CConstaterende datWijk bij Duurstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Vergunbaarheid fiets-wandelpad Lunenburgerwaard

Raadsvergadering 5 juli 2022, gemeente Wijk bij DuurstedeBij agendapunt: Koppelkansen project Sterke Lekdijk5.108 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Een vrij liggend fietspad (en/of gebruik als wandelpad) in de Lunenburgerwaard is niet vergunbaar Een vrij liggend fietspad, ook te gebruiken als wandelpad, is gedurende het hele proces van de dijkversterking Sterke Lekdijk WAM meegenomen als koppelkans, hoewel de mogelijke onmogelijkheid tot realisatie bij velen al vroeg was onderkend. Desondanks blijft de gemeente Wijk bij Duurstede proberen om dit pad aan te leggen. Deze notitie legt uit waarom dit pad in de Lunenburgerwaard niet vergunbaar is vanwege het feit dat dit een Natura 2000-gebied en een NNN-gebied betreft met zeer strikte beschermingsregels. Wij lichten dit verderop toe aan de hand van citaten uit projectnota’s en verwijzen naar jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, de enige instantie die bevoegd is uitleg te geven aan de bepalingen van de Vogelen de Habitatrichtlijn. In de presentatie van het Werkatelier Verkeer en Recreatie wordt gesteld dat de verstoringseffecten van een fietspad naar Gravenbol op de aan te leggen / te verbeteren beheerstrook buitendijks onderaan de dijk beperkt zijn. Dit wekt de indruk dat een fietspad, tevens te gebruiken als wandelpad, vergunbaar zou zijn. Deze uitspraak is gebaseerd op de concept Variantennota koppelkans 5 – Vrij liggend fietspad tussen Wijk bij Duurstede en Gravenbol, versie 0.5, 6 april 2022.

Deze conceptnota bevat echter vele manco’s en strijdigheden met de Vogel- en Habitatrichtlijn, waardoor de getrokken eindconclusie niet klopt. Het pad is namelijk onvergunbaar. Bij de effectbeoordeling op de gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen krachtens de Habitatrichtlijn moeten krachtens de Habitatrichtlijn artikel 6, lid 3 de effecten van alle ingrepen gebundeld beoordeeld worden op hun gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen krachtens die richtlijn. Dat zijn dus gebundeld de effecten van de dijkverzwaring, de aanleg beheerstrook, de aanleg en gebruik fietspad en gebruik daarvan door wandelaars, de aangelegde wandelroute in Natura 2000-gebied en de te realiseren rustpunten. Maar ook de cumulatie van effecten door het uitbaggeren van de kleiputjes, pipingmaatregelen waar glanshaverhooiland ontwikkeld moet worden en uiteraard ook de toenemende recreatiedruk op water en oevers door ontwikkelingen rond de voormalige steenfabriek Lunenburg (aanleg 16 recreatiewoningen met horeca) en op Gravenbol (horeca gepland). Het 3,5 meter brede fietspad met aan 2 zijden ribbelstroken en een talud tot maaiveld plus de verlegde route rond de op / afritten van de dijk leidt tot een forse ruimteafname ten koste van dit Natura 2000-gebied. Dat geldt ook voor de stevige beheerstrook van 5 meter breed met vereiste drooglegging.

Dat vergt waarschijnlijk ook veel ruimte nabij de waardevolle kleiputjes. Een pad op beheerstrook verkleint het areaal en de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000 en NNN-gebied gebied worden aangetast.

1

Het gebruik van een pad in de uiterwaard is veel verstorender dan fietsen op de dijk. Het is een 2-richtingen fietspad onderlangs de dijk tegen en door het Natura 2000-gebied, daarnaast onvermijdelijk ook toegankelijk voor wandelaars. Men kan overal stoppen waardoor de verstorende effecten nog groter worden. De huidige verstoring van fietsers op de dijk is minder vanwege de afstand, het hoogteverschil en het feit dat fietsers richting Wijk aan de binnenzijde dijk rijden. De simpele conclusie dat de verstoringsgrens slechts 20 meter opschuift gaat dus niet op. Zonder een solide en hoog raster langs het hele fiets / wandelpad kan iedereen op elk moment het natuurgebied inlopen. Dat zou nog meer verstoring, vertrapping et cetera met zich mee brengen. Laat staan dat er onvermijdelijk ook wandelaars met honden gebruik gaan maken van het pad. Een raster daarentegen belemmert de fauna, zoals bijvoorbeeld de hier voorkomende das, in bewegings- en foerageermogelijkheden. Uit jarenlange ervaring weten we dat er geen handhaving is, omdat dit geen prioriteit heeft, dus we krijgen met dit pad een drukke route met veel beweging van wandelaars, fietsers, wellicht scooters en honden door het natuurgebied. Deze omstandigheid is niet meegenomen in de beschouwing.

Een recent onderzoek over wandelroutes door de Lunenburgerwaard oost, uitgevoerd door EcoGroen in augustus 2020, sprak al over het conflicterend blijven in het kader van de Wnb, onderdeel gebiedsbescherming. Het pad is onvergunbaar, om de volgende redenen. De bepalingen uit de Habitatrichtlijn krachtens artikel 6 leden 2 en 3 gelden namelijk ook voor Vogelrichtlijngebieden die op grond van de Habitatrichtlijn artikel 3, lid 1 en artikel 4, de leden 1, 2 en 4 zijn opgenomen in het Natura 2000-netwerk. Daarvoor geldt dat de vogelsoorten uit het aanwijzingsbesluit als Natura 2000-gebied van 23 april 2014 in een gunstige staat van instandhouding moeten worden behouden, dan wel worden hersteld. Dat houdt in dat de oppervlakte van hun habitat stabiel moet blijven of toenemen en dat die staat niet mag worden aangetast door plannen of projecten die geen verband houden met het beheer van het gebied ten behoeve van die vogelsoorten. Waar de instandhoudingsdoelen van een gunstige staat van instandhouding nog niet zijn bereikt, moeten deze eerst worden gerealiseerd, waar ze wel zijn bereikt mag niet worden afgeroomd tot de oppervlakte habitat die aanwezig was ten tijde van de aanwijzing op 23 april 2014. Aanleg van het pad is niet nodig ten behoeve van de dijkversterking en heeft ook niets van doen met het beheer van het Natura 2000-gebied.

Het pad is zelfs niet bedoeld voor natuurbeleving, het heeft puur een verbindingsrol die ook al op de kruin van de dijk aanwezig is. Het is dus een nieuwe functie in het natuurgebied met sterk verstorende en areaalverkleinende aspecten. Hier is geen sprake van een zeer zwaarwegend maatschappelijk belang, krachtens artikel 6, lid 4, omdat dit immers helemaal niet als zodanig is opgevoerd. Alternatieven voor dit pad zijn er legio: de kruin van de dijk wordt al als fietsstraat ingericht en binnendijks bestaat eenzelfde mogelijkheid tot aanleg maar dan zonder de aantasting van de beschermde natuur.

2

Saillant is dat tegelijkertijd het project Natuurontwikkeling Lunenburgerwaard speelt. In dat provinciale project proberen we juist de natuur in dit gebied te versterken en te voldoen aan wettelijke verplichtingen onder de Natura 2000 en KRW regelingen. De effecten van het pad zijn totaal contrair aan die van de natuurontwikkeling dat in juni 2022 wordt opgeleverd. De aanzienlijke investering hierin wordt met het pad direct weer grotendeels teniet gedaan. Dit is onnavolgbaar. In de rest van deze notitie gaan we in detail in op de manco’s in de variantennota en verwijzen we naar de jurisprudentie op dit gebied. We zijn bereid met iedereen over dit onderwerp het gesprek aan te gaan. Werkgroep Groenberaad, Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede, Dr. Frans Vera, Sonja Fris MSc en Ing. Henny Olthof

Website: www.ivn.nl/vnmw Mail: groenberaad@vnmw.nl 16 mei 2022

3

Argumenten waarom vrij liggend fietspad (en/of gebruik als wandelpad) in Natura 2000 gebied niet vergunbaar is. Aan de hand van teksten uit het concept Variantennota koppelkans 5 – Vrij liggend fietspad tussen Wijk bij Duurstede en Gravenbol zal worden aangegeven welke argumenten er zijn op grond van de jurisprudentie van het Europese Hof van justitie dat een vrij liggend fiets / wandelpad in het Natura 2000-gebied Rijntakken niet vergunbaar is. Daarbij zij opgemerkt dat wat in het taalgebruik wordt gepresenteerd als een koppelkans, veeleer feitelijk een koppelbeperking is. Citaten uit de conceptnota worden cursief weergegeven. De citaten uit de jurisprudentie van het Europese Hof eveneens maar springen ook in. Pg. 5: Het waterschap wil de dijk niet alleen veiliger maken, maar waar mogelijk ook mooier. Ook andere overheden in het gebied hebben ambities om het gebied te verbeteren. Bewoners, eigenaren en andere partijen hebben diverse wensen en kansen ingediend. Mogelijk kunnen ambities of wensen gezamenlijk goedkoper of sneller worden uitgevoerd of wordt het gebied tegen gelijke kosten beter of mooier. Dit noemen we een koppelkans. Hier is verzuimd om aan te geven dat het in bepaalde gevallen niet gaat om koppelkansen, maar om koppelbeperkingen. Op deze manier worden bij burgers valse verwachtingen gewekt die vervolgens leiden tot teleurstellingen.

Overheden verzaken hier om aan te geven wat wel en wat geen mogelijkheden zijn. Pg. 6: 1.2 Doelstelling en scope koppelkans Het doel en scope van deze koppelkans is conform de SOK: het vergroten van de (verkeers)veiligheid en recreatiemogelijkheden langs de Lekdijk. Dit door een fietspad aan te leggen van Wijk bij Duurstede tot de ingang van het recreatieterrein Gravenbol op de onderhoudsstrook van de dijk (buitentalud). In het arrest van het Europese Hof van justitie zaak C-355/90 punten 17 en 18 heeft het Hof geoordeeld voor het Vogelrichtlijngebied de moerassen van Santoña in Spanje dat: 17. Naar de mening van de Spaanse regering moeten de in deze bepaling gestelde ecologische eisen aan andere belangen, zoals sociale en economische belangen, worden onderworpen, althans daartegen worden afgewogen. 18. Dit argument kan niet worden aanvaard. Immers, zoals volgt uit het arrest van het Hof van 28 februari 1991 (zaak C-57/89, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1991, blz. 1883), mogen de Lid-Staten bij de uitvoering van de richtlijn niet naar eigen inzicht redenen verband houdend met andere belangen aanvoeren om van de richtlijn af te wijken. Punt 18 in het oordeel van het Hof volgt de conclusie van de Advocaat-generaal in deze zaak C-355/90 in punt 46, waarin staat:

4

46. Ten slotte is er de vraag of de aanleg van de nieuwe weg, aangenomen dat die een verslechtering en een storing van wezenlijke invloed vormt, kan worden gerechtvaardigd door redenen die verband houden met een algemeen belang dal van hogere orde is dan het door de richtlijn nagestreefde belang op milieugebied, en dat niet de in artikel 2 van de vogelrichtlijn bedoelde economische en recreatieve belangen betreft. Mijns inziens is dit niet het geval. Voor zover de aanleg van de nieuwe weg tot doel had het toerisme in de streek en de industriële activiteit op het industrieterrein van Santoña te begunstigen, gaat het om in artikel 2 van de richtlijn bedoelde economische en recreatieve belangen die ter rechtvaardiging van een schending van artikel 4, lid 4, niet in aanmerking mogen genomen worden. Volgens de rechtspraak van het Hof maakt artikel 2 immers geen zelfstandige afwijking mogelijk op de door de richtlijn ingevoerde beschermingsregeling. Met andere woorden, deze doelstelling en scope voor de koppelkans voor het fietspad houden geen stand.

Verder moeten de effecten van de aanleg en het gebruik van een vrij liggend fiets / wandelpad als een plan of project dat geen direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het betreffende Natura 2000-gebied worden gecombineerd met de effecten van de dijkverzwaring, de aanleg van de beheerstrook, de aanleg en het gebruik van de beheerstrook door wandelaars, de wandelroute in het Natura 2000-gebied en de aanleg van de rustpunten met of zonder trappen naar beneden worden gecombineerd en van deze gebundelde effecten een effectbeoordeling worden gemaakt van mogelijke gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen krachtens de Habitatrichtlijn (zie de conclusie van de Advocaat-generaal in de gevoegde zaken 293/17 en C-274/17 /19 (PAS arrest), punt 129. Daarin staat: 129. Zoals de habitatrichtlijn geen definitie bevat van het begrip „project”, zo regelt zij ook niet, welke verrichtingen onder de noemer van één en hetzelfde project kunnen worden gebracht. Voor de toepassing van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn op bepaalde projecten is deze vraag in de praktijk echter ook niet van belang. Los van de vraag, welke verrichtingen precies tot één project zijn samengevoegd, moeten immers alle specifieke gevolgen van deze gebundelde verrichtingen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken beschermingszones worden onderzocht. Op pg.

7 staat paragraaf 2.3 onder Uitgangspunten wordt nergens vermeld dat het uitgangspunt is dat we te maken hebben met aan Natura 2000-gebied en dat aan de voorwaarden dat daaraan geen schade mag worden toegebracht door een plan of project als de aanleg en het gebruik van een vrij liggend fiets / wandelpad. Pg. 8: De as van het fietspad ligt gemiddeld op de grens van Natura2000-gebied, bij de passage van afritten ligt het fietspad er geheel binnen.

5

Pg. 9: Het fietspad ligt vrijwel volledig binnen de Natura2000-begrenzing. Maar ook het aan te leggen of te verbeteren beheerpad (5 meter breed) voor dijkbeheer ligt binnen Natura 2000-gebied. Zoals de Advocaat-generaal stelt in zaak C-461/14 in punt 64, heeft het Europese Hof van justitie al in de vaste rechtspraak vastgelegd dat, zoals staat in punt 64 van die conclusie: 64.Voor de onderhavige zaak is het tevens van bijzonder belang dat het de lidstaten volgens de rechtspraak niet is toegestaan de geografische oppervlakte van een SBZ te wijzigen of te verkleinen. In een soortgelijke context heeft het Hof geoordeeld dat de aanleg van een nieuwe weg tot een verkleining van de SBZ leidde die in strijd was met artikel 4, lid 4, van de vogelrichtlijn. De zone werd nog verder verkleind door de bouw van nieuwe gebouwen en door storingen ten gevolge van de wegwerkzaamheden. (18) Daarbij verwijst 18 naar het al eerder genoemde arrest van het Hof over het Vogelrichtlijngebied de moerassen van Santoña zaak C-355/90, EU:C:1993:331, punten 35-37 als reactie op een betoog van Spanje in punt 34. Die punten luiden: 34. De Spaanse regering zet uiteen, dat de nieuwe weg nodig is om de toegang over de weg tot de stad Santoña te verbeteren.

Bovendien is het nieuwe traject van de verschillende mogelijkheden de beste oplossing, vooral gezien de vrij geringe omvang van deze weg ten opzichte van de totale oppervlakte van de moerassen. 35. Dit betoog kan niet worden aanvaard. Zoals het Hof in zijn reeds aangehaalde arrest Commissie/Duitsland heeft verklaard, beschikken de Lid-Staten weliswaar over een zekere beoordelingsmarge, wanneer zij de meest geschikte gebieden moeten kiezen die voor aanwijzing als speciale beschermingszones in aanmerking komen, maar beschikken zij niet over dezelfde beoordelingsmarge in het kader van artikel 4, lid 4, van de richtlijn, wanneer zij de oppervlakte van dergelijke zones wijzigen of verkleinen. 36. Ten deze zij opgemerkt dat bij de aanleg van het nieuwe tracé van de weg C-629 tussen Argoños en Santoña de oppervlakte van de moeraszone wordt verkleind, hetgeen nog wordt verergerd door de plaatsing van ettelijke nieuwe gebouwen vlakbij het nieuwe wegtracé. Door deze verrichtingen zijn schuil-, rust- en broed- gebieden voor de vogels verloren gegaan. Ook heeft dit optreden, naast de door de wegwerken veroorzaakte stoornis, een verandering van de getijdenbeweging en daardoor de verzanding van dit deel van de moeraszone tot gevolg.

Met andere woorden, de aanleg van een vrij liggend fietspad door een Natura 2000 gebied omwille van recreatieve doelen, kan en mag niet krachtens de oordelen van het Europese Hof van justitie.

6

Pg. 11: In de uitgangspunten (par. 2.3) is aangegeven dat realisatie van het vrij liggende fiets/wandelpad alleen plaatsvindt in combinatie met de realisatie van een nieuwe buitendijkse beheer- en onderhoudsstrook. Het fietspad moet dus sowieso in een effectbeoordeling worden beoordeeld in combinatie met de aanleg en het gebruik van deze buitendijkse beheer- en onderhoudsstrook. Het kan daar dus niet van worden losgekoppeld. Ook het gebruik door wandelaars (met en zonder honden) moeten ook in combinatie hiermee in de effectbeoordeling worden beoordeeld. In hoofdstuk 3 staat dat de varianten die in het vorige hoofdstuk zij beschreven worden beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader voor het Milieurapport (MER). De effecten van het fietspad zijn bepaald ten opzichte van de effecten van een beheerstrook waarop geen fietspad is aangebracht. Omdat alle maatregelen die hier worden genoemd betrekking hebben op een Natura 2000-gebied moet, zoals staat artikel 3, lid 2 onder b) over de werkingssfeer van richtlijn 2001/42/EG (de zogenaamde SMB richtlijn), wordt onverminderd lid 3, een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma's: 1.

a) die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of 2. b) waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG. Zo staat in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie Wij merken daarbij nog op dat de afzonderlijke beoordelingen die GS hebben gemaakt van de maatregelen en handelingen ter uitvoering van het Beleidskader, niet kunnen worden aangemerkt als een beoordeling krachtens richtlijn 2001/42/EG. Zo heeft het Europese Hof geoordeeld dat een krachtens de MEB-richtlijn uitgevoerde milieueffectbeoordeling geen vrijstelling verleent van de verplichting om de door de richtlijn 2001/42/EG vereiste milieubeoordeling uit te voeren, teneinde te voldoen aan de specifieke milieuaspecten eigen aan deze richtlijn (arrest HvJEu zaak C-671/16, ECLI:EU:C:2018:403, r.o. 65).

Zo staat on punt 65: 65 Bovendien verleent een krachtens de MEB-richtlijn uitgevoerde milieueffectbeoordeling geen vrijstelling van de verplichting om de door de SMBrichtlijn vereiste milieubeoordeling uit te voeren teneinde te voldoen aan de specifieke milieu-aspecten eigen aan deze richtlijn. In de toelichting op de uitvoering van deze richtlijn heeft het Directoraat Generaal Milieu van de EU al gewezen op het feit dat wanneer blijkt dat een plan volgens het bepaalde in artikel 6, lid 3, van Richtlijn 92/43 (de Habitatrichtlijn) voor een bepaald gebied of bepaalde gebieden aanzienlijke milieueffecten kan hebben, ingevolge het artikel 3, lid 2 van deze richtlijn,

7

automatisch de richtlijn Strategische Milieubeoordeling in werking treedt. Deze beoordeling ontbreekt, hetgeen betekent dat vergunningen die worden verleend onrechtmatig zijn. Ook het hoeveelheid grondverzet die wordt genoemd in paragraaf 3.3.2 moet in combinatie met alle andere gevolgen worden beoordeeld in een effectbeoordeling. Dan paragraaf 3.4 Natuur De opmerking in 3.4.1 Natura 2000 dat er bij het fietspad sprake is van enkel Vogelrichtlijngebied is onjuist. Zoals de 7de considerans van de Habitatrichtlijn en in navolging daarvan artikel 3, lid 1 stellen bestrijkt het Natura 2000-netwerk ook de door de Lidstaten overeenkomstig richtlijn 79/409/EEG (de Vogelrichtlijn) aangewezen speciale beschermingszones. Dientengevolge gelden ook bepalingen uit de Habitatrichtlijn voor Vogelrichtlijngebieden, waaronder dat een gunstige staat van instandhouding van aangewezen vogelsoorten het aangewezen gebied niet mag worden beschadigd, omdat de Habitatrichtlijn bepaalt dat een gunstige staat van instandhouding moet worden behouden. Zo staat in het arrest van het Europese Hof gevoegde zaken C-473/19 en C-474/19, punt 65: 65.

Uit de doelstellingen van de habitatrichtlijn volgt dus ook dat de soorten die een gunstige staat van instandhouding hebben bereikt, moeten worden beschermd tegen elke verslechtering van die staat, aangezien deze richtlijn er ook naar streeft om een gunstige staat van instandhouding te „behouden”. De opmerking dat het fiets / wandelpad niet noodzakelijkerwijs binnen geschikte leefgebieden van aangewezen vogelsoorten ligt is volstrekt irrelevant. Zoals hiervoor al gesteld heeft het Europese Hof in vaste rechtspraak geoordeeld dat het de lidstaten niet is toegestaan de geografische oppervlakte van een SBZ te wijzigen of te verkleinen. Zoals eerder aangegeven is de koppelkans “Taludherstel en beheerstrook” geen koppelkans, maar een handeling waarvan een effectbeoordeling moet worden gemaakt voor de instandhoudingsdoelstellingen krachtens de Habitatrichtlijn, dus de gevolgen voor het areaal aangewezen gebied als habitat van aangewezen (vogel)soorten in combinatie met genoemde handelingen die hier wordt genoemd. Daarmee moeten ook de effecten van zowel de beheerstrook (indien fiets / wandelpad niet doorgaat) als de beheerstrook met fietspad en wandelroute gecombineerd en die gezamenlijk met andere projecten in de effectbeoordeling worden betrokken. Daarbij geldt, hetgeen het Hof heeft bepaald in het arrest zaak C-441/17, punt 114: 114.

De overeenkomstig artikel 6, lid 3, eerste zin, van de habitatrichtlijn uitgevoerde beoordeling mag dan ook geen leemten vertonen en moet volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van de geplande werkzaamheden voor het betrokken beschermde gebied kunnen wegnemen (zie met name arresten van 11 april 2013, Sweetman e.a., C-258/11, EU:C:2013:220, punt44, en 21juli 2016, Orleans e.a., C387/15 en C-388/15, EU:C:2016:583, punt 50). Zoals het Hof ook in dit arrest heeft bepaald in punt 143 volstaat de constatering dat een deel van het gebied niet wordt aangetast en dat vogels daarnaar kunnen uitwijken, zonder dat wordt gepreciseerd waar en precies wordt aangegeven hoe groot het areaal is dat wordt

8

aangetast door habitatsverlies of door verstoring worden gepreciseerd. Bij die beoordeling geldt het zgn. voorzorgprincipe dat volgens het Europese Hof van justitie in dit arrest in punt 158 inhoudt: 158. Teneinde een schending van artikel 6, lid 3, tweede zin, van de habitatrichtlijn vast te stellen, hoeft de Commissie, gelet op het voorzorgbeginsel, dat, zoals opgemerkt in punt 118 van dit arrest, in deze bepaling is opgenomen, geen oorzakelijk verband aan te tonen tussen de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer en de aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze habitats en soorten, maar volstaat het dat zij aantoont dat het waarschijnlijk is of dat het risico bestaat dat deze verrichtingen een dergelijke aantasting veroorzaken (zie in die zin arrest van 24 november 2011, Commissie/Spanje, C-404/09, EU:C:2011:768, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Pg. 13: Hoewel het hier geen Habitatrichtlijngebied betreft, geeft het beheerplan Rijntakken aan dat behoud en versterking van leefgebieden van kamsalamander buiten Habitatrichtlijngebied van belang is voor een goede instandhouding van de soort. Deze redenering is onnavolgbaar. Niet is in te zien dat de aanleg en het gebruik van een fietspad leidt tot behoud en versterking van leefgebieden van de kamsalamander.

Daar komt bij dat het hierbij gaat om een Natura 2000-gebied en dus geldt daarvoor dat de habitat van aangewezen soorten, zoals de kamsalamander in een gunstige staat van instandhouding moet worden gebracht en behouden. Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding als de habitat van de aangewezen soorten door het toepassen van instandhoudingsmaatregelen ten opzichte van de aanwijzing stabiel is gebleven of is toegenomen. Zoals de Europese commissie heeft vastgesteld op basis van de jurisprudentie van het Europese Hof in haar document over de uitleg van artikel 6 van de Habitatrichtlijn op pg. 21 geldt: Hieruit volgt dat de ecologische kenmerken van het gebied niet slechter mogen worden dan het niveau ten tijde van de aanwijzing als beschermingszone. Indien een betere staat is bereikt, moet deze verbeterde staat als referentie dienen. De aanwijzing dateert van 23 april 2014. Dat houdt in dat geen schade mag worden toegebracht aan de staat die in die tijd aanwezig was, dan wel aan een verbeterde staat als die is bereikt sinds die tijd. Verder wordt in de conceptnota alleen het ruimtebeslag in ogenschouw is genomen ten opzichte van het voortplantingshabitat. Echter de habitat van de kamsalamander omvat ook terrestrische onderdelen doe helemaal buiten beschouwing worden gelaten.

Daarom voldoet de boordeling niet aan de voorwaarden van een beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied, omdat het leemten vertoont en geen volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies bevat die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van de geplande werkzaamheden en gebruik voor het betrokken beschermde gebied kunnen wegnemen. Verder staat op deze pg. over de blauwborst en de dodaars: De huidige aantallen van beide soorten binnen Rijntakken voldoen momenteel aan de instandhoudingsdoelen.

9

Hiermee wordt de suggestie gewekt dat het wel wat minder kan. Echter, zoals eerder genoemd, is bij het stabiel blijven of toenemen van de oppervlakte leefgebied ten opzichte van die uit het aanwijzingsbesluit stabiel sprake van een gunstige staat van instandhouding die krachtens de habitatrichtlijn behouden moet worden, dus waaraan geen schade mag worden toegebracht (arrest van het Hof gevoegde zaken C-473/19 en C-474/19, punt 65: 65. Uit de doelstellingen van de Habitatrichtlijn volgt dus ook dat de soorten die een gunstige staat van instandhouding hebben bereikt, moeten worden beschermd tegen elke verslechtering van die staat, aangezien deze richtlijn er ook naar streeft om een gunstige staat van instandhouding te „behouden”. Zoals het hof van justitie heeft bepaald in haar oordeel inzake de zaak C-461/14 in punt 76 t/m/82 luidt haar oordeel daaromtrent: 81

Evenwel sluiten deze maatregelen niet uit, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 75 en 77 van zijn conclusie, dat de nieuwe spoordijk, die een voor bepaalde vogelsoorten, waaronder de Otis tarda, belangrijke habitat doorkruist, significante verstoringen en een verslechtering van de habitats van beschermde vogelsoorten teweeg kan brengen.

82

Het feit dat, volgens het Koninkrijk Spanje, de betrokken vogelpopulatie zou zijn toegenomen, kan aan deze redenering niet afdoen.

Dat de effecten uitsluitend tijdens het broedseizoen optreden is irrelevant. Er vindt verkleining en verstoring plaats over een bepaalde zone, waardoor de natuurlijke verspreiding binnen het aangewezen gebied wordt verkleind, hetgeen niet is toegestaan (artikel 1, onder e) Habitatrichtlijn. Verder staat op pg. 14 en 15: Bij het dichterbij komen van de verstoringsbron wordt verwacht dat de blauwborst mogelijk binnen de struweelzone meer afstand houdt tot het fietspad, maar dat het nog wel gebruikt zal worden als broedgebied. Dit geldt ook voor dodaars, waarbij de vegetatie rond het water in het broedseizoen veel dekking biedt en een buffer vormt tussen verstoringsbron en het leefgebied (de directe oeverzone van het water). Het gedrag van fietsers is voorspelbaar en gaat met weinig geluid gepaard. Derhalve zijn fietsers geen grote verstoringsbron. Daarbij vinden de vogels dekking in de vegetatie. Wanneer wandelaars, al dan niet met honden, ook gebruik gaan maken van het fietspad, is de verwachte verstoring groter dan bij uitsluitend fietsers. De verstorende effecten hiervan zijn groter door hun onvoorspelbaarheid, langere aanwezigheid en aanwezigheid van honden.

Dergelijke uitspraken voldoen als beoordeling op geen enkele manier aan de vereisten van een passende beoordeling krachtens artikel 6, lid 3, zoals die hiervoor al zijn gememoreerd op basis van het arrest van het Europese Hof zaak C-441/17, punt 114. Dat geldt ook voor oordelen op pg. 15 als dat het fietspad voor een kleine verschuiving zal zorgen en de uitspraak dat er sprake is van een afname die marginaal is ten opzichte van de hoeveelheid beschikbaar foerageergebied. Zoals staat in de conclusie van de advocaat-generaal zaak C-355/90 in punt

10

45 als reactie op het argument van de Spaanse regering dat door een weg slechts een oppervlakte van nauwelijks 0,5 % van de totale oppervlakte van de riviermond verloren gaat. Volgens de redenering van de Spaanse regering zou men trouwens het beschermde gebied keer op keer kunnen verkleinen, telkens met het argument dat de randgebieden minder door de vogels gebruikt worden, totdat er uiteindelijk geen enkele ruimte voor hen overblijft. Verder staat op pg. 15: Enkel voor soorten waarvan de instandhoudingsdoelen niet worden gehaald en het areaal foerageer-, slaap- of rustgebied beperkt is kan extra verstoring het behalen van deze doelen verder bemoeilijken. Dit zijn smient, toendrarietgans, kleine zwaan en wilde zwaan. Dit betekent dat maatregelen zoals de werkzaamheden aan de dijk en de aanleg van een vrij liggend fietspad leidt tot het behoud of een verdere verslechtering van de staat van instandhouding van deze soorten, waarvoor juist geldt dat die staat moet worden verbeterd. Zoals de Europese Commissie aangeeft in haar document over de uitleg van artikel 6 van de Habitatrichtlijn betekent het bovenstaande dat er geen sprake is van een gunstige staat van instandhouding die moet worden bereikt en behouden en dus mogen er geen maatregelen worden genomen die ook maar de waarschijnlijkheid in zich hebben dat die staat niet worden bereikt. Zo staat daar op pg.

33-34 over de aantasting van de habitats van aangewezen soorten: Als echter ook maar één ervan significant wordt aangetast, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, zijn bijgevolg de natuurlijke kenmerken van het gebied ook aangetast. Dit wordt bevestigd door het Hof in zijn oordeel in zaak C-258/11, punt 48: Artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn [moet] aldus ... worden uitgelegd dat een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, de natuurlijke kenmerken van dat gebied aantast indien het in de weg kan staan aan het duurzame behoud van de in deze richtlijn bedoelde bepalende kenmerken van het betrokken gebied die verband houden met de aanwezigheid van een prioritaire natuurlijke habitat waarvan het doel van instandhouding ervan ertoe heeft geleid dat dit gebied op de lijst van GCB’s is opgenomen. Bij de beoordeling daarvan moet het voorzorgsbeginsel worden toegepast.

De opmerking dat van de kolgans de aantallen iets boven de instandhoudingsdoelstelling liggen is irrelevant als het gaat om schade aan de staat van instandhouding van deze soort. Zoals hiervoor al gezegd, betekent dit dat de soort in een gunstige staat van instandhouding is waaraan geen schade mag worden toegebracht (arrest van het Hof gevoegde zaken C473/19 en C-474/19, punt 65). Zoals het Hof heeft bepaald in de zaak C-441/17, punt 262: 262. Ten tweede moet worden opgemerkt dat, voor zover de Republiek Polen stelt dat de betrokken vogelpopulaties stabiel zijn gebleven of zelfs zijn gegroeid, het Hof

11

reeds heeft geoordeeld dat een dergelijke situatie niets afdoet aan het bestaan van een schending van artikel 4, lid 4, van de vogelrichtlijn, op grond waarvan de lidstaten de nodige maatregelen moeten treffen om de beschadiging van de habitats en het storen van de vogels te voorkomen, aangezien de beschermingsverplichtingen reeds bestaan voordat een vermindering van het aantal vogels is vastgesteld of het gevaar van verdwijning van een beschermde soort zich heeft verwezenlijkt (arresten van 14 januari 2016, Commissie/Bulgarije, C-141/14, EU:C:2016:8, punt 76, en 24 november 2016, Commissie/Spanje, C-461/14, EU:C:2016:895, punt 83). Ook het verschuiven van andere soorten, zoals staat bovenaan pg. 16 is een aantasting van de staat van instandhouding, nl. van de natuurlijke verspreiding in het Natura 2000-gebied, hetgeen niet is toegestaan. Verder staat op pg. 16 over de broedvogels dat er mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen tijdens de uitvoering van werkzaamheden. Dat neemt niet weg dat er daarna gebruik gaat plaatsvinden. Dit alles moet in één keer worden beoordeeld. Verder voldoen effectbeoordelingen als -/0 niet aan de voorwaarden van een passende beoordeling, zoals wij hiervoor al uiteen hebben gezet. Met betrekking tot de opmerking op pg.

17 dat een NNN-gebied is aangewezenen als ganzenrustgebied, betekent dat dit gebied valt onder artikel 4, lid 2 van de Vogelrichtlijn en dat maatregelen moeten worden genomen zodat de vogels daar niet worden gestoord. Wat hiervoor is gesteld m.b.t. het vrij liggende fiets / wandelpad geldt overigens ook voor het concept Variantennota Koppelkans 8. Aanleg rustpunten en wandelroutes, waarvan ook de effecten moet worden gecombineerd met de andere plannen en projecten en als gebundelde effecten aan een effectbeoordeling moeten worden onderworpen.

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11647212/1