Bijlage 4 Toelichting bij conceptwijzigingsbesluit GR RDWI 2024
Tekst van het document
TOELICHTING BIJ WIJZIGINGSBESLUIT GR RDWI 2024 1. Algemeen Per 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) gewijzigd, met het oog op de verbetering van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen.1 Enkele wijzigingen zijn daarbij al direct per 1 juli 2022 in werking getreden: o Een nieuwe procedure voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling (art. 1 Wgr); o Aangepaste begrotingscyclus (art. 34, 34b en 35 Wgr); o Actieve informatieplicht (art. 17 Wgr), o Mogelijkheid tot instellen van een gemeenschappelijke (raads)adviescommissie (art. 24a Wgr), o Regionaal enquêterecht (art. 155g en 155h Gemeentewet), en o Aangepaste bevoegdheden lokale rekenkamer (art. 184 Gemeentewet) 2. Deze wijzigingen vergen in beginsel dan ook géén wijziging van de gemeenschappelijke regeling, al moeten de termijnen van de begrotingscyclus natuurlijk wel verwerkt worden. Bij de actieve informatieplicht hoeft alleen geregeld te worden hoe inlichtingen verstrekt worden. Instrumenten als de raadsadviescommissie, het enquêterecht en de rekenkamerbevoegdheden zijn uitputtend in de Wgr resp. de Gemeentewet geregeld en hoeven dus niet in de gemeenschappelijke regeling te worden opgenomen.
Omdat de GR RDWI een zogenoemde gemengde regeling is (zowel de gemeenteraden als de colleges van burgemeester en wethouders nemen deel), is de herziene wijzigingsprocedure voor collegeregelingen en burgemeesterregelingen niet van toepassing. Er hoeft dus niet eerst om zienswijzen te worden gevraagd, met daarna een procedure voor toestemming. De gemeenteraden zijn zelf volwaardig lid en beslissen mee over de wijzigingen. Zij hebben dan ook het recht van amendement e.d. De wijziging van de Wgr introduceert ook enkele andere instrumenten, waarbij het een keuze van de deelnemers is of deze ingezet worden. Deze wijzigingen moeten voor 1 juli 2024 zijn geïmplementeerd. Het gaat dan om: o Zienswijzen op besluiten van het openbaar lichaam; o Participatie bij het openbaar lichaam; o Uittredingsvoorwaarden, en o Evaluatiebepaling. Tot slot zijn ook de Wet elektronische publicaties en de Aanpassingswet Wnra 3 verwerkt in de wet.
Wet van 15 december 2021, Stb. 2022, nr. 18. Zie voor de inwerkingtreding het KB van 21 maart 2022, Stb. 2022, nr. 128. 2 Opgemerkt moet worden dat ook de Wet versterking decentrale rekenkamers (Wet van 28 september 2022, Stb. 2022, nr. 430; zie voor de inwerkingtreding het KB van 16 november 2022, Stb. 2022, nr. 482) dit artikel per 1 januari 2023 gewijzigd heeft. 3 Wet normalisering rechtspositie ambtenaren 1
1
2. Artikelsgewijze toelichting Artikel I – Actieve informatieplicht Met dit artikel wordt de actieve informatieplicht van het bestuur vastgelegd in de gemeenschappelijke regeling. Deze plicht geldt reeds op grond van artikel 17, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. In de gemeenschappelijke regeling moet zijn vastgelegd hoe de inlichtingen worden verschaft. Hierbij is gekozen voor schriftelijk. Dat kan dus via een raadsinformatiebrief, een nieuwsbrief enz. Het staat de RDWI natuurlijk altijd vrij om ook op andere wijze inlichtingen te verschaffen. In het derde lid zijn de thans reeds geldende werkafspraken verankerd. Het algemeen bestuur is dus verplicht om deze informatie actief te zenden aan de raden. Artikel II – Zienswijzen, participatie en adviescommissies Artikel 18a Met dit artikel wordt voldaan aan de verplichtingen van artikel 10 lid 5 en 6 Wgr. Er zijn geen besluiten die verplicht aan zienswijzen van de gemeenteraden worden onderworpen, anders dan wanneer dit wettelijk verplicht al geldt. Denk aan de ontwerpbegroting (art. 35 Wgr). Verder kennen enkele bevoegdheden ook het verplicht vragen van wensen en bedenkingen aan de raden, wat overeenkomt met een zienswijzenprocedure. Daarbij valt te denken aan de oprichting van of deelneming in private rechtspersonen (art. 31a Wgr).
Bij besluiten van het bestuur van de RDWI, die voor de gemeentebesturen ingrijpende gevolgen kunnen hebben, moet het dagelijks bestuur de raden om zienswijzen vragen. Het algemeen bestuur resp. het dagelijks bestuur beslist wanneer het vindt dat de besluiten ingrijpende gevolgen (kunnen) hebben. Het dagelijks bestuur moet in elk geval zienswijzen vragen wanneer ten minste twee gemeenteraden hierom verzoeken. In beide gevallen mag het bestuur niet beslissen dan voordat de gemeenteraden in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijzen naar voren te brengen bij het bestuur. De raden hebben daar 8 weken de tijd voor. Slechts in spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van de zienswijzenprocedure. Het dagelijks bestuur moet dit besluit dan expliciet motiveren aan de gemeenteraden. Het dagelijks bestuur is verplicht schriftelijk en gemotiveerd op de zienswijzen van de raden te reageren en daarbij aan te geven welke conclusie aan de zienswijze wordt verbonden (vgl. art. 10 lid 5 en 6 Wgr). Het dagelijks bestuur moet deze reactie aan de raden zenden vóórdat het algemeen of dagelijks bestuur tot definitieve besluitvorming overgaat, zo volgt uit de Wet gemeenschappelijke regelingen. Op die manier kunnen de raden, indien gewenst, hun opvattingen nog meegeven aan hun leden in het algemeen bestuur.
Artikel 18b Met dit artikel wordt voldaan aan de verplichtingen van artikel 10 lid 7 en 8 Wgr. Belanghebbenden worden bij besluitvorming betrokken via de cliëntenraad (lid 1). Door een amendement van Tweede Kamerlid Laura Bromet wordt de burgerparticipatie binnen het zogenoemde verlengd lokaal bestuur wettelijk verankerd. Ingezetenen en belanghebbenden kunnen door dit amendement bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid in regionale samenwerkingsverbanden betrokken worden. Het originele voorstel liet de ruimte om per regeling een afweging te maken of er mogelijkheden voor participatie zouden komen. Op grond van dit aangenomen 2
amendement moeten in de regeling bepalingen worden opgenomen over de wijze waarop participatie plaatsvindt en kan dit uitdrukkelijk niet worden uitgesloten. Dat betekent wel dat de invulling per regeling kan verschillen. De RDWI is, anders dan de meeste gemeenschappelijke regelingen, een gemengde regeling is. Dat maakt dat men zelf beleid vaststelt. Vandaar inspraak rechtstreeks bij het algemeen bestuur en niet via de gemeenten. Zij stellen het beleid immers niet meer vast. Als er niets is geregeld in de regeling zelf geldt afdeling 3.4 Awb, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Dit is een zware administratieve procedure en ook voor de belanghebbende een moeilijk proces. Ook daarom is gekozen voor een eenvoudige regeling die nader uitgewerkt wordt in het reglement van orde van de vergaderingen van het algemeen bestuur. Artikel III – Zienswijze kadernota Dit artikel gaat over de zgn. Kadernota. Deze moet uiterlijk op 30 april aan de raden worden aangeboden (art. 34b Wgr). De kadernota wordt aan zienswijzen onderworpen (art. 24 lid 2-4 voorstel). Daarbij geldt verder dezelfde procedure als hierboven beschreven met dien verstande dat het in kennis stellen van de raden van het oordeel over de zienswijze (artikel 10 lid 6 Wgr) plaatsvindt met de toezending van de ontwerpbegroting.
Artikel IV – Termijnen begroting Dit artikel is aangepast aan de nieuwe wettelijke termijnen (art. 34 en 35 Wgr). Daarnaast is verwerkt dat het dagelijks bestuur voortaan vooraf op zienswijzen moet reageren (lid 3). Artikel V – Jaarrekening Genoemde data zijn aangepast. De zienswijzenprocedure uit artikel 10 lid 5 Wgr wordt gevolgd met uitsluiting van artikel 10 lid 6 Wgr: het informeren van de raden over het oordeel over de zienswijzen vindplaats met de toezending van de vastgestelde jaarrekening. Artikel VI en VII – Uittreding Artikel 30 maakt het mogelijk om uit de regeling te treden en geeft daarbij de eerste kaders. Artikel 30a van de regeling bevat de uitwerking en nadere regels inzake de procedure voor en condities bij uittreding van een deelnemende gemeente. Van een uittreding is sprake indien een deelnemende raad of college heeft besloten tot uittreding (art. 1 lid 5 jo. lid 1 Wgr). Er dienen derhalve twee besluiten te zijn genomen, een door de raad en een door het college na toestemming van de raad (besluit tot uittreding). Slechts wanneer de gemengde regeling wordt omgezet in een collegeregeling dan geldt dat raad en college niet gelijktijdig uittreden. De Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) geeft summiere kaders voor de uittreding.
Een van de hoofdregels van samenwerking op grond van de Wgr is dat iedere deelnemer de vrijheid heeft om de deelname aan de samenwerking in een gemeenschappelijke regeling te beëindigen. Dat is een eenzijdig besluit. Deze vrijheid om uit te treden laat onverlet dat aan de uittreding van een deelnemer condities mogen worden verbonden. Denk daarbij met name aan de termijn waarbinnen mag worden uitgetreden. Denk ook aan de verplichting om de nadelige financiële gevolgen van de uittreding voor het samenwerkingsverband en de andere deelnemers te compenseren. De verplichting om de nadelige financiële gevolgen van de uittreding te compenseren, en het bepalen van de 3
hoogte van de compensatie, houden geen verband met de reden waarom de deelnemer uittreedt. Anders gezegd, de reden waarom een deelnemer uittreedt, is niet van invloed op de condities waaronder mag worden uitgetreden. Dit laatste is dan ook een onderstreping van de vrijheid van overheden om op grond van hen moverende redenen een samenwerking te beëindigen. Hier tegenover staat de verplichting voor de deelnemer om de gevolgen van zijn uittreding te dragen c.q. compenseren, zij het dat deze verplichting in de tijd een begrenzing kent (zie hierna). Een concreet gevolg van de vrijheid om uit te treden is dat de condities voor uittreding objectief moeten worden vastgesteld en op draagkrachtige overwegingen moeten berusten. Deze condities dienen immers te voldoen aan de belangen van alle betrokkenen, de belangen van het samenwerkingsverband en haar deelnemers en de belangen van de uittredende partij. Daarom is het noodzakelijk een procedure te volgen voor vaststelling van de condities voor uittreding die borgt dat alleen relevante belangen zorgvuldig worden geïnventariseerd en tegen elkaar worden afgewogen. Met de uittredingsregeling, zoals opgenomen in deze twee artikelen, wordt aan het bovenstaande voldaan. Er is daarmee een uitputtende regeling opgenomen. Het bestuur van de RDWI noch de gemeentebesturen hoeven daaromtrent nog nadere afspraken te maken.
Procedure (artikel 30 en artikel 30a) Artikel 30 lid 2-5 en artikel 30a regelen de wijze waarop de procedure voor uittreding en het vaststellen van het uitredingsplan aanvangen. Bepalend voor de aanvang van de uittredingsprocedure is het moment waarop het dagelijks bestuur het uittredingsbesluit van het college en de gemeenteraad van de uittredende deelnemer heeft ontvangen (artikel 30 lid 2). Het uittredingsplan bevat alle condities voor uittreding. Deze condities hebben het karakter van juridisch bindende rechten en plichten, voor zowel de uittredende deelnemer als voor de RDWI. De uittreding heeft onder meer financiële gevolgen voor de RDWI. Het is daarom van belang dat het dagelijks bestuur deze gevolgen zo spoedig mogelijk inventariseert. Onderdeel van deze inventarisatie is ook het bepalen op welke wijze met deze gevolgen kan worden omgegaan. Daaronder valt ook de vraag op welke wijze bepaalde gevolgen kunnen worden voorkomen of verminderd. Onderzoek van gevolgen van uittreding Als gezegd bevat het uittredingsplan de condities voor uittreding. Om te komen tot adequate vaststelling van de condities voor uittreding is het allereerst noodzakelijk dat wordt geïnventariseerd wat de gevolgen van de uittreding zijn. Deze inventarisatie vindt plaats onder aansturing van het dagelijks bestuur (artikel 30 lid 3).
De inventarisatie richt zich in ieder geval op de financiële gevolgen van de uittreding en dan met name het verlies aan dekking van door de regeling aangegane verplichtingen en te dragen risico’s. Het gaat hierbij niet alleen om de afbouw van boventallige personele capaciteit, maar ook om de afbouw van de overcapaciteit die is ontstaan als gevolg van de uittreding. Denk bijvoorbeeld aan vermindering van investeringen in IT-diensten, servicecontracten en huurovereenkomsten. De inventarisatie dient tevens in te gaan op de wijzen waarop deze financiële gevolgen kunnen worden beperkt. Hierbij moet niet alleen worden gedacht aan afkoop van bepaalde verplichtingen, maar ook aan het overnemen van bepaalde verplichtingen.
4
Bepaling van de uittredingssom De uittreedsom is afhankelijk van de deelnemersbijdrage in het jaar waarin tot uittreding werd besloten (lid 2). Dat bedrag wordt het jaar na de uittreding nogmaals 100% betaald, het jaar daarna 66,5% en het jaar daarna nog eenmaal voor 33,5%. In totaal wordt die deelnemersbijdrage dus nog 2x geheel betaald, zonder dat daar nog dienstverlening tegenover staat. Met dat bedrag moeten alle financiële gevolgen voor RDWI en de overblijvende deelnemers zijn afgekocht. Artikel VIII – Archief Wijziging van de archiefbepaling vloeit voort uit een actualisatie en aanpassing aan de huidige wet- en regelgeving en is in overleg met de archivaris tot stand gekomen. Artikel IX – Evaluatie Op grond van artikel 11a Wgr moet een gemeenschappelijke regeling voortaan bepalingen bevatten omtrent de evaluatie van de gemeenschappelijke regeling. Er is voor gekozen de keuze voor een evaluatie (incl. onderwerp e.d.) over te laten aan het algemeen bestuur. Deze moet wel eens in de zes jaar plaatsvinden. Het bestuur beslist gewoon bij meerderheid. Indien een raad zelfstandig een evaluatieonderzoek wenst, en het algemeen bestuur zou daar niet toe beslissen, dan staat het de raad altijd vrij om de eigen rekenkamer te verzoeken een onderzoek naar de RDWI in te stellen. Met deze bevoegdheid van het algemeen bestuur wordt dus niets van de raden weggegeven.
Artikel X – Aanpassingen ivm de WEP (Wet elektronische publicatie) De bekendmaking van de gemeenschappelijke regeling is met de inwerkingtreding van de Wet elektronische publicaties gewijzigd. Het college van de plaats van vestiging maakt de gemeenschappelijke regeling bekend in het Gemeenteblad (art. 26 Wgr). Ook de inzending aan gedeputeerde staten en de registratie in een gemeentelijk register zijn daarbij komen te vervallen. Registratie vindt nu plaats in een landelijk register (art. 136 Wgr). Deze bepaling is daaraan aangepast. Artikel XI – Aanpassingen ivm de Wnra) Met de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren en de Aanpassingswet Wnra is het ambtenarenrecht ingrijpend veranderd. Ambtenaren hebben voortaan een arbeidsovereenkomst en de arbeidsvoorwaarden zijn geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst. Deze bepaling regelt dat de gemeenschappelijke regeling daarop wordt aangepast. Artikel XII – Inwerkingtreding Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit.
5