2008;  Voor het toepassen van bouwstoffen en grond en baggerspecie op landbodems: per 1-7- 2008.

Kwalibo-regelgeving De Kwalibo-regelgeving is vanaf 1 oktober 2006 van kracht. Kwalibo staat voor ‘kwaliteitsborging in het bodembeheer’ en is een maatregel om het bodembeheer te verbeteren. Kwalibo stelt eisen aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en overheden die werken aan bodembeheer. Dit betekent dat bepaalde werkzaamheden alleen nog maar door erkende personen en bedrijven (bodemintermediairs) uitgevoerd mogen worden. De Kwalibo-regelgeving heeft betrekking op bodemsanering, bodembeheer en bodembescherming. Met de invoering van het Besluit bodemkwaliteit is de Kwalibo-regelgeving ook voor waterbodems, landbodems en bouwstoffen van toepassing.

Definitie grond en bagger Het Besluit hanteert voor grond en baggerspecie de volgende definities:  Grond is vast materiaal en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie;  Baggerspecie is materiaal, dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.

Bodemvreemd materiaal Het Besluit stelt aanvullend dat een partij grond en baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Het gaat hierbij nadrukkelijk niet om bijmengingen van bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie nadat het materiaal is afgegraven.

Toetsingskaders De normstelling voor het toepassen van grond en baggerspecie en het verspreiden van baggerspecie is met het Besluit vernieuwd. De nieuwe normstelling sluit beter aan op de relatie tussen het gebruik en de kwaliteit van de (water)bodem en op de risico’s die een toepassing met zich mee kan brengen. Ook kunnen lokale normen worden vastgesteld, zodat beter rekening kan worden gehouden met de lokale situatie. Het Besluit maakt onderscheid tussen verschillende toepassingsmogelijkheden met bijbehorende toetsingskaders. Deze zijn onderstaand weergegeven. Het generieke kader is van toepassing op elk gebied waarvoor geen gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld. Uitgangspunt van het generieke kader voor landbodems is dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet aansluiten bij de functie die de bodem heeft. Ook mag de actuele kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren. Naast de toetsingskaders voor gebiedsspecifiek en generiek beleid, kent het Besluit nog een andere categorie van toepassingen: grootschalige toepassingen. Bij deze categorieën hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Wél moet worden voldaan aan de kwaliteitseisen en randvoorwaarden die het Besluit stelt aan deze toepassingen.

Tabel: Toetsingskaders grond en bagger Toepassingsmogelijkheden grond en baggerspecie Generiek of gebied specifiek beleid Alleen generiek beleid

Toepassen grond en baggerspecie

Verspreiden baggerspecie

Op de landbodem In oppervlaktewater In grootschalige toepassing

In oppervlaktewater Over aangrenzend perceel

Partijen grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels.

1

Stb. 2007, 469

AGEL adviseurs BIJLAGE 7

Uitgangspunt bij het toepassen van grond en baggerspecie is dat de toegepaste grond en baggerspecie onderdeel gaat uitmaken van de ontvangende bodem, zonder dat extra maatregelen zoals afscheidingslagen of maatregelen in het kader van isoleren, beheersen en controleren (IBC) worden toegepast.

Bodemfuncties en bodemfunctieklassen In die gebieden waarvoor de bevoegde bestuursorganen geen lokale maximale waarden in een besluit hebben vastgelegd, wordt de toepassing van grond en baggerspecie generiek getoetst. Voor deze generieke toetsing zijn zowel maximale waarden voor bodemfunctieklassen (landbodem) als maximale waarden voor bodemkwaliteitsklassen vastgelegd.

Klassenindeling voor bodemfuncties en bodemkwaliteit Om te toetsen of de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie aansluit bij de functie en kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt in het generieke kader gewerkt met een klassenindeling voor de kwaliteit en functie. Uitgangspunt van het Besluit is dat de kwaliteit moet aansluiten bij de functie. Om hier invulling aan te geven zijn voor 7 bodemfuncties referentiewaarden ontwikkeld. Deze functies worden gebruikt in het gebiedsspecifieke beleid. Voor toepassing in het generieke kader zijn de functies samengevoegd tot 2 bodemfunctieklassen: wonen en industrie. De functies landbouw en natuur zijn niet ingedeeld in een klasse. Hiervoor is gekozen omdat in gebieden met een van deze functies alleen schone grond of baggerspecie mag worden toegepast. Dat wil zeggen: grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Achtergrondwaarden.

Tabel: Bodemfuncties Gebiedspecifiek

Generiek beleid

wonen met tuin plaatsen waar kinderen spelen groen met natuurwaarden ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie moestuinen/volkstuinen Landbouw Natuur

wonen industrie

Kwaliteit toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen aan de Achtergrondwaarden

Naast de bodemfuncties, wordt de bodemkwaliteit ook ingedeeld in de klassen wonen en industrie. De bodemkwaliteit geeft hiermee een maat voor de kwaliteit van zowel de ontvangende als de toe te passen bodem en toe te passen baggerspecie. Aan de bodemkwaliteitsklassen zijn nieuwe normen gekoppeld: de Maximale waarden voor de klasse wonen en de Maximale waarden voor de klasse industrie. Wanneer de maximale waarde voor industrie wordt overschreden, mag deze grond of baggerspecie binnen het generieke kader niet worden toegepast. Om een partij grond of baggerspecie toe te mogen passen, moet de partij worden getoetst aan de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteit van de ontvangende bodem. Bij deze dubbele toetsing geldt dat de toe te passen partij grond of baggerspecie moet voldoen aan de strengste norm. In onderstaand schema is de toepassingseis voor de toe te passen grond of baggerspecie gegeven.

Tabel: Bepaling toepassingseis voor een partij grond of baggerspecie Functie op kaart Wonen

Industrie

Niet ingedeeld (bijv. landbouw/natuur

Actuele bodemkwaliteit

Toepassingseis

Achtergrondwaarde Wonen industrie Achtergrondwaarde Wonen Industrie Achtergrondwaarde Wonen industrie

Achtergrondwaarde Maximale waarde wonen Maximale waarde wonen Achtergrondwaarde Maximale waarde wonen Maximale waarde Industrie Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde

Aan de bodemkwaliteitsklassen en de bodemfunctieklassen zijn dezelfde normen gekoppeld: de Maximale Waarden voor de klasse wonen en de Maximale Waarden voor de klasse industrie. Deze Generieken Maximale Waarden geven de bovengrens aan van de kwaliteit die nodig is om de bodem ook op de lange termijn geschikt te houden voor de betreffende functie. Met gebiedsspecifiek beleid kunnen locale bodembeheerders zelf bodemkwaliteitsnormen vaststellen. Als randvoorwaarde voor het opstellen van gebiedsspecifiek beleid geldt dat sprake moet zijn van standstill op gebiedsniveau. De ruimte voor de Lokale Maximale Waarden ligt tussen de achtergrondwaarden en het saneringscriterium. Wanneer de Lokale Maximale Waarden een verruiming van de normen ten opzicht van het generieke kader zijn, moet getoetst worden of dit niet leidt tot onaanvaardbare risico’s. Voor het bepalen van de gevolgen van de gekozen Lokale Maximale Waarden is een Risicotoolbox ontwikkeld. In onderstaande figuur is de normstelling schematisch weergegeven.

Figuur: Normstelling en toepassingskader bodem Achtergrond waarden

Generiek Gebieds specifiek

Maximale waarden klasse wonen

Klasse wonen

Maximale waarden klasse industrie

Klasse industrie

Niet toepasbaar

Altijd toepasbaar

Nooit toepasbaar

Ruimte voor lokale maximale waarden Achtergrond waarden

Interventiewaarden droge bodem

Sanerings criterium

AGEL adviseurs BIJLAGE 7

Normenblad AS3000 onderzoek grond en waterbodem

Regeling Bodemkwaliteit, 20 december 2007, DJZ2007124397, Integrale versie geldend op 1-1-2015. Interventiewaarden grond: Circulaire Bodemsanering 2013. (Alle grenswaarden gelden voor een standaard bodem met 10% organisch stof en 25% lutum) GROND *)

WATERBODEM **)

AW2000

Wonen

Industrie

20

27

76

IW

AW

A

B

76

20

29

85

Rapportagegrens ***) IW

Grond/ waterbodem

GRONDWATER *) SW On diep

AW diep

SW diep

IW

Metalen Arseen [As] Barium [Ba]

5

Cadmium [Cd] Chroom [Cr]

1

920

85

4

10

7

7,2

60

625

20

50

200

200

625

0,6

1,2

4,3

13

0,6

4

14

14

0,2

0,4

0,06

0,06

6

55

62

180

180

55

120

380

380

10

1

2,4

2,5

30 100

Cobalt [Co]

15

35

190

190

15

25

240

240

3

20

0,6

0,7

Koper [Cu]

40

54

190

190

40

96

190

190

5

15

1,3

1,3

75

0,15

0,83

4,8

36

0,15

1,2

10

10

0,05

0,05

0,01

0,3

Lood [Pb]

50

210

530

530

50

138

580

580

10

15

1,6

1,7

75

Molybdeen [Mo]

1,5

88

190

190

1,5

5

200

200

1,5

5

0,7

3,6

300

50

210

210

4

15

2,1

2,1

75

Kwik [Hg]

2

Nikkel [Ni]

35

39

100

100

35

Tin [Sn]

4

6,5

180

900

900

6,5

1,5

Vanadium [V]

4

80

97

250

250

80

10

Zink [Zn]

4

140

200

720

720

140

Beryllium [Be]

4

Antimoon

563

2000

2000

30 4

15

22

22

4

15

15

20

2,2 1,2 65

24

1

0,05

1,5

0,09

1,5

0,07

Seleen [Se]

4

100

Tellurium [Te]

4

600

2

Thallium [Tl]

4

15

1

Zilver [Ag]

4

15

1

50 70

24

800 15

0,15

20 160 70

2

7 40

Overige anorganische stoffen Chloride

3

150

Cyanide (vrij)

3

3

20

20

3

20

20

2

5

1500

Cyanide (totaal)

5,5

5,5

50

50

5,5

50

50

3

10

1500

Thiocyanaten ( Σ)

6

6

20

20

6

20

20

Benzeen

0,2

0,2

1

1,1

0,2

1

1

0,05

0,2

30

Ethylbenzeen

0,2

0,2

1,25

110

0,2

50

50

0,05

4

150 1000

1500

Aromatische stoffen

Tolueen

0,2

0,2

1,25

32

0,2

130

130

0,05

7

Xylenen ( Σ, 0.7 factor)

0,45

0,45

1,25

17

0,45

25

25

0,105

0,2

70

Styreen (Vinylbenzeen)

0,25

0,25

2,5

86

0,25

100

100

0,05

6

300

Fenol

0,25

0,25

1,25

14

0,25

40

40

0,2

2000

Cresolen (0,7 Σ)

0,3

0,3

5

13

0,3

5

5

0,2

0,35

0,35

0,35

1000

0,35

1,2,3Trimethylbenzeen

0,45

0,45

0,45

0,45

0,1

1,2,4Trimethylbenzeen 1,3,5Trimethylbenzeen (Mesityleen)

0,45

0,45

0,45

0,45

0,1

0,45

0,45

0,45

0,45

0,1

2Ethyltolueen

0,45

0,45

0,45

0,45

0,1

3Ethyltolueen

0,45

0,45

0,45

0,45

0,1

4Ethyltolueen

0,45

0,45

0,45

0,45

0,1

isoPropylbenzeen (Cumeen)

0,45

0,45

0,45

0,45

0,1

Propylbenzeen

0,45

0,45

0,45

0,45

0,1

Aromatische oplosmiddelen ( Σ)

2,5

2,5

2,5

dodecylbenzeen

4

200

200 0,02

150

2,5

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen naftaleen

0,05

0,01

70

fenantreen

0,05

0,003

5

antraceen

0,05

0,0007

5

fluorantheen

0,05

0,003

1

chryseen

0,05

0,003

0,2

benzo(a)antraceen

0,05

0,0001

0,5

benzo(a)pyreen

0,05

0,0005

0,05

benzo(k)fluorantheen

0,05

0,0004

0,05

indeno(1,2,3cd)pyreen

0,05

0,0004

0,05

benzo(ghi)peryleen

0,05

0,0003

0,05

Pak-totaal (10 VROM) (0.7 factor)

1,5

6,8

40

40

1,5

9

40

40

0,35

AGEL adviseurs BIJLAGE 7

Vluchtige chloorkoolwaterstoffen Vinylchloride

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,05

0,01

5

Dichloormethaan

0,1

0,1

3,9

3,9

0,1

10

10

0,05

0,01

1000

1,1Dichloorethaan

0,2

0,2

0,2

15

0,2

15

15

0,1

7

900

1,2Dichloorethaan

0,2

0,2

4

6,4

0,2

4

4

0,1

7

400

1,1Dichlooretheen

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,1

0,01

10

1.2-Dichloorethenen ( Σ, 0.7) Dichloorpropanen (0,7 Σ; 1,1+1,2+1,3)

0,3

0,3

0,3

1

0,3

1

1

0,14

0,01

20

0,8

0,8

0,8

2

0,8

2

2

0,105

0,8

80

Trichloormethaan (Chloroform)

0,25

0,25

3

5,6

0,25

10

10

0,05

6

400

1,1,1Trichloorethaan

0,25

0,25

0,25

15

0,25

15

15

0,05

0,01

300

1,1,2Trichloorethaan

0,3

0,3

0,3

10

0,3

10

10

0,05

0,01

130

Trichlooretheen (Tri)

0,25

0,25

2,5

2,5

0,25

60

60

0,05

24

500

Tetrachloormethaan (Tetra)

0,3

0,3

0,7

0,7

0,3

1

1

0,05

0,01

10

Tetrachlooretheen (Per)

0,15

0,15

4

8,8

0,15

4

4

0,05

0,01

40

Monochloorbenzeen

0,2

0,2

5

15

0,2

0,04

7

180

Dichloorbenzenen (0.7 factor)

2

2

5

19

2

0,21

3

50

Trichloorbenzenen ( Σ, 0.7 fact)

0,015

0,015

5

11

0,015

0,0021

0,01

10

Tetrachloorbenzenen ( Σ, 0.7 fact)

0,009

0,009

2,2

2,2

0,009

0,0021

0,01

2,5

Pentachloorbenzeen (QCB)

0,0025

0,0025

5

6,7

0,0025

0,007

0,001

1

Hexachloorbenzeen (HCB)

0,0085

0,027

1,4

2

0,0085

0,044

0,003 0,0000 9

0,5

Chloorbenzenen

Chloorbenzenen ( Σ, 0.7 factor)

2

0,001 30

30

0,2436

Chloorfenolen Monochloorfenolen (0,7 Σ)

0,045

0,045

5,4

5,4

0,045

0,3

100

Dichloorfenolen (0,7 Σ)

0,2

0,2

6

22

0,2

0,2

30

Trichloorfenolen (0,7 Σ)

0,003

0,003

6

22

0,003

0,03

10

Tetrachloorfenolen (0,7 Σ)

0,015

1

6

21

0,015

0,01

10

Pentachloorfenol (PCP)

0,003

1,4

5

12

0,003

0,04

3

Chloorfenolen ( Σ, 0.7 factor)

0,2

0,01

0,01

0,016

0,2

5

5

10

10

0,003

PCB PCB 28

0,0015

0,014

0,001

PCB 52

0,002

0,015

0,001

PCB 101

0,0015

0,023

0,001

PCB 118

0,0045

0,016

0,001

PCB 138

0,004

0,027

0,001

PCB 153

0,0035

0,033

0,001

PCB 180

0,0025

0,018

1

0,02

0,139

0,32

PCB (7) ( Σ, 0.7 factor)

0,02

0,04

0,5

0,001 1

1

0,0049

Organochloorverbindingen 0,0008

0,0013

0,001

Dieldrin

Aldrin

0,008

0,008

0,001

Endrin

0,0035

0,0035

Isodrin

0,001

Telodrin Aldrin/dieldrin/endrin ( Σ, 0.7 fac)

0,001 0,001

0,0005 0,015

0,04

0,14

4

0,015

0,001 0,015

4

4

0,0021

DDT ( Σ, 0.7 factor)

0,2

0,2

1

1,7

0,0014

DDD ( Σ, 0.7 factor)

0,02

0,84

34

34

0,0014

DDE ( Σ, 0.7 factor)

0,1

0,13

1,3

2,3

DDT,DDE,DDD ( Σ, 0.7 factor)

0,009 ng/l 0,1 ng/l 0,04 ng/l

0,0014 0,3

0,3

4

4

0,0042

0,004

0,01

4

4

0,001

0,2 ng/l

5

alfaEndosulfan

0,0009

0,0009

0,1

4

0,0009

0,0021

alfaHCH

0,001

0,001

0,5

17

0,001

0,0012

0,001

33 ng/l

betaHCH

0,002

0,002

0,5

1,6

0,002

0,0065

0,001

8 ng/l

gammaHCH

0,003

0,04

0,5

1,2

0,003

0,003

0,001

9 ng/l

0,01

0,01

2

2

0,0021

4

4

0,001

0,05 0,005 ng/l 0,005 ng/l 0,02 ng/l

HCH ( Σ, 0.7 factor) Heptachloor Heptachloorepoxide ( Σ, 0.7 factor)

0,0007

0,0007

0,1

4

0,0007

0,004

0,002

0,002

0,1

4

0,002

0,004

Chloordaan (som, 0.7 factor)

0,002

0,002

0,1

4

0,002

Hexachloorbutadieen

0,003

0,003

OCB (som, 0.7 factor)

0,4

0,4

Minerale olie (totaal)

190

190

500

5000

190

1250

5000

5000

Minerale olie C10 C40

190

190

500

5000

190

1250

5000

5000

4

4

0,0014

4

4

0,0014

0,0075

1 0,3 3 0,2

0,001

35

50

600

50

600

AGEL adviseurs BIJLAGE 7

Overige gechloreerde koolwaterstoffen Chlooraniline (som o+m+p)

4

Dichlooranilinen (som)

4

Trichlooranilinen

4

Pentachlooraniline

4

dioxine Chloornaftaleen

0,2

0,2

0,2

50

0,2

50

50

100

10

10

0,15

0,15

0,15

10

0,15

0,000055

0,000055

0,000055

0,00018

0,000055

0,001

1

0,07

0,07

10

23

0,07

10

0,0075

0,0075

0,0075

2

0,0075

0,065

0,065

0,065

0,15

0,5

0,001ng/l

10

Organofosforpesticiden Azinphosmethyl

30

50

0,085 4

Organotin bestrijdingsmiddelen Tributyltin (als Sn)

0,065

0,25

0,065

Trifenyltin (als Sn)

0,085

Organotin (som TBT+TFT, als Sn) Organotin Chloorfenoxy azijnzuur herbiciden 4Chloor2methylfenoxyazijnzuur (MCPA)

0,55

0,55

0,15 2,5

2,5

0,55

4

0,15 2,5

2,5

0,05-16

0,7 ng/l

0,55

4

4

0,02

50

150

Overige bestrijdingsmiddelen Atrazine

0,035

0,035

0,5

0,71

0,035

6

6

29 ng/l

Carbaryl

0,15

0,15

0,45

0,45

0,15

5

5

2 ng/l

60

Carbofuran

0,017

0,017

0,017

0,017

0,017

2

2

9 ng/l

100

0,6

0,6

0,6

15

0,6

0,09

0,09

0,5

15000

4-chloormethylfenolen (som) niet chl.pest ONB+OPB (som, 0.7 factor)

4

0,09

Overige stoffen 100

100

100

Cyclohexanon

Asbest in grond (gewogen) 2

2

150

150

100

100

2

Dimethylftalaat

0,045

9,2

60

82

Diethylftalaat

0,045

5,3

53

53

Diisobutylftalaat

0,045

1,3

17

17

Dibutylftalaat

0,07

5

36

36

Butylbenzylftalaat

0,07

2,6

48

48

Dihexylftalaat

0,07

18

60

220

Bis(2ethylhexyl)ftalaat (DEHP)

0,045

8,3

60

60

Ftalaten (totaal)

0,25

Pyridine

0,15

0,15

1

Tetrahydrofuraan

0,45

0,45

Tetrahydrothiofeen

1,5

1,5

Tribroommethaan (bromoform)

0,2

0,2

Acrylonitril

0,1

0,1

Butanol

2

Butylacetaat Ethylacetaat

100

45

45

0,5

60

60

0,5

5

11

0,15

0,5

0,5

0,5

30

2

7

0,45

2

2

0,5

300

8,8

8,8

1,5

90

90

0,5

5000

0,2

75

0,2

75

75

0,1

0,1

0,1

2

2

30

2

2

2

2

200

2

6300

2

2

2

75

2

15000

Diethyleenglycol

8

8

8

270

8

13000

Ethyleenglycol

5

5

5

100

5

5500

Formaldehyde

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

50

isoPropanol

0,75

0,75

0,75

220

0,75

31000

Methanol

3

3

3

30

3

24000

Methylethylketon (MEK)

2

2

2

35

2

630 0,08

5 5600

6000

ETBE Methyltertbutylether (MTBE)

0,1

0,3 0,2

0,2

0,2

100

0,2

44

0,1

9400

*) Betreft toepassen van grond of bagger op landbodem of de kwaliteit van de landbodem waarop de grond of waterbodem wordt toegepast. **) Betreft toepassen van grond of bagger onder oppervlaktewater of de kwaliteit van de waterbodem waarop de grond of waterbodem wordt toegepast.. ***) Ten minste te behalen rapportagegrenzen volgens tabel 1, staatscourant 2012 nr 22335, 2 november 2012. Ingangsdatum 1 juli 2013. De eis aan som-parameters is gebaseerd op de som van de AS300-eisen aan de individuele parameters (met verrekening van 0,7 factor). 1 Er wordt getoetst tegen de interventiewaardenorm voor chroom III. Alleen in specifieke verdachte situaties behoeft te worden getoetst tegen de Interventiewaarde van Cr VI (78 mg/kgds). 2 Er wordt getoetst tegen de interventiewaardenorm voor anorganisch kwik. Alleen in specifieke verdachte situaties behoeft te worden getoetst tegen de Interventiewaarde voor Hg organisch. 3 Er wordt getoetst voor toepassing als zeezand. 4 Geen interventiewaarde vastgesteld, getoetst tegen indicatief niveau voor ernstige verontreiniging (INEV). 5 Barium: de Interventiewaarde geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene oorsprong.

BIJLAGE 8 RELEVANTE INFORMATIE VOORONDERZOEK

Verkennend bodemonderzoek Onderstal 2 te Hoogerheide

Verkennend bodemonderzoek Onderstal 2 te Hoogerheide

Opdrachtgever

: Woningstichting Woensdrecht Postbus 54 4630 AB Hoogerheide

Projectnummer

: 20170443

Status rapport / versie nr.

: Definitief 01

Datum

: 27 september 2017

Opgesteld door

: Mw. M. Beljaars

Gecontroleerd door

: Mw. ing. J.H Brunink

Voor akkoord

: Mw. ing. J.H Brunink

Versie nr.

Datum

Omschrijving

D.01

27-09-2017

Verkennend Hoogerheide

Postbus 4156 4900 CD Oosterhout Hoevestein 20b 4903 SC Oosterhout

bodemonderzoek

Paraaf :

Onderstal

2

te

Opgesteld door

Gecontroleerd door

MB

JBr

t.(0162) 456481 f.(0162) 435588 info@ageladviseurs.nl www.ageladviseurs.nl

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 Samenvatting

SAMENVATTING

Algemeen

Opdrachtgever Adres onderzoekslocatie Kadastrale registratie Oppervlakte onderzoekslocatie Huidig gebruik Type onderzoek Aanleiding onderzoek

: : : : : : :

Woningstichting Woensdrecht Onderstal 2 te Hoogerheide Gemeente Woensdrecht, sectie B, nummer 2669 1.350 m2 Woonhuis met (moes)tuin Verkennend bodemonderzoek Aankoop van locatie

Resultaten vooronderzoek en hypothese Hypothese conform NEN 5740

:

Onverdachte locatie

Uitvoering veld- en laboratoriumonderzoek Datum:  Grond  Grondwater Veldmedewerkers en protocol

: : :

Laboratorium

:

4 september 2017 15 september 2017 C.A.P. Snoeren en W.C.A.M. van Berkel conform de BRL SIKB 2000 (protocollen 2001 en 2002) Eurofins OMEGAM Laboratoria te Amsterdam

Samenvatting resultaten

Grond:  Zintuiglijke waarnemingen  Bovengrond (0,0-0,5 m-mv)

: :

Ondergrond (0,6-2,0 m-mv) Indicatieve toetsing Bbk

: :

 

Grondwater

Conclusies 

  

:

Ten hoogste sporen (< 1%) baksteen Zink > interventiewaarde. Cadmium, kwik, lood, PAK, PCB’s, som DDT/OCB’s > AW < Achtergrondwaarde (AW) Bovengrond plaatselijk Niet toepasbaar, overig klasse Industrie. Ondergrond altijd toepasbaar Voldoet aan streefwaarde

De bovengrond is plaatselijk ten gevolge van bijmengingen met sporen baksteen plaatselijk sterk tot matig verontreinigd met zink. Een bron van deze verontreiniging is niet met zekerheid vast te stellen. Ofwel de verontreiniging is veroorzaakt door uitloging van het ter plaatse gelegen en opgeslagen metaal- en afzetmateriaal, ofwel de verontreiniging is gerelateerd aan de naastgelegen voormalig textielveredeling aan de Raadhuisstraat 98 (textielveredeling = potentiële bron van oa. zink) aan de oostzijde. Verder is in het bovengrondmengmonster (MM1) een lichte verhoging ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond met cadmium, kwik, lood, PAK, PCB’s, som DDT en som OCB’s. Na indicatieve toetsing aan de waarden van het Besluit bodemkwaliteit bij toepassing op of in de bodem wordt de bovengrond wisselend beoordeeld als klasse Niet toepasbaar en klasse Industrie. In de ondergrond zijn geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden gemeten van de onderzochte parameters. In het grondwater zijn geen overschrijdingen van de onderzochte parameters aangetoond. Bij het verkennend bodemonderzoek zijn sterk verhoogde gehalten aan zink in de bovengrond aangetoond. Dit betekent dat er op basis van de Wet bodembescherming een noodzaak bestaat voor het uitvoeren van een nader onderzoek.

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 Samenvatting

Tijdens de locatie inspectie is niet met zekerheid vastgesteld dat het golfplaatmateriaal op de schuur niet asbesthoudend is. Bij de uitvoering van het veldwerk zijn in de bovengrond bijmengingen met sporen baksteen waargenomen en is zover indicatief waarneembaar geen asbestverdacht materiaal in de bodem aangetroffen. De aangetroffen bijmengingen met bakstenen is van eenduidige aard en is niet gerelateerd aan verdacht asbestmateriaal. Opgemerkt wordt dat onderhavig onderzoek niet conform de NEN 5707 (norm verkennend asbestonderzoek) is uitgevoerd.

Aanbevelingen en opmerkingen

Aanbevolen wordt een nader bodemonderzoek conform de NTA 5755 uit te voeren om de verontreiniging met zink nader in beeld te brengen (mate en omvang) en te bepalen of er op basis van de Wet bodembescherming een saneringsplicht geldt. Wanneer wordt overgegaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek naar het zinkgehalte wordt eveneens aanbevolen het vervolgonderzoek te combineren met een asbestonderzoek conform de NEN 5707 rondom de schuur en achterzijde van de locatie (noordzijde). N.B. Mocht de resultaten van een eventueel uitgevoerde asbestinventarisatie conform de SC540 uitwijzen dat er geen sprake is van asbesthoudend materiaal dan is een nader onderzoek naar asbest in bodem specifiek aan de noordzijde niet noodzakelijk. Indien bij de voorgenomen bouwactiviteiten grond van de locatie vrijkomt, dient er rekening te worden gehouden met beperkingen ten aanzien van hergebruik en afzet van de grond. Plaatselijk is de grond indicatief beoordeeld als Niet toepasbaar en derhalve niet geschikt voor hergebruik. Opgemerkt wordt dat dit onderzoek geen bewijsmiddel is zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit voor toepassing van grond elders.

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 blad 2

SAMENVATTING INHOUD

blz.

1

INLEIDING

4

2

VOORONDERZOEK

5

2.1

5

2.2

2.3

3

4

Algemeen en bronvermelding Locatiegegevens en huidige situatie

6

2.2.1

Onderzoekslocatie

6

2.2.2

Omgeving

7

2.2.3

Zonering bodemkwaliteitskaart

7

Historische gegevens

7

2.3.1

Voormalig gebruik

7

2.3.2

Beschikbaar bodemonderzoek

8

2.3.3

Niet gesprongen explosieven

8

2.3.4

Archeologische waarden

8

2.4

Toekomstig gebruik

8

2.5

Bodemopbouw en geohydrologie

9

2.6

Financieel juridische informatie

9

2.7

Conclusie vooronderzoek en hypothese(n)

9

VELD- EN LABORATORIUMONDERZOEK

10

3.1

Kwalibo vereisten

10

3.2

Opzet en uitvoering

10

3.3

Resultaten veldonderzoek

11

3.4

Laboratoriumonderzoek

11

RESULTATEN EN INTERPRETATIE

13

4.1

Toetsingskader en toetsing analyseresultaten

13

4.2

Bespreking van de resultaten

13

4.2.1

13

Resultaten grondonderzoek

4.2.2

Resultaten grondwateronderzoek

14

4.2.3

Toetsing van de hypothese

14

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

15

6

NORMERING EN BETROUWBAARHEID

16

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 blad 3

BIJLAGEN 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Locatiekaart Kadastrale gegevens Situatietekening met boorpunten Boorbeschrijvingen Analysecertificaten Toetsing analyseresultaten Toelichting en achtergrond toetsingskader Relevante informatie vooronderzoek Fotoreportage Onafhankelijkheidsverklaring

© AGEL adviseurs 2017 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorgaande toestemming van AGEL adviseurs bv, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

1

20170443 September, 2017 blad 4

INLEIDING

In opdracht van woningstichting Woensdrecht heeft AGEL adviseurs een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een locatie aan de Onderstal 2 te Hoogerheide. De locatie is in gebruik als woonhuis met (moes)tuin en heeft een oppervlakte van circa 1.350 m2. De aanleiding voor het uitvoeren van het bodemonderzoek vormt de voorgenomen aankoop van de locatie. In het kader hiervan is inzicht gewenst in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740. De doelstelling van het verkennend bodemonderzoek is inzicht te krijgen in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of er op de locatie verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater aanwezig zijn. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek dient te worden vastgesteld of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen aankoop van de locatie. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000 (protocollen 2001 en 2002), waarvoor AGEL adviseurs erkend is door Rijkswaterstaat Leefomgeving. Voorliggend rapport is als volgt opgebouwd:  Vooronderzoek en onderzoekshypothese (hoofdstuk 2);  Veld- en laboratoriumonderzoek (hoofdstuk 3);  Resultaten en interpretatie (hoofdstuk 4);  Conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 5).

In hoofdstuk 6 wordt tenslotte een toelichting gegeven op het normenkader en de factoren die van invloed kunnen zijn op de betrouwbaarheid van het onderzoek.

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 blad 5

2

VOORONDERZOEK

2.1

Algemeen en bronvermelding

Onderdeel van het verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 is het verrichten van een vooronderzoek conform de NEN 5725. Gezien de doelstelling van het bodemonderzoek is uitgegaan van een vooronderzoek op standaardniveau. Bij het vooronderzoek is informatie verzameld over het voormalige, huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Op basis van het vooronderzoek is bepaald of op de locatie of op delen van de locatie bodemverontreiniging verwacht kan worden. Voor de afbakening van de onderzoekslocatie is gekozen voor een perceelsgewijze afbakening. Het geografisch gebied waarop het vooronderzoek betrekking heeft richt zich op de onderzoekslocatie waarbinnen het geografisch besluitvormingsgebied valt en de aangrenzende percelen tot een maximale afstand van 25 meter. In het kader van het vooronderzoek zijn de onderstaande bronnen geraadpleegd. Tevens is aangegeven of voor de onderzoekslocatie relevante informatie aangetroffen is. Tabel 2.1: Geraadpleegde bronnen Instantie

Geraadpleegd

Opdrachtgever

Ja

Aspect

Afbakening onderzoeksgebied Informatie huidig en voormalig gebruik Toekomstig gebruik Eerder bodemonderzoek Verwachting niet gesprongen explosieven Bodemloket Ja Informatie Landsdekkend beeld/Globis Gemeente Ja Bodemkwaliteitskaart Woensdrecht/ BodemInformatiesysteem (BIS) en/of eerder Omgevingsdienst onderzoek Midden- en WestArchief BOOT/tankenbestand Brabant Vervallen Hinderwetvergunningen (statisch) Actuele milieuvergunningen (dynamisch) Bouwvergunningen Literatuur en eigen Ja Topografische kaart archief Luchtfoto google earth Historische atlas Topotijdreis DINOloket Grondwaterkaart van Nederland, TNO Grondwateronttrekkingen Provinciale milieuverordening (PMV) Verwachting aanwezigheid archeologische waarden Bevoegd gezag Wbb Nee Beschikkingen Wet bodembescherming Regionaal archief Nee Historische informatie Kadaster Ja Kadastrale situatie Kabels en leidingen informatie (KLIC) Locatie-inspectie Ja Bodembedreigende activiteiten Verwachting t.a.v. asbest Locatie interviews + : Informatie aanwezig m.b.t. onderzoekslocatie; : Geen voor het onderzoek relevante informatie aanwezig m.b.t. onderzoekslocatie.

Relevante info aanwezig + + + + + + + + + + + + -

Ten behoeve van het vooronderzoek is, op verzoek van AGEL adviseurs, door de gemeente Woensdrecht en Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant informatie beschikbaar gesteld over de bij de gemeente bekende relevante gegevens. Deze zijn opgenomen in bijlage 8.

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 blad 6

2.2

Locatiegegevens en huidige situatie

2.2.1

Onderzoekslocatie

Onderstaand zijn de locatiegegevens samengevat. Tabel 2.2: Locatiegegevens Aspect Adres Kadastraal (bijlage 2) Topografie en RD-coördinaten (bijlage 1) Eigenaar Gebruiker Huidig gebruik Oppervlakte kadastraal perceel(-en)

Gegevens Onderstal 2 Gemeente: Woensdrecht Sectie: B Nummer(s): 2669 x: 809,39 y: 382,282

Woonhuis met (moes)tuin Circa 1.350 m² Onderzoekslocatie: circa 1.350 m²

In figuur 2.1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Een situatietekening met begrenzing van de onderzoekslocatie is tevens opgenomen in bijlage 3. Figuur 2.1: Luchtfoto onderzoekslocatie (met rood aangegeven)

De onderzoekslocatie is momenteel in gebruik als woonhuis met (moes)tuin. De bebouwing op de locatie bestaat uit woonhuis en heeft een oppervlakte van circa 1.350 m2. Het woonhuis is op basis van de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) gebouwd in 1958. Het onbebouwde deel is overwegend in gebruik als tuin.

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 blad 7

Onderstaande foto’s geven een indruk van de locatie. In bijlage 9 zijn aanvullende locatiefoto’s opgenomen. Figuur 2.2: Foto’s onderzoekslocatie

Fotonr. 3947

Fotonr. 3950

Aan de noordzijde van de locatie, direct achter het schuurtje, maakte het terrein een rommelige indruk. Ter plaatse ligt daar diverse plaat(ijzer/kunststof)materiaal en afzettingsmateriaal opgeslagen. Voor zover zintuiglijk waarneembaar zijn er bij de indicatieve inspectie geen asbestverdachte materialen op de bebouwing aanwezig, zo ook ter plaatse van het opslagmateriaal. Dit is echter niet met zekerheid vastgesteld, het plaatmateriaal op de schuur is vermoedelijk van kunststof golfmateriaal. Bij de locatie inspectie is geen asbestverdacht materiaal op de bodem waargenomen.

2.2.2

Omgeving

2.2.3

Zonering bodemkwaliteitskaart

De onderzoekslocatie bevindt zich in een woonwijk. In de directe omgeving van de locatie zijn geen factoren bekend die van invloed zijn op de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Voor de gemeente Woensdrecht is een bodemkwaliteitskaart beschikbaar. Op basis van deze bodemkwaliteitskaart wordt ter plaatse van de onderzoekslocatie de volgende bodemkwaliteit verwacht:  Bovengrond (0,0-0,5 m-mv) : klasse landbouw en natuur;  Ondergrond (0,5-2,0 m-mv) : klasse landbouw en natuur. Op de bodemfunctieklassenkaart is de onderzoekslocatie gelegen in de zone wonen. 2.3

Historische gegevens

2.3.1

Voormalig gebruik

In figuur 2.3 zijn een aantal historische topografische kaarten opgenomen. Figuur 2.3: Historische topografische kaarten van de onderzoekslocatie (rode vierkant) 1940 1960

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 blad 8

1980

2000

Bij het raadplegen van de gebruikte bronnen zijn er geen historisch relevante gegevens naar voren gekomen die van belang zijn voor het verrichten van bodemonderzoek. De locatie is voor zover bekend niet anders in gebruik geweest dan woonhuis met (moes)tuin. Vanwege het gebruik moestuin zal om deze reden dan ook de kritische stof OCB’s (organochloorbestrijdingsmiddelen) worden meegenomen in het analysepakket. De kans op het aantreffen van asbesthoudende materialen ter plaatse van de onderzoekslocatie wordt als gevolg van het huidige gebruik woonhuis met (moes)tuin klein geacht.

2.3.2

Beschikbaar bodemonderzoek

Van de directe omgeving zijn de volgende bodemonderzoeken bekend: Tabel 2.6: Beschikbare bodemonderzoeken Type onderzoek

Datum

Samenvatting relevante resultaten

Raadhuisstraat 88-90 Hoogerheide (NZ087300367) Oriënterend 04-11-2011 Bron: Omgevingsdienst Midden- en Westbodemonderzoek Brabant UB: 515121, brandstoffengroothandel (vloeibaar) Raadhuisstraat 98 Hoogerheide (NZ035000094) Verkennend 01-05-1995 Bron: Omgevingsdienst Midden- en Westbodemonderzoek Brabant UBI: 1730, textielveredeling Raadhuisstraat/J. v.d. Heijdenstraat Hoogerheide (NZ035000094) Verkennend 22-08-2006 Bron: Omgevingsdienst Midden- en Westbodemonderzoek Brabant NVN5740 Rapportage niet beschikbaar.

Status / of verdachte stoffen Niet ernstig, licht tot matig verontreinigd. Voldoende onderzocht.

Grond (>S/AW) Grondwater (>S/AW)

Geen informatie bekend

Het omgevingsrapport is bijgevoegd in bijlage 8.

2.3.3

Niet gesprongen explosieven

2.3.4

Archeologische waarden

2.4

Toekomstig gebruik

Ten aanzien van de verwachting van niet gesprongen explosieven is bij de opdrachtgever geen informatie bekend. Ten aanzien van de verwachting van archeologische waarden is de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geraadpleegd (www. archeologieinnederland.nl). De onderzoekslocatie en de directe omgeving vallen binnen niet gezoneerd gebied. Voor het niet-gezoneerd gebied is geen archeologische verwachtingswaarde vastgesteld.

Momenteel zijn er geen wijzigingen in het (bodem-)gebruik van de locatie bekend.

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

2.5

20170443 September, 2017 blad 9

Bodemopbouw en geohydrologie

Het maaiveld bevindt zich op ongeveer 19,54 m+NAP. Van de locatie is de volgende regionale bodemopbouw achterhaald. Tabel 2.7: Bodemopbouw en geohydrologie Diepte (m -mv) 0.00-4.23

Formatie Geohydrologische eenheid Formatie van Boxtel Dek laag

4.23-7.07

Formatie van Waalre

Eerste watervoerende pakket

7.07-9.03

Formatie van Waalre

Eerste scheidende laag

9.03-16.56

Formatie van Peize

Tweede watervoerende pakket

Samenstelling Zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; leem, lokaal zandig, lokaal humeus; klei, siltig tot zandig; veen, kleiig Zand, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen Klei, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, met weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind Zand, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen

In de directe omgeving van de onderzoekslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. De locatie is niet gelegen in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. In de omgeving van de onderzoekslocatie vinden geen industriële grondwateronttrekkingen plaats. 2.6

Financieel juridische informatie

In het kader van onderhavig bodemonderzoek is behoudens de in bijlage 2 opgenomen kadastrale gegevens geen nadere financieel juridische informatie verzameld. Het uitvoeren van een daadwerkelijke juridische toets maakt geen deel uit van onderhavig bodemonderzoek. 2.7

Conclusie vooronderzoek en hypothese(n)

Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie aangemerkt als een, voor bodemverontreiniging, onverdachte locatie. Dit betekent dat conform de NEN 5740 de strategie ONV van toepassing is en er geen overschrijdingen van de streefwaarden respectievelijk lokale achtergrondwaarden worden verwacht.

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 blad 10

3

VELD- EN LABORATORIUMONDERZOEK

3.1

Kwalibo vereisten

De veldwerkzaamheden zijn onder certificaat uitgevoerd door AGEL adviseurs conform de vigerende versie van de BRL SIKB 2000 en bijbehorende protocollen:  Protocol 2001 (plaatsen boringen en peilbuizen): op 4 september 2017 door C.A.P. Snoeren en W.C.A.M van Berkel;  Protocol 2002 (grondwaterbemonstering): op 15 september 2017 door C.A.P. Snoeren. AGEL adviseurs is voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification (nummer EC-SIK-20258) en erkend door Rijkswaterstaat Leefomgeving. De heer C.A.P. Snoeren is een ervaren en geregistreerde veldwerker. De heer W.C.A.M. van Berkel is een veldmedewerker in opleiding. Het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd door het milieulaboratorium van Eurofins OMEGAM Laboratoria te Amsterdam. De chemische analyses zijn uitgevoerd conform de accreditatie AS3000 waarvoor Eurofins OMEGAM Laboratoria door de Raad voor Accreditatie (RvA) erkend is als testlaboratorium. 3.2

Opzet en uitvoering

In tabel 3.1 is een overzicht opgenomen van de onderzoeksopzet en hierbij behorende veldwerkzaamheden en verrichte analyses. De locatietekening met situering van de boringen en peilbuizen is opgenomen in bijlage 3. Tabel 3.1: Opzet veld- en laboratoriumonderzoek Locatie

Veldonderzoek

Boring tot 0,5 m-mv 1.350 m2 A B *

Laboratoriumonderzoek

(en boornummers) Boring tot 2,0 m-mv

Boring met peilbuis

6

1

1

Nr. 03 t/m 08

Nr. 02

Nr. 01

(en monstercodering) Grond Grondwater

Bovengrond: 2 x pakket A* Ondergrond: 1 x pakket A

1 x pakket B

: Standaard stoffenpakket grond met de parameters organische stof en lutum, de metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink en de organische parameters som-PCB’s, som-PAK’s en minerale olie; : Standaard stoffenpakket grondwater met de parameters vluchtige aromaten (BTEXN), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl 10 parameters), minerale olie (GC) en zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). : inclusief organochloorbestrijdingsmiddelen

Het veldonderzoek heeft uit de volgende werkzaamheden bestaan:  Terreininspectie en visuele inspectie van het maaiveld;  Het plaatsen van de boringen en de peilbuis zoals opgenomen in tabel 3.1;  De vrijgekomen grond uit de boringen is in het veld geclassificeerd (vaststellen bodemopbouw) en beoordeeld op de aanwezigheid van verontreinigingen;  Monsterneming van de grond. Een grondmonster heeft betrekking op een maximaal bodemtraject van 0,5 meter. Afwijkende bodemlagen (zoals de aanwezigheid van bodemvreemde materialen als bijvoorbeeld puin, verkleuringen van de grond en geurwaarnemingen) zijn apart bemonsterd. Indien bij een boring meerdere grondmonsters zijn genomen, is met een toenemende diepte de codering -1, -2, -3 enz. aan het monsternummer toegevoegd;

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 blad 11

De peilbuis is voorzien van een filter met een lengte van 1,0 meter en afgewerkt met filtergrind en een bentonietafsluiting. Bij de codering van een grondwatermonster is het nummer van de peilbuis aangehouden met toegevoegd - nummer filter - nummer watermonster (bijvoorbeeld: 1-1-1);

Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen significante afwijkingen gerapporteerd die van invloed zijn op de voorschriften en werkwijze van de genoemde protocollen. 3.3

Resultaten veldonderzoek

In bijlage 4 zijn de resultaten van de boorbeschrijvingen in de vorm van boorprofielen weergegeven. De bodemopbouw bestaat vanaf maaiveld tot de maximaal verkende boordiepte van 2,10 m-mv uit zand. In tabel 3.2 is een overzicht gegeven van de zintuiglijke waargenomen bijzonderheden aan de opgeboorde grond. Tabel 3.2: Zintuiglijk aangetroffen bijzonderheden Boring 01

Einddiepte (m -mv) 2,10

02 03 04

2,00 1,00 1,00

Traject (m -mv) 0,00 - 0,40 0,40 - 0,60 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

Textuur

Zintuiglijke waarneming

Zand Zand Zand Zand Zand

Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen, resten plastic Sporen baksteen

Bij de uitvoering van het veldwerk zijn plaatselijk bijmengingen met sporen baksteen waargenomen. De aangetroffen bijmengingen met bakstenen is van eenduidige aard en is niet gerelateerd aan verdacht asbestmateriaal. In tabel 3.3 staan de veldwaarnemingen met betrekking tot het grondwater. Tabel 3.3: Veldwaarnemingen met betrekking tot het grondwater Peilbuis 01 *) **)

Filtertraject (m -mv) 1,10-2,10

Stijghoogte (cm -mv) 66

Temp. ( 0C) 16,2

pH* 6,22

Ec (µS/cm) ** 420

Troebelheid (NTU) 147

Zintuiglijke waarneming Geen bijzonderheden

: Normale waarden voor de pH liggen tussen 4,0 en 8,0; : Normale waarden voor de Ec liggen onder 1.500 µS/cm.

Aan het opgepompte grondwater zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen. De troebelheid (NTU) van het grondwatermonster ligt boven de natuurlijke troebelheid van grondwater (<10 NTU). De verhoogde troebelheid van het grondwatermonster kan mogelijk veroorzaakt zijn door verstoring van de bodem bij het plaatsen van de peilbuizen. Een verhoogde troebelheid van een grondwatermonster heeft pas consequenties als bepaalde analyseresultaten boven gestelde grenswaarden uitkomen. De beoordeling van de troebelheid vindt mede plaats in samenhang met de analyseresultaten. 3.4

Laboratoriumonderzoek

Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is een selectie gemaakt in de te analyseren grondmonsters waarbij een aantal grondmonsters is samengesteld tot mengmonsters. Voor mengmonsters is de codering MM1 etc aangehouden.

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 blad 12

Een overzicht van de uitgevoerde analyses de grond- en grondwatermonsters is weergegeven in de tabellen 3.4 en 3.5. Tabel 3.4: Uitgevoerde analyses grond MonsterSamenstelling deelmonsters code (boring-monster) Bovengrond MM1 01-1, 02-1, 03-1, 04-1

Ondergrond MM2 01-3, 01-4, 02-3, 02-4 Uitsplitsing 01 01-1 02 03

A pakket * ^

Traject (m -mv)

Omschrijving en bijzonderheden

Analysepakket

0,0-0,5

Zand, sporen baksteen, resten gley, resten plastic, resten wortels

A pakket*

0,6-1,6

Zand, sporen gley

A pakket

0,0-0,4

Zand, matig fijn, zwak siltig, Zink^ matig humeus, resten wortels, sporen baksteen 02-1 0,0-0,5 Zand, matig fijn, zwak siltig, Zink^ zwak humeus, sporen baksteen 03-1 0,0-0,5 Zand, matig fijn, zwak siltig, Zink^ zwak humeus, sporen baksteen, resten wortels, resten gley, resten plastic : Standaard stoffenpakket grond (A) met de parameters organische stof en lutum, de metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink en de organische parameters som-PCB’s, som-PAK’s en minerale olie. : Organische chloorbestrijdingsmiddelen : Zink

Op basis van de resultaten van mengmonster MM1 zijn in overleg met de opdrachtgever de monsters uit dit mengmonster separaat ter analyse aangeboden bij het laboratorium op de parameter zink. Tabel 3.5: Uitgevoerde analyses grondwater Monstercode Peilbuis Filtertraject (m -mv) Analysepakket 01-1 01 1,10-2,10 B pakket B pakket : Standaard stoffenpakket grondwater (B) met de parameters vluchtige aromaten (BTEXN), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl 10 parameters), minerale olie (GC) en zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink).

De resultaten van het laboratoriumonderzoek worden in volgend hoofdstuk weergegeven en geïnterpreteerd.

AGEL adviseurs D01 Verkennend Bodemonderzoek Onderstal 2 Hoogerheide

20170443 September, 2017 blad 13

4

RESULTATEN EN INTERPRETATIE

4.1

Toetsingskader en toetsing analyseresultaten

De analyserapporten van het laboratorium zijn opgenomen in bijlage 5. Door het laboratorium is bij de uitsplitsing van het mengmonsters MM1 een afwijking van de AS3000 gerapporteerd. Omdat de uitsplitsing is ingezet na bekendmaking van de analyseresultaten is de conserveringstermijn (7 dagen) verstreken. De genoemde afwijking wordt als niet-kritieke afwijking beschouwd, aangezien de monsters bij het laboratorium onder strenge, gecontroleerde condities, gekoeld zijn bewaard. Derhalve wordt aangenomen dat deze afwijking geen effect heeft op het resultaat en de interpretatie hiervan De volledige toetsing van de analyseresultaten is opgenomen in bijlage 6. In deze tabellen zijn de analyseresultaten, het geanalyseerde c.q. gehanteerde lutum- en humusgehalte, het toetsingskader en de overschrijdingen ten opzichte van het toetsingskader opgenomen. Daarnaast zijn de resultaten indicatief getoetst aan de waarden van het Besluit bodemkwaliteit bij toepassing op of in de bodem. Een toelichting op de toetsingscriteria en het wettelijk kader is opgenomen in bijlage 7. 4.2

Bespreking van de resultaten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=0467361d-8180-4c72-a1be-ab46f014a0cf