CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Financiële beheersverordening gemeente Wijdemeren 2025

gemeenteraad 11 december 2025, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Financiële beheersverordening 2025 en Controleprotocol 20254.869 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Financiële Beheersverordening gemeente Wijdemeren 2025 Geldend vanaf 01-01-2025 Intitulé Financiële Beheersverordening gemeente Wijdemeren 2025

De raad van de gemeente Wijdemeren; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2025; gelet op artikel 212 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de navolgende ‘Financiële Beheersverordening gemeente Wijdemeren 2025: Aldus besloten in de openbare vergadering van 11 december 2025 De raad voornoemd, de griffier,

de voorzitter,

drs. E.B. Hörchner

drs. M.L. Verheijen

Financiële Beheersverordening gemeente Wijdemeren 2025 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In deze verordening wordt verstaan onder: - administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. - organisatie onderdeel: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college. - rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van het college waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving. - overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt. Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording Artikel 2. Programma-indeling 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode de programma-indeling voor de begroting vast. 2.

De raad stelt de programma-indeling vast op basis van de door het college aan de programma’s toegewezen taakvelden. 3. De raad stelt op voorstel van het college per programma relevante indicatoren vast, naast de verplichte indicatoren conform art. 25, lid 2a van de BBV, voor het meten van en het afleggen van verantwoording over de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid. 4. De raad stelt vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen in de begroting en rekening kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd. Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken 1. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het krediet in het lopende boekjaar weergegeven. 2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

3. In de jaarrekening wordt van de investeringen en meerjarige projecten de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven. 4. In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden posten vanaf € 50.000 afzonderlijk gespecificeerd. 5. In de jaarrekening worden afwijkingen van de begroting, groter dan € 25.000 toegelicht. Artikel 4. Kaders begroting en de meerjarenraming 1. Het college van Burgemeester en Wethouders biedt voor 1 juni voorafgaand aan het begrotingsjaar aan de raad een kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor het zomerreces vast. 2. In de begroting wordt een post onvoorzien van € 50.000 opgenomen. Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma. 2. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. 3.

Het college legt de raad ter autorisatie een begrotingswijzing voor als verwacht wordt dat de lasten of de baten van een programma met minimaal € 75.000 afwijken van de geautoriseerde bedragen. Dit doet zij vooraf in een bestuursrapportage of indien nodig via een afzonderlijk voorstel. 4. Het college informeert de raad vooraf als ze verwacht dat de investeringsuitgaven de geautoriseerde investeringskredieten met meer dan 25% of € 50.000 dreigen te overschrijden. De raad ontvangt een voorstel voor wijziging van het krediet en/of voor bijstelling van het beleid. 5. Het college is bevoegd over de gehele post onvoorzien te beschikken als de uitgave onvermijdbaar, onuitstelbaar en niet te voorzien was bij de begrotingssamenstelling, er geen andere dekkingsalternatieven mogelijk zijn, en de uitgaaf een eenmalig karakter heeft of de uitgaaf een structureel karakter heeft waarvoor in het begrotingsjaar geen dekking voorhanden is, terwijl in de jaren daarna wel dekking kan worden gevonden. De raad wordt hierover achteraf geïnformeerd in de bestuursrapportages. 6. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde budgetten en investeringskredieten. 7.

Voor een nieuwe investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college vooraf aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.

Artikel 6 A. Tussentijdse rapportage 1. Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de financiële realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste drie maanden en de eerste negen maanden van het lopende boekjaar. 2. De verantwoording in de tussentijdse rapportages vindt plaats op het niveau van de programma’s. 3. In de tussentijdse rapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en de lasten van begrotingsposten per taakveld in de begroting groter dan € 25.000 toegelicht en kunnen bijstellingen van investeringskredieten worden opgenomen. 4. Bij een verwachte overschrijding van een investeringskrediet die hoger is dan € 50.000 zal het college de raad hierover informeren. Artikel 6 B. Jaarstukken 1. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken bieden burgemeester en wethouders de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat. 2. Vooruitlopend en/of gelijktijdig met het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kunnen burgemeester en wethouders de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen *) naar het volgende begrotingsjaar (zie ook artikel 20) * De overheveling(en) dienen goed onderbouwd te worden en moeten voldoen aan de criteria conform de BBV.

Artikel 7. Informatieplicht Het college besluit, voor zover hier in de door de raad geautoriseerde begroting en de daarin opgenomen investeringskredieten niet is voorzien, niet over: a. de aan- en verkoop van roerende zaken, werken en diensten groter dan € 100.000; b. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 250.000; en c. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen groter dan € 100.000, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. Artikel 8. EMU-saldo Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording Artikel 9. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

1. De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid. 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de raad over rechtmatigheidsfouten en onduidelijkheden met een verantwoordingsgrens van maximaal 2% van de totale lasten, exclusief toevoegingen aan de reserves. 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan € 95.000,- nader toegelicht. Artikel 10. Voorwaardencriterium 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur. 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks uiterlijk op 15 december van het controlejaar ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Artikel 11. Begrotingscriterium 1.

Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen. 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5. 3. Bij investeringskrediet wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. 4. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties: a. Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren. b. Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling. c. De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van de tussentijdse rapportage of, als dat niet eerder mogelijk is, in de jaarstukken. 5.

Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering. Artikel 12. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen. 2. Het college zorgt voor en legt vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen. Hoofdstuk 4. Financieel beleid Artikel 13. Waardering en afschrijving vaste activa 1. Burgemeester en wethouders bieden de raad eens in de vier jaar een nota activerings- en afschrijvingsbeleid aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval: a. de wijze waarop voorstellen voor investeringen worden aangeboden en geautoriseerd door de raad, in aanvulling op wat in deze verordening is vastgelegd; b. de afschrijvingsmethode en afschrijvingstermijn per categorie; c. het moment van starten met afschrijven; d. de gebruiksduur per categorie kapitaalgoederen ofwel de afschrijvingstermijn; e. de componentenbenadering; f. restwaarde; 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks een meerjareninvesteringsplan aan als bijlage bij de begroting, waarbij inzicht wordt verschaft in de geplande investeringen en de daarmee gepaard gaande kapitaallasten voor de komende meerjarenperiode. 2.

Investeringen in materiële vaste activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd, met uitzondering van gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. 3. Materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de nota activerings- en afschrijvingsbeleid. 4. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. 5. Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling * voor een bepaald actief worden lineair in maximaal 5 jaar afgeschreven. * Als er binnen de BBV een aanwijzing is dat expliciet op een bepaald type onderzoek geen afschrijving plaats mag vinden, is dit voor dit onderzoek leidend en zullen deze kosten rechtstreeks ten laste gebracht moeten worden in de exploitatie van het jaar waarin de lasten zijn uitgegeven.

Artikel 14. Voorziening voor oninbare vorderingen 1.Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

2.Voor de vorderingen vanuit de heffingen en belastingen die de gemeente oplegt, wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historisch percentage van de oninbaarheid. 3. Het voorstel van de jaarlijkse onttrekking en/of de aanvulling van de voorziening zal aan het college worden voorgelegd. Het voorstel betreft een verslag van de administratie waarover in de jaarstukken verantwoording wordt afgelegd. De rapportage zal uiterlijk 3 maanden na het einde van het verslagjaar aan het college worden voorgelegd ter vaststelling. Als blijkt dat de werkzaamheden van de jaarrekening eerder in het eerste kwartaal volgend op het verslagjaar kunnen worden afgerond, zal het voorstel altijd voorafgaan aan de resultaatbestemming en worden voorgelegd aan het college en worden verwerkt alvorens er een resultaatbestemming kan worden opgesteld. Artikel 15. Reserves en voorzieningen 1. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats. 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad eens in de vier jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval: a. de vorming en besteding van reserves; b. de vorming en besteding van voorzieningen, en c.

bij welke specifiek benoemde taakvelden het verschil tussen het geraamde saldo van baten en lasten en het gerealiseerde saldo van baten en lasten mogen worden verrekend met een daartoe in het leven geroepen reserve.

3. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt in ieder geval aangegeven: a. het specifieke doel van de reserve; b. het bestedingsplan van de reserve c. de voeding van de reserve; d. de maximale hoogte van de reserve, en e. de maximale looptijd.

4. Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd. Artikel 16. Kostprijsberekening 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van goederen, werken en diensten van de gemeente, die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden naast de directe kosten de overheadkosten betrokken, die rechtstreeks samenhangen met de door de gemeente verleende diensten. 2. Bij de kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa, de kapitaallasten van de in gebruik

zijnde activa en voor rioolheffing en afvalstoffenheffing de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de kosten van het kwijtscheldingsbeleid. 3. Voor de inzet van materiele activa worden naast directe kosten, overheadkosten en afschrijvingskosten, de rente voor de financiering van het actief toegerekend. Deze rente is een vergoeding voor de inzet van vreemd vermogen en van eigen vermogen. De rentepercentages voor deze vergoeding worden bij de behandeling van de begroting vastgesteld. 4. Overheadkosten worden in de kostprijs van goederen, werken en diensten opgenomen op basis van de omvang van de directe kosten. Hiertoe wordt jaarlijks bij de begroting een vast opslagpercentage berekend door de totale overhead te delen door de totale lasten van de taakvelden exclusief overhead. 5. Voor het bepalen van de hoogte van de leges zoals vastgesteld in de legesverordening wordt afgeweken van de hoofdregel uit lid 4. De overheadkosten worden via een opslag op de directe kosten verdeeld naar de producten waarvoor leges worden geheven. Deze opslag wordt berekend door de totale overheadkosten te delen door het aantal geraamde directe uren. Artikel 17. Prijzen economische activiteiten 1.

Voor de levering van goederen, diensten of werken aan overheidsbedrijven en derden en met welke bijbehorende activiteiten de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in rekening. 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. 4. Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doen burgemeester en wethouders vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd 5. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet. Artikel 18. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen 1.

Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing, de leges, de lijkbezorgingsrechten, de huren en de erfpachten. Het voorstel dient uiterlijk 31 december, voorafgaand aan het nieuwe begrotingsjaar, door de raad worden vastgesteld. 2. Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en erfpachten ten opzichte van de eerder vastgestelde verordening vooraf een besluit voor aan de raad.

Artikel 19. Financieringsfunctie

1. Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht: a. voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste twee (telefonische) prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; b. er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden; c. Overtollige geldmiddelen worden uitsluitend uitgezet tegen vastrentende waarden, dan wel in producten waarbij de hoofdsom tenminste aan het eind van de looptijd intact is; en d. overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het uitzetten van middelen of het verlenen van garanties luiden in euro.

2. Het college informeert de raad vooraf als de wettelijke kasgeldlimiet, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet financiering decentrale overheden, of de wettelijke renterisiconorm, bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet financiering decentrale overheden, dreigt te worden overschreden. 3. Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal worden uitsluitend gedaan uit hoofde van de publieke taak. Het college motiveert in zijn besluit het openbaar belang. 4. Bij het verstrekken van een garantie wordt een voorziening ten laste van de begroting gevormd ter grote van het risico dat de gemeente met de garantie loopt. Als in de begroting niet is voorzien in budget voor deze voorziening dan doet het college vooraf aan de garantieverlening een voorstel aan de raad voor een begrotingswijziging. 5. Het college stelt regels op ter uitvoering van het gestelde onder het eerste tot en met het vierde lid en legt deze regels alsmede de regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening vast in een treasurystatuut. Het college zendt het treasurystatuut ter kennisgeving aan de raad.

Artikel 20. Overhevelingen 1. Indien de activiteiten, waarvoor de raad een incidenteel budget beschikbaar heeft gesteld, niet of niet geheel in het boekjaar kunnen worden uitgevoerd, dan is onder de volgende voorwaarden, de mogelijkheid van overheveling aanwezig. Een voorstel hiervoor zal door het college bij de behandeling van de jaarstukken aan de raad worden voorgelegd als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Het gaat om incidenteel toegekende middelen, met een minimum bedrag van € 25.000; b. Aangetoond is dat de afwikkeling door omstandigheden niet heeft kunnen plaatsvinden, maar nog wel moet plaatsvinden c. Op het betreffende uitvoeringsbudget is het bedrag over en in het volgende begrotingsjaar is geen budget beschikbaar; d. In voorgaande jaren heeft er geen overheveling op dit budget plaatsgevonden 2. In de jaarstukken wordt een deugdelijke toelichting opgenomen waarbij de aanleiding en de omvang van de overheveling wordt toegelicht;

3. Het college kan van de in lid 1 genoemde criteria afwijken en motiveert dit in een voorstel aan de raad. (Zie tevens artikel 6B)

Hoofdstuk 5. Paragrafen Artikel 21. Lokale heffingen Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 22. Financiering In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 23. Weerstandsvermogen & risicobeheersing 1. In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. 2. Voor het in beeld brengen van de weerstandscapaciteit van de gemeente wordt beoordeeld of de gemeente bij een risicoscenario de schuldverplichtingen in de toekomst kan blijven nakomen zonder dat de uitgaven aan en de investeringen in noodzakelijke publieke voorzieningen in de knel komen.

Artikel 24. Onderhoud kapitaalgoederen 1. Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de voortgang van het geplande onderhoud; b. de omvang van het (achterstallig) onderhoud aan openbaar groen, water, wegen, civiele kunstwerken, openbare verlichting en straatmeubilair, riolering, (onderwijs)gebouwen, begraafplaats(en), sportaccommodaties en speelvoorzieningen 2. Het college legt de raad tenminste eens in de vier jaar beleidsplannen onderhoud openbare ruimte voor, of zoveel eerder als de omstandigheden hier aanleiding toe geven. De beleidsplannen geven het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau voor, water, wegen, civiele kunstwerken en openbare verlichting en speelvoorzieningen. De raad stelt deze plannen vast. 3. Het college legt de raad tenminste eens in de vier jaar een waterplan voor, of zoveel eerder als de omstandigheden hier aanleiding toe geven. Het plan geeft het kader weer voor

het beoogde onderhoudsniveau aan het gemeentelijke rioolstelsel. De raad stelt het plan vast. 4. Het college legt de raad tenminste eens in de vier jaar een beleidsplan onderhoud gebouwen en sportaccommodaties voor, of zoveel eerder als de omstandigheden hier aanleiding toe geven. Het beleidsplan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau voor de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het plan vast. 5. Het college legt de raad tenminste eens in de vier jaar een meerjarig onderhoudsplan gebouwen. 6. Het college stelt de in het tweede tot en met het vierde lid genoemde nota’s op met het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de bijbehorende kosten. De raad stelt de nota’s zoals genoemd in het tweede tot en met het vijfde lid vast.

Artikel 25. Bedrijfsvoering Het college neemt in de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. onderdelen die sowieso jaarlijks terugkomen zijn de stand van zaken en de/of de verantwoording voor wat betreft de onderdelen: HRM (omvang, opbouw en ontwikkeling personeelsbestand en loonkosten), ICT, Archief, Opleidingsbudget, Flexibele schil (waaronder o.a. de inhuurkosten), ziekteverzuim. Daarnaast zal er ook een toelichting gegeven worden op de budgetten en/of bestedingen van de raad, griffie, rekenkamer en de accountant. b. een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid, die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen, voor zover deze de rapportagegrens, zoals bedoeld in artikel 9 overschrijden en eventueel welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen; c. een overzicht van en toelichting op niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet financiering decentrale overheden en de bijbehorende ministeriële regelingen, als deze voorkomen; d. rapportage van het veelvuldig niet naleven van normen uit de gids proportionaliteit en/of slechte documentatie of naleving hiervan, als deze voorkomen; e.

geconstateerde fraude door eigen medewerkers, als dit voorkomt.

Artikel 26. Verbonden partijen Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 27. Grondbeleid

1. In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. Aanvullend daarop wordt in de paragraaf grondbeleid opgenomen: a. te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten; b. het verloop van de grondvoorraad. 2. Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een nota grondbeleid aan, of zoveel eerder als de omstandigheden hier aanleiding toe geven. De raad stelt de nota vast. De nota bevat in ieder geval: a. de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente; b. de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden; en c. de uitgifte van gronden in erfpacht en de bijstelling van erfpachtvergoedingen 3. Het college biedt jaarlijks voor aanvang van een nieuw kalenderjaar het nieuwe grondprijsbeleid voor de gemeente Wijdemeren aan. De raad stelt deze grondprijzen vast. Uiterlijk 31 december zal de raad het voorstel hiervoor voorgelegd krijgen en hierover een besluit hebben genomen.

Artikel 28. Openbaarheid Het college doet in deze paragraaf verslag van de gerealiseerde zaken die de Wet Open Overheid aan de gemeenten stelt sinds zijn intrede in 2022.

Hoofdstuk 6. Financiële organisatie en financieel beheer Artikel 29. Administratie 1. De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen binnen de gemeentelijke organisatie ; b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten en overige balansposten; c. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties; d. het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; e. het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en

f. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving. Artikel 30. Financiële organisatie Het college draagt zorgt voor: a. een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de organisatie-onderdelen; b. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden; c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten; d. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie; e. de te maken afspraken met de organisatieonderdelen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen; f. de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de producten van de productenraming en de productenrealisatie; g. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten; h.

het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; i. het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen; j. de regels voor de opdrachtverlening en de verrekening van leveringen tussen de organisatieonderdelen van de gemeente, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan; k. het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

Artikel 31. Interne controle 1. Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteert het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 25. Daarnaast informeert het college de raad over genomen maatregelen tot herstel van tekortkomingen.

2. Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de vier jaar. 3. Het college zorgt op basis van de resultaten van de toets bedoeld in het tweede lid indien nodig voor een plan van verbetering. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Artikel 32. Intrekken oude verordening en overgangsrecht De ‘Financiële verordening gemeente Wijdemeren 2024, vastgesteld in de raadsvergadering van 7 december 2024 en in werking getreden op 1 januari 2024, wordt ingetrokken per 1 januari 2025. Artikel 33. Intrekking en inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025. 2. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Financiële Verordening gemeente Wijdemeren 2025’.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 11 december 2025. de griffier,

de voorzitter,

drs. E.B. Hörchner

drs. M.L. Verheijen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16220164/1