Toelichting Concept BP Loosdrecht, het Laantje 3 en 4
Tekst van het document
Materiaal en kleurgebruik: • gevels van het hoofdgebouw zijn in hoofdzaak van baksteen of hout, of eventueel van hout, glas, gestuct of geschilderd of van andere steenachtige materialen; • hellende daken van woningen afdekken met keramische pannen, riet, leien, zink of koper daken van kantoor- en bedrijfsgebouwen bij voorkeur afdekken met pannen of gevouwen metaalplaat; • het materiaal- en kleurgebruik van bijbehorende bouwwerken is aangepast aan het hoofdgebouw 3.3.3.1 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke welstandnota Het ontwerp van voorliggend voornemen is getoetst aan de Welstandsnota Wijdemeren en akkoord bevonden. 3.3.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten, zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
22
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
HOOFDSTUK 4
MILIEU-EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit Milieueffectrapportage.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie plangebied
4.1.2.1 Wegverkeerslawaai Algemeen In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De grootte van de bij het type weg horende geluidszone is opgenomen in onderstaande tabel. Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De zones uit de tabel gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij bovenstaande gevallen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderzocht, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeurswaarde (48 dB). De geplande woningen liggen in “stedelijk” gebied, binnen de wettelijk vastgestelde geluidszones als bedoeld in art. 74 van de Wet geluidhinder. Namelijk die van de Nieuw-Loosdrechtsedijk, de Luitgardeweg en de Tjalk. Voor de overige omliggende wegen (30 km/uur) gelden zoals reeds vermeld geen geluidszones, het is niet te verwachten dat deze wegen een geluidbelasting die hoger ligt dan de voorkeurswaarde zullen veroorzaken. De geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen mag binnen de wettelijke geluidszone van een weg de voorkeurswaarde van 48 dB bedragen. Bij het vaststellen van een hogere waarde kan voor een beoogde binnenstedelijke ontwikkeling (vervangende nieuwbouw, zoals in voorliggend geval) een grenswaarde tot maximaal 68 dB worden toegestaan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
23
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, als gevolg van de Nieuw-Loosdrechtsedijk, de Luitgardeweg en de Tjalk (zie bijlage 3 bij deze toelichting). In de volgende tekst wordt kort op de resultaten ingegaan. Als gevolg van de Nieuw-Loosdrechtsedijk en de Tjalk wordt voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wgh (48 dB). Als gevolg van de Luitgardeweg wordt hieraan eveneens voldaan, met uitzondering van de oostgevel (12 appartementen in Blok A). De geluidsbelasting bedraagt hier, als gevolg van de Luitgardeweg, maximaal 53 dB. De maximale grenswaarde uit de Wgh (63 dB) wordt hiermee niet overschreden. Geconcludeerd is dat bron- en overdrachtsmaatregelen, om te zorgen dat op deze gevel aan de voorkeurswaarde wordt voldaan, kunnen rekenen op zwaarwegende bezwaren. Er dient daarom voor de 12 appartementen in blok A een hogere waarde van maximaal 53 dB te worden vastgesteld. Met het nemen van gevelmaatregelen van 26 dB kan hier een binnenniveau van 33 dB worden gerealiseerd. Gelet op bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste woningen voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. 4.1.2.2 Railverkeerslawaai De te realiseren woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidszone van een spoorweg.
Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai kan achterwege blijven. 4.1.2.3 Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de zone van een gezoneerd bedrijventerrein, het aspect industrielawaai kan buiten beschouwing worden gelaten. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. 4.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt in het kader van het voorliggend initiatief, indien een hogere waarde wordt vastgesteld voor de oostgevel.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. In voorliggend geval zijn ter plaatse van het plangebied, door Rouwmaat Groep verscheidende bodemonderzoeken uitgevoerd. De volledige rapportages zijn opgenomen in bijlage 4, 5 en 6 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit de onderzoeken.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
24
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
4.2.2
Onderzoeksresultaten
Verkennend bodemonderzoek ’t Laantje 4 en deel van ’t Laantje 3 (bijlage 4 bij deze toelichting) Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • • •
De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. Het aangetroffen sterk verhoogde gehalte in de grond (04-1) aan zink overschrijd de waarde voor nader onderzoek. De hypothese “De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd” wordt verworpen.
Op basis van het sterk verhoogde gehalte zink, die is aangetroffen in de bovengrond ter plaatse van boring 04, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aard en omvang van de verontreiniging. Nader bodemonderzoek ’t Laantje 4 en deel van ’t Laantje 3 (bijlage 5 bij deze toelichting) Dit bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van een aangetroffen zinkverontreiniging. Het onderzoek heeft tot doel vaststellen of er mogelijk sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, welke een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • • • •
Uit de resultaten blijkt dat er in de afperkende boringen geen verhoogde gehalten zijn aangetoond. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging in de zin van de Wet Bodembescherming. De bodem hoeft niet met spoed te worden gesaneerd. Indien er grondwerkzaamheden gaan plaatsvinden in of nabij de verontreinigde spot dient er een plan van aanpak ingediend te worden bij het bevoegd gezag. Aan de hand van het plan van aanpak kan de verontreiniging verwijderd worden.
Geadviseerd wordt om geen grondwerkzaamheden op de locatie uit te voeren. Indien er werkzaamheden plaats moeten vinden in de bodem binnen de aangegeven contouren, dient hiervoor een saneringsplan of BUSmelding te worden ingediend bij de gemeente, bij instemming kunnen de werkzaamheden worden opgestart. Verkennend bodemonderzoek ’t Laantje 3 + PFAS ’t Laantje 3 en 4 (bijlage 6 bij deze toelichting) Naast een verkennend bodemonderzoek aan de ‘t Laantje 3 te Loosdrecht is tevens onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van PFAS-verbindingen in de bovengrond. Dit is eveneens onderzocht op het perceel van Het Laantje 4. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • • •
In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. De hypothese “De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd” wordt grotendeels aangenomen.
Het uitvoeren van nader onderzoek ter plaatse is dan ook niet noodzakelijk.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
25
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp 4.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit vormt geen belemmering, wanneer bij werkzaamheden - die binnen de aangegeven contouren (bijlage 5 bij deze toelichting) plaatsvinden in de bodem - een saneringsplan of BUS-melding in wordt gediend bij de gemeente. Bij instemming kunnen de werkzaamheden dan worden opgestart.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
26
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.3.3
Conclusie
Op basis van het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie plangebied
4.4.2.1 Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
27
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. De rode ster geeft het plangebied weer.
Afbeelding 4.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat zich op circa 260 meter afstand van het plangebied een zwembad (rode cirkel noorden) bevindt en op circa 308 meter afstand een opslag gevaarlijke stoffen (rode cirkel met rode omlijning zuiden). Het projectgebied ligt op voldoende afstand van deze inrichtingen. Geconcludeerd wordt dat de locatie: • • • •
4.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
28
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNGuitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. In de direct omgeving van het plangebied komen voornamelijk woonerven voor. De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als ‘rustige woonwijk’.
Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
4.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
4.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
29
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp 4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het voornamelijk om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor omwonenden. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. Rondom het plangebied bevinden zich - op basis van het geldende bestemmingsplan “Kernen Ankeveen, Kortenhoef en Nieuw-Loosdrecht” (vastgesteld op 27 september 2012) - naast woonbestemmingen, een bedrijfsbestemming (ten westen van ’t Laantje 1, op circa 59 meter afstand) en een aantal maatschappelijke bestemmingen (vanaf circa 72 meter afstand). De bedrijfsbestemming is bedoeld voor bedrijven tot en met categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter, waaraan ruimschoots wordt voldaan. Opgemerkt wordt daarnaast dat het gebouw binnen deze bedrijfsbestemming momenteel, zoals eerder vermeld, in gebruik is als bijgebouw bij de naastgelegen woning.
Ter plaatse van de maatschappelijke bestemmingen zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan, zoals educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele, sporteducatieve en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en daarmee gelijk te stellen voorzieningen. Ter plaatse van de maatschappelijke bestemming aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 63 is daarnaast ook een kinderdagverblijf toegestaan. Op basis van de VNG-uitgave geldt voor de hiervoor genoemde functies ten hoogste categorie 2, met een richtafstand van maximaal 30 meter. De maatschappelijke bestemmingen bevinden zich daarmee allen op voldoende afstand van het plangebied. Gelet op het vorenstaande wordt ter plaatse van het appartementengebouw een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. Daarnaast vormen de appartementen geen belemmering voor de omliggende bedrijven. 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.6
Ecologie
4.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
30
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
4.6.2
Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Afbeelding 4.2 geeft de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de voor Natura 2000 aangewezen gebieden (groene en blauwe vlakken).
Afbeelding 4.2: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 (Bron: Provincie Noord-Holland)
Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 190 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied: de Oostelijke Vechtplassen. Voor het voornemen zijn twee AERIUS-berekeningen (2020) uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie als gevolg van het project (zie bijlage 7 bij deze toelichting). Het gaat om een berekening voor de aanlegfase (realisatie voornemen) en een berekening voor de gebruiksfase (gebruik voornemen). Geconcludeerd wordt aan de hand van deze berekeningen dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig. 4.6.2.2 Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Afbeelding 4.3 geeft de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van het NNN (groene vlakken) weer.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
31
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Afbeelding 4.3: Ligging plangebied t.o.v. NNN (Bron: Provincie Noord-Holland)
Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op circa 190 meter afstand. Gezien de afstand van de locatie tot de NNN en de aard en omvang van het voornemen wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. 4.6.3
Soortenbescherming
Quickscan flora en fauna Natuurbank Overijssel heeft ter plaatse van het plangebied een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie ook bijlage 8 bij deze toelichting). In onderstaande tekst worden de resultaten kort beschreven. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk nestelen er vogels, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de bebouwing. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Beplanting mag alleen gerooid/betreden worden buiten de voortplantingsperiode van vogels.
Voor de grondgebonden zoogdier- en/of amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). De gebouwen in het plangebied vormen een potentiële verblijfplaats voor vleermuizen. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten scherp te krijgen, is nader onderzoek naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen verplicht (art. 1.11). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren, niet aangetast.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
32
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om bij uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden te worden met amfibieën in winterrust. Geadviseerd wordt om beplanting te rooien en het plangebied bouwrijp te maken buiten de winterrustperiode. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is de nazomer (half augustus-eind september). Vleermuizenonderzoek Naar aanleiding van de quickscan flora en fauna heeft reeds vermelde partij ter plaatse van het plangebied eveneens een vleermuizenonderzoek uitgevoerd (zie ook bijlage 9 bij deze toelichting). In onderstaande tekst worden de resultaten kort beschreven. In de zomer en najaar van 2019 is de functie van de bebouwing aan ’t Laantje 3-4 te Loosdrecht onderzocht op de aanwezigheid van een verblijfplaats van één of meerdere vleermuizen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het daarvoor geldende protocol en is volledig en onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat vleermuizen geen verblijfplaats bezetten in de te slopen bebouwing. Het slopen van de bebouwing leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. 4.6.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.7
Archeologie & cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie plangebied In de raadsvergadering van 29 september 2011 is het archeologiebeleid voor de gemeente Wijdemeren vastgesteld. Dit beleid geeft, zowel voor de burger als voor de gemeentelijke organisatie, meer helderheid over hoe de gemeente omgaat met de zorg voor het archeologische erfgoed binnen het grondgebied van Wijdemeren. Het beleid bestaat uit een notitie en een kaart met toelichting. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart ter plaatse van het plangebied weergegeven. Het plangebied is met de rode omlijning aangegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
33
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Afbeelding 4.4: Uitsnede Beleidskaart Archeologie (Bron: Gemeente Wijdemeren)
Op basis van de archeologische beleidskaart geldt ter plaatse van het plangebied dat bij plannen groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm rekening dient te worden gehouden met archeologische resten. In het kader van voorliggend initiatief vinden geen bodemingrepen met een dergelijke omvang plaats. Bovendien zijn de gronden ter plaatse van de bestaande woningen reeds geroerd. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie plangebied Er bevindt zich, op basis van de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland, in het plangebied geen rijksmonument. In de directe omgeving zijn diverse andere rijksmonumenten in het lint van de Nieuw-Loosdrechtsedijk gesitueerd. De ontwikkeling heeft echter geen nadelige gevolgen voor deze monumenten. Er gelden ter plaatse van het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
34
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek nodig is. Tevens is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.8
Besluit Milieueffectrapportage
4.8.1
Algemeen
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: • • •
Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.beoordelingsplichtig.
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.
Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • •
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
35
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp 4.8.2
Situatie plangebied
4.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 190 meter van het plangebied. Zoals in paragraaf 4.6.2 van deze toelichting is vermeld is geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht.
Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden (2.000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.-plicht is in dit geval geen sprake. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een vormvrije m.e.rbeoordeling opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 10. Uit deze notitie blijkt dat het voornemen geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. 4.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
36
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
HOOFDSTUK 5
WATERASPECTEN
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.1.3
Provinciaal beleid
De Watervisie 2021 zoekt de koppeling van wateropgaven met ruimte, economie en natuur. Alleen door water goed mee te nemen kunnen duurzame integrale afwegingen gemaakt worden. Zo is er op en aan het water rust, maar ook ruimte voor vertier en activiteiten. Waar water en natuur zijn, ontstaat vaak als vanzelf recreatie. En die combinatie biedt weer kansen voor economische ontwikkeling. Met de Watervisie 2021 als zelfbindend document worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Het lange termijn doel is om heel Noord-Holland in 2050 voor zover redelijkerwijs haalbaar waterrobuust te hebben ingericht. Het gaat hierbij om het zoveel mogelijk: 1. beperken van het slachtofferrisico als gevolg van overstromingen; 2. voorkomen van grote economische schade; 3. voorkomen van maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van vitale functies en/of het vrijkomen van milieugevaarlijke stoffen. 5.1.4
Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht
Het waterbeheerplan 2016-2021 is op 8 oktober 2015 goedgekeurd door het Algemeen Bestuur van het waterschap en is vanaf 1 januari 2016 van kracht. In het Waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2016-2021 op hoofdlijnen. Hierin staat wat het waterschap doet aan veiligheid, de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en aan efficiënte zuivering van afvalwater. Ook zet het waterschap zich in voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
37
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en 'robuust' (toekomstbestendig) watersysteem. Het waterschap wil open en toegankelijk zijn, actief naar samenwerking zoeken en de dialoog aangaan. De strategische uitgangspunten voor de langere termijn (2030) zijn: • • • • • • • • • •
Samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit;' Een klimaatbestendig en daarmee waterrobuust gebied; Steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; Een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; Water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; Gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; Gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; Vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit voor burgers en bedrijven; Afstemming over alle watertaken per stroomgebied (i.c. Rijn-West); Behoud van de zelfstandige bevoegdheid
5.2
Plangebied
5.2.1
Huidige situatie
Nieuw-Loosdrecht ligt op de overgang tussen de oostelijk hoger gelegen zandgronden van 't Gooi (ten oosten van plangebied NAP +1,3 m) en de polders in het veenweidegebied westelijk van Nieuw-Loosdrecht (NAP -0,5 m). Waterhuishoudkundig betekent dat een overgangsgebied tussen infiltratie en kwel. In Nieuw-Loosdrecht treedt lichte kwel op vanuit de Gooise stuwwal en watert af in westelijke richting naar het hoofdwatersysteem van de Drecht en de Loosdrechtse Plassen. Vanuit het plassengebied wordt het water uitgeslagen op de boezem van de Vecht. Ter plaatse van het plangebied is geen open water aanwezig en liggen geen hoofdwatergangen. Ook zijn geen waterkeringen aanwezig. 5.2.2
Toekomstige situatie
Algemeen Binnen het plangebied is sprake van herontwikkeling. Twee bestaande woningen worden gesloopt en worden vervangen door nieuwe woningen. Op basis van de Keur moet een toename van het verhard oppervlak met meer dan 1.000 m² gecompenseerd worden. In de gewenste situatie is sprake van circa 2.405 m² aan verharding, in de huidige situatie is sprake van circa 1.669 m² aan verharding. De toename van verhard oppervlak als gevolg van het voornemen bedraagt dan ook minder dan 1.000 m²: compensatie is dan ook niet noodzakelijk. Het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen is daarnaast van belang om diffuse verontreinigingen te voorkomen. Afvalwaterketen en riolering Volgens de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen, om te zorgen dat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • • • •
hemelwater vasthouden voor benutting; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
38
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem moet bij het Waterschap een vergunning worden aangevraagd op grond van de Keur. Voorbeelden hiervan zijn bij het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. 5.2.3
Conclusie
Het voornemen heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
39
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
HOOFDSTUK 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 6.2.2
Inleidende regels (begrippen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
40
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp 6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • • •
6.2.4
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte etc.); Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksregels en onder welke voorwaarden bepaalde gebruiken zijn toegestaan; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: regels omtrent werken of werkzaamheden die niet zonder omgevingsvergunning uitgevoerd mogen worden. Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich voornamelijk voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Hierin zijn regels opgenomen omtrent de gevallen waarbij bouwgrenzen mogen worden overschreden. Tevens is hierin opgenomen dat voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming de bestaande maten als maximum of respectievelijk minimum mogen worden gehanteerd en herbouwd.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel wordt het voorzien in de parkeerbehoefte geborgd.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
•
Algemene wijzigingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten de regels in het bestemmingsplan te wijzigen.
•
Overige regels (Artikel 12) In dit artikel worden de geldende wettelijke regelingen van toepassing.
6.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
41
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
6.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Verkeer - Verblijfsgebied (Artikel 3) De gronden ten westen en zuiden van de bebouwing, waar onder meer parkeerplaatsen, de bergingen en de ontsluitingsweg worden gerealiseerd, zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'.
Deze gronden zijn bestemd voor verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, fietsenstaling, (overige) bijgebouwen en overkappingen behorende bij de bestemming ‘Wonen’, erven en tuinen en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals speel- en recreatieve voorzieningen, reclame-uitingen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, bergbezinkbassins, nutsvoorzieningen en water. Op deze gronden geldt dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mogen worden gebouwd, met uitzondering van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen tot een bepaalde oppervlakte (zie ook artikel 4 ‘Wonen’). Hetgeen is toegestaan moet tot slot voldoen aan de hiervoor gestelde maatvoeringseisen. Wonen (Artikel 4) De gronden waar de appartementen zijn beoogd zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor bed & breakfast of aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, (ondergrondse) parkeergarages met bijbehorende voorzieningen en bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen nutsvoorzieningen, water en al dan niet verharde paden en erfontsluitingswegen.
Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd en de maximale toegestane bouwhoogte wordt aangegeven met de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)’. Gestapelde woningen zijn ter plaatse toegestaan. De aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen moeten in de perceelsgrens of op ten minste 1 m afstand van de perceelsgrens worden gebouwd, voldoen aan de maximale goot- en bouwhoogte en het gezamenlijke grondoppervlak van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag, gezamenlijk met de vrijstaande bijgebouwen en overkapping op de verkeersbestemming, ten hoogste 300 m² bedragen. Voor bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde is maximaal de aangegeven hoogte toegestaan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
42
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Waarde – Archeologie - 5 (Artikel 5) Gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie – 5’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Op grond van deze dubbelbestemming is het voor activiteiten waarbij gegraven wordt, zoals bouwen en een aantal specifiek genoemde werken en werkzaamheden noodzakelijk eerst een archeologisch onderzoek te laten uitvoeren dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan te vragen. Indien is aangetoond dat de te verrichten activiteiten de archeologische waarden niet zullen schaden kan worden gebouwd, dan wel kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden worden verleend. Het maximale oppervlak en de diepte van een plan waarvoor geen archeologisch onderzoek noodzakelijk betreft respectievelijk 2.500 m² en 40 cm.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
43
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
HOOFDSTUK 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval worden de gemeentelijke kosten, via een anterieure overeenkomst, verhaald op initiatiefnemer. Met initiatiefnemer wordt tevens een planschadeovereenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
44
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
HOOFDSTUK 8 8.1
INSPRAAK EN VOOROVERLEG
Vooroverleg
Deze paragraaf wordt ingevuld na de afronding van het vooroverleg.
8.2
Participatie
Initiatiefnemer heeft de directe omgeving geïnformeerd over het voornemen en de mogelijkheid gegeven hierop te reageren. Met dit communicatie- en participatietraject is voldoende gelegenheid gegeven tot het geven van reacties op het plan. Met de reacties van de directe omgeving op het plan is, waar mogelijk, bij de verdere ontwikkeling van het plan rekening gehouden. In bijlage 11 bij deze toelichting is de nota waarin een en ander wordt beschreven opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
45
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
BIJLAGEN
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
46
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Bijlage 1
Bomen Effect Analyse
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
47
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Bijlage 2
Verkeersonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
48
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
49
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek nr. 3 (gedeeltelijk) en nr. 4
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
50
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Bijlage 5
Nader bodemonderzoek nr. 3 (gedeeltelijk) en nr. 4
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
51
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Bijlage 6
Verkennend bodemonderzoek nr. 3 (gedeeltelijk) en PFAS
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
52
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Bijlage 7
AERIUS berekening 2020
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
53
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Bijlage 8
Quickscan flora en fauna
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
54
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Bijlage 9
Vleermuizenonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
55
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Bijlage 10
Vormvrije MER-beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
56
Bestemmingsplan ‘t Laantje 3 en 4 Ontwerp
Bijlage 11
Participatieverslag
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
57