312982 Bijlage 2 - Kadernota VRU 2023
Tekst van het document
Kadernota VRU 2023 Vastgesteld algemeen bestuur 8 november 2021
Colofon Stafafdeling Bestuur & Control Team Planning & Control Documentnummer: Vastgesteld op: Door:
21.0003647 8 november 2021 Algemeen bestuur VRU
Inhoudsopgave
1 1.1 1.2
Inleiding Achtergrond Opbouw kadernota
5 5 5
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Financieel kader Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds Loonaanpassing Prijsaanpassing Lasten FLO-overgangsrecht Brede doeluitkering Rampenbestrijding Samenvatting mutatie GBTP financieel kader
6 6 8 9 10 10 11
3 3.1
Ontwikkelingen Concessievergoeding openbaar meldsysteem
12 12
4 4.1 4.2
Risico’s Omgevingswet Taakdifferentiatie brandweer (verplichtend of niet verplichtend karakter van de brandweer)
13 13
5
Bijdrage gemeentelijk basistakenpakket
15
6
Vergoeding individueel gemeentelijk pluspakket
16
7 7.1 7.2
Bijlagen Bijlage 1: Uitkering gemeentefonds, onderdeel B&R Bijlage 2: Meerjarenraming bijdragen en vergoedingen 2023-2026
17 17 18
13
Pagina
4
1 Inleiding 1.1
Achtergrond In de kadernota 2023 zijn de financiële en beleidsmatige kaders voor de begroting van 2023 opgenomen conform artikel 4.3 van de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Utrecht. De kadernota vormt het startpunt van het proces van begroting en verantwoording (zie figuur 1). Figuur 1: proces begroting en verantwoording VRU
De gemeenten worden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze over de algemene financiële en beleidsmatige kaders naar voren te brengen. Alle zienswijzen worden betrokken bij het opstellen van de begroting van 2023. De begroting 2023 wordt in het voorjaar van 2022 opgesteld. Voordat het bestuur de begroting 2023 definitief vaststelt, wordt deze eveneens voor zienswijzen aan de gemeenten aangeboden. De gemeenten hebben op deze manier twee gelegenheden om invloed uit te oefenen op de begroting van de VRU.
1.2
Opbouw kadernota In de kadernota ligt de nadruk op de ontwikkelingen die effect hebben op de hoogte van de gemeentelijke bijdrage. We maken onderscheid tussen de technische toepassing van het financiële kader (hoofdstuk 2) en de overige ontwikkelingen en risico’s (hoofdstuk 3 en 4). In het beleidsplan VRU 2020-2023 is opgenomen dat voor nieuw beleid geen extra bijdragen wordt gevraagd aan gemeenten. De opgenomen onderwerpen zijn daarmee beperkt tot exogene ontwikkelingen en risico’s. Hieruit volgt dat beleidsbijstellingen enkel betrekking hebben op bestaand beleid. In hoofdstuk 5 worden de effecten uit hoofdstuk 2, 3 en 4 op de bijdrage voor het gemeentelijk basistakenpakket (GBTP) weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt de vergoeding voor het individueel gemeentelijk pluspakket (IGPP) per gemeente inzichtelijk gemaakt.
Pagina
5
2 Financieel kader 2.1
Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds Conform artikel 4.2 A van de Gemeenschappelijke Regeling vormen de ijkpuntscores van het Gemeentefonds voor het onderdeel Brandweer en Rampenbestrijding de grondslag voor het relatieve aandeel van de gemeenten in de totale bijdrage voor het GBTP. Momenteel wordt in opdracht van het Rijk onderzocht hoe het gemeentefonds opnieuw kan worden verdeeld. Het beoogde moment van invoering van de nieuwe verdeling is 1 januari 2023. Bestuurlijke consultatie over een aangepast voorstel voor een nieuwe verdeling van het gemeentefonds vindt plaats in het najaar van 2021. Het beoogde moment van invoering van de nieuwe verdeling is 1 januari 2023. De begroting van de VRU wordt jaarlijks gebaseerd op de meest actuele septembercirculaire. De individuele bijdrage per gemeente in de kadernota 2023 is daarmee nog gebaseerd op de huidige verdeling van het gemeentefonds. Zodra de herijkte verdeling van het gemeentefonds definitief is vastgesteld, kunnen de nieuwe ijkpuntscores bij het opstellen van de (geactualiseerde) begroting 2023 worden toegepast in het verdeelmodel voor de gemeentelijke bijdrage. Verdelingsgrondslag GBTP 2023 In tabel 1 zijn de percentages voor 2023 opgenomen op basis van de septembercirculaire. Deze ijkpuntscores leiden niet tot een verandering van de totale bijdrage voor het GBTP.
De ijkpuntscores worden alleen gebruikt om de verdeling tussen de gemeenten onderling te berekenen. Op totaalniveau is de bijstelling van de ijkpuntscores dus per saldo neutraal. Per gemeente kunnen wel verschuivingen plaatsvinden, afhankelijk van de ontwikkeling van de ijkpuntscores. Tabel 1: verdelingsgrondslag (relatief aandeel ijkpuntscores) bijdrage GBTP Verdelingsgrondslag bijdrage GBTP Begroting 2022
Kadernota 2023
Renswoude Eemnes Oudewater Woudenberg Montfoort Lopik Bunnik Bunschoten Rhenen Wijk bij Duurstede Baarn Leusden IJsselstein De Bilt De Ronde Venen Soest Houten Utrechtse Heuvelrug Woerden Vijfheerenlanden Stichtse Vecht Nieuwegein Veenendaal Zeist Amersfoort Utrecht
0,39% 0,61% 0,65% 0,77% 0,89% 0,95% 1,06% 1,27% 1,32% 1,52% 1,75% 1,89% 2,02% 2,92% 2,97% 3,00% 3,05% 3,38% 3,42% 3,68% 4,34% 4,46% 4,57% 4,58% 11,22% 33,33%
0,39% 0,62% 0,63% 0,77% 0,89% 0,95% 1,05% 1,28% 1,32% 1,52% 1,72% 1,90% 2,01% 2,91% 2,95% 2,98% 3,05% 3,34% 3,41% 3,69% 4,22% 4,51% 4,54% 4,56% 11,25% 33,55%
TOTAAL
100%
100%
Gemeente
Pagina
6
De gemeenten met de grootste stijging in het relatieve aandeel zijn de gemeente Utrecht, Amersfoort, Nieuwegein, Leusden en Eemnes. Bij de gemeenten Utrecht, Amersfoort en Leusden vindt de groei plaats binnen het huidige bebouwde gebied waardoor ook de mate van verstedelijking toeneemt. Bij Utrecht en Leusden neemt de waarde van de OZB niet-woningen daarbij ook toe. Bij de gemeente Nieuwegein en Eemnes is sprake van een uitbreiding van het aantal woonruimten en bebouwde oppervlakte. Ook neemt de OZB-waarde van niet-woningen bij de gemeente Eemnes flink toe. De gemeenten met de sterkste afname in het relatieve aandeel zijn de gemeente Stichtse Vecht en de gemeente Oudewater. Bij de gemeente Stichtse Vecht neemt de compensatie voor meerkernigheid af, vermoedelijk omdat twee kernen samensmelten. Er is geen sprake van krimp van de afzonderlijke kernen. Uit een aanvullende analyse van CBS-cijfers op kernniveau blijkt dat het vermoedelijk gaat om de kernen Maarssen en Maarssenbroek. De daling in het relatieve aandeel van de gemeente Oudewater wordt veroorzaakt door een daling van het aantal woonruimten in 2020 en de daling van het aantal woonruimten werkt door in de gemiddelde verstedelijkingsgraad.
In bijlage 1 zijn de bedragen opgenomen die de gemeenten ontvangen uit het gemeentefonds voor het onderdeel Brandweer en Rampenbestrijding voor de jaren 2020 tot en met 2023, zoals berekend in de septembercirculaire 2021 van het gemeentefonds. Verwerking invulling restant taakstelling Repressieve Efficiency Utrecht Bij de invoering van het verdeelmodel voor de gemeentelijke bijdrage in 2015 is besloten tot een specifieke bezuinigingstaakstelling van € 1,8 miljoen voor het gebied van de gemeente Utrecht om het financiële nadeel van gemeente Utrecht als gevolg van de invoering van het nieuwe verdeelmodel af te bouwen. Het beoogde effect van de bezuiniging is bereikt en zelfs meer dan dat. Het samenstel van bezuinigingsmaatregelen heeft ervoor gezorgd dat ook Utrecht inmiddels tot de ‘voordeelgemeenten’1 behoort. Het grootste deel van de taakstelling is gerealiseerd in de periode 2015 tot en met 2018. Het resterende deel van € 0,3 miljoen wordt ingevuld door vanaf 2022 een besparing door te voeren op het individueel gemeentelijk pluspakket van gemeente Utrecht. Hiermee wordt de taakstelling volledig gerealiseerd. De taakstelling van € 1,8 is destijds volledig verwerkt in de bijdrage voor het gemeentelijk basistakenpakket (GBTP).
Nu het resterende deel wordt ingevuld via het individueel gemeentelijk pluspakket (IGPP) vindt een saldo-neutrale overheveling plaats van het GBTP (stijging) naar het IGPP (afname). In de begroting 2022 is een deel (€ 236K) daarvan al (saldo-neutraal) verwerkt. Het resterende deel (€ 47K) wordt in deze kadernota verwerkt. Zoals blijkt uit tabel 2 blijft het totaal van de gemeentelijke bijdragen (GBTP) en vergoedingen (IGPP) per saldo gelijk. Tabel 2: Verwerking taakstelling repressieve efficiency Utrecht Bedragen x € 1.000
Verwerking taakstelling repressieve efficiency Utrecht
GBTP
IGPP
Totaal
Taakstelling repressieve efficiency Utrecht
-1.552
-283
Verwerking in gemeentelijke bijdrage/vergoeding Initiële verwerking 2015-2018 Mutatie opgenomen in begroting 2022 Verwerkt in gemeentelijke bijdrage/vergoeding
-1.835 236 -1.599
-236 -236
-1.835 -1.835 -1.835
47
-47
-
Nog te verwerken begroting 2023/actualisatie 2022
1 Dit betekent dat de bijdrage van de gemeente Utrecht inmiddels lager is dan dat het geval zou zijn geweest
als de nieuwe financieringssystematiek in combinatie met de bezuinigingen niet zou zijn ingevoerd. Als voordeelgemeente draagt Utrecht nu bij aan de compensatie van de nadeelgemeenten.
Pagina
7
2.2
Loonaanpassing De gemeentelijk bijdrage wordt geïndexeerd volgens artikel 4.3 van de Gemeenschappelijke Regeling. De loonaanpassing volgt de algemene loonontwikkeling2. Voor de kadernota hanteert de VRU de procentuele mutatie van het indexcijfer ‘prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers’ zoals berekend door het Centraal Plan Bureau (CPB)3. De ontwikkeling van dit indexcijfer en de relatie met de begroting van de VRU is weergeven in tabel 3. Tabel 3: Ontwikkeling CPB indexcijfer 'Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers' Jaar
Loonaanpassing Begroting Kadernota 2022 2023
Bijstelling
2021 2022 Subtotaal
1,6% 1,3% 2,9%
0,5% 3,1% 3,6%
-1,1% 1,8% 0,7%
2023 Subtotaal
-
2,0% 2,0%
2,0% 2,0%
2,9%
5,6%
2,7%
Totaal
Het restant van de stelpost looncompensatie in de geactualiseerde begroting 2021 bedraagt 1,6% en is bedoeld voor de CAO 2021. In de begroting 2022 is de stelpost voor loonontwikkeling verhoogd met 1,3% naar 2,9%. Op basis van de actuele berekeningen van het CPB in de septembercirculaire 2021 wordt de stelpost nu bijgesteld van 2,9% naar 3,6% voor 2021-2022. Voor 2023 is de loonontwikkeling door het CPB geraamd op 2,0%. In tabel 4 is het financiële effect van de verwachte loonontwikkeling op de bijdrage voor het gemeentelijk basistakenpakket (GBTP) opgenomen en op de vergoeding voor het individueel gemeentelijk pluspakket (IGPP). Tabel 4: financieel effect loonaanpassing Bedragen x € 1.000
Loonaanpassing
Loonaanpassing
Financieel effect 2023 Bijdrage Vergoeding Totaal GBTP IGPP
Mutatie stelpost looncompensatie 2022 Prognose premieontwikkeling 2022 Inzet stelpost looncompensatie 2022 Mutatie lasten loonaanpassing 2022
0,7% 1,2% -1,2% 0,7%
474 531 -531 474
9 11 -11 9
483 541 -541 483
Stelpost looncompensatie 2023 Premieontwikkeling 2023 Mutatie lasten loonaanpassing 2023
2,0% 2,0%
1.331 p.m. 1.331
27 p.m. 27
1.358 p.m. 1.358
Totaal effect
2,7%
1.804
36
1.841
Voor de jaren 2021 tot en met 2023 is een stelpost voor looncompensatie opgenomen, omdat de CAO voor deze jaren tijdens het opstellen van deze kadernota nog niet bekend is. De premieontwikkeling heeft ook invloed op de loonkosten. Op basis van de premieprognose van het ABP van juli 2021 stijgt het werkgeversaandeel in 2022 met ca. 1,2%. Het definitieve besluit over de premie van 2022 wordt eind november 2021 genomen. Voor de premieontwikkeling 2023 is een p.m. post opgenomen, omdat hiervoor nog geen premieprognose bekend is. De premiestijgingen worden ten laste van de stelpost voor looncompensatie gebracht.
2 Bijdrageverordening, artikel 1: de loonontwikkeling conform de Collectieve Arbeidsregeling (CAR) en
mutaties in de premieplichtigen van de werkgever op basis van wet CAR en rechtspositieregeling. 3 Gepubliceerd in Tabel 4.2.2 van de septembercirculaire 2021.
Pagina
8
Bij het opstellen van de begroting 2023 en bij actualisatie van de begroting 2022 wordt de loonontwikkeling nog bijgesteld op basis van de dan geldende CAO (mits bekend) en vastgestelde premie’s. Een eventueel positief of negatief effect wordt dan verrekend met de gemeentelijke bijdrage zodat uiteindelijk de werkelijke loon- en premieontwikkeling wordt betaald. Het financiële effect van de loonontwikkeling zoals opgenomen in de kadernota 2023 van de VRU, wordt volgens de huidige systematiek van het gemeentefonds indirect gecompenseerd via de algemene uitkering die gemeenten van het Rijk ontvangen. De loonontwikkeling van het Rijk wordt vertaald naar het accres van de algemene uitkering voor gemeenten. De compensatie voor de loonontwikkeling 2023 van gemeenten wordt bij de meicirculaire 2022 toegekend.
2.3
Prijsaanpassing Voor de prijsaanpassing hanteert de VRU de procentuele mutatie van het Bruto Binnenlands Product zoals berekend door het Centraal Plan Bureau4. Dit is conform artikel 1 sub j van de Bijdrageverordening VRU. Daarbij vindt jaarlijks een correctie plaats op basis van de geactualiseerde cijfers over de voorliggende twee jaren ten opzichte van de begroting. Zo wordt nooit te veel of te weinig geïndexeerd. Voor 2023 bedraagt de cumulatieve prijsaanpassing 3,7%. De ontwikkeling van dit indexcijfer is weergeven in tabel 5. In tabel 6 is het financiële effect van deze prijsaanpassing opgenomen. Tabel 5: Ontwikkeling CPB indexcijfer 'Prijs bruto binnenlands product' Jaar
Prijsaanpassing Begroting Kadernota 2022 2023
Bijstelling
2020 2021 2022 Subtotaal
1,7% 1,5% 1,4% 4,6%
2,3% 2,3% 1,8% 6,4%
0,6% 0,8% 0,4% 1,8%
2023 Subtotaal
-
1,9% 1,9%
1,9% 1,9%
4,6%
8,3%
3,7%
Totaal
Tabel 6: financieel effect prijsaanpassing Bedragen x € 1.000
Prijsaanpassing
Prijsaanpassing
Financieel effect 2023 Bijdrage Vergoeding Totaal GBTP IGPP
Mutatie prijsaanpassing 2020 Mutatie prijsaanpassing 2021 Mutatie prijsaanpassing 2022 Mutatie lasten prijsaanpassing 2022
0,6% 0,8% 0,4% 1,8%
186 248 124 558
9 11 10 30
195 259 134 588
Prijsaanpassing 2023 Mutatie lasten prijsaanpassing 2023
1,9% 1,9%
592 592
41 41
633 633
Totaal effect
3,7%
1.150
71
1.221
Het financiële effect van de prijsaanpassing zoals opgenomen in de kadernota 2023 van de VRU, wordt volgens de huidige systematiek van het gemeentefonds indirect gecompenseerd via de algemene uitkering die gemeenten van het Rijk ontvangen. De prijsontwikkeling van het Rijk wordt vertaald naar het accres van de algemene uitkering voor gemeenten. De compensatie voor de prijsontwikkeling 2023 wordt bij de meicirculaire 2022 aan gemeenten toegekend. 4 Gepubliceerd in Tabel 4.2.2 van de septembercirculaire 2021 en verzamelde bijlagen Actualisatie Verkenning
middellange termijn 2022-2025 (september 2021) | CPB.nl (verzamelde bijlagen met lange reeksen; bijlage 01 MEV 2022)
Pagina
9
2.4
Lasten FLO-overgangsrecht Het financiële kader van de lasten FLO-overgangsrecht bestaat uit een structurele en een incidentele component. Schommelingen in de kostenprognose worden geëgaliseerd via de bestemmingsreserve ‘Lasten FLO-overgangsrecht’. De eerstvolgende actualisatie van de kostenprognose wordt verwerkt in de meerjarenraming van de begroting 2023. Op basis van de huidige berichtgeving over de lasten voor het FLO-overgangsrecht is er geen aanleiding het huidig meerjarig financieel kader bij te stellen. Dit betekent dat de budgetten voor FLO alleen worden verhoogd met de reguliere loon- en prijsaanpassing. In tabel 7 is de meerjarenraming van de lasten FLO-overgangsrecht weergegeven. Tabel 8 geeft inzicht in het financiële effect op de gemeentelijke bijdrage voor het basistakenpakket (GBTP) voor het jaar 2023. Tabel 7: meerjarenraming lasten FLO-overgangsrecht 2023-2026 Bedragen x € 1.000
Meerjarenraming FLO-overgangsrecht
2023
2024
2025
2026
Begroting 2022 Lasten FLO-overgangsrecht Storting/ onttrekking reserve FLO-overgangsrecht Lasten FLO- overgangsrecht begroting 2022
3.504 -459 3.045
3.251 -206 3.045
2.978 67 3.045
2.710 335 3.045
Kadernota 2023 Lasten FLO-overgangsrecht Storting/ onttrekking reserve FLO-overgangsrecht Lasten FLO- overgangsrecht kadernota 2023
3.599 -471 3.127
3.339 -212 3.127
3.058 69 3.127
2.783 344 3.127
82
82
82
82
Mutatie lasten FLO-overgangsrecht
De mutatie van de lasten FLO-overgangsrecht kan worden opgevangen door inzet van de bestemmingsreserve ‘Lasten FLO-overgangsrecht’. De actualisatie van de meerjarenraming leidt niet tot een mutatie van de gemeentelijke bijdrage. Tabel 8: financieel effect mutatie lasten FLO-overgangsrecht Bedragen x € 1.000
Lasten FLO-overgangsrecht
Lasten FLO-overgangsrecht 2022 Lasten FLO-overgangsrecht 2023 Mutatie lasten FLO-overgangsrecht Correctie loon- en prijsaanpassing 2023* Totaal effect GBTP 2023
Financieel effect 2023 GBTP Structureel Incidenteel Totaal
3.045 3.127 82
-
3.045 3.127 82
-82
-
-82
-
-
-
*De loon- en prijsaanpassing met betrekking tot de lasten FLO-overgangsrecht zijn onderdeel van de totale loonaanpassing (zie paragraaf 2.2). Daarom is een correctie toegepast.
2.5
Brede doeluitkering Rampenbestrijding De hoogte van de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) bedraagt voor 2023 op basis van de beschikking van 7 juni 2021 van het rijk € 9,7 miljoen. Dat is € 197K meer dan opgenomen in de huidige meerjarenraming. Het betreft met name de structurele doorwerking van de indexering van de rijksbijdrage voor 2021. Deze extra inkomst wordt in mindering gebracht op de bijdrage van de gemeenten voor het GBTP. De indexering van de BDuR 2022 en 2023 is nog niet bekend. In tabel 9 is het financiële effect van de BDuR opgenomen.
Pagina
10
Tabel 9: financieel effect mutatie BDuR Bedragen x € 1.000
Financieel effect 2023 Bijdrage Vergoeding Totaal GBTP IGPP
Brede doeluitkering Rampenbestrijding
2.6
Loon- en prijsbijstelling BDuR 2021 Loon- en prijsbijstelling BDuR 2022 Loon- en prijsbijstelling BDuR 2023
-197 p.m. p.m.
-
-197 -
Totaal effect
-197
-
-197
Samenvatting mutatie GBTP financieel kader Tabel 10: effect financieel kader op bijdrage GBTP Bedragen x € 1.000
Mutaties financieel kader 2023
Structureel Incidenteel
Totaal
Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds* Loonaanpassing Prijsaanpassing Lasten FLO-overgangsrecht Brede doeluitkering Rampenbestrijding
47 1.804 1.150 -197
-
47 1.804 1.150 -197
Totaal mutatie bijdrage GBTP
2.805
-
2.805
*De bijstelling van de ijkpuntscores leidt alleen tot onderlinge verschuivingen tussen de bijdragen van gemeenten. Het financieel effect van de bijstelling van ijkpuntscores voor 2023 wordt veroorzaakt door de verwerking van de invulling van het restant taakstelling repressieve efficiency Utrecht (zie paragraaf 2.1).
Pagina
11
3 Ontwikkelingen 3.1
Concessievergoeding openbaar meldsysteem Uit onderzoek in opdracht van het Veiligheidsberaad is duidelijk geworden dat de rol van de veiligheidsregio in het exploiteren van een openbaar meldsysteem (OMS) geen wettelijke grondslag heeft. Dit was de aanleiding voor het inrichten van een landelijke voorziening als vervanger van het huidige regionale OMS. De consequentie van deze ontwikkeling is dat de concessievergoeding van € 1,1 miljoen op termijn volledig vervalt bij ingebruikname van de landelijke voorziening. Tijdens het algemeen bestuur van 29 maart 2021 is ingestemd met het instellen van het OMSfonds. Dit fonds voorkomt een stijging van de gemeentelijke bijdrage als gevolg van het wegvallen van de OMS-opbrengsten in deze beleidsperiode (tot en met 2023). Bij de zienswijzen is door een aantal gemeenten gevraagd om het wegvallen van de OMS-opbrengsten structureel op te vangen binnen de begroting van de VRU door nieuwe bezuinigingen door te voeren. Eventuele bezuinigingen van deze omvang vragen om fundamentele keuzes in de taakuitvoering. In aanloop naar de nieuwe beleidsperiode (2024-2027) wordt daarom de bestuurlijke afweging gemaakt of de daling van de OMS-opbrengsten vanaf 2024 via een bezuiniging moet worden opgevangen en zo ja, welke keuzes dit vergt in de taakuitvoering.
Het OMS voor de veiligheidsregio’s Utrecht, Flevoland en Gooi en Vechtstreek is in 2014 gezamenlijk aanbesteed. De overeenkomsten van de drie regio’s met zes leveranciers hebben een looptijd tot 30 april 2024. Inmiddels is duidelijk geworden dat de landelijke voorziening gefaseerd in gebruik wordt genomen: regio’s sluiten aan vanaf het moment dat de overeenkomst met de huidige OMS-leveranciers afloopt. Eind 2021 moeten de eerste regio’s op de landelijke voorziening aangesloten zijn. Utrecht, Flevoland en Gooi en Vechtstreek zullen als één van de laatste regio’s aansluiten. In 2021 waren de veiligheidsregio’s Utrecht, Flevoland en Gooi en Vechtstreek de enige regio’s die nog een concessievergoeding hanteren. Net als in andere veiligheidsregio’s met een lopende concessieovereenkomst wordt - vooruitlopend op de overgang naar de landelijke voorziening - de concessievergoeding per 2022 op nihil gesteld, zodat abonnees geen financieel nadeel ondervinden van de gefaseerde ingebruikname van de landelijke voorziening. Gelet op de gezamenlijke aanbesteding wordt het verlagen van de concessievergoeding uiteraard ook in afstemming gedaan met de veiligheidsregio’s Flevoland en Gooi en Vechtstreek. In de begroting voor 2022 is al rekening gehouden met het wegvallen van de OMS-opbrengsten. Derhalve leidt deze ontwikkeling niet tot een bijstelling van de gemeentelijke bijdrage.
Pagina
12
4 Risico’s 4.1
Omgevingswet Om de (financiële) gevolgen van de stelselherziening als gevolg van de Omgevingswet voor de veiligheidsregio’s goed in beeld te brengen, heeft de voormalige programmaraad Risicobeheersing aan onderzoeksbureau Cebeon gevraagd dit te onderzoeken. Het onderzoek heeft geleid tot inzicht in de verandering in tijd en kosten (meer- of minderkosten) die de veiligheidsregio’s, gemiddeld en geaggregeerd, besteden aan taken op het gebied van risicobeheersing, als gevolg van de invoering van de Omgevingswet en daarmee samenhangende nieuwe wet- en regelgeving. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen implementatiekosten en structurele uitvoeringskosten. Op basis van het rapport is een inschatting gemaakt wat de (financiële) gevolgen zijn voor de VRU. Op grond van de Cebeon-berekeningen kunnen de incidentele kosten voor de VRU geschat worden op ca. 1 miljoen euro (als één van de grotere regio’s, met middel/hoog risicoprofiel). Incidenteel is er enkele jaren geleden eenmalig een opleidingsbudget van € 70K vrijgemaakt, alsmede een budget van € 30K voor de implementatie DSO. De overige kosten voor onder meer opleiding en projectleiding en productontwikkeling zijn tot nu toe binnen de eigen begroting opgevangen. Door al deze eerdere activiteiten zullen de nog te verwachten implementatiekosten lager uitvallen.
Het gaat dan vooral om personele capaciteit voor het realiseren van de aansluiting op gemeenten, provincies en omgevingsdiensten en mogelijk ook nog kosten m.b.t. samenwerkingsafspraken. De inschatting is dat dit in de huidige beleidsperiode nog ca. € 100K-€ 200K aan personele capaciteit vraagt. Financiële dekking voor deze incidentele kosten voor 2022 en 2023 wordt gezocht binnen de kaders van de begroting van de VRU met mogelijk de inzet van de ontwikkel- en egalisatiereserve. Door de wijziging in taken en benodigde uitvoeringsniveau veranderen ook de structurele kosten. Op basis van de berekening van Cebeon kunnen de structurele kosten voor de VRU geschat worden op ca. 0,5-1,5 miljoen euro. Deze kosten hebben met name betrekking op personeelskosten. Cebeon schat in dat ruim een kwart van de verwachte meerkosten bij advies samenhangt met advisering over de omgevingsvisie, -plannen en programma’s (kerninstrumenten). Dit is een nieuw type adviezen. Daarnaast verwacht Cebeon dat de kosten per advies zullen stijgen. Enerzijds doordat de tijdsbesteding aan meer complexe aanvragen en processen zal toenemen. Anderzijds doordat het benodigde kennisniveau (en daarmee de inschaling) van de medewerkers omhoog moet om deze complexe aanvragen te behandelen.
Tussen het Rijk en de bestuurlijke partners zijn afspraken over het monitoren en evalueren van de financiële gevolgen van de stelselherziening Omgevingswet. De inzet is dat de wet budgetneutraal kan worden ingevoerd, waarbij de minister heeft afgesproken op zoek te gaan naar oplossingen als uit de financiële evaluatie blijkt dat de invoeringskosten substantieel hoger zijn dan eerder voorzien.
4.2
Taakdifferentiatie brandweer (verplichtend of niet verplichtend karakter van de brandweer) Bij de voorbereidingen voor aanpassingsvoorstellen voor de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) is aan het licht gekomen dat de arbeidsvoorwaarden van brandweervrijwilligers op dit moment in strijd zijn met Europese wet- en regelgeving, in het bijzonder met de zogenaamde deeltijdrichtlijn. De reden hiervan is dat werkzaamheden en aanstellingseisen van beroepskrachten en vrijwilligers gelijk zijn, zodat brandweervrijwilligers op grond van het gelijkheidsbeginsel door hun werkgevers – de veiligheidsregio’s – feitelijk als deeltijdwerkers beschouwd zouden moeten worden.
Pagina
13
De minister van Justitie en Veiligheid en het Veiligheidsberaad hebben laten onderzoeken hoe de brandweervrijwilligers nadrukkelijk en fundamenteel zijn te onderscheiden van de beroepskrachten, zodat wordt voldaan aan de normen uit Europese en internationale regelgeving en jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. In de denkrichting wordt een taakdifferentiatie voorgesteld tussen vrijwilligers en beroepsmedewerkers, waarbij het systeem van vrijwilligheid behouden blijft. Uitgangspunt van de denkrichting is een werkbaar en fundamenteel onderscheid te maken tussen vrijwilligers en beroepsmedewerkers dat geen afbreuk doet aan het niveau en de kwaliteit van brandweerzorg. Om te komen tot een fundamenteel onderscheid tussen vrijwilligers en beroepsmedewerkers zijn de volgende denkrichtingen uitgewerkt: 1. Verplichte beschikbaarheid voor vrijwilligers vervalt; 2. Specialistische taken voor vrijwilligers worden beperkt tot maximaal één; 3. Beroepskrachten gaan ten opzichte van vrijwilligers meer niet-repressieve taken uitvoeren; 4. Beroepskrachten krijgen een zwaardere belasting op het gebied van vakbekwaamheid met als gevolg zwaardere opleidingseisen. Er bestaat een reëel risico dat de kosten voor brandweerzorg als gevolg van de taakdifferentiatie op basis van de genoemde denkrichtingen significant stijgen.
De eventuele verschuiving van taken van vrijwilligers naar beroepskrachten kan leiden tot meer (parttime) beroepsaanstellingen en daarmee tot extra loonkosten voor de werkgever. Ook de kosten voor vakbekwaamheid kunnen toenemen als gevolg van een verschuiving van specialistische taken. Er is nog geen duidelijkheid over de omvang en fasering van de eventuele meerkosten als gevolg van de taakdifferentiatie. In de uitwerking van de denklijn wordt de focus vooralsnog met name gelegd op bouwsteen 1. Concreet betekent dat voor de VRU dat de huidige praktijk met gekazerneerde vrijwilligers en vormen van piketregelingen voor vrijwilligers zullen moeten worden beëindigd, waarbij er sprake kan zijn van afkoop of afbouwregelingen. Daarbij zal er gekeken moeten worden naar het implementeren van alternatieven zoals ‘slimme piepers’ ten behoeve van de paraatheid. Uitgangspunt van het Veiligheidsberaad is dat eventuele financiële consequenties als gevolg van wijzigingen in het stelsel door het Rijk worden gecompenseerd.
Pagina
14
5 Bijdrage gemeentelijk basistakenpakket In de onderstaande tabel is de ontwikkeling van de bijdrage voor het gemeentelijk basistakenpakket (GBTP) in 2023 opgenomen op basis van de mutaties in het financiële kader (zie hoofdstuk 2) en ontwikkelingen (zie hoofdstuk 3). Tabel 11 : mutaties bijdrage GBTP Totaal Mutaties 2023 Totaal
Bedragen x € 1.000
Gemeente
Bijdrage GBTP begroting 2022
Mutaties Mutaties financieel ontwikkelingen kader
Bijdrage GBTP kadernota 2023
Renswoude Eemnes Oudewater Woudenberg Montfoort Lopik Bunnik Bunschoten Rhenen Wijk bij Duurstede Baarn Leusden IJsselstein De Bilt De Ronde Venen Soest Houten Utrechtse Heuvelrug Woerden Vijfheerenlanden Stichtse Vecht Nieuwegein Veenendaal Zeist Amersfoort Utrecht
358 554 596 697 816 872 947 1.126 1.155 1.393 1.557 1.634 1.723 2.641 2.632 2.685 2.329 3.091 3.010 3.471 3.920 3.765 3.183 4.100 9.870 27.693
11 29 5 25 23 26 22 37 34 48 32 52 55 76 70 69 84 74 87 114 36 125 125 118 334 1.093
-
369 583 600 722 839 898 969 1.163 1.190 1.440 1.589 1.687 1.778 2.717 2.701 2.754 2.413 3.166 3.097 3.585 3.957 3.890 3.308 4.218 10.204 28.786
Totaal
85.819
2.805
-
88.624
Pagina
15
6 Vergoeding individueel gemeentelijk pluspakket In tabel 12 is per gemeente de ontwikkeling van de vergoeding voor het gemeentelijk pluspakket (IGPP) opgenomen. Vanaf 2018 zijn de taakuitvoeringsovereenkomsten (TUO’s) afgesloten voor onbepaalde tijd. Voor 2023 gaan we daarom uit van voortzetting van de plustaken. De vergoedingen voor 2023 kunnen nog veranderen als er tussentijds nog wijzigingen in de TUO’s worden doorgevoerd. Tabel 12: ontwikkeling vergoeding voor het individueel gemeentelijk pluspakket (IGPP) Vergoeding IGPP begroting 2022
Renswoude Eemnes Oudewater Woudenberg Montfoort Lopik Bunnik Bunschoten Rhenen Wijk bij Duurstede Baarn Leusden IJsselstein De Bilt De Ronde Venen Soest Houten Utrechtse Heuvelrug Woerden Vijfheerenlanden Stichtse Vecht Nieuwegein Veenendaal Zeist Amersfoort Utrecht Nog toe te rekenen Totaal
Gemeente
Mutaties TUO's 2023
Loon- & prijsaanpassing 2023
Vergoeding IGPP begroting 2023
39 19 19 19 91 24 16 77 65 102 129 163 12 69 911 455 1.025 534
-9 -1 -0 -1 -1 -0 -48 -
1 1 1 1 0 1 0 2 0 1 5 1 0 2 26 17 34 15
31 20 20 20 90 25 16 79 64 102 134 164 13 70 936 472 1.011 549
3.770
-60
107
3.817
Pagina
16
7 Bijlagen 7.1
Bijlage 1: Uitkering gemeentefonds, onderdeel B&R In onderstaande tabel zijn de bedragen opgenomen die de gemeenten in het gemeentefonds ontvangen voor het onderdeel Brandweer en Rampenbestrijding. De bedragen voor 2021-2023 zijn gebaseerd op de septembercirculaire gemeentefonds 2021. Tabel 13: bedragen GF onderdeel Brandweer en Rampenbestrijding per gemeente Bedragen x € 1.000
Bedrag subcluster Brandweer en Rampenbestrijding 2020
2021
2022
2023
Renswoude Eemnes Oudewater Woudenberg Montfoort Lopik Bunnik Bunschoten Rhenen Wijk bij Duurstede Baarn Leusden IJsselstein De Bilt De Ronde Venen Soest Houten Utrechtse Heuvelrug Woerden Vijfheerenlanden Stichtse Vecht Nieuwegein Veenendaal Zeist Amersfoort Utrecht
366 575 617 726 846 906 1.010 1.205 1.252 1.444 1.652 1.791 1.912 2.770 2.811 2.837 2.883 3.203 3.238 3.490 4.121 4.213 4.323 4.330 10.615 31.517
387 622 633 770 888 953 1.056 1.277 1.320 1.528 1.724 1.901 2.011 2.915 2.951 2.978 3.055 3.348 3.412 3.692 4.233 4.515 4.549 4.563 11.266 33.624
403 649 660 804 926 993 1.101 1.332 1.376 1.593 1.799 1.984 2.098 3.041 3.078 3.108 3.187 3.494 3.559 3.851 4.416 4.710 4.745 4.761 11.752 35.058
408 656 667 813 936 1.004 1.112 1.348 1.390 1.609 1.819 2.006 2.121 3.073 3.112 3.143 3.222 3.532 3.598 3.893 4.462 4.763 4.797 4.814 11.882 35.433
Totaal
94.655
100.172
104.478
105.611
Gemeente
Opgemerkt wordt dat de begroting van gemeenten ten aanzien van de brandweer en rampenbestrijding naast de bijdrage aan de VRU ook bestaat uit andere kosten zoals de huisvestingskosten voor de brandweerposten (voor zover dit niet via het individueel gemeentelijk pluspakket bij de VRU wordt afgenomen), de kosten voor de gemeentelijke crisisbeheersing en de bluswatervoorziening.
Pagina
17
7.2
Bijlage 2: Meerjarenraming bijdragen en vergoedingen 2023-2026 Tabel 14: bijdragen en vergoedingen 2023-2026 per gemeente* Bedragen x € 1.000
Gemeente
GBTP 2023
IGPP 2023
Bijdrage 2023
GBTP 2024
IGPP 2024
Bijdrage 2024
GBTP 2025
IGPP 2025
Bijdrage 2025
GBTP 2026
IGPP 2026
Bijdrage 2026
Renswoude Eemnes Oudewater Woudenberg Montfoort Lopik Bunnik Bunschoten Rhenen Wijk bij Duurstede Baarn Leusden IJsselstein De Bilt De Ronde Venen Soest Houten Utrechtse Heuvelrug Woerden Vijfheerenlanden Stichtse Vecht Nieuwegein Veenendaal Zeist Amersfoort Utrecht Nog toe te rekenen
369 583 600 722 839 898 969 1.163 1.190 1.440 1.589 1.687 1.778 2.717 2.701 2.754 2.413 3.166 3.097 3.585 3.957 3.890 3.308 4.218 10.204 28.786 -
31 20 20 20 90 25 16 79 64 102 134 164 13 70 936 472 1.011 549
369 614 620 742 839 898 969 1.183 1.190 1.531 1.614 1.687 1.794 2.717 2.701 2.833 2.478 3.267 3.231 3.749 3.957 3.903 3.378 5.154 10.677 29.797 549
373 590 607 730 849 908 980 1.177 1.203 1.457 1.607 1.707 1.799 2.748 2.732 2.785 2.446 3.201 3.133 3.624 4.001 3.937 3.356 4.266 10.323 29.139 -
31 20 20 20 89 25 15 79 64 101 134 164 13 68 936 472 1.011 549
373 621 627 750 849 908 980 1.197 1.203 1.546 1.632 1.707 1.815 2.748 2.732 2.864 2.509 3.301 3.266 3.788 4.001 3.950 3.423 5.202 10.795 30.150 549
373 590 607 730 849 908 980 1.177 1.203 1.457 1.607 1.707 1.799 2.748 2.732 2.785 2.446 3.201 3.133 3.624 4.001 3.937 3.356 4.266 10.323 29.139 -
31 20 20 20 88 25 15 79 63 99 134 164 13 60 936 472 642 549
373 621 627 750 849 908 980 1.197 1.203 1.544 1.632 1.707 1.815 2.748 2.732 2.864 2.508 3.300 3.266 3.788 4.001 3.950 3.415 5.202 10.795 29.781 549
373 590 607 730 849 908 980 1.177 1.203 1.457 1.607 1.707 1.799 2.748 2.732 2.785 2.446 3.201 3.133 3.624 4.001 3.937 3.356 4.266 10.323 29.139 -
31 20 20 20 87 25 15 79 62 98 134 164 13 60 936 472 642 549
373 621 627 750 849 908 980 1.197 1.203 1.543 1.632 1.707 1.815 2.748 2.732 2.864 2.507 3.299 3.266 3.788 4.001 3.950 3.415 5.202 10.795 29.781 549
Totaal
88.624
3.817
92.440
89.676
3.810
93.485
89.676
3.429
93.105
89.676
3.426
93.102
De bijdrage voor het basistakenpakket (GBTP) stijgt met € 1,05 miljoen in 2024 ten opzichte van 2023 als gevolg van het wegvallen van de incidentele dekking uit het OMS-fonds voor de structureel vervallen concessievergoeding OMS per 1-1-2022 (zie paragraaf 3.1). *deze meerjarenraming is onder voorbehoud van wijzigingen als gevolg van de nadere uitwerking van het financieel kader en ontwikkelingen bij de actualisatie van de begroting 2022 en het opstellen van de begroting 2023.
Pagina
18