CConstaterende datWijk bij Duurstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Getekend raadsbesluit Algemene Plaatselijke Verordeing mei 2024

Raadsvergadering 23 april 2024, gemeente Wijk bij DuurstedeBij agendapunt: Wijziging Algemene plaatselijke verordening25.093 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Raadsvergadering, 23 april 2023 ) i *

Voorstel aan de Raad

ij

ij Duurstede

behandeld door: Loes Broos toestelnummer: 06-34273749 zaaknummer: 709681 L.Broos@wijkbijduurstede.nl e-mailadres:

Onderwerp: Algemene Plaatselijke Verordening mei 2024 Onderdeel programmabegroting Veiligheid en Handhaving Portefeuillehouder: Iris Meerts, burgemeester Concept beslispunten 1. Vaststellen van de Algemene Plaatselijke Verordening Wijk bij Duurstede mei 2024. Samenvatting Voorgesteld wordt een nieuwe Algemene Plaatselijke Verordening vast te stellen. Beoogd effect/doel Vaststellen van een nieuwe Algemene Plaatselijke Verordening Wijk bij Duurstede mei 2024. Voortraject en achtergronden De Algemene Plaatselijke Verordening is voor het laatst in december 2023 bijgewerkt. Met de vaststelling van de voorgestelde verordening heeft de gemeente weer een bijgewerkte Algemene Plaatselijke Verordening. In de nieuwe verordening zijn opgenomen: • De aanpassingen in verband met de laatste wijzigingen van de modelverordening van de VNG van 7 november 2023. In de voorbespreking door de raad van de huidige verordening is toegezegd deze aanpassingen uiterlijk in april 2024 aan de raad voor te leggen. • Een paar wensen vanuit de organisatie. Toelichting op de wijzigingen Algemeen In de 'bestaande tekst' zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet. In de 'nieuwe tekst' zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt. Wijzigingen die alleen tekstueel en technisch zijn worden hieronder niet apart genoemd en toegelicht. Deze wijzigingen spreken voor zich.

De paginanummering rechtsonder begint opnieuw bij het raadsbesluit.

1

Bij veel artikelen in de verordening staat het woordje vervallen. •

Een artikel van de modelverordening is in onze gemeente niet gebruikt als het artikel een nummer en

•

naam heeft met daarachter het woordje vervallen. Een artikel is ook in de modelverordening vervallen als het artikel geen naam heeft.

Wijzigingen Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen in plaats van artikel 2:54 Messen en steekwapens Er staat op dit moment al een vergelijkbaar artikel in de verordening. Nu is er ook een modelartikel op een iets andere plaats. Na bestudering van de tekst stellen wij voor hierin de modelverordening te volgen. Dat betekent dat artikel 2:54 Messen en steekwapens vervalt en artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen wordt toegevoegd. Bestaande tekst Geen

Nieuwe tekst Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te 2.

hebben. Het verbod geldt niet voor messen of

voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie. Artikel 2:54 Messen en steekwapens

Artikel 2:54 Vervallen

1. Het is verboden op door het bevoegde bestuursorgaan aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt mits deze zaken zodanig zijn ingepakt dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik.

2

Wijziging artikel 2:71 Definitie consumentenvuurwerk Bij de definitie van consumentenvuurwerk is gebruik gemaakt van de formulering in het Vuurwerkbesluit, maar het noemen van de vuurwerkcategorieën is overbodig. Zo mag categorie F3 vuurwerk volgens de ministeriële Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk niet meer aan particulieren ter beschikking worden gesteld. Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:71 Definitie

Artikel 2:71 Definitie

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Wijziging artikel 2:73a Carbidschieten In het artikel over carbidschieten is de Zondagswet in het zesde lid toegevoegd. Verder zijn de letters van de opsomming in het derde lid kloppend gemaakt. Er waren twee onderdelen d. Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:73a Carbid schieten

Artikel 2:73a Carbidschieten

1. Definities: a. carbid schieten: het in een bus, container of opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen; b. bus: een bus van staal/ijzer, container, opsiagvat, buis of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp. 2. Carbidschieten is verboden. 3. Het verbod is niet van toepassing op 31 december tussen 10:00 en 18:00 uur als : a. het carbid schieten plaatsvindt buiten de bebouwde kom; b. er worden bussen gebruikt met een maximale inhoud van 50 liter; c. er worden in totaal niet meer dan tien bussen gebruikt; d. de bussen worden afgesloten met een bal; e. het carbidschieten gebeurt onder het toezicht van een meerderjarig persoon; d. de afstand vanaf de plek waar het carbid schieten plaatsvindt tot gebouwen van derden ten minste 100 meter bedraagt; f. het vrije schootsveld ten minste 100 meter bedraagt zonder openbare paden

1. Definities: a. carbidschieten: het in een bus, container of opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen; b. bus: een bus van staal/ijzer, container, opslagvat, buis of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp. 2. Carbidschieten is verboden. 3. Het verbod is niet van toepassing op 31 december tussen 10:00 en 18:00 uur als : a. het carbidschieten plaatsvindt buiten de bebouwde kom; b. er worden bussen gebruikt met een maximale inhoud van 50 liter; c. er worden in totaal niet meer dan tien bussen gebruikt; d. de bussen worden afgesloten met een bal; e. het carbidschieten gebeurt onder het toezicht van een meerderjarig persoon; f. de afstand vanaf de plek waar het carbidschieten plaatsvindt tot gebouwen van derden ten minste 100 meter bedraagt; g. het vrije schootsveld ten minste 100 meter bedraagt zonder openbare paden

3

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

of wegen; er wordt geschoten in een richting S• welke tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen; h. er worden geen handelingen verricht of nagelaten die kunnen leiden tot gevaar, schade of hinder voor personen, dieren of zaken; i. het carbid schieten moet twee weken tevoren bij de burgemeester gemeld worden. 4. De burgemeester kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de natuurbescherming: a. plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in het derde lid niet van toepassing is; b. na een melding extra eisen aan het carbid schieten stellen. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 6. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het gestelde bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is

of wegen; h. er wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen; i. er worden geen handelingen verricht of nagelaten die kunnen leiden tot gevaar, schade of hinder voor personen, dieren of zaken; j. het carbidschieten moet twee weken tevoren bij de burgemeester gemeld worden. 4. De burgemeester kan ter voorkoming van gevaar, schade of over►ast of in het belang van de natuurbescherming: a. plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in het derde lid niet van toepassing is; b. na een melding extra eisen aan het carbidschieten stellen. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 6. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het gestelde bij of krachtens de Zondagswet, de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Wijziging artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen Op grond van dit artikel heeft de burgemeester de bevoegdheid tot het opleggen van een gebiedsontzegging bij (ernstige vrees voor) een openbare ordeverstoring of over►astgevend gedrag. De gebiedsontzegging kan bijvoorbeeld worden toegepast bij over►ast veroorzaakt door drugshandel en drugsgebruik, samenscholing, hinderlijk drankgebruik, geweldpleging etc. Het besluit tot oplegging van een gebiedsontzegging vereist een gedegen motivering. De belangrijkste wijzigingen zijn: • In het eerste lid is er voor de formulering uit de modelverordening gekozen zonder de opsomming van artikelen. De verordening hoeft dan niet gewijzigd te worden als de opsomming niet meer volledig is. • Vervanging van het 'bevel om zich niet op een openbare plaats op te houden' door 'het opleggen van een tijde►ijk verbod om op een openbare plaats aanwezig te zijn'. Juridisch gezien is een gebiedsontzegging een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waarvan het niet nakomen een overtreding is en niet een bevel waarvan het niet nakomen een misdrijf is (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht). • Samenvoeging van het huidige tweede en derde lid. • Toevoeging van een voorrangsbepaling als de officier van justitie een gebiedsontzegging oplegt op grond van artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering. Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen

1. De burgemeester kan aan een persoon die

1. De burgemeester kan in het belang van de

4

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

de artikel 2:1, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 of 2:74 overtreedt, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 72 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Bij overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat Iid is gegeven en die opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat, een bevel geven zich gedurende ten hoogste vier weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als de overtreding binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4 De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woonof leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 72 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste vier weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. 4.

lndien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf in plaats van artikel 2:74b Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen Er staat op dit moment al een vergelijkbaar artikel in de verordening. Nu is er ook een modelartikel op een iets andere plaats. Na bestudering van de tekst stellen wij voor hierin de modelverordening te volgen. Dat betekent dat artikel 2:74b Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen vervalt en artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf wordt toegevoegd.

5

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:74b Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen

Geen

1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belong van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5.

Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet. Geen

Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke

6

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

2.

3.

4.

5.

6.

sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Nieuw artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen. De burgemeester kan deze bevoegdheid inzetten: • als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, • als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat, • vanuit een gebouw, een branche of in een gebied. De vergunning wordt ook wel de ondermijningsvergunning of flexibele branchevergunning genoemd. Een Bibob toets kan onderdeel uitmaken van de behandeling van een vergunningaanvraag. Veel gemeenten experimenteren hier al mee. Volgens jurisprudentie is het mogelijk om de vergunningplicht bij een onveilig en malafide ondernemersklimaat in te zetten. Het is een vergaande bevoegdheid. Er worden hoge eisen gesteld aan de onderbouwing aan de noodzaak en duur van een aanwijzing. Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Geen

Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3;

7

Bestaande tekst

Nieuwe tekst b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. . De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. . Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. . De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e.

voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;

8

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

.

.

.

.

.

h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beinvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.

Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de

9

Bestaande tekst

Nieuwe tekst vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning en het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11.

De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven. 14. De burgemeester kan de sluiting opheffen

10

Bestaande tekst

Nieuwe tekst als Iater bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten De collectieve festiviteiten zijn in nu in de praktijk elk jaar dezelfde. Er is daarom behoefte aan de mogelijkheid om voor meerdere jaren de collectieve festiviteiten aan te wijzen. Met de voorgestelde wijziging is dit mogelijk.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2:17a, 2:19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. . In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college bepalen dat collectieve festiviteiten slechts gelden voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. . Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. . Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. . Het college kan nadere regels vaststellen voor het maximale geluidsniveau veroorzaakt door de in de inrichting

1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2:17a, 2:19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste

lid kan het college voor collectieve festiviteiten die elk jaar plaatsvinden besluiten voor meerdere jaren de collectieve festiviteiten aan te wijzen gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. . In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat collectieve festiviteiten slechts gelden voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. . Het college maakt de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid ten minste vier weken voor het begin van een nieuw

11

Bestaande tekst aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en voor maatregelen om het geluidsniveau te beperken tijdens een collectieve festiviteit.

Nieuwe tekst kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het college kan nadere regels vaststellen voor het maximale geluidsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en voor maatregelen om het geluidsniveau te beperken tijdens een collectieve festiviteit.

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen Aan dit artikel is een lid toegevoegd met een verbod om langer dan vijf dagen een ligplaats in te nemen. Dit is het maximum dat nu mogelijk is. Door dit in dit artikel op te nemen kan het college optreden als er toch langer ligplaats wordt ingenomen. Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen

1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met

1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het is verboden op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water langer dan vijf dagen een ligplaats in te nemen. 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de

12

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement. 5. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 6. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Vervolgprocedure en communicatieparagraaf. Na besluitvorming wordt de verordening bekend gemaakt in het digitale gemeenteblad (nodig voor de inwerkingtreding), op overheid.nl bij de lokale wet- en regelgeving en in het Groentje. Financiën Het voorstel heeft geen financiële gevolgen Bijlagen Ontwerp-raadsbesluit

Burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede,

Nico van den Bergh Gemeentesecretaris

lris Meerts Burgemeester

13

Raadsbesluit

De raad van de gemeente Wijk bij Duurstede; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 26 maart 2024, nummer 709681; gelet op de Gemeentewet, de Wet openbare manifestaties, de Alcoholwet, de Wet op de kansspelen, de Winkeltijdenwet en de Wegenverkeerswet 1994. Besluit vast te stellen de volgende verordening:

Algemene Plaatselijke Verordening Wijk Bij Duurstede mei 2024 INHOUDSOPGAVE

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: • bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; • beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; • bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; • bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; • bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; • college: het college van burgemeester en wethouders; • gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage l bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; • handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; • motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; • openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; • openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; • parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; •

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; • voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; • weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.

1

Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 1:3 Vervallen Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:6 lntrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.

op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu.

2

2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 1:9 Experimenteerartikel 1.

ln dit artikel wordt verstaan onder experiment: tijdelijk afwijken van een of meer bepalingen in deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent of algemeen kan worden gemaakt. 2. Het college of de burgemeester kan, ieder voor zover het een hem in deze verordening gegeven bevoegdheid betreft, besluiten tot het houden van een experiment. 3. Het college of de burgemeester kan niet bij wijze van experiment afwijken van de volgende onderdelen van deze verordening: a. de hoofdstukken 1, 3 en 6; b. van hoofdstuk 2: 1°. de afdelingen 1, 2 en 6; 2°. de artikelen 2:31 en 2:32; 3°. de afdelingen 10 en 11 met uitzondering van de artikelen 2:42, 2:58 en 2:58a; 4°. de afdelingen 13 tot en met 15; c. hoofdstuk 4, afdelingen 1 en 2 met uitzondering van artikel 4:6. 4. In het besluit, zoals genoemd in het tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen: a. het doel van het experiment; b. de tijdsduur van het experiment; c. van welke regels wordt afgeweken; d. voor welk gebied het experiment geldt; en e. de voorwaarden die het college of de burgemeester verbindt aan het experiment. 5 De raad wordt uiterlijk vier weken voor aanvang van het experiment door het college of de burgemeester geïnformeerd over het experiment. 6. Een experiment heeft een Iooptijd van ten hoogste een jaar. 7. Het experiment wordt geëvalueerd.

Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van deze verordening, kan het college of de burgemeester besluiten, in afwijking van het zesde lid, het experiment met ten hoogste een jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van de verordening. HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats a aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

3

5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:2 Vervallen Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk of elektronisch kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a naam en adres van degene die de betoging houdt; b het doel van de betoging; c de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is 3. vermeld. 4.

Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel 2:4 Vervallen Artikel 2:5 Vervallen Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, vervallen Artikel 2:7 Vervallen Artikel 2:8 Vervallen Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen, vervallen Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op, aan of boven de weg Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg: of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,50 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 4,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.

1.

4

3. Het college kan ter uitvoering van het eerste lid en in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, reclame-, verkiezingsof aankondigingsborden, spandoeken of andere voorwerpen. Voor reclame-, verkiezings- of aankondigingsborden en spandoeken kunnen deze regels gaan over: a. de locaties waar deze borden en spandoeken mogen worden geplaatst, het aantal en de periode; b. de activiteiten waarvoor deze borden en spandoeken mogen worden geplaatst; c. omvang, materiaal en vormgeving van deze borden en spandoeken; d. het doen van een melding van de plaatsing. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Het verbod is niet van toepassing op: a evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale_ omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 7.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuur (AVOI) Wijk bij Duurstede. 4. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. 4. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

5

Artikel 2:13 Vervallen Artikel 2:14 Winkelwagentjes, vervallen Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke, vervallen Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en

onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:19 Vervallen Artikel 2:20 Vervallen Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn, vervallen Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs, vervallen Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1.

In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;

6

c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. activiteiten in inrichtingen in de zin van de Alcoholwet die in de uitoefening van die inrichtingen gebruikelijk zijn; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. h. activiteiten die binnen de reguliere bestemming vallen met betrekking tot sportaccommodaties, verenigingsgebouwen, dorpshuizen, onderwijsinstellingen, het gemeentehuis en de gemeentewerf. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een (rommel)markt in de buitenlucht geen markt zijnde zoals bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala's. g. een klein evenement. 3.

Onder klein evenement wordt verstaan een evenement dat maximaal één dag duurt, waarbij maximaal 200 bezoekers worden verwacht en een lokale uitstraling heeft, waaronder in ieder geval begrepen een straatfeest of buurtbarbecue, een viering of herdenking, vrijmarkten op Koningsdag, fietstoer- en wandeltochten, een straatspeeldag, kleine optocht of muzikale rondgang. Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 200 personen tegelijkertijd; b. er geen tent wordt geplaatst die door meer dan 150 personen zal worden gebruikt; c. het evenement plaatsvindt op een dag tussen 09.00 en 24.00 uur; d. het geluidsniveau beneden 65 dB(A) blijft, gemeten op de dichtstbijzijnde gevel van derden (achtergrondmuziek); e. er geen alcohol wordt verstrekt zonder ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet; f.

er geen kampvuur wordt gemaakt; g. er geen vuurwerk wordt afgestoken; h. behalve eventuele tenten slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object; en i. de organisator tenminste dertig dagen voorafgaand aan het evenement hiervan schriftelijke melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement zijnde een straatfeest of buurtbarbecue, als: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 50 personen; b. het evenement tussen 09.00 uur en 24.00 uur plaatsvindt; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht vóór 09.00 uur of na 24.00 uur; d. het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object; f. er een organisator is; en g. de organisator ten minste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

7

5. De burgemeester kan besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6. De burgemeester is bevoegd nadere eisen te stellen aan een klein evenement. 7. Voor kleine evenementen waarvoor een vergunning nodig is dient de aanvraag om vergunning inclusief alle relevante stukken ten minste acht weken voor de datum waarop het evenement zal plaatsvinden te worden ingediend met gebruikmaking van een van gemeentewege beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 8. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 9. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of-gala's. 10.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2;24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 11. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definitie 1. ln deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van de besloten ruimte. 3. Voor deze afdeling is de definitie van leidinggevende in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet van overeenkomstige toepassing voor openbare inrichtingen. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als: a.

de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan: b. de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over de leidinggevende heeft overlegd die niet ouder is dan drie maanden voorafgaand aan de aanvraag. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of b. de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. de vergunning van de openbare inrichting in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag is geweigerd of ingetrokken;

8

d.

4.

5.

6. 7. 8.

de exploitant of leidinggevende in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag exploitant of leidinggevende is geweest van een openbare inrichting: • die voor tenminste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten of • waarvan de exploitatievergunning is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende dit niet toe te rekenen is. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; d. bedrijfskantine of - restaurant; e. bed and breakfast; f. conferentie- of vergaderaccommodatie; g. paracommerciële rechtspersonen zoals bedoeld in de geldende gemeentelijke verordening over paracommerciële rechtspersonen. De burgemeester verleentop verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1van de Alcoholwet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.

De vrijstelling geldt niet voor het terras van de openbare inrichting. De vrijstelling kan worden ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a van dit artikel. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:28A Aanwezigheid leidinggevende Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, indien niet aanwezig is: a. een leidinggevende die vermeld staat op de vergunning met betrekking tot die openbare inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder of. b. een persoon wiens bijschrijving is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist. Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01:00 uur en 05:00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 01:30 uur en 05:00 uur (sluitingstijd). 2. In afwijking van het eerste lid kan de burgemeester een nachtvergunning verlenen aan de leidinggevende, zoals bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, waarbij wordt toegestaan om op zaterdagen, zondagen en collectieve dagen publiek in de openbare inrichting te laten verblijven tussen 01.30 uur en 04.00 uur, na 01:30 mogen geen nieuwe bezoekers worden toegelaten. 3. In afwijking van het eerste lid zijn terrassen gesloten a. bij openbare inrichtingen waar geen ontbijt wordt aangeboden op maandag tot en met vrijdag tussen 00:00 uur en 10:00 uur en op zaterdag en zondag tussen 01:00 uur en 10:00 uur; b.

bij openbare inrichtingen waar ontbijt wordt aangeboden op maandag tot en met vrijdag tussen 00:00 uur en 08:00 uur en op zaterdag en zondag tussen 01:00 uur en 08:00 uur; c. gelden voor terrassen in de Peperstraat dezelfde sluitingstijden als voor een winkel zoals bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; d. gelden voor paracommerciële rechtspersonen en de daarvan deel uitmakende terrassen de sluitingstijden zoals bepaald in de geldende gemeentelijke verordening over paracommerciële rechtspersonen.

9

4. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 6. Voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet en voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 7. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 8 Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras; d. één uur na de sluitingstijd voor het terras losstaand terrasmeubilair bruikbaar op het terras aanwezig te hebben of parasols en zonweringen uitgeklapt of opgerold te hebben.

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34 Vervallen Afdeling 5. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14089435/1