Vervolgonderzoek M-20-50533 Vleermuizen Nieuw Loosdrechtsedijk 205 a Loosdrecht 13-10-2020
Tekst van het document
Vervolgonderzoek (kleine) marters, huismussen en vleermuizen Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A, Loosdrecht
13 oktober 2020, versie 1
De zakelijke dienstverlening van Landschap Noord-Holland
Vervolgonderzoek kleine marters, huismussen en vleermuizen Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A, Loosdrecht
Projectleider:
Martijn Korthorst
Auteur:
Martijn Struijf
Kwaliteitscontrole:
Martijn Korthorst
Opdrachtgever:
Planruimte. Ruimte voor morgen
Contactpersoon opdrachtgever
Dhr. Gerben Enserink
Foto’s en afbeeldingen
Martijn Struijf
Projectnummer
M-20-50533
Wijze van citeren
Struijf, M. (2020). Vervolgonderzoek (kleine) marters, huismus en vleermuizen. Natuurlijke zaken, Heiloo.
© Natuurlijke Zaken De zakelijke dienstverlening van Landschap Noord-Holland Postbus 222 1850 AE, Heiloo 088-0064400 www.natuurlijkezaken.nl
Deze Quickscan is een potentie-inschatting naar (beschermde) soorten die in een gebied kunnen voorkomen, in combinatie met een toetsing aan de Wet natuurbescherming. Het veldbezoek betreft een momentopname we beoordelen een locatie op de potentiele aanwezigheid van (beschermde) soorten en geschikt leefgebied voor (beschermde) soorten. Indien bij werkzaamheden in de toekomst toch soorten worden aangetroffen dient gehandeld te worden naar de wet- en regelgeving met betrekking tot de Wet natuurbescherming voor het onderdeel soortenbescherming. Mogelijk is het noodzakelijk om mitigerende maatregelen te treffen of aanvullend onderzoek uit te voeren.
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
2
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ................................................................................................................................................. 4 1.1 1.2
2
PLANGEBIED ............................................................................................................................................. 5 2.1
3
PLANGEBIED ................................................................................................................................................ 5
VERVOLGONDERZOEK MARTERS .............................................................................................................. 6 3.1 3.2
4
AANLEIDING ................................................................................................................................................ 4 DOEL ......................................................................................................................................................... 4
METHODE .................................................................................................................................................. 6 RESULTATEN................................................................................................................................................ 8
VERVOLGONDERZOEK VLEERMUIZEN ....................................................................................................... 9 4.1 METHODE .................................................................................................................................................. 9 4.2 RESULTATEN VLEERMUIZEN .......................................................................................................................... 10 4.2.1 Per soort ........................................................................................................................................ 10
5
VERVOLGONDERZOEK HUISMUS ............................................................................................................ 15 5.1 5.2
6
METHODE ................................................................................................................................................ 15 RESULTATEN.............................................................................................................................................. 15
SAMENVATTENDE CONCLUSIE ................................................................................................................ 16 6.1
MAATREGELEN .......................................................................................................................................... 16
LITERATUUR ................................................................................................................................................... 18 BIJLAGE I TABELLEN BESCHERMDE SOORTEN IN NOORD-HOLLAND ............................................................... 19
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
3
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Op de Nieuw Loosdrechtseweg 205A te Loosdrecht worden plannen voorbereid voor een verbouwing. Het voornemen is er om een hooiberg te verwijderen, er wordt een bijgebouw gerealiseerd en een loods naar een woning omgevormd. Uit de uitgevoerde quickscan van 15 april 2020 (bureau Els & Linde) is gebleken dat er mogelijk kleine marters, huismussen en vleermuizen in het plangebied leven. Deze soorten genieten bescherming onder de Wet natuurbescherming. Plan ruimte heeft daarom aan Natuurlijke Zaken gevraagd om een nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van beschermde kleine marters (wezel, hermelijn, bunzing), boommarter, huismus en het voorkomen van vleermuizen.
1.2
Doel
Doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht over het voorkomen van marters, huismussen en vleermuizen. Daarbij zijn de volgende vragen gesteld: • Komen (kleine) marters, huismussen en vleermuizen in het plangebied voor? • Welke soorten vleermuizen en marters (wezel, hermelijn, bunzing en boommarter) komen voor in het plangebied?
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
4
2
Plangebied
2.1
Plangebied
De Nieuw-Loosdrechtsedijk strekt zich van Nieuw-Loosdrecht uit tot en met het buurtschap Muyeveld en is in totaal ruim vier kilometer lang. Het plangebied ligt ten zuiden van deze weg en grenst aan het Natura 2000 gebied de Oostelijke Vechtplassen. Dit Natura 2000 gebied is een belangrijk broedgebied voor riet- en moerasvogels zoals roerdomp, purperreiger, woudaap en grote karekiet. In het plangebied staat een woning, twee bijgebouwen (die momenteel gebruikt worden als woning) en een houten hooiberg. Langs de oprit staat een singel met volwassen populieren en een onderbegroeiing van braam, brandnetel en opslag van jonge populieren. Ook zijn er op het terrein meerdere rommelhoekjes met stapels hout aanwezig. Verder bestaat de tuin uit gazon en een uitgestrekte waterpartij wat in verbinding staat met de Breukeleveensche Plas. Naast de houten hooischuur ligt een weide waar paarden en schapen grazen. De omgeving rondom het plangebied wordt gekenmerkt door laagveenpercelen, gevarieerde houtsingels en enkele bosschages.
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (rode lijn).
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
5
3
Vervolgonderzoek marters
3.1
Methode
Van de mogelijk aanwezige marters worden de wezel, hermelijn en bunzing onder de kleine marters verstaan. Daarnaast heb je nog de boommarter, ze kunnen ongeveer 1,5 – 2 kg zwaar worden en leven bij voorkeur in de holtes van oude bomen. Alle bovengenoemde marters zijn in Noord-Holland bij wet beschermd. Dit houdt in dat deze soorten, zonder vrijstelling of ontheffing niet mogen worden gedood of verwond en dat vaste rustplaatsen niet mogen worden vernield of beschadigd. In het plangebied kunnen wezel, hermelijn en bunzing verblijfplaatsen hebben. Voor de boommarter wordt er onderzocht of het plangebied mogelijk onderdeel is van zijn foerageergebied. Verblijfplaatsen van kleine marters zijn doorgaans moeilijk op te sporen. Holen van mollen en muizen kunnen als verblijfplaatsen dienen maar ook holle ruimtes onder gebouwen of struwelen kunnen uiterst geschikt zijn. Om de eventuele aanwezigheid vast te stellen van marters worden er sporenbuizen en cameravallen in het potentieel geschikt leefgebied (habitat met voldoende dekking en holle ruimtes) geplaatst. Deze camera’s en sporenbuizen moeten, conform het protocol, minimaal zes weken in het veld blijven staan. Gedurende deze zes weken worden de materialen meermaals onderzocht op functioneren. Het onderzoek moet worden uitgevoerd in de periode maart-augustus.
De sporenbuizen zijn op verschillende locaties geplaatst die mogelijk gebruikt worden door marterachtigen. Een sporenbuis bestaat uit een holle buis met daarin een stempelkussen waarmee diersporen zichtbaar gemaakt kunnen worden. Omdat wezel en hermelijn soms lastig zijn te onderscheiden op basis van pootafdrukken wordt er ook gewerkt met struikrovers en cameravallen. Daarnaast kunnen ook bunzing en boommarters met een struikrover worden vastgelegd. De struikrover is een grote buis met een holle ruimte waar een blikje sardientjes is geplaatst (voor geurverspreiding) met binnenin de buis een camera die bewegingen van dieren vastlegt. Hiermee wordt een holte met voedsel nagebootst en zullen marters aangetrokken worden. Zodra zij aan het blikje ruiken worden zij op camera vastgelegd. In totaal hebben er op drie locaties sporenbuizen gelegen en op twee locaties een struikrover. De locaties van de spoorbuizen en cameraval zijn geselecteerd op basis van de meest geschikte omstandigheden in het plangebied voor kleine marters. Zo zijn de spoorbuizen geplaatst onder een dichtbegroeid braamstruweel, in de buurt van rommelhoekjes en in de nabijheid van gebouwen, die mogelijk als verblijfplaats kan functioneren.
De struikrovers zijn geplaatst in de singel ten oosten van het plangebied, waar kleine marters zich veilig kunnen verplaatsen en tevens op zoek gaan naar voedsel en in de buurt van een rommelhoekje van gebouw 3 (zie figuur 3.1). De materialen hebben in totaal 10 weken in het plangebied gestaan (van 13 juni tot 1 september) en zijn tussentijds regelmatig gecontroleerd op functioneren en nieuwe sporen. Tabel 3.1 Periode waarin de verschillende materialen in het veld hebben gestaan. Materiaal Onderzoeksperiode Opmerking Resultaten Sporenbuizen 13 juni – 1 september n.v.t. Geen marterwaarnemingen Struikrover 13 juni – 1 september n.v.t. Geen marterwaarnemingen
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
6
Gebouw 1 Gebouw 2
Gebouw 3
Gebouw 4
Legenda Sporenbuis Struikrover
Figuur 3.1 Locaties van de toegepaste materialen voor het onderzoek.
Figuur 3.2 Enkele foto’s van de gebruikte materialen in het plangebied.
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
7
3.2
Resultaten
In het plangebied zijn in de sporenbuizen en struikrovers geen sporen en waarnemingen van marterachtigen waargenomen. In totaal zijn er op de struikrover acht soorten vastgelegd waarvan zes zoogdieren en twee vogelsoorten. Het gaat om huiskat, vos, bruine rat, bosmuis, rosse woelmuis, veldmuis, merel en roodborst.
Figuur 3.3 Resultaten van verschillende diersoorten met behulp van de struikrover. Van linksboven naar rechts; jonge bruine ratten, huiskat, bosmuis, bruine rat, vos, merel, rosse woelmuis en roodborst.
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
8
4
Vervolgonderzoek vleermuizen
4.1
Methode
Om aan te tonen of het plangebied een functie heeft voor vleermuizen is er onderzoek gedaan. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd volgens het vleermuisprotocol van de Gegevens Autoriteit Natuur (2017). Tijdens de veldbezoeken is op basis van geluid en zicht geïnventariseerd. Alle veldbezoeken zijn uitgevoerd door een deskundige op het gebied van vleermuizen. Met behulp van een heterodyne batdetector met opname en- vertragingsfunctie (Pettersson D240x) en een batlogger is de echolocatie die vleermuizen uitzenden, hoorbaar gemaakt. Aan de hand van deze echolocatie zijn veel vleermuizen direct op soort te brengen. De batlogger maakt van alle ultrasone geluiden opnames en deze kunnen geanalyseerd worden met behulp van Batexplorer. Door daarnaast zoveel mogelijk zichtwaarnemingen te verzamelen, is bepaald welke functies het gebied voor welke soort heeft. Vleermuizen gebruiken gedurende het jaar meerdere soorten verblijfplaatsen. Het is soortafhankelijk wanneer en in wat voor soort verblijfplaats een vleermuis zit en rond welk tijdstip dit gemonitord kan worden. Er is onderscheid gemaakt tussen foerageergebied, overvliegende soorten en verblijfplaatsen (paar-, zomer of kraamverblijven). In de kraamperiode (mei tot en met juli) zijn drie veldbezoeken uitgevoerd om te zoeken naar verblijfplaatsen, één in de vroege ochtend en twee in de avond.
Er wordt met name gekeken of de vier gebouwen kunnen functioneren als verblijfplaats. In de paarperiode (half augustus tot en met september) zijn twee veldbezoeken geweest om te luisteren naar paarroepen van vleermuizen waarmee paarterritoria of paarverblijven kunnen worden vastgesteld. Tijdens alle veldbezoeken waren de weersomstandigheden gunstig om het vleermuisonderzoek uit te voeren, te weten weinig wind en niet te koud, zie tabel 4-1. Tabel 4-1. Data veldbezoeken en weersomstandigheden Datum Tijdstip °C Functie 13-06-2020 21:00 – 23:45 18 ZFKO
Resultaat F = gewone- en ruige dwergvleermuis O = laatvlieger en rosse vleermuis 29-06-2020 03:30 – 05:30 15 ZFKO K = Verblijfplaats gewone dwergvleermuis F = gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis 13-07-2020 21:30 – 23:30 16 ZFKO K = Verblijfplaats 15 gewone dwergvleermuizen F = gewone dwergvleermuis O = Rosse vleermuis 01-09-2020 00:10 – 02:10 13 ZFOP F = gewone dwergvleermuis en laatvlieger P = balts gewone dwergvleermuis, huis aan de overkant 21-09-2020 20:25 – 23:00 14 ZFOP F = gewone en ruige dwergvleermuis en laatvlieger P = balts gewone dwergvleermuis, huis aan de overkant Z = zomerverblijfplaats, K= kraamverblijfplaats, O= overvliegend, F= foerageergebied en P = paarverblijfplaats
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
9
4.2
Resultaten vleermuizen
Tijdens het vleermuisonderzoek zijn de volgende vier soorten vleermuizen waargenomen; gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), laatvlieger (Eptesicus serotinus) en rosse vleermuis (Nyctalus noctula) (zie tabel 4-2). Tabel 4.2 geeft ter introductie van de bespreking van de resultaten inzicht in het totaal aantal waarnemingen per soort, functie en maand, zodat er een indruk ontstaat van de absoluut aantallen waarnemingen per soort. De gewone dwergvleermuis is de talrijkste soort, het aantal waarnemingen van de ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis ontlopen elkaar niet veel. Hoogst waarschijnlijk gebruiken rosse vleermuizen de lijnvormige houtsingels ten zuiden van het plangebied als vliegroute. Tabel 4-2: Aantal waargenomen vleermuizen per soort, per maand en per functie
Periode Juni Juli Aantal veldbezoeken 2 1 Foeragerend Gewone dwergvleermuis 5 5 Ruige dwergvleermuis 1 0 Laatvlieger 1 0 Rosse vleermuis 2 2 In/uitvlieg n.v.t. 15 Overvliegend Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis 2 2 Meervleermuis Zwermend / baltsend Gewone dwergvleermuis 3 *Balts is rondom het huis aan de overkant van het plangebied.
4.2.1
Aug. -
Sept. 2
Som 5
-
6 1 2 1
16 2 3 5
-
-
15
-
-
4 -
-
2*
4
Per soort
Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is de meest algemeen voorkomende vleermuis in Nederland. Ook tijdens dit onderzoek is de gewone dwergvleermuis het vaakst waargenomen. Gewone dwergvleermuizen maken jaarrond gebruik van gebouwen als verblijfplaats en in enkele gevallen gebruiken ze boomholtes. Zijn voedsel bestaat voornamelijk uit muggen en nachtvlinders. Ze vinden hun voedsel in parken, loofbossen, houtwallen en beschutte waterpartijen (BIJ12, 2017). Foerageergebied In en rond het plangebied waren houtwallen en beschutte waterpartijen aanwezig en op deze plaatsen zijn ook meerdere foeragerende dwergvleermuizen waargenomen. Van alle soorten is de gewone dwergvleermuis het vaakst waargenomen. Verblijfplaatsen Tijdens het eerste ochtendbezoek tijdens de kraamperiode zijn er zwermende gewone dwergvleermuizen aangetroffen in het plangebied. Om een beter beeld te krijgen van het exacte aantal dieren is er tijdens het derde bezoek in de avond gekeken naar uitvliegende dieren. In totaal zijn er 15 uitvliegende gewone
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
10
dwergvleermuizen waargenomen in het zuidelijke deel van gebouw 2. In de overige gebouwen zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Tijdens paarperiode werd er balts gehoord aan de overkant van het plangebied. Het is bekend dat gewone dwergleermuizen tot een afstand van 200 meter kunnen roepen vanaf hun paarverblijfplaats. Tijdens het tweede bezoek is op exact dezelfde locatie als tijdens het eerste bezoek balts gehoord.. Het paarverblijf zit in het huis aan de overkant van het plangebied. In het plangebied zijn verder geen baltsende vleermuizen waargenomen. Conclusie Talrijkste soort (Figuur 4-3A); Kraamverblijf met 15 individuen aanwezig in zuidelijke deel van gebouw 2 (Figuur 4-3C); Baltslocatie in het huis tegenover het plangebied (Figuur 4-3C); Het belangrijkste foerageergebied is rondom de laanbeplanting en waterpartij (Figuur 4-3.B).
A. Verspreiding
B.
Foerageergebied
C.
Kraamkolonoe?
Figuur 4-3: Van de gewone dwergvleermuis is de kraamkolonie, verspreiding, het foerageergebied en de baltsplaatsen weergegeven.
Ruige dwergvleermuis Ruige dwergvleermuizen eten net zo als gewone dwergvleermuizen voornamelijk vliegende insecten. Ze jagen meestal boven water, langs bosranden en een enkele keer in een woonwijk. In het onderzoeksgebied zijn tijdens twee veldbezoeken ruige dwergvleermuizen aangetroffen. Dit betroffen foeragerende dieren. Verblijfplaatsen In september is er gezocht naar paarverblijven. In tegenstelling tot gewone dwergvleermuizen, verblijven ruige dwergvleermuizen bij voorkeur in kieren en holtes van bomen. Tijdens dit onderzoek zijn geen baltsende ruige dwergvleermuizen waargenomen. Ook zijn er gedurende de kraamperiode geen verblijfplaatsen aangetroffen. Conclusie
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
11
-
Geen kraamverblijven aangetroffen (Figuur 4-4C); Geen baltsplaatsen (Figuur 4-4C); Is foeragerend aangetroffen boven de waterpartij (Figuur 4-4B).
B.
Verspreiding
C.
Foerageergebied
D. Verblijfplaats
Figuur 4-4: Van de ruige dwergvleermuis is de verspreiding, het foerageergebied en de baltsplaatsen weergegeven.
Laatvlieger De laatvlieger zoekt voornamelijk naar voedsel in open tot halfopen landschappen. Net zoals dwergvleermuizen jagen laatvliegers voornamelijk op grote insecten zoals kevers, nachtvlinders en muggen. Verblijfplaatsen De verblijfplaatsen van de laatvlieger bestaan uit zolders en spouwmuren van gebouwen. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van laatvliegers gevonden. Foerageergebied De soort is minder talrijk en op enkele plaatsen zijn foeragerende laatvliegers waargenomen. Ze foerageerde boven het open perceel waar paarden graasden. Conclusie Geen kraamverblijven aangetroffen (Figuur 4-5C); Geen paarverblijven (Figuur 4-5C); Belangrijkste foerageergebied was ten zuiden van het plangebied (Figuur 4-5B).
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
12
A. Verspreiding
B.
Foerageergebied
C.
Verblijfplaats
Figuur 4-5. Weergave van de verspreiding, het foerageergebied, vliegroutes en baltsplaatsen van laatvlieger.
Rosse vleermuis De rosse vleermuis is een van de grootste soorten van Nederland. De vlucht van de rosse vleermuis doet enigszins denken aan die van de gierzwaluw: hoog en snel. De afstand tussen dagrustplaats en jachtgebied wordt in de regel in een snelle rechte vlucht afgelegd, op een hoogte van honderd meter of meer. Jachtplaatsen liggen meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en jaagt ook wel bij straatverlichting. De prooien bestaan vaak uit grote kevers en nachtvlinders, maar ook wel uit kleine, in zwermen vliegende dansmuggen. Jachtperioden liggen vooral in de avond- en ochtendschemering, en duren ongeveer een uur. Tussentijds keren de dieren terug naar hun verblijfplaatsen. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen (vleermuisnet.net). In het plangebied zijn meerdere rosse vleermuizen waargenomen. Hoogstwaarschijnlijk gebruiken ze de houtsingels als vliegroute en gebruiken dit tevens als foerageergebied. Ze vliegen hier parallel aan en werden zowel vroeg in de avond als laat in de ochtend waargenomen. Vermoedelijk bevindt hun verblijfplaats zich ergens in het zuiden ten opzichte van het plangebied. Ze foerageren vaak op grote hoogte, soms op meer dan 100 meter.
In het plangebied zijn geen verblijf- en baltsplaatsen gevonden. Conclusie Geen kraam- of verblijfsplaatsen aanwezig (Figuur 4-6C); Geen baltsplaatsen (Figuur 4-6C); Foerageert parallel ten opzicht van de houtsingels in de omgeving (Figuur 4-6B).
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
13
B.
Verspreiding
C.
Foerageergebied
D. Verblijfplaats
Figuur 4-6. Weergave van de verspreiding, het foerageergebied, vliegroutes en baltsplaatsen van de rosse vleermuis.
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
14
5
Vervolgonderzoek huismus
De huismus is een broedvogel die zich met name in dorpen en steden vestigt maar ook boerderijen zijn zeer geschikte locaties. Ze broeden van eind maart tot en met eind augustus en doen dat bij voorkeur in kolonieverband. Ze nestelen onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten. Naast hun broedgebied zijn ze ook afhankelijk van hun foerageergebied waarbij ze de voorkeur hebben voor rommelige tuinen met struikgewas, schuurtjes en weilanden met vee. Ze voeden zich met de zaden van grassen, insecten, bessen en bloemknopen. Huismussen kennen twee type verblijfplaatsen; waaronder hun nestplaats en hun rustplaats tijdens de winter.
5.1
Methode
In het plangebied is gekeken naar de aanwezigheid van huismussen. De optimale periode om dit te onderzoeken is tussen 1 april en 15 mei waarin twee veldbezoeken hebben plaatsgevonden of tussen 10 maart en 20 juni met vier gerichte veldbezoeken. Daarnaast kunnen er ook tussen april en september onderzoek gedaan worden voor nestindicatieve waarnemingen. Uit de quickscan van 15 april 2020, uitgevoerd door bureau Els & Linde is gebleken dat het plangebied geschikt is voor huismussen om zich op te houden. Er zijn geen huismussen of sporen van huismussen aangetroffen op, rond en in de directe omgeving tijdens de quick scan. Om er zeker van te zijn dat dit klopt is er naast de aanwezigheid van kleine marters en vleermuizen ook gekeken naar de aanwezigheid van huismussen. Deze veldbezoeken hebben plaatsgevonden op zaterdag 13 juni, maandag 29 juni, maandag 13 juli en vrijdag 24 juli. Tijdens deze veldbezoeken is er gekeken naar sporen en waarnemingen van huismus.
5.2
Resultaten
In het plangebied zijn tijdens de veldrondes geen waarnemingen of sporen van huismussen gevonden. Er zijn wel andere zangvogels waargenomen zoals koolmees, pimpelmees, tjiftjaf, merel en vink. Op basis van dit onderzoek en de quick scan wordt geconcludeerd dat er geen huismussen op het plangebied verblijven.
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
15
6
Samenvattende conclusie
In hoofdstuk 3, 4 en 5 zijn de resultaten beschreven van het vervolgonderzoek naar marters, vleermuizen en huismussen. Hieronder een samenvatting van de belangrijkste conclusies. Marterachtige en huismus Het onderzoek naar marterachtige en huismus heeft gedurende een lange onderzoeksperiode geen waarnemingen van deze soorten opgeleverd, de aanwezigheid kan derhalve worden uitgesloten Wel zijn er andere zoogdieren en broedvogels aangetroffen maar geen van deze soorten heeft een beschermde status. De geplande werkzaamheden zullen geen effect hebben op (verblijfplaatsen van) huismussen en/of marterachtigen. Vleermuizen In het plangebied zijn vier verschillende soorten vleermuizen waargenomen. Het gaat hier om de laatvlieger, rosse vleermuis en ruige- en gewone dwergvleermuis. De meeste soorten gebruiken het plangebied als foerageergebied. Alleen van de rosse vleermuis is een vliegroute vastgesteld. Deze soort gebruikt de lijnvormige houtsingels als vliegroute ten zuiden van het plangebied. Tijdens de kraamperiode is er een kraamverblijfplaats gevonden van de gewone dwergvleermuis. In totaal zijn er vijftien vleermuizen geteld die heer gebruik van maakten. Tijdens de paarperiode zijn geen baltsplaatsen in het plangebied aangetroffen. Wel is er aan de overkant van de weg balts van de gewone dwergvleermuis vastgesteld bij een woning.
Onderstaande tabel geeft overzichtelijk weer wat de resultaten zijn per soort. Tabel 6.1. Samenvattende tabel met aanwezige vleermuissoorten en het gebruik van het plangebied. Soort Foerageergebied Vliegroute Verblijfplaats Gewone X X kraamkolonie dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis X Laatvlieger X Rosse vleermuis X X Als gebouw twee verbouwd of gesloopt gaat worden, verdwijnt er een kraamverblijf voor de gewone dwergvleermuis. Het beschadigen, vernielen of verstoren van voortplantingsplaats of rustplaats kan op verschillende manieren mogelijk voorkomen worden. Bijvoorbeeld door het op een andere wijze of plek uitvoeren van de activiteiten, door het toepassen van zorgplichtmaatregelen of door het nemen van maatregelen gericht op de gewone dwergvleermuis. Ook door het afzien van het uitvoeren van de activiteiten op de betreffende plek kan dit voorkomen worden. Een kraamverblijf is een wettelijk beschermde locatie, voor het verstoren van deze vaste- rust en verblijfplaats is een ontheffing noodzakelijk. Om deze ontheffing te krijgen zullen maatregelen genomen moeten worden om de verstoring zo minimaal mogelijk te houden. Het gaat om mitigerende maatregelen (bv niet werken in de kwetsbare periode) en compenserende maatregelen (aanbieden meerdere vervangende verblijfplaatsen) die genomen moeten worden.
Deze moeten vastgelegd in een activiteitenplan die als bijlage dient bij de ontheffingsaanvraag..
6.1
Maatregelen
Voor het verlies van de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis dienen vervangen verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. Deze verblijfplaatsen moeten in de nabije omgeving van het te verwijderen gebouw hangen, zo mogelijk binnen 100 meter, anders binnen 200 meter. Er wordt aangeraden om 2 soorten verblijven te realiseren. Optimaal is om binnen het nieuwe bouwwerk een verblijf te realiseren, bv in een spouwmuur,
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
16
inbouw vleermuiskast. Ook kunnen onder betimmeringsplaaten aan de buitenzijde verblijfplaatsen gecreëerd worden.
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
17
Literatuur Rapporten BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. BIJ12, Utrecht Dietz, C., O. von Helversen en D. Nill. 2011. Vleermuizen Alle soorten Europa en Noordwest Afrika, Tirion Natuur, Baarn Jonker, N. 2016. Handreiking wezel, hermelijn en bunzing. Wezel. Provincie Noord-Holland Noord. Haarlem. Hoogeboom, D.M., Visbeen, F., Wondergem, J. & Ruitenbeek, W. (2014). Atlas van de Noord Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noordhollandse Zoogdierstudiegroep (NOZOS) Alkmaar. Kapteyn, K. 1995. Vleermuizen in het Landschap. Schuyt & Co. Haarlem. Nieuwhof, M. (2020) Quickscan ecologie Nieuw Loosdrechtsedijk 205A te Loosdrecht. Els & Linde B.V., Hilversum.
Websites maps.noord-holland.nl www.waarneming.nl www.telmee.nl ww.bij12.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
18
Bijlage I Tabellen beschermde soorten in NoordHolland Grondgebonden zoogdieren Soort Boommarter
Artikel 3.10
Biotoop Oude bossen en landgoederen
Bruinvis Bunzing
3.5 3.10
Damhert
3.10
Noordzee en Waddenzee Kleinschalig landschap met schuilmogelijkheden en water in oude holen van o.a. konijnen, holtes en opslag Open- en half open landschappen
Das
3.10
Eekhoorn
3.10
Gewone zeehond Grijze zeehond Hermelijn
3.10 3.10 3.10
Zoute wateren Zoute wateren Nagenoeg elke biotoop met voldoende kleine zoogdieren als prooi
Noordse woelmuis
3.5
Veenweide en natuurterreinen
Otter Steenmarter
3.5 3.10
Waterspitsmuis
3.10
Wezel
3.10
Moerasgebieden Bos, stedelijke- en agrarische gebieden met voldoende voedsel en schuilplaatsen Heldere wateren, moerassige gebieden, natte duinvalleien, rietkragen, verlandingszones Gevarieerde weidegebieden, akkergebieden, bossen, moerassen, weidegebieden. Voldoende kleine zoogdieren
Kleinschalig natuurlandschap, flink areaal en toegang tot bemeste weilanden Bos met voldoende zaaddragende bomen
Regio In oude bossen, voornamelijk duinbossen, Amsterdamse bos, Het Gooi en Robbenoordbos Noordzee en Waddenzee Gehele provincie m.u.v. Texel
Duinen van Zuid-Kennemerland, duinen tussen Egmond en Noordzeekanaal Het Gooi Het Gooi, bossen rond Amsterdam, Duingebied Waddenzee, Noordzee Waddenzee, Noordzee Gehele provincie. Voornamelijk Zaanstreek, Waterland en Vechtplassengebied. Gebied tussen Hoorn, Alkmaar, Haarlem en Amsterdam en op Texel. Naardermeer en Vechtplassen Sporadisch Zeldzaam aanwezig in gehele provincie Gehele provincie m.u.v. Texel
Vleermuizen Soort Franjestaart
Artikel 3.5
Biotoop Naaldbossen, andere bostypen, bosranden, kapvlakten, weilanden, drassig terrein
(Gewone) Baardvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Kleine dwergvleermuis
3.5
Parkachtige landschappen met stromend water en oevervegetatie Van agrarisch gebied en bos tot dichtbevolkte steden. Voornamelijk kiervormige ruimten Loofbos, gemengd bos, holle bomen en gebouwen
Laatvlieger
3.5
Meervleermuis
3.5
Rosse vleermuis
3.5
3.5 3.5 3.5
Waterrijke gebieden: oeverbossen, laagland en wateren. Gebouwbewoner Gebouwen: huizen in dorpen en steden, boerderijen. Open landschap Spouwmuren van huizen rond sloten, kanalen, meren en plassen Oude holle bomen: beuken en eiken in landgoederen en in andere bossen
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
Regio Bunkers Amsterdamse Waterleidingduinen en ZuidKennemerland. Rond Hilversum Met name Duingebied, Gooi. Sporadisch in hele provincie Gehele provincie Met name Duingebied, Gooi. Sporadisch in hele provincie Enkele sporadische waarnemingen Gehele provincie Gehele provincie Gehele provincie
19
Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis
3.5 3.5
Watervleermuis
3.5
Gemengde loofbossen en parken Open gebieden of in waterrijke nieuwbouw- en villawijken op voormalige agrarische grond Oude loofbomen in de buurt van waterpartijen. Landgoederen en buitenplaatsen
Gehele provincie Enkele sporadische waarnemingen Gehele provincie
Kommavlinder
3.10
Duinen, schrale grasvegetaties
Duingebied, Texel
Sleedoornpage
3.10
Groensingels in stedelijk gebied
Het Gooi
Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
20
Landschap Noord-Holland Postbus 222 1850 AE Heiloo Tel. 088 - 006 44 00 www.landschapnoordholland.nl de zakelijke dienstverlening van Landschap
info@landschapnoordholland.nl
Noord-Holland Vervolgonderzoek Nieuw-Loosdrechtsedijk 205A 17-09-2020. Martijn Struijf
21