Memo motivering weidevogels 120521
Tekst van het document
- MEMO Memo
DATUM KENMERK VAN AAN
12 mei 2021 Nederhorst Noord PROJECT 20201950_0013 OPDRACHTGEVER Kennemerland Beheer ir. Eric van der Aa, senior ecoloog Provincie Noord-Holland, gemeente Wijdemeren
KWALITEITSEISEN WEIDEVOGELLEEFGEBIEDEN Omtrent de kwalitatieve eisen die aan weidevogelleefgebieden gesteld worden bestaan misverstanden die niet gefundeerd zijn zoals: • weidevogels hebben een gebied van ongeveer 250 hectare nodig om bij gevaar en onvoldoende voedsel uit te kunnen wijken naar andere delen. • weidevogels worden verstoord door bebouwing en opgaande beplanting binnen 250 meter afstand. In de praktijk blijkt de kwaliteit van weidevogelleefgebieden echter vrijwel volledig bepaald te worden door het water- en graslandbeheer. De dramatische achteruitgang van de landelijke en provinciale weidevogelpopulaties in de afgelopen decennia is een gevolg van het steeds vroeger en massaler maaien (tegenwoordig ook ’s nachts), de steeds diepere ontwatering en het steeds vaker scheuren en herinzaaien van de grasmat waardoor bloemrijke, insectenrijke graslanden inmiddels vrijwel volledig zijn verdwenen uit agrarische gebieden waar melk voor de wereldmarkt wordt geproduceerd. Veel van de agrarische activiteiten in het broedseizoen zijn strikt verboden op grond van de Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. Het provinciaal beleid is er op gericht dat bouw van woningen buiten stedelijk gebied alleen onder dwingende reden van groot openbaar belang mogelijk is. Bouwen in weidevogelleefgebieden zou kunnen leiden tot verstoring van weidevogels.
Dit hoeft echter niet zonder meer het geval te zijn. Kwalitatieve maatregelen kunnen territoriale inperking van aangewezen weidevogelleefgebieden ruimschoots compenseren. Dit kan in de praktijk worden geïllustreerd bij de Wilmkebreekpolder, binnen de ring van Amsterdam. Dit volledig door stedelijk gebied ingesloten graslandpoldertje van 20 hectare (wegen en bebouwing overal binnen 200 meter afstand) kende dankzij een adequaat beheer in 2019 broedgevallen van grutto (4 broedparen), scholekster (3 broedparen), tureluur (8 broedparen) en kievit (40 broedparen). Deze aantallen zijn al 10 jaar stabiel tot licht stijgend. Omgerekend komt dit neer op 16 broedparen grutto per 100 ha waarmee dit gebied ruimschoots voldoet aan de provinciale definitie van gruttokerngebied (minimaal 10 bp/100 ha). Toch is dit gebied niet aangewezen als weidevogelkerngebied in het provinciaal natuurbeleid. Dergelijke gebieden met een vergelijkbaar beheersplan zouden beleidsmatig kunnen worden aangewezen. En er zijn meer van dit soort geschikte c.q. geschikt te maken weidevogelpoldertjes. Zie bijvoorbeeld ook de Voorofsche polder (31 ha) in Zuid-Holland, een rijk weidevogelleefgebied ingeklemd tussen een bedrijventerrein, hoogbouw, bosgebied en een provinciale weg.
Door het territoriaal inperken van weidevogelleefgebieden ten behoeve van woningbouw op een oppervlak van 7 ha zoals voorgesteld voor de uitbreiding van de woonkern Nederhorst den Berg, zijn ook voordelen te behalen door het treffen van kwaliteitsmaatregelen in de inrichtings- en in de beheersfeer voor gronden rondom dit woningbouwplan. Gunstig stikstofeffect Door het opheffen van 7 hectare intensief agrarisch graslandgebruik wordt bovendien een grote jaarlijkse ammoniakemissie opgeheven. Daarvoor in de plaats komen de emissies van de dagelijkse verkeersbewegingen van en naar de nieuwe
(aardgasloze) woonwijk. Een verkennende berekening in AERIUS Calculator laat zien dat dit project leidt tot een daling van de stikstofdepositie op maar liefst 3 overbelaste Natura 2000-gebieden (Naardermeer, Oostelijke Vechtplassen en Botshol). De grootste daling treedt op binnen het Naardermeer (- 0,09 mol/ha/jr). Conclusie • De beoogde woningbouwlocatie heeft geen betekenis voor weidevogels. Dit wordt bevestigd door het ecologisch rapport van Els & Linde B.V. (kenmerk 18211, d.d. 13 juni 2019, geactualiseerd d.d. …) • Voor de compensatie van weidevogelleefgebied heeft de provincie Noord-Holland de Uitvoeringsregeling natuurcompensatie Noord-Holland (2014) opgesteld. Conform de uitvoeringsregeling kan dit in de vorm van realisatie van nieuw weidevogelleefgebied, maar indien het minder dan 5 hectare omvat, kan ook financieel gecompenseerd worden (artikel 1, lid 3). Het plangebied is echter groter dan 5 hectare. Compensatie moet plaatsvinden in de nabijheid van het aangetaste gebied tenzij wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is. • Fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van een weidevogelleefgebied dienen te omvatten: a. inrichtingsmaatregelen voor een omzomende grondstrook rond het te realiseren woongebied; en b.
een actief weidevogelbeheer in een gebied dat minimaal gelijk is aan de oppervlakte van het aangetaste weidevogelleefgebied, rekening houdende met een jaarlijkse rustperiode in de nestfase waarin agrarische werkzaamheden niet zijn toegestaan van 1 april tot en met 15 juni voor een periode van 30 jaar (artikel 3). • Aansluitend aan het nieuwe woongebied kan door adequate herinrichtingsmaatregelen en water- en graslandbeheer wel een kwalitatief hoogwaardig weidevogelleefgebied worden ontwikkeld. • De afname van het provinciale beleidsmatige weidevogelleefgebied van de Horn- en Kuijerpolder als gevolg van de beoogde woningbouw is daarmee meer dan evenredig verantwoord te achten. Een voorstel voor inrichtingsmaatregelen en actief beheer van het weidevogelleefgebied is weergegeven in de bijlage bij deze memo. • Het project leidt bovendien tot een daling van de stikstofdepositie op 3 omliggende (overbelaste) Natura 2000gebieden.
2/5
BIJLAGE 1 VOORSTEL INRICHTING EN BEHEER NIEUW WEIDEVOGELLEEFGEBIED
Inrichting
Onderstaand is een inrichtingsvoorstel weergegeven voor 3 ha nieuw weidevogelleefgebied, grenzend aan het nieuwe woongebied. Figuur 1 Inrichtingsvoorstel nieuw weidevogelleefgebied
Afdammen watergangen Cruciaal voor het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig weidevogelleefgebied is verhoging van het waterpeil. Dit kan door het afdammen van de twee centrale watergangen. Het peilbeheer dient vervolgens afgestemd te worden op een voorjaarsgrondwaterstand van 20-40 cm beneden maaiveld. In de loop van mei/juni mag de grondwaterstand niet verder weg zakken dan 50-60 cm beneden maaiveld. Voorjaars plasdras Plas-dras situaties hebben in het vroege voorjaar een grote aantrekkingskracht op weidevogels, met name op grutto’s die dan terugkeren uit Afrika. Een plas-dras kan worden gerealiseerd door het opwerpen van een dammetje rondom het perceel en dit in het voorjaar vol te pompen met 5-10 cm water, bijvoorbeeld met een zonnepomp. De benodigde grond komt hier beschikbaar door de aanleg van flauwe oevers langs bestaande watergangen.
3/5
Figuur 2 Voorbeeld plas-dras (‘t Weegje, Waddinxveen)
Aanleg flauwe oevers Door de aanleg van flauwe oevers langs bestaande watergangen komt meer foerageerhabitat beschikbaar voor volwassen vogels en hun kuikens. Deze flauwe oevers voorkomen ook verdrinking van kuikens. Randsloot Doortrekking van de bestaande randsloot uit het zuiden is noodzakelijk om betreding van het weidevogelleefgebied te voorkomen. In combinatie met de flauwe oevers aan weerszijden ontstaat een aantrekkelijke 20-30 meter brede water- en moeraszone. Aan de kant van de woonwijk kan deze worden voorzien van een wandelroute, visplekken en/of een uitkijkpunt met informatie over het weidevogelleefgebied.
Beheer
Een volwaardig weidevogelleefgebied kent een mozaïekbeheer met hooiland en weiland. • Hooilanden, na 15 juni of later gemaaid met afvoering van het maaisel en eventueel nabeweiding. Optimale maaidata zijn afhankelijk van het verloop van het broedseizoen en dus een kwestie van maatwerk; • Beweiding met een veedichtheid van maximaal 1,5 stuk vee per hectare. Hogere veedichtheden geven een groot risico van vertrapping van de zode en van vertrapping van significante hoeveelheden eieren. • bemesting gebeurt bij voorkeur door middel van ruige stalmest, vóór 1 april of na eind juni. Een voor weidevogelbeheer geschikte mestgift bestaat uit 15 ton ruige stalmest per hectare per jaar. • In het belang van een goed ontwikkelde bodemfauna dient de bodem niet teveel te verzuren. Indien de pH onder de 4,5 komt, dient de bodem bekalkt te worden.
4/5
•
In verband met eventuele aanwezige botanische kwaliteiten en de plaatstrouw van vogels, is het van belang om hetzelfde beheer steeds op dezelfde locatie uit te voeren
In beheerscontracten, mogelijk met subsidies van de provincie, zullen bovenstaande beheerrichtlijnen kunnen worden vastgelegd en mogelijk verder worden gedetailleerd. Kosten Inclusief de inrichting vergt dit voorstel een investering van circa € 300.000. De beoogde 150 woningen worden dus per stuk € 2.000 duurder. Voor het beheer zijn verschillende subsidies beschikbaar. Een interessante aanvullende geldstroom is het verkopen van CO2-certificaten door het verminderen van de veenoxidatie door vernatting van de 3 ha grasland. Gemiddeld komt er in Nederland jaarlijks 30 ton CO2 vrij per hectare agrarisch veenweidegebied, afhankelijk van de dikte van het veenpakket en de ontwateringsdiepte (bron: CLM Onderzoek en Advies 2018). De Europese CO2-emissieprijs bedraagt inmiddels € 50 per ton en blijft waarschijnlijk verder stijgen. Uitgaande van een vermeden emissie van 20 ton/ha/jr (dus 60 ton voor 3 ha) betekent dit een jaarlijkse aanvullende geldstroom van € 3000 voor het beheer van het gebied. Borging Het nieuwe weidevogelleefgebied kan planologisch-juridisch worden geborgd door het opnemen van een natuurbestemming in nieuwe planologische maatregelen en het vastleggen daarvan in voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het woningbouwplan. Daarnaast zal het beheer nog geborgd kunnen worden in een beheerscontract met de provincie.
Overige Vergunningen en meldingen Waterschap • Voor het verhogen van het waterpeil en voor het aanleggen van een plasdras die het hele jaar of een groot deel van het jaar met water gevuld is, is een watervergunning van het Waterschap nodig. • Voor activiteiten als het vol zetten van laagten of greppels en het aanbrengen van laagten in percelen, is een melding aan het Waterschap verplicht, maar geen vergunning nodig. Deze maatregelen beïnvloeden namelijk ook de waterhuishouding van de omgeving (er moet bijvoorbeeld ’s zomers meer water ingelaten worden). Gemeente De gemeente is vergunningverlener voor de omgevingsvergunning welke nodig is voor bijvoorbeeld het oprichten van een wind- of zonnepomp. Ook de eventuele vergunningen voor het verlagen van het maaiveld en het onderhoud aan het landschap vallen onder de bevoegdheid van de gemeente.
5/5