CConstaterende datWijk bij Duurstede
Koppel je AI →
Document · PDF

310716 Bijlage 1 - Nota reserves en voorzieningen en weerstandscapaciteit 2022

Raadsvergadering 25 januari 2022, gemeente Wijk bij DuurstedeBij agendapunt: Nota Reserves & Voorzieningen en Weerstandscapaciteit3.423 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota Reserves & Voorzieningen en weerstandscapaciteit 2022

1

Inhoudsopgave 1 Inleiding...............................................................................................................................................3 1.1 Kader............................................................................................................................................3 1.2 Visie..............................................................................................................................................3 2 Begrippen............................................................................................................................................3 2.1 Reserves........................................................................................................................................3 2.2 Voorziening...................................................................................................................................4 3 Beleidsuitgangspunten........................................................................................................................5 3.1 Instelling en instandhouding.........................................................................................................5 3.2 Dotaties en onttrekkingen reserves..............................................................................................6 3.3 Dotaties en onttrekkingen

voorzieningen.....................................................................................7 3.4 Verschillen reserves en voorzieningen.........................................................................................8 3.5 Uitgangspunten reserves en voorzieningen..................................................................................8 4 Rentebeleid.........................................................................................................................................9 5 Weerstandscapaciteit..........................................................................................................................9 5.1 Algemeen......................................................................................................................................9 5.2 Weerstandscapaciteit...................................................................................................................9 5.3 Risicomanagement.....................................................................................................................10 Bijlage – Aangehaalde artikelen Financiële verordening Wijk bij Duurstede........................................11

2

Opmerkingen met betrekking tot de regeling Deze nota vervangt de nota Weerstandsvermogen 2006 en de nota Reserves & Voorzieningen die in werking is getreden op 18 december 2012. De voorliggende nota is opgesteld conform de laatste richtlijnen van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV).

1

Inleiding

1.1

Kader

De raad heeft in zijn Financiële verordening gemeente Wijk bij Duurstede (artikelen 11 en 18) vastgelegd dat het college eenmaal in de vier jaar een nota reserves en voorzieningen ter vaststelling aan de raad aanbiedt. De nota reserves en voorzieningen behandelt tenminste het beleid ten aanzien van: a. reserves en voorzieningen:  de vorming, besteding en opheffing van reserves;  de vorming, besteding en opheffing van voorzieningen;  de toereikendheid van reserves en voorzieningen. b. weerstandcapaciteit:  de reserves en voorzieningen die deel uit maken van de weerstandscapaciteit. In het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) zijn de wettelijke bepalingen omtrent de vorming, besteding en opheffing van reserves en voorzieningen, het weerstandsvermogen en de diverse risico’s opgenomen. Zo is geregeld dat in de toelichting op de balans de aard en reden van de reserves en voorzieningen als van de uitgevoerde toevoegingen en onttrekkingen wordt opgenomen (artikelen 54 en 55 BBV). Ook is er bepaald dat in de begroting en het jaarverslag een paragraaf Weerstandsvermogen moet worden opgenomen (artikel 11 BBV).

1.2

Visie

We streven naar een structureel gezonde financiële uitgangspositie. Voor het verkrijgen van een structureel gezonde financiële positie hanteren we een tweetal uitgangspunten:  er is sprake van een weerstandscapaciteit dat past bij het risicoprofiel (en het verbeteren en onderhouden van de weerstandscapaciteit vindt plaats via het principe dat positieve resultaten bij de jaarstukken worden toegevoegd aan de algemene reserve);  bestemmingsreserves en voorzieningen bieden voldoende dekking voor de toekomstige uitgaven cq. verplichtingen.

2

Begrippen

2.1

Reserves

Een reserve maakt onderdeel uit van het eigen vermogen en kan in de volgende twee soorten worden onderscheiden:  algemene reserve;  bestemmingsreserves.

3

Algemene reserve De algemene reserve betreft dat deel van het eigen vermogen waaraan in principe geen bestemming is gegeven en welke volledig vrij besteedbaar is. Deze reserve wordt gebruikt voor het opvangen van algemene risico’s (bufferfunctie). Bestemmingsreserve De bestemmingsreserves betreffen dat deel van het eigen vermogen waaraan de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. Deze specifieke bestemming kent in de regel een bepaalde omvang en kan tijdelijk van aard zijn. Wanneer realisatie niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, kan de raad opnieuw een afweging maken, m.u.v. reserves zoals bedoeld in artikel 11.4 van de financiële verordening. De raad heeft tevens de bevoegdheid om te allen tijde een reserve opheffen. Bij de bestemmingsreserves dient onderscheid te worden gemaakt in:  de reserves met gekoppelde dekking voor afschrijvingslasten, omdat er verplichtingen op rusten voor specifieke doelen of investeringen met een meerjarig economisch nut. 1);  de reserves waar nog geen verplichtingen voor aangegaan zijn. 1

Op grond van het BBV is het niet toegestaan om bestemmingsreserves direct in mindering te brengen op investeringen met een meerjarig economisch nut (uitgezonderd op kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde). Dergelijke investeringen dienen bruto geactiveerd te worden. De kapitaallasten van deze investeringen kunnen gedekt worden uit beschikbare bestemmingsreserves. De jaarlijkse vrijval loopt vervolgens gelijk met de afschrijvingsduur van de investering. Reserves worden alleen ingesteld:  voor concrete, binnen vooraf bepaalde tijd te realiseren, door de raad vast te stellen doelen;  als eenmalig dekkingsmiddel en zijn niet in te zetten als structureel dekkingsmiddel;  voor het afdekken van kosten voortvloeiende uit redelijkerwijs niet in te schatten (omvangrijke) financiële risico’s.

2.2

Voorziening

Een voorziening behoort volgens artikel 44 lid 1 BBV tot het vreemd vermogen. Zij wordt gevormd wegens verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, maar redelijkerwijs is in te schatten:  op de balansdatum bestaande risico's voor bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten (bijvoorbeeld dubieuze debiteuren);  kosten die in een volgend jaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;  de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b in het BBV. Daarnaast worden op grond van lid 2 van hetzelfde artikel eveneens tot de voorzieningen gerekend de van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden. Dit geld moet namelijk, indien het niet gebruikt wordt voor het specifieke doel, terugbetaald worden.

De voorschotbedragen bedoeld in artikel 49, onderdeel b, BBV zijn hiervan uitgezonderd, want: “afzonderlijk worden in de balans onder de overlopende passiva opgenomen de van Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren”.

4

De mogelijkheid kan zich voordoen dat er ook risico’s bestaan, waarvan geen inschatting gemaakt kan worden van de mogelijke omvang. Denk bijvoorbeeld aan bedrijfsvoeringsrisico’s en open-einde regelingen. Hiervoor kunnen dan geen voorzieningen worden gevormd. In deze gevallen schrijft het BBV voor dat we dit soort risico’s moeten kwantificeren en opnemen in de verplicht voorgeschreven paragraaf Weerstandsvermogen. De algemene reserve kan dan in dit geval als dekking/buffer dienen alsmede de andere onderdelen die deel uitmaken van het beschikbare weerstandsvermogen. Als we tot een juiste weergave van de vermogenspositie van de gemeente willen komen, dan is het gewenst om de noodzakelijke omvang van een voorziening te bepalen (bijvoorbeeld; als een voorziening niet toereikend is, kan er een tekort op de exploitatie ontstaan in de nabije toekomst. Maar een te hoge voorziening legt onnodig beslag op de beschikbare dekkingsmiddelen). Voorzieningen dienen altijd onderbouwd te zijn, waarmee bepaald kan worden of de middelen voldoende zijn ter dekking van de toekomstige uitgaven.

Voorzieningen worden alleen ingesteld:  bij concrete verplichtingen en verliezen waarvan de omvang onzeker is, doch redelijkerwijs is in te schatten;  bij bestaande risico’s voor bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen, waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten;  voor kosten die in een volgend begrotingsjaar gemaakt gaan worden, maar al eerder veroorzaakt worden;  voor ontvangen bijdragen aan toekomstige vervangingsinvestering;  voor het veiligstellen van object- of doelsubsidies/bijdragen van derden of niet benutte delen daarvan, waarvan de verplichting tot het doen van uitgaven zich pas in latere jaren voordoet en waarvan de aanwending is gebonden c.q. waarop een terugbetalingsverplichting rust (uitzondering hierop betreffen de voorschotbedragen van Europese/Nederlandse overheden).

3

Beleidsuitgangspunten

3.1

Instelling en instandhouding

De omvang van de reserves en voorzieningen moet worden afgestemd op:  het doel dat er mee gediend moet worden;  de omvang van de risico’s;  de verplichtingen en/of verliezen die er door moeten worden afgedekt. Een negatief saldo is voor zowel de bestemmingsreserves als de voorzieningen niet toegestaan. Enige uitzondering hierop zijn voorzieningen gevormd uit de opbrengsten van heffingen die bij derden in rekening worden gebracht. Mocht de algemene reserve negatief worden, dan wordt er in samenwerking met de toezichthouder (Provincie) een plan van aanpak opgesteld om weer tot een positieve reserve te komen. Om het budgetrecht van de raad op het terrein van de reserves en voorzieningen tot zijn recht te laten komen, vindt het instellen of opheffen van reserves en voorzieningen bij (afzonderlijk) raadsbesluit plaats. In het raadsbesluit voor reserves en voorzieningen moet voor zover van toepassing aangegeven worden:

5

       

het doel van de in te stellen reserve/voorziening; de gewenste (maximale) omvang; of een jaarlijkse indexatie moet worden toegepast (niet zijnde rentetoerekening); de omvang van de storting (structureel of incidenteel); een onderbouwing; de dekking van de te storten bedragen; waarvoor onttrokken wordt en indien mogelijk wanneer deze onttrekkingen zullen plaats vinden (looptijd).

Om te voorkomen dat onnodig veel reserves worden ingesteld dient tevens expliciet aangegeven te worden, waarom de realisatie van het betreffende beleidsdoel beter gerealiseerd wordt door het instellen van een bestemmingsreserve dan via de reguliere meerjarenbegroting. Wijzigen De raad kan te allen tijde het doel of de bestemming van een reserve wijzigen. Voor een dergelijke wijziging is dus altijd een apart raadsvoorstel en begrotingswijziging benodigd. Het doel van een voorziening wijzigt in principe niet, gegeven het verplichtende karakter en de harde kaders. Mocht deze wel wijzigen, dan is de vaststelling van de formele wijziging ook voorbehouden aan de raad. Opheffen Aanbevolen wordt om in het besluit tot instellen van een bestemmingsreserve of voorziening gelijktijdig op te nemen dat de bestemmingsreserve of voorziening wordt opgeheven zodra de doelstelling waarvoor de reserve of voorziening is ingesteld, is gerealiseerd of dat de doelstelling is vervallen. Dit betekent dat de reserve in beginsel vrijvalt ten gunste van de algemene middelen (behorende bij het resultaat na bestemming). De raad kan vervolgens, via een integrale afweging, aan deze middelen een andere bestemming geven. Wanneer voorzieningen worden opgeheven moet het saldo ten gunste van de exploitatie worden gebracht, want ze zijn immers ook ten laste van de exploitatie gevormd.

Op deze manier wordt het vrijgevallen bedrag in de resultaatbepaling opgenomen. Bij de bestemming van het jaarrekeningresultaat kunnen deze middelen dan opnieuw worden ingezet.

3.2

Dotaties en onttrekkingen reserves

Volgens het BBV moeten toevoegingen aan reserves altijd geschieden in het kader van de resultaatbestemming (artikel 17, lid d BBV). Dit betekent dat het resultaat voor bestemming in de begroting bestaat uit:  de resultante van het totaal van baten en lasten volgens de diverse programma’s;  de geraamde algemene dekkingsmiddelen, overheadkosten en de heffing voor de vennootschapsbelasting en onvoorzien. Mutaties in reserves zijn geen baten of lasten. Voor het budgetrecht van de raad is het belangrijk dat zowel de vorming van als de toevoegingen en onttrekkingen aan reserves zo veel mogelijk al bij de begroting worden bepaald. Deze voorgenomen mutaties worden conform de voorschriften BBV apart zichtbaar gemaakt (op taakveld 0.10 Mutaties reserves). Deze voorschriften zijn zowel van toepassing bij de begroting als bij de jaarrekening. In het verlengde hiervan dient het resultaat na bestemming te worden vastgelegd op taakveld 0.11. Dit resultaat moet conform artikel 42.1 van het BBV afzonderlijk op de balans zichtbaar worden gemaakt bij het eigen vermogen.

6

Resultaatbestemming is een bevoegdheid van de raad. Alle stortingen in en onttrekkingen aan de reserves vereisen dus de goedkeuring van de raad. Dit kan expliciet bij de resultaatbestemming in het kader van de rekening of vooraf bij de vaststelling van de begroting. Met de vaststelling van de programmabegroting stelt de raad ook de voorgenomen stortingen in en onttrekkingen aan de reserves vast. Bij het werkelijk boeken van deze ramingen is het niet verplicht dat er ook daadwerkelijk bestedingen of inkomsten tegenover de onttrekking/storting staan. Ook andersom geldt dat wanneer de geraamde onttrekking lager is dan de werkelijke last, alleen het geraamde bedrag onttrokken mag worden (tenzij er een aanvullend besluit door de raad wordt genomen).

3.3

Dotaties en onttrekkingen voorzieningen

Voorzieningen dienen dekkend te zijn voor de achterliggende verplichtingen en risico’s. Ze mogen daarom niet groter of kleiner zijn dan de verplichtingen of risico’s waarvoor ze zijn gevormd. Dat betekent dat er een goede schatting gemaakt moet worden. Voor de bepaling van het “noodzakelijk niveau” geldt als verplichting dat de gemeente over een actuele onderbouwing dient te beschikken. Stortingen in bestaande voorzieningen of het vormen van een nieuwe voorziening worden, conform de vastgestelde meerjarenbegroting, als last bij de diverse programma’s in de primitieve begroting opgenomen, dan wel via een afzonderlijk raadsvoorstel met begrotingswijziging. Vorming en storting zijn voorbehouden aan de raad. Voor een onttrekking volstaat een collegebesluit, danwel directe verwerking in de begroting, jaarstukken of tussentijdse rapportages zoals bedoeld in artikel 6 van de Financiële verordening Wijk bij Duurstede 2020. Indien een voorziening een omvang heeft bereikt die hoger is dan het noodzakelijk niveau, valt het meerdere vrij ten gunste van de exploitatie. Bij tekorten dienen de voorzieningen te worden aangevuld. De door de raad vastgestelde mutaties in voorzieningen zijn resultaatbepalend en worden rechtstreeks in de jaarrekening verwerkt. Het is niet toegestaan om aan voorzieningen rente toe te rekenen (artikel 45 BBV).

Slechts indien de gewenste omvang van een voorziening is gebaseerd op een contante waarde, dan mag aan de voorziening de inflatiecorrectie worden toegevoegd om de voorziening op peil te houden voor de in de toekomst te dekken kosten (zie hoofdstuk 4 Rentebeleid).

7

3.4

Verschillen reserves en voorzieningen

De verschillen tussen reserves en voorzieningen op grond van het BBV kunnen als volgt schematisch worden weergegeven: Reserves

Voorzieningen

1

Instellen door raad (budgetrecht).

Instellen door raad (budgetrecht).

2

Muteren in de hoogte van reserves is bevoegdheid van raad.

Aanwenden van voorziening is bevoegdheid van college (bedrijfsvoering).

In de rekening worden de toevoegingen en onttrekkingen aan elk van de reserves (tenzij anders besloten) verwerkt tot maximaal het bedrag dat via de (bijgestelde) begroting door de raad is goedgekeurd. Daarboven is een raadsbesluit vereist. 3

Eigen vermogen.

Vreemd vermogen.

4

In beginsel vrij besteedbaar (wijziging van bestemming is mogelijk).

Vaste bestemming. Eventuele restant saldi in voorzieningen kunnen niet voor andere doeleinden worden aangewend. Restantsaldi vallen derhalve vrij ten gunste van het desbetreffende programma waaronder de voorziening valt of de algemene middelen of dienen terugbetaald te worden aan diegene van wie de middelen zijn ontvangen (afrekeningstrajecten).

5

Opvangen van eenmalige tegenvallers.

Egalisatie van lasten en ter dekking van (risico’s ter zake) verplichtingen en verliezen (redelijkerwijs te schatten).

6

Rentetoevoeging toegestaan via resultaatbestemming.

Rentetoevoeging niet toegestaan; wel inflatiecorrectie indien omvang van de voorziening is gebaseerd op contante waarde.

7

De gewenste omvang van (bestemmings-) reserves is een politieke keuze.

Omvang gelijk aan verplichting.

8

Resultaatbestemmend.

Resultaatbepalend.

3.5

Uitgangspunten reserves en voorzieningen

Voor het instellen, muteren en opheffen van reserves en voorzieningen worden onderstaande uitgangspunten toegepast:  het beleid is er op gericht om het aantal reserves en voorzieningen zo beperkt mogelijk, maar wel werkbaar te houden. Dit om een goede balans te vinden tussen het tegengaan van ongewenste fondsvorming en het voorkomen van allerlei subadministraties. Een en ander valt binnen het bestaande beleid van integraliteit, transparantie en duidelijkheid. Kortom: lasten en baten zoveel mogelijk via de exploitatiebegroting laten lopen.  reserves en voorzieningen worden ingesteld respectievelijk gehandhaafd als op deze wijze aantoonbaar en beduidend beter dan via een reguliere begrotingspost het gestelde

8

4

beleidsdoel kan worden gerealiseerd en dit niet leidt tot een uitholling van de (integrale) afweegfunctie van de begroting. elk besluit over een reserve c.q. voorziening moet specifiek onderbouwd worden en moet toetsbaar zijn aan de geformuleerde criteria. Voorzieningen moeten deugdelijk worden onderbouwd, voor (bestemmings)reserves geldt het dringende advies deze zoveel mogelijk te onderbouwen. als de reserve of voorziening niet meer voldoet aan de uitgangspunten wordt deze opgeheven en wordt een eventueel saldo toegevoegd aan het resultaat van de rekening (waarbij de opheffing van de reserve geen netto gevolgen heeft voor het resultaat).

Rentebeleid

Bij het doorvoeren van de BBV wijzigingen in de begroting 2017 heeft de gemeenteraad besloten om geen rentevergoeding meer over het eigen vermogen te berekenen.

5

Weerstandscapaciteit

5.1

Algemeen

In hoofdstuk 1.1 is verwoord dat er vierjaarlijks een nota reserves en voorzieningen opgesteld moet worden. In de Financiële verordening is door de raad mede bepaald dat in de begroting en jaarstukken een paragraaf weerstandsvermogen opgenomen wordt waarin tenminste het beleid behandeld wordt ten aanzien van:  risicomanagement: het risicomanagement en de wijze waarop deze wordt toegepast (hoe wordt met de risico’s omgegaan); de wijze waarop de risico’s worden bepaald en opgevangen; het omschrijven van de risico’s (in brede zin).  weerstandsvermogen: de beschikbare weerstandscapaciteit; de risico’s van materieel belang; het aanwezige t.o.v. het gewenste weerstandsvermogen. Op grond van het BBV moet zowel in de beleidsbegroting als in het jaarverslag een paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing worden opgenomen. Deze paragraaf bevat in elk geval de volgende onderdelen:  een inventarisatie van de benodigde weerstandscapaciteit;  een inventarisatie van de risico’s;  het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s;  diverse voorgeschreven kengetallen;  een beoordeling van de onderlinge verhouding tussen de kengetallen in relatie tot de financiële positie.

5.2

Weerstandscapaciteit

Door middel van een goed systeem van risicomanagement kan worden bereikt dat de kans op het zich voordoen van onvoorziene tegenvallers afneemt. Maar als het nemen van risico’s onvermijdelijk of de beste keus is, dan moeten er maatregelen getroffen worden ter beantwoording van de vraag “hoe met deze risico’s omgegaan moet worden”.

9

Daarbij kan de aanwezige financiële weerstandscapaciteit als laatste achtervang dienen. Deze weerstandscapaciteit wordt gevormd door alle vrije middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt of kan beschikken. Deze kunnen aangewend worden ter dekking van de niet begrote kosten. Verliezen die op een andere manier, bijvoorbeeld via verzekering of voorziening/reservering, financieel zijn ondervangen vallen daar niet onder. De algemene reserve wordt tot de weerstandscapaciteit gerekend. Bij de bepaling van de omvang van de weerstandscapaciteit worden naast deze reserve ook andere elementen meegenomen (o.a. onbenutte belastingcapaciteit, post onvoorzien).

5.3

Risicomanagement

Door middel van risicomanagement worden risico’s systematisch geïdentificeerd, geanalyseerd en geëvalueerd ter voorkoming van de oorzaken en/of het beperken van ongewenste gebeurtenissen. Het college maakt de afweging tussen het accepteren dat sommige risico’s er zijn en zich voor kunnen doen of het willen voorkomen/beperken van risico’s door bijvoorbeeld procesinhoudelijke maatregelen te nemen of door het aanleggen van een financiële buffer. Daarnaast wordt de relatie (verhouding) tussen de risico’s en de aanwezige weerstandscapaciteit, zijnde het weerstandsvermogen, in beeld gebracht.

10

Bijlage – Aangehaalde artikelen Financiële verordening Wijk bij Duurstede Artikel 6. Tussentijdse rapportage 1. Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste 4 maanden en de eerste 9 maanden van het lopende boekjaar. 2. De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van: a. de baten en de lasten per programma; b. het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen; c. het overzicht van de overhead; d. het totale saldo van de baten en lasten volgend uit de onderdelen a, b en c; e. de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma; f. het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e; en g. de ontwikkeling van de realisatie ten opzichte van de ramingen van de investeringskredieten. 3. In de tussenrapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van programma’s, prioriteiten en investeringskredieten in de begroting groter dan € 10.000 toegelicht. Artikel 11. Reserves en voorzieningen 1. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats. 2.

Het college biedt de raad eens in de 4 jaar, bij voorkeur aan het begin van een nieuwe raadsperiode en collegeperiode een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt: a. de vorming en besteding van reserves; b. de vorming en besteding van voorzieningen. 3. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven: a. het specifieke doel van de reserve; b. de voeding van de reserve; c. de maximale hoogte van de reserve; en d. de maximale looptijd. 4. Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd. Artikel 18. Weerstandsvermogen & risicobeheersing 1. In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner; b. het saldo van de baten en lasten voor toevoegingen en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten; c. de onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting als percentage van de inkomsten. 2.

Voor het in beeld brengen van de weerstandscapaciteit van de gemeente wordt aan de hand van de uitkomst van de meerjarige financiële positie beoordeeld of de gemeente bij een risicoscenario de schuldverplichtingen in de toekomst kan blijven nakomen zonder dat de uitgaven aan en de investeringen in noodzakelijke publieke voorzieningen in de knel komen.

11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11009265/2