CConstaterende datWijk bij Duurstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1.Het nieuwe financieel Model 30-05-2023

Raadsvergadering 4 juli 2023, gemeente Wijk bij DuurstedeBij agendapunt: Strategische Kaders Werk- en Inkomen 2024-2027 RDWI2.129 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Het nieuwe financieel Model: De gemeenteraad is in januari 2023 over de inhoud van de opdracht met betrekking tot de financiële afspraken ingelicht via een raadsmemo1. De nieuwe financiële afspraken sluiten aan bij de vooraf gestelde criteria. De nieuwe financiële afspraken voldoen aan vooraf gestelde randvoorwaarden: • Ze sluiten aan bij de inhoudelijke strategische kaders. De wijze van financiering draagt bij aan het behalen van ambities en resultaten voor de inwoners. • Ze gaan in op financiële solidariteit tussen gemeenten. • Ze houden rekening met de veranderde rijksfinanciering van middelen die de gemeenten ontvangen voor participatie. Deze zijn vanaf 2023 voor het grootste deel onderdeel van de algemene uitkering van het gemeentefonds geworden (onderdeel van het cluster inkomen en participatie). Hierdoor is er geen sprake meer van geoormerkte gelden en staat het gemeenten vrij om op basis van eigen inzicht keuzes te maken met betrekking tot de inzet van deze middelen. • Ze zijn helder, goed uitlegbaar en voor langere tijd houdbaar. • Ze sluiten aan op de nieuwe en gewijzigde wetgeving (“Breed offensief”, “Participatiewet in balans” en “Suwi-wetgeving”). • De bureaucratische en administratieve effecten voor de RDWI blijven beperkt.

Achtergrond hierbij is dat in het verleden er sprake was van een geoormerkte rijksbijdrage, nu zijn de Participatiemiddelen onderdeel van de algemene uitkering van gemeentefonds. De middelen in de algemene uitkering zijn vrij besteedbaar. Vanaf 2023 zijn het klassieke reintegratiebudget en de participatiemiddelen voor de nieuwe doelgroepen begeleiding regulier en voormalig Wajong (vanuit het oude cluster Participatie) overgeheveld naar de algemene uitkering in het Gemeentefonds in het cluster Inkomen en Participatie. In het (oude) cluster Participatie blijven alleen de middelen voor begeleiding nieuw beschut en Wsw achter2. De middelen voor uitvoering Participatiewet, minimabeleid, klassieke reintegratie en participatie nieuwe doelgroepen (banenafspraak) zijn vanaf 2023 niet (meer) apart zichtbaar. Als uitgangspunt voor de nieuwe wijze van financiering geldt dat niet langer de rijksbudgetten leidend zijn, maar de (gezamenlijke) gemeentelijke ambities en de te behalen inhoudelijke doelen. De nieuwe financiering is hierdoor minder budget gedreven en meer gericht op het behalen van resultaten. Ook wordt de relatie tussen de inbreng en inzet van middelen duidelijker. Hierbij past een nieuwe toekomstbestendige verdeelsleutel om de lasten evenwichtiger onder de deelnemers te verdelen.

Doordat de ambities van de gezamenlijke gemeenten en de afzonderlijke gemeente uitgangspunt worden, leiden de nieuwe financiële afspraken tot meer gemeentelijke keuzevrijheid en sturingsmogelijkheden (zie fig. 1) met betrekking tot: a) 1

de omvang en invulling van de basisdienstverlening door de RDWI;

https://wijkbijduurstede.notubiz.nl/modules/1/Ingekomen%20stukken/807955 Zie voor meer informatie blz 4 in https://sociaalweb.nl/nieuws/effect-herijking-gemeentefonds-op-budgettenparticipatiewet/ 2

b) c)

de omvang en invulling van het lokale maatwerk en de aanvullende dienstverlening; de organisaties die in dit kader ingezet worden.

In figuur 1 is de huidige (links) en toekomstige (rechts) situatie geschetst. -In de huidige situatie wordt 100% van de Rijksbijdrage (rode pijl), het re-integratiebudget overgemaakt aan de RDWI (in de afbeelding RSD). De afspraak is dat de RDWI 10% van de middelen van het re-integratie-budget terug overmaakt aan de gemeente(n) of, in opdracht van een gemeente het budget besteed aan een lokaal re-integratie project of activiteit (groen pijlen en groen blauwe cirkel). In werkelijkheid heeft de RSD 90% van het participatiebudget (donkerblauwe cirkel) tot zijn beschikking voor de uitvoering van zijn re-integratietaken. -De toekomstige situatie (rechts) gaan de middelen niet meer één op één naar de RDWI. De afgesproken 10% lokale middelen blijft bij de gemeenten. Voor een deel van de werkzaamheden is gezamenlijkheid essentieel, waardoor de activiteiten door de gemeenten gezamenlijk belegd worden bij de RDWI. Dat noemen we de basisdienstverlening (donkerblauwe cirkel), en hier ontvangt de RDWI vanuit de gemeenten middelen voor. Wat onder de basisdienstverlening gaat vallen, wordt komende periode samen met de RDWI onderzocht en vastgesteld (voor 1 januari 2024). Daarnaast zijn er instrumenten/ trajecten en inzet die direct aan een klant (en daarmee aan een gemeente) toeschreven kunnen worden. Deze zullen op gemeenteniveau afgerekend gaan worden.

Gemeenten kunnen sturen op de omvang en invulling van de basisdienstverlening (de blauwe cirkels). Tenslotte kunnen gemeenten voortaan ook sturen via de omvang en invulling van het lokale maatwerk en de aanvullende dienstverlening (uitgebeeld via de groene pijlen en cirkels). De gemeente heeft keuzevrijheid voor de opdrachtverlening van aanvullende dienstverlening (uitgebeeld via blauwe stukje rechts aan buitenkant van de blauwe cirkel). (De drie rode pijlen betreffen de drie financieringsstromen).

Figuur 1. financiële sturingsmogelijkheden:

De kosten die de RDWI maakt ten behoeve van re-integratie- en participatieactiviteiten voor de vijf gemeenten (basisdienstverlening) worden op de volgende manier tussen de gemeenten verdeeld: 1. de personele- en organisatiekosten voor de basisdienstverlening en projecten die de RDWI namens de vijf gemeenten uitvoert, worden verdeeld op basis van een

-

verdeelsleutel met een viertal maatstaven (bijstandsontvangers, loonkostensubsidies, inschrijving doelgroepenregister en lage inkomens). Deze maatstaven zijn gelijk aan de maatstaven die het Rijk gebruikt bij het bepalen van de hoogte van de rijksbijdrage per gemeente. Daarnaast sluit de verdeelsleutel beter aan op de inzet door de RDWI en de verschillen tussen gemeenten. De verdeelsleutel inclusief de benoemde maatstaven zijn – na vaststelling – het vaste uitgangspunt voor de berekening van de gemeentelijke bijdrage (staan vast). Doordat de maatstaven echter gekoppeld zijn aan aantallen inwoners en deze inwonersaantallen kunnen fluctueren, kan het gemeentelijk aandeel in de kosten jaarlijks afwijken. Hierdoor sluit de verdeelsleutel aan bij de ontwikkelingen. Het aandeel per gemeente obv de aantallen per maatstaaf wordt jaarlijks bepaald (meebewegen met ontwikkeling bestand).

2. de kosten voor instrumenten die, voortvloeiend uit de basisdienstverlening, ten behoeve van een individuele inwoner worden ingezet (o.a. jobcoaching) worden vergoed door de woongemeente. 3. de kosten voor de aanvullende dienstverlening/lokaal maatwerk die een gemeente ten behoeve van haar eigen inwoners afspreekt met de RDWI of een (lokale) organisatie worden door de gemeente zelf gedragen. Gemeenten kunnen sturen op de omvang en invulling van de basisdienstverlening (de blauwe cirkels). Daarnaast kunnen gemeenten sturen via de omvang en invulling van het lokale maatwerk en de aanvullende dienstverlening (uitgebeeld via de groene pijlen en cirkels). Tot slot heeft de gemeente keuzevrijheid voor de opdrachtverlening van aanvullende dienstverlening (uitgebeeld via blauwe stukje rechts aan buitenkant van de blauwe cirkel). De kosten die de RDWI maakt ten behoeve van re-integratie- en participatieactiviteiten voor de vijf gemeenten (basisdienstverlening) worden op de volgende manier tussen de gemeenten verdeeld: 1. de personele- en organisatiekosten die nodig zijn voor de instandhouding van de basisdienstverlening en collectieve projecten die de RDWI namens de vijf gemeenten uitvoert, worden verdeeld op basis van een verdeelsleutel met een viertal maatstaven (bijstandsontvangers, loonkostensubsidies, inschrijving doelgroepenregister en lage inkomens).

We kiezen hiervoor omdat deze maatstaven gelijk zijn aan de maatstaven die het Rijk gebruikt bij de berekening van het cluster Inkomen en Participatie 3 in de algemene uitkering. Daarnaast sluit deze verdeelsleutel beter aan op de inzet door de RDWI en de onderlinge verschillen tussen gemeenten (samenstelling klantenbestand RDWI). De verdeelsleutel doet derhalve het meest recht aan de werkelijke situatie in de ZOU-regio. 2. de kosten voor instrumenten die, voortvloeiend uit de basisdienstverlening, ten behoeve van een individuele inwoner worden ingezet (o.a. jobcoaching) worden vergoed door de woongemeente. 3. de kosten voor de aanvullende dienstverlening/lokaal maatwerk die een gemeente ten behoeve van haar eigen inwoners afspreekt met de RDWI of een (lokale) organisatie worden door de gemeente zelf gedragen. 3

Zie voor meer informatie: https://www.berenschot.nl/media/w0ia4vdz/handreiking-herijking-gemeentefondsparticipatie.pdf

Het implementeren van het nieuwe financieel model kost tijd; De gemeenten zullen eerst onderling afspraken moeten maken over de omvang van de basisdienstverlening. Daarnaast worden de ingezette middelen in het kader van re-integratie momenteel niet op gemeentelijke basis door de RDWI geregistreerd. De bedrijfsvoering zal hierop aangepast moeten worden. Hier zal in 2023 in onderlinge samenspraak tussen de RDWI en gemeenten een start gemaakt worden. Daarom wordt voor 2024 uitgegaan van eenzelfde omvang van het re-integratiebudget voor de RDWI als voorheen. Wel zal de 10 % ten behoeve van de lokale projecten niet meer overgemaakt worden aan de RDWI. De onderlinge verdeling zal wel al volgens de nieuwe maatstaven plaatsvinden. Dit leidt tot een extra inbreng vanuit Wijk bij Duurstede van € 38.000,- in 2024. Zie verder onder kosten, baten, dekking. Tegelijk betekenen de nieuwe afspraken dat in toenemende mate daadwerkelijk gemaakte kosten toegerekend worden aan de betreffende gemeente. Doordat er op dit moment zeer beperkt zicht is op de re-integratiekosten per gemeente, is het niet in te schatten of deze nieuwe afspraken leiden tot een groter financieel voordeel of dat er toch sprake is van een (beperkt) negatief effect waardoor het geschetste verwachtte financiële voordeel lager uitvalt.

Effecten nieuwe financiële afspraken re-integratiemiddelen RDWI. Duidelijk is dat de nieuwe afspraken leiden tot een herverdeling van kosten (zie tabel 1). Het is op dit moment niet mogelijk om, zonder dat de eerder genoemde keuzes gemaakt zijn en de registratie door de RDWI is aangepast, de gevolgen van de nieuwe financiële afspraken meerjarig in beeld te brengen. De herverdeeleffecten worden getemperd via een ingroeimodel gebaseerd op een oplopende rekenfactor 0,25 per jaar met een looptijd van vier jaar. In 2027 zal het uiteindelijke financiële effect voor alle gemeenten optreden. Dan zal het toekomstig procentuele aandeel per gemeente zoals opgenomen in onderstaande tabel 1. van toepassing zijn. De nieuwe financiële afspraken bieden de gemeenten kansen om keuzes te maken over de toekomstige omvang en inzet van het beschikbaar te stellen budget voor re-integratie instrumenten. Naast de inhoudelijke keuzemogelijkheden gaan we meer sturen op de effectiviteit en efficiëntie . Dat betekent dat het totale budget voor re-integratie dat nu bij de RDWI belegd is mogelijk lager kan worden omdat gemeente ervoor kunnen kiezen budget (bij andere partijen of) meer lokaal in te zetten. De mogelijkheden zullen, in het kader van de Innovatieagenda Werk en Inkomen 2024-2027, in nauwe samenwerking met de RDWI onderzocht worden. We komen hier bij de behandeling van de begroting 2025 op terug.

Dit gaat het kosten: lokaal herverdelingseffect Voor 2024 (bron: kadernota 2024 RDWI) bedraagt de gemeentelijke inbreng van middelen met betrekking tot re-integratie, conform de nieuwe afspraken en het ingroeimodel, de bedragen zoals in de onderstaand tabel. Bij de bepaling van de hoogte van de bijdrage 2024 is al rekening gehouden met de dempende werking vanuit het ingroeimodel (factor 0,25). Tabel 1. financiële afspraken 2024 inwoners aandeel

huidige afspraken aandeel bijdrage

nieuwe afspraken Toekomsti bijdrage 2024 g aandeel

Bunnik De Bilt Utrechtse Heuvelrug Wijk bij Duurstede

8% 22% 25% 12%

2,20% 16,30% 15,40% 5,70%

81.000 595.000 561.000 207.000

in 2027 4,60% 19,80% 23,10% 9,80%

103.000 626.000 631.000 245.000

Zeist

33%

60,30%

2.198.000

42,60%

2.037.000

Totaal

100%

100%

3.642.000

100%

3.642.000

Lokaal Herverdelingseffect In 2024 verwachten we ten opzichte van de kadernota 2024 van RDWI een negatief herverdeel effect voor Wijk bij Duurstede van € 38.000. In 2024 is dit verwerkt via onze Kadernota 2024. Mede afhankelijk van de (lokale) keuzes en sturing op re-integratie activiteiten kan het negatieve effect oplopen tot maximaal € 151.000,- in 2027. De omvang van de basisdienstverlening gaan we in gezamenlijkheid met de vijf gemeenten bepalen via de Innovatie-agenda. Het maximale negatieve effect is gebaseerd op een gelijkblijvende omvang. Door dit kader en de uitwerking hiervan in de Innovatie-agenda willen we hierop kunnen gaan sturen. Risico is dat de gewenste sturing niet (tijdig) te realiseren is waardoor er (te) weinig of geen invloed uit te oefenen is op de omvang van de basisdienstverlening. Innovatieagenda Werk en Inkomen 2024-2027 De Innovatieagenda (zie strategische kaders bijlage 1, blz. 30 en hierboven onder 4.1.) dient verder uitgewerkt te worden tot een programmaplan, met daaraan gekoppeld een heldere projectplanning, prioritering, fasering en een overzicht van de benodigde middelen. Dit doen we onder de vlag van de ZOU-structuur via de domeintafel Werk en Inkomen omdat we een stevige invulling van de opdrachtgeversrol richting de projectleider willen hebben.

De kosten worden voor 2023 begroot op € 50.000 euro en worden naar rato op basis van inwonersaantal over de ZOU-gemeenten verdeeld. Voor Wijk bij Duurstede betreft het een incidenteel bedrag van € 6.000 voor 2023 waarvoor dekking is binnen de begroting Tabel 2. gemeentelijke bijdrage innovatieagenda Aandeel inwoners De Bilt

22%

Bunnik

8%

Utrechtse Heuvelrug

25%

Wijk bij Duurstede

12%

Zeist

33%

Totaal

2023 € 11.000 € 4.000 € 12.500 € 6.000 € 16.500 € 50.000

Implementatiekosten RDWI De implementatie van de nieuwe financiële afspraken vraagt incidenteel en structureel extra inzet van de RDWI. De omvang hiervan wordt pas duidelijk bij de verdere uitwerking en is afhankelijk van nog te maken keuzes over invulling en wijze van uitvoering. De financiering van extra inzet loopt via de apparaatskosten van de RDWI.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12875233/2