Onderzoeksrapport Wet geurhinder en veehouderij Nieuw-Loosdrechtsedijk 2 - 9 april 2021
Tekst van het document
Aanvullend milieuonderzoek: Geurhinder en veehouderijen Nieuw-Loosdrechtsedijk 2
HP Van Doormaal Advies B.V.
d.d. 9 april 2021
COLOFON
auteur:
Van Doormaal Advies B.V. J.H. van Doormaal MSc Meiraap 2B 5087 CS Diessen T: 013-2221401 E: info@vandoormaaladvies.nl W: www.vandoormaaladvies.nl
Pagina 1 van 21
Inhoud COLOFON ................................................................................................................................................. 1 1 INLEIDING ............................................................................................................................................. 3 1.1 Situatie ........................................................................................................................................... 3 1.2 Vraagstelling ................................................................................................................................... 4 2 WETTELIJK KADER ................................................................................................................................. 5 2.1 Wet geurhinder en veehouderij ..................................................................................................... 5 2.2 Wijziging Activiteitenbesluit met betrekking tot landbouwactiviteiten ........................................ 5 2.3 Ruimtelijke ordeningsplannen en geurhinder van veehouderijen ................................................ 5 3 UITGANSPUNTEN EN ACHTERGRONDEN .............................................................................................
7 3.1 Uitgangspunten veehouderijen ..................................................................................................... 7 3.2 Geuremissie en geurimmissie ........................................................................................................ 7 3.3 Verschillende beoordelingen ......................................................................................................... 7 3.3.1 Voorgrondbelasting ................................................................................................................. 7 3.3.2 (Vaste) afstanden ..................................................................................................................... 7 3.3.3 Achtergrondbelasting .............................................................................................................. 8 3.4 Geurbelasting versus geurhinder ................................................................................................... 8 3.5 Geurgevoelig object ....................................................................................................................... 9 3.6 Bebouwde kom ............................................................................................................................
10 4 GEURBEREKENING .............................................................................................................................. 11 4.2 Woon- en leefklimaat................................................................................................................... 11 4.2.1 Achtergrondbelasting ............................................................................................................ 12 4.2.2 Voorgrondbelasting ............................................................................................................... 12 4.2.3 Opslag vaste mest .................................................................................................................. 17 4.2.4 Paardrijbak ............................................................................................................................. 18 4.3 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven ................................................................... 19 CONCLUSIE ............................................................................................................................................ 20 Bijlage 1, Plattegrondtekening Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 ................................................................... 21
Pagina 2 van 21
1 INLEIDING 1.1 Situatie Op de locatie Nieuw-Loosdrechtsedijk 2, 1231KX Loosdrecht, hierna planlocatie, is initiatiefnemer voornemens om een zorgcomplex te realiseren. Het zorgcomplex voorziet in 26 wooneenheden (met bijbehorende woonkamers, keuken, kantoor en een studio), waarin dementerende ouderen in het laatste stadium van hun leven zullen verblijven. Ten behoeve van het zorgcomplex zal gebruik worden gemaakt van de bestaande monumentale villa welke zal worden behouden en worden gerenoveerd. De huidige aanbouw aan de linkerzijde zal worden vervangen door een nieuwe aanbouw. Aan de achterzijde zal de aanbouw worden vervangen door een nieuwe aanbouw met een grotere oppervlakte. In de beoogde situatie wordt de locatie gebruikt voor de opvang van zorgbehoevende. Dit is een milieugevoelige activiteit. Nagegaan moet worden of in de beoogde situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Verder moet worden beoordeeld of omliggende bedrijven onevenredig worden beperkt in hun ontwikkeling door de beoogde ontwikkeling. Op onderstaande afbeelding is de planlocatie weergeven in de beoogde situatie.
Afbeelding 1: planlocatie
Pagina 3 van 21
1.2 Vraagstelling Bij het beoordelen van een ruimtelijk plan spelen standaard de volgende vragen: 1. Is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd? 2. Worden omliggende woningen of bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad? Het onderzoek dat in dit kader is uitgevoerd beperkt zich tot geur afkomstig van veehouderijbedrijven. De meest recente milieuhygiënische inzichten liggen vast in de Wet geurhinder en veehouderij (hierna Wgv) en het Activiteitenbesluit. In hoofdstuk 2 wordt het wettelijk kader toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgangspunten en achtergronden die in dit onderzoek worden gebruikt. De beoordeling van de geursituatie wordt beschreven in hoofdstuk 4. Ten slotte volgen in hoofdstuk 5 de conclusies.
Pagina 4 van 21
2 WETTELIJK KADER 2.1 Wet geurhinder en veehouderij In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied. Dit verspreidingsmodel geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Enkele begrippen uit de Wgv die relevant zijn en gebruikt worden in dit rapport, zijn nader toegelicht in hoofdstuk 3. 2.2 Wijziging Activiteitenbesluit met betrekking tot landbouwactiviteiten Op 1 januari 2013 is een grote wijziging van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling in werking getreden. Met de wijziging zijn meer veehouderijen onder de regels van het Activiteitenbesluit komen te vallen. Daarbij is onder meer de beoordeling van geur conform de Wet geurhinder en veehouderij (zoals toegelicht in hoofdstuk 3 van dit rapport) meegenomen.
De toetsing aan middels geurverordeningen aangepaste geurnormen en afstanden geldt ook voor veehouderijen die onder de regels van het Activiteitenbesluit vallen. Opslag van mest Naast de regels voor de veehouderij stelt het Activiteitenbesluit ook regels ter voorkoming van geurhinder bij de opslag van mest (agrarische bedrijfsstoffen) onder artikel paragraaf 3.4.5. Een opslag van agrarische bedrijfsstoffen moet (volgens artikel 3.46 lid 1 Activiteitenbesluit) liggen op minstens: • •
100 meter van een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom ligt 50 meter van een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom ligt
2.3 Ruimtelijke ordeningsplannen en geurhinder van veehouderijen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. Voor het aspect geur van veehouderijen moet een toets op grond van de Wgv worden uitgevoerd. De geplande geurgevoelige objecten moeten zijn gelegen buiten de wettelijk geldende geur- en afstandscontouren van de aanwezige veehouderijen. Bij de toets moet worden uitgegaan van de omvang van de veestapel volgens de verleende vergunning of ingediende melding. Uit jurisprudentie blijkt dat voor de geurcontouren of aan te houden afstanden in principe, indien geen sprake is van een reeds bestaande overbelaste situatie, moet worden uitgegaan van de randen van het bouwvlak. De rand van het bouwvlak wordt aangehouden omdat de veehouderij in principe het recht heeft om overal binnen het bouwvlak te bouwen.
In sommige gevallen kan niet het volledige bouwvlak worden
Pagina 5 van 21
benut, vanwege de ligging ten opzichte van reeds bestaande geurgevoelige objecten. In dergelijke gevallen wordt uitgegaan van het reëel te benutten bouwvlak. Alleen in het geval dat sprake is van een overbelaste situatie (in de betreffende richting), kan van deze werkwijze worden afgeweken. Van een overbelaste situatie is sprake als in de vergunde situatie niet wordt voldaan aan de geurnorm of afstand. In dat geval kan een veehouderij de ‘geurrechten’ in de betreffende richting niet anders gebruiken dan in de vergunde situatie het geval is (het gaat daarbij om stallen en emissiepunten). Voor het bepalen van de geur- en afstandscontouren kan dan worden uitgegaan van de ligging van de vergunde stallen en emissiepunten. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt dat een bestaande veehouderij niet onevenredig in haar belangen mag worden geschaad. Deze werkwijze staat ook beschreven in de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. Het woon- en leefklimaat in een gebied wordt behalve door de geurbelasting per veehouderij (voorgrondbelasting) ook bepaald door de achtergrondbelasting, de geurbelasting ten gevolge van alle veehouderijen samen. Het is aan de gemeente om te beoordelen of de geurbelasting en geurhinder in een specifiek gebied acceptabel zijn.
Pagina 6 van 21
3 UITGANSPUNTEN EN ACHTERGRONDEN 3.1 Uitgangspunten veehouderijen Het onderzoek naar de geursituatie gaat uit van de aanwezige veehouderijen en de bestaande geurgevoelige objecten. In het onderzoek wordt zowel de vergunde geursituatie als de worst-case geursituatie beschouwd. De geurbelasting wordt bepaald op grond van geurberekeningen voor de voor- en achtergrondbelasting ofwel op basis van afstanden. Aan de hand hiervan kan ook het woonen verblijfsklimaat bepaald worden. Voor de huidige situatie worden de vergunde of gemelde bedrijfssituaties gehanteerd. In de worst-case situatie wordt aangehouden dat alle bestaande bebouwing wordt afgebroken en zodanig wordt teruggebouwd dat de geur- en afstandscontouren zo veel mogelijk richting het te bestemmen geurgevoelige object komen te liggen. 3.2 Geuremissie en geurimmissie De geuremissies worden uitgedrukt in Europese odour units (Europese geureenheden) per tijdseenheid: ouE/s. Deze geuremissies zijn bepaald op basis van metingen aan de geurconcentraties uit stallen. De emissiefactoren per dier staan weergegeven in bijlage 1 van de Rgv. De geurbelastingen (geurimissies) worden uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht: ouE/m3. Hiermee wordt het 98-percentiel van de geurconcentratie bedoeld. Dat is de geurconcentratie, berekend met een verspreidingsmodel, welke gedurende 2 procent van een jaar wordt overschreden.
3.3 Verschillende beoordelingen 3.3.1 Voorgrondbelasting Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaardnormen uit de Wgv zijn in tabel 1 opgenomen. Tabel 1: Geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij
Ligging geurgevoelig object Concentratie gebied Geen concentratiegebied
Binnen bebouwde kom 3 ouE/m3 2 ouE/m3
Buiten bebouwde kom 14 ouE/m3 8 ouE/m3
Bij het beoordelen van vergunningaanvragen is voor het bepalen van de geurbelasting het gebruik van het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning 2010 voorgeschreven. Hiermee kan op vooraf ingegeven locaties de geurbelasting worden berekend. Om een goed beeld van de geurbelasting te verkrijgen is het wenselijk om geurcontouren te kunnen berekenen en tekenen. Dit is mogelijk met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied. De berekende waarden voor de geurbelasting zijn bij beide verspreidingsmodellen gelijk (sinds versie 2010). Hiertoe moeten alle parameters, inclusief de rekennauwkeurigheid (20%) en ruwheid in V-Stacks Gebied gelijk worden gesteld aan de parameters in V-Stacks Vergunning. 3.3.2 (Vaste) afstanden Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen Pagina 7 van 21
omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand). De bedrijfswoning die tot dezelfde veehouderij behoort wordt overigens niet aangemerkt als geurgevoelig object. 3.3.3 Achtergrondbelasting De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’.
De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. 3.4 Geurbelasting versus geurhinder In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’.
Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 2. Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14
Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Pagina 8 van 21
14 – 19 19 - 25 > 25
28 - 38 38 - 50 > 50
25 – 30 30 - 35 > 35
Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 2: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten. NB. Het berekenen van de ‘geurbelasting’ middels V-Stacks is enkel mogelijk wanneer sprake is van het houden van dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld.1 3.5 Geurgevoelig object Een geurgevoelig object is in de Wgv gedefinieerd als: 'gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. Alleen een gebouw kan een geurgevoelig object zijn. Duidelijk is dat een woning een geurgevoelig object is, mits deze een positieve planologische bestemming heeft en feitelijk geschikt is en gebruikt wordt om in te wonen. Of een ander gebouw (niet zijnde een woning), bijvoorbeeld een bedrijfsgebouw een geurgevoelig object is moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die in de definitie verder zijn opgenomen.
Het gebouw is bestemd voor menselijk verblijf. Gezien de toelichting op de Wgv betekent dit dat de locatie volgens een geschikte planologische bestemming een functie moet hebben voor menselijk verblijf. In een kantoorgebouw, werkruimte of expeditieruimte kunnen zich mensen ophouden. Het gebouw is blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf. Het gebouw moet zodanig zijn (aard, indeling en inrichting) dat het feitelijk gezien ook mogelijk is om in het gebouw te verblijven. Als aan het voorgaande wordt voldaan zal dit in de praktijk normaliter ook het geval zijn. Het gebouw wordt daarvoor (menselijk verblijf) permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, gebruikt. Onduidelijk is wat onder permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik wordt verstaan. Waar de grens ligt in de mate van gebruik zal uit de jurisprudentie moeten blijken. Gelet op de definitie wordt er van uitgegaan dat bedrijfsgebouwen, waarin zich gedurende langere tijd, vrijwel dagelijks (meerdere) mensen verblijven (in dit geval werken) aangemerkt worden als geurgevoelig object. Dit wordt bevestigd in jurisprudentie (onder andere ABRvS 200709155/1 van 24 december 2008, ABRvS 200801961/1 van 11 maart 2009, ABRvS 200902795/5/R3 van 14 oktober 2009 en ABRvS 201202274/1/A1 van 10 oktober 2012).
1
Voor de volledigheid dient voor onderhavig project te worden vermeld dat de veehouderij op NieuwLoosdrechtsedijk 6 geen dieren omvat mét een vastgestelde geuremissiefactor maar enkel dieren waarvoor een vaste afstand geldt. Het exact “berekenen” van de geurbelasting is derhalve niet uitgevoerd.
Pagina 9 van 21
3.6 Bebouwde kom Het begrip ‘bebouwde kom’ is in de Wgv niet gedefinieerd, evenmin als in de Wet Ruimtelijke ordening (Wro). In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wgv is aangegeven dat de grens van de bebouwde kom ‘niet wordt bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving’. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Als bebouwde kom wordt beschouwd: ‘het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft’ en waarin (dus) veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen of verblijven. De Handreiking Geurhinder en Veehouderij bij de Wgv beschrijft dat het voor de hand ligt om voor de grenzen van de bebouwde kom aan te sluiten bij wat in de ruimtelijke ordening (het plaatselijke bestemmingsplan) daaronder wordt verstaan. Of een bepaalde omgeving een bebouwde kom is zal per geval moeten worden bepaald. Zoals gezegd is dit niet eenduidig gedefinieerd. De volgende zaken spelen in deze afweging en rol: - dichtheid bebouwing; - aard en structuur van de omgeving en bebouwing; - planologische karakter. Mogelijk dat ook de historische situatie een rol speelt.
Voor woningen wordt uitgegaan van bebouwde kom, als deze in een woonwijk of woongebied zijn gelegen, waarbij de erven aan meerdere zijden aan elkaar aansluiten. Woningen die geconcentreerd zijn gelegen in een op zichzelf staande lintbebouwing worden niet beschouwd als bebouwde kom. Beoordeling Het bepalen of sprake is van een situatie binnen of buiten de bebouwde kom vindt plaats in hoofdstuk 4 bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat. Meer specifiek in paragraaf 4.2.2 wordt aansluiting gevonden bij de eerder verleende vergunning voor de veehouderij op NieuwLoosdrechtsedijk 6 en de daarin gemaakte afweging voor het eerdere politiekantoor.
Pagina 10 van 21
4 GEURBEREKENING 4.2 Woon- en leefklimaat De planlocatie is gelegen in het buitengebied aan de noordwestzijde van de kern Nieuw-Loosdrecht. In de omgeving van de planlocatie is een diversiteit aan functies aanwezig en kan gekenmerkt worden als een kernrandzone. Direct aangrenzend ten noorden van de planlocatie is een bedrijfsbestemming aanwezig. Ten zuiden van de planlocatie is een agrarisch bedrijf gelegen en aan de overzijde van de Nieuw-Loosdrechtsedijk is de brandweerkazerne en een verenigingsgebouw gelegen. Op 50 meter afstand van de planlocatie is de dichtstbijzijnde burgerwoning gelegen. Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is de planlocatie buiten de kern van Nieuw-Loosdrecht gelegen. Het bestemmingsplan dat ter plaatse geldt is het bestemmingsplan "Loosdrecht landelijk gebied noordoost - 2012". Dit bestemmingsplan is eveneens van toepassing op de omliggende functies en dichtstbijzijnde gelegen woning.
Pagina 11 van 21
4.2.1 Achtergrondbelasting In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven gelegen waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Het bepalen van de achtergrondbelasting ten aanzien van meerdere omliggende veehouderijbedrijven is derhalve niet van toepassing. 4.2.2 Voorgrondbelasting Indien dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld kan de voorgrondbelasting worden bepaald op basis van odourunits. In de omgeving van de planlocatie (binnen een straal van 200 meter) is echter maar één veehouderij aanwezig. Op deze veehouderij, op het adres Nieuw-Loosdrechtsedijk 6, worden 28 stuks rundvee (ravcode A7.100: overig rundvee ouder dan 2 jaar) en 21 paarden (rav-code K1.100) gehouden2. Voor de inrichting is op 7 mei 2007 een omgevingsvergunning verleend. Op onderstaande afbeelding is de plattegrondtekening van het bedrijf opgenomen.
Plattegrondtekening veehouderij Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 Voor rundvee met rav-code A7.100 en paarden zijn in de Wgv geen geuremissiefactoren opgenomen. Derhalve dient getoetst te worden aan vaste afstanden. Hiervoor is het van belang om te bepalen of de omliggende woningen zijn gelegen in de ‘bebouwde kom’. Als bebouwde kom wordt beschouwd: ‘het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft’ en waarin (dus) veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen of verblijven. Het ligt dan ook voor de hand voor de grenzen van de bebouwde 2
Voor beide diercategorieën zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld.
Pagina 12 van 21
kom aan te sluiten bij wat in de ruimtelijke ordening (het plaatselijke bestemmingsplan) daaronder wordt verstaan. Beoordeling De planlocatie én de omliggende functies liggen in het bestemmingsplan “Loosdrecht ‘landelijk gebied’ noordoost – 2012”. Het planologisch kader wordt hiermee gericht op het ‘landelijk gebied’ danwel buitengebied, waardoor op basis van het plaatselijke bestemmingsplan mag worden aangenomen dat de planlocatie planologisch-juridisch niet is gelegen in de ‘bebouwde kom’. Deze beredenering wordt verder ondersteund door de beschrijving in de considerans van de beschikking op de veranderingsvergunning Wet Milieubeheer verleend voor de veehouderij op de Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 op 7 mei 2007. Hieronder is deze beredenering opgenomen: “Binnen een straal van 50 meter vanuit de nieuw te bouwen paardenstal ligt slechts 1 stankgevoelig object, te weten het politiekantoor. Binnen een straal van 100 meter vanuit de nieuw te bouwen paardenstal liggen 4 stankgevoelig objecten, te weten 3 woningen en het politiekantoor. Hieruit kan gesteld worden dat deze 3 woningen en het politiekantoor beoordeeld moeten worden als categorie III objecten waarvoor de afstandsnorm van 50 meter geldt. Deze 4 stankgevoelige objecten worden daarom beschouwd als buiten de bebouwde kom liggend.” Eveneens wordt dit gesteld op de beschrijving van de aanvraag op de voorpagina van de beschikking.
Uitsnede voorpagina Beschikking veranderingsvergunning Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 d.d. 7 mei 2007
Gezien de ruimte tussen de bebouwing aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk en het overwegende polderlandschap aan de zuid en noordkant van de planlocatie kan de omgeving niet getypeerd worden als een gebied met aaneengesloten bebouwing met overwegend een woon- en verblijfsfunctie. Gezien de planlocatie is gelegen buiten de bebouwde dient overeenkomstig de Wgv een vaste afstand van 50 meter aangehouden te worden ten aanzien van het emissiepunt van de naastgelegen veehouderij. Op basis van onderstaande afbeelding kan worden geconcludeerd dat het centrale emissiepunt van de paardenstal is gelegen op ca. 30 meter en van de rundveestal op 38 meter van de projectlocatie.3
Ook indien sprake was van een situatie ‘binnen bebouwde kom’ blijft sprake van een korte afstand waardoor de conclusies verderop in het onderzoeksrapport niet veranderen.
3
Pagina 13 van 21
38 m.
30 m.
Van de in de Wgv gestelde norm (afstand) mag ingevolge artikel 4 (en artikel 5) van de Wgv worden afgeweken als de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object niet afneemt èn het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt. Ook bij het bepalen van de ‘omgekeerde werking’ mag deze afwijking van artikel 4 van de Wgv worden toegepast. Zo kan ten aanzien van de planlocatie worden gesteld dat reeds in de bestaande situatie een politiekantoor is toegestaan. Een politiekantoor wordt in het kader van de Wgv aangemerkt als zijnde een geurgevoelig object. Ten aanzien de naastgelegen veehouderij verandert in de beoogde situatie de situering van het ‘geur gevoelig object’ niet. De afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object neemt niet af. Daarnaast heeft het plan geen toename van dieren tot gevolg. Voor de volledigheid dient vermeld te worden dat eenzelfde beredenering is gevolgd bij de verlening van de veranderingsvergunning voor de naastgelegen veehouderij op 7 mei 2007. Daarin was de nieuwe paardenstal in de gevraagde vergunning binnen 50 meter gelegen van het politiekantoor. Echter gezien de te slopen paardenstal nog dichter bij het politiekantoor was gelegen dan de nieuwe paardenstal kon de vergunning alsnog, met toepassing van artikel 4 van de Wgv, worden verleend.
Het feit dat in 2007 voor de naastgelegen veehouderij een vergunning is verleend voor een stal op minder dan 50 meter van een geurgevoelig object toont aan dat, ondanks niet voldaan wordt aan de
Pagina 14 van 21
vaste afstand van artikel 4, alsnog voldaan kan worden aan de Wet geurhinder en veehouderij en dat daarmee mag worden aangenomen dat sprake is van een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. Daarnaast zijn ten aanzien van het voorkomen van geuroverlast in de vergunning van de veehouderij op Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 voorschriften opgenomen die bepalen dat dat deuren van de stallen gesloten moeten worden gehouden behoudens gedurende het doorlaten van personen, dieren of goederen. Tevens is in de vergunning voorgeschreven dat na verwijdering van de vaste mest de restanten direct van het terrein van de inrichting moeten worden afgevoerd en opgeslagen op de mestplaat zodat geen geurhinder kan optreden.
Uitsnede voorschriften behorende bij veranderingsvergunning Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 d.d. 7 mei 2007
Tevens dient te worden meegewogen bij het bepalen van een ‘aanvaardbaar’ woon- en leefklimaat dat de veehouderij op de Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 met name een kleinschalige veehouderij betreft met voornamelijk paarden en ouder vleesvee. Binnen de veehouderij zijn minder dan 50 stuks vee aanwezig waardoor de OBM-grens (Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets) niet wordt overschreden. Van het houden van paarden mag worden aangenomen dat deze niet worden gehouden voor productiedoeleinden en dat hierdoor minder geuroverlast is te verwachten dan bij een agrarisch bedrijf gericht op de productie van vlees of melk met een hogere voederconversie. Het vleesvee wat gehouden wordt betreft vleesvee ouder dan 2 jaar. Dit vleesvee groeit op een minder snelle manier en de dieren worden waarschijnlijk gehouden op stro waarbij sprake blijft van vaste mest. Daarnaast komt minder mest vrij dan bijvoorbeeld bij melkvee (waarvoor ook een vaste afstand geldt). Gezien bij paarden en bij het vleesvee sprake is van een extensieve manier van het houden van vee, op kleine schaal mag worden aangenomen dat doorgaans minder geuroverlast is te verwachten dan bij dieren die gehouden worden op grotere schaal en bijvoorbeeld op een roostervloer en waarbij sprake is van drijfmest (waarvoor ook dezelfde vaste afstand geldt).
Tevens blijkt uit gemeentelijke controles dat het vleesvee momenteel niet meer wordt gehouden op locatie. Conclusie Het emissiepunt van de stal van de naastgelegen veehouderij is gelegen binnen 50 meter van de planlocatie. De afstand tussen de gevel van de naastgelegen stal en de gevel van de planlocatie is tevens korter dan 25 meter. Echter door het planvoornemen nemen deze afstanden niet verder af. De veehouderij op Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 wordt derhalve niet onevenredig in zijn ontwikkeling beperkt.
Pagina 15 van 21
Tevens is hierdoor afwijken van de afstanden op basis van artikel 4 en artikel 5 van de Wet geurhinder en veehouderij aanvaardbaar én kan op basis van de Wgv sprake zijn van een vergunbare situatie. Ten aanzien van de omgekeerde werking is derhalve ook sprake van een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. Daarnaast zijn in de verleende vergunning van de naastgelegen veehouderij voorschriften gesteld die geuroverlast dienen te voorkomen. En is sprake van een kleinschalige veehouderij beneden de OBMgrens. Van geurcumulatie binnen de inrichting, bijvoorbeeld wanneer veel dieren worden gehouden zonder geuremissiefactor, is derhalve geen sprake. De Wet geurhinder en veehouderij staat het planvoornemen derhalve niet in de weg. Tevens kan voldoende gemotiveerd worden dat ruimtelijk gezien sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de beoogde situatie op de planlocatie.
Pagina 16 van 21
4.2.3 Opslag vaste mest Naast de regels voor de veehouderij stelt het Activiteitenbesluit ook regels ter voorkoming van geurhinder bij de opslag van mest (agrarische bedrijfsstoffen) onder artikel paragraaf 3.4.5. Een opslag van agrarische bedrijfsstoffen moet (volgens artikel 3.46 lid 1 Activiteitenbesluit) liggen op minstens: • •
100 meter van een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom ligt 50 meter van een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom ligt
Beoordeling en conclusie Bij de veehouderij op Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 is één opslag aanwezig van mest (mestplaat). Op basis van onderstaande afbeelding is deze mestplaat gelegen op minimaal 52 meter van de gevel van de planlocatie. In de veranderingsvergunning voor de veehouderij (verleend op 7 mei 2007) is beschreven dat de mestplaat op minimaal 64 meter afstand van de planlocatie zou zijn gelegen. In beide situaties wordt voldaan aan de afstanden vanuit het Activiteitenbesluit. Hierdoor mag worden aangenomen dat sprake is van een ruimtelijk aanvaardbare situatie.
Pagina 17 van 21
4.2.4 Paardrijbak Bij de veehouderij op Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 is een buitenrijbaan voor paarden aanwezig (paardrijbak). Het gebruik van de paardenbak kan leiden tot geluidhinder, stofhinder en geurhinder. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij alsmede het Activiteitenbesluit zijn geen specifieke regels van toepassing ten aanzien van paardrijbakken. In de VNG-brochure ‘bedrijven en milieuzonering’ worden ten aanzien van een paardenfokkerij vaste afstanden geadviseerd. Indien sprake is van een ‘gemengd gebied’ mogen de geadviseerde afstanden met één afstandstrap worden verlaagd. De planlocatie is gelegen in het buitengebied waarbij in de omgeving diverse bedrijfsfuncties zijn gelegen zoals de veehouderij op Nieuw-Loosdrechtsedijk 6, het bedrijf op Nieuw-Loosdrechtsedijk 11a-1b en de brandweerkazerne. Hierdoor mag worden gesteld dat sprake is van een gemengd gebied, waardoor op basis van de VNG-publicatie de volgende afstanden worden geadviseerd tussen een paardenfokkerij en een gevoelig object: Geur: 30 meter Stof: 10 meter Geluid: 10 meter Op basis van onderstaande afbeelding is de paardrijbak gelegen op minimaal 39 meter van de planlocatie. Hiermee voldoet de afstand aan de richtafstanden van de VNG-publicatie en mag worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbare situatie ten aanzien van de paardrijbak.
Pagina 18 van 21
4.3 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven De belangen van de veehouderij bestaan eruit dat de huidige bedrijfsvoering onbelemmerd doorgang kan vinden en dat de eventuele ontwikkelingsmogelijkheden binnen het bouwblok in stand blijven. Ten aanzien van de veehouderij op Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 is de planlocatie in westelijke richting het meest beperkend. In de bestaande situatie is reeds sprake van een overbelaste situatie waardoor de veehouderij wordt beperkt. Gezien in de beoogde situatie gebruik wordt gemaakt van het bestaande monumentale pand en geen sprake is van een uitbreiding richting de veehouderij, wordt deze niet verder beperkt dan in de reeds bestaande situatie.
Pagina 19 van 21
CONCLUSIE In dit onderzoek is de geur afkomstig van de veehouderij op Nieuw-Loosdrechtsedijk 6 ten aanzien van de planlocatie onderzocht. In deze conclusie wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvragen, zoals gesteld in paragraaf 1.2. In hoofdstuk 4 van dit rapport is toegelicht dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het zorgcomplex voor de zorgcliënten en dat de naastgelegen veehouderij niet in zijn belangen wordt geschaad. Ook ten aanzien van de voor- en achtergrondbelasting kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Gelet op het voorgaande vormt geurhinder van veehouderijen geen belemmering voor het plan.
Pagina 20 van 21
Bijlage 1, Plattegrondtekening Nieuw-Loosdrechtsedijk 6
Pagina 21 van 21
Opslag van: kuilvoer, benodigdheden voor de paarden, diversen (geen motorische werktuigen)
[1
r
Li
-r
II P 0V
\/
M
L E L L E
W Woning H Herstelruimte V Veestal: vleesvee 28 stuks RV Ruimte t.b.v veehouderij zoals: diverse opslag, stalling machines opslag dieselolie 0 Opslag goederen P Paardenstal: 18 stuks ouder dan 3 jaar M Opslag vaste mest D Dieselolietank
00000000
Plattegrondtekening behorend bij aanvraag veranderingsvergunnning Wet milieubeheer van G.W. Veidhuizen Nieuw Loosdrechtsedijk 6 1231 KX Loosdrecht Schaal: 1: 500