CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage VI - Quickscan Wet natuurbescherming (Blom)

gemeenteraad 13 februari 2025, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Raadsvoorstel definitieve afgifte VVGB Zuidereinde 43 te 's-Graveland7.508 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Zuidereinde 43 te ‘s Graveland Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2022-0574

Datum:

9 juni 2022

Samensteller:

ing. R.C. Pickert

Collegiale toets:

ing. D.F. Knoops

Opdrachtgever:

Stichting Monumentenbezit

Contactpersoon:

R. Koot

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

6

2 Methode

7

2.1

Uitvoering onderzoek

7

2.2

Soortenbescherming

7

2.3

Gebiedsbescherming

8

2.4

Houtopstanden

9

2.5

Houdbaarheid en toepassing

9

3 Beoordeling

10

3.1

Soortenbescherming

10

3.2

Gebiedsbescherming

17

3.3

Houtopstanden

19

4 Samenvatting

20

4.1

Soortenbescherming

20

4.2

Gebiedsbescherming

20

4.3

Houtopstanden

20

5 Conclusie

21

5.1

Conclusie

21

5.2

Uitvoerbaarheid

21

5.3

Vervolgstappen

21

5.4

Te treffen maatregelen

22

1 Inleiding Aan de Zuidereinde 43 te ‘s Graveland is Huis Trompenburgh met bijgebouwen en tuin gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande tuin her in te richten, waarbij deze wordt teruggebracht naar de oorspronkelijke staat. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Stichting Monumentenbezit heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen  Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep?  Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden?  Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming?  Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Zuidereinde 43 te ‘s Graveland.

4

1.1

Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan het Zuidereinde 43 te ‘s Graveland (figuur 1.2). De planlocatie betreft buitenplaats Trompenburgh met de omliggende tuin. In de tuin zijn verschillende waterpartijen en bosschages aanwezig. Tevens staan er een aantal bijgebouwen. Aan achterzijde van het perceel zijn nog restanten van de vroegere moestuin te vinden. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Zuidereinde 43 te ’s Graveland. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied, afgewisseld met bosschages. Circa 550 m ten westen ligt Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Circa 1,9 km ten oosten ligt het centrum van Hilversum.

Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de herindeling van de tuin rond de buitenplaats. Hierbij worden meerdere bomen gekapt en bestaande waterpartijen vergroot. Tevens wordt een nieuwe watergang gegraven en een boomgaard aangelegd. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten:  kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout;  verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen;  vergraven van bestaand oppervlaktewater: graafwerkzaamheden;  graven van een nieuwe watergang: graafwerkzaamheden;  egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport;  revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.3 Visuele representatie van de beoogde situatie (Bron: Stichting Monumentenbezit).

6

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek

Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 25 mei 2022 en is uitgevoerd door ing. D.F. Knoops. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 10 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

7

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Holland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Veldmuis

Dwergspitsmuis

Konijn

Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.

8

Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of de natuurverbindingen aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Bijzonder provinciaal landschap Kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen (tot 11 woningen of bouwwerken met een oppervlak minder dan 500m2) in Bijzonder Provinciale Landschappen (BPL) zijn mogelijk zolang de kernkwaliteiten niet aangetast worden. Uitvoering van grootschalige ontwikkelingen zijn alleen mogelijk als is aangetoond dat er sprake is van een groot openbaarbelang en er geen reële alternatieven zijn. De schade aan het landschap dient daarbij te worden gecompenseerd.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

9

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming

Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: glad biggenkruid, groenknolorchis en korensla (NDFF 2012-2022). De planlocatie is een aangelegde tuin met een hoog onderhoudsbeeld. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: avondkoekoeksbloem, gewone braam, glad biggenkruid, gewone beuk, hulst, lelietje-van-dalen en oranje havikskruid. Op de planlocatie is tevens Japanse duizendknoop aangetroffen (figuur 3.1). Deze plant groeit aan de linkerzijde van de brug naar de ingang van Huis Trompenburg. Deze soort is een zeer invasieve exoot en dient op de juiste wijze bestreden te worden.

Doordat de stengels en wortels van de plant zeer krachtig zijn, kunnen bouwwerken en infrastructuur zoals wegen en riolering worden beschadigd. Derhalve wordt geadviseerd om de plant te verwijderen alvorens de werkzaamheden van start gaan. Omdat de Japanse duizendknoop moeilijk te verwijderen is en bij een verkeerde aanpak verder verspreid kan worden, dient dit zorgvuldig te gebeuren. Met het verwerken van het groenafval dient de aandacht uit te gaan naar Japanse duizendknoop. Stengel- en wortelfragmenten kunnen gemakkelijk uitlopen tot nieuwe planten. Het wordt aangeraden om groenafval met Japanse duizendknoop af te voeren naar een geschikte composteerinrichting (of bij het restafval) om te voorkomen dat deze exoot zich verder kan verspreiden. In bijlage 3 is meer informatie te vinden over geschikte bestrijdingsmethodes.

Figuur 3.1

Ter hoogte van de brug naar de ingang van Huis Trompenburg is de Japanse duizendknoop aangetroffen.

10

Glad biggenkruid groeit op zonnige, droge, voedselarme, zwak zure en kalkarme grond. De planlocatie voorziet niet in een geschikte standplaats voor deze soort. Tevens kent de tuin een hoog onderhoudsbeeld. De aanwezigheid van glad biggenkruid is derhalve uitgesloten. Groenknolorchis komt voor in zeeduinen, kalk-, zand- en grindgroeven, moerassen, langs rietlanden, op heides, opgespoten zand, beekdal-blauwgraslanden en op plekken waar turf gestoken is. Deze gronden komen niet voor op de planlocatie, de aanwezigheid van de groenknolorchis is derhalve uitgesloten. Korensla prefereert open, zonnige, droge, stikstofarme, matig voedselrijke, kalkarme, zure zandgrond, nooit op veen of klei. In Nederland komt de soort enkel voor op akkers. Gezien er geen akkers op de planlocatie aanwezig zijn is er geen geschikte standplaats voor korensla aanwezig. Er worden meerdere bomen gekapt, dit betreffen voornamelijk beuken. Daarnaast worden er struiken verwijderd, zoals een aantal rododendrons. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.

Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, noordse woelmuis, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, waterspitsmuis, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, bunzing, damhert, das, hermelijn, noordse woelmuis, rode eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De boommarter en rode eekhoorn komen voor in bossen en parken met grote bomen. Zowel de boommarter als de rode eekhoorn zijn op een afstand van circa 500 m van de planlocatie waargenomen. Bijna alle waarnemingen van deze soorten komen uit de gebieden: Landgoed Hilverbeek, Spanderswoud, Gooilust en Korversbos.

Dit laat zien dat er veel leefgebied voor deze soorten aanwezig is in de omgeving. Trompenburg kent een geïsoleerde ligging door de watergangen om het terrein. De planlocatie is alleen zwemmend of via de kleine bruggen langs het Zuidereinde te bereiken voor de boommarter en rode eekhoorn. Via de oostzijde zijn geen begeleidende groenstructuren aanwezig welke dekking kunnen bieden tijdens de oversteek van het weiland. Hierdoor is het niet aannemelijk dat de planlocatie onderdeel is van het essentiële leefgebied van vorengenoemde soorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten en boomholtes van voldoende grootte aangetroffen. Het voorkomen van verblijfplaatsen is derhalve uitgesloten. De kap van meerdere solitaire bomen, een beukenlaan en alle overige werkzaamheden leiden derhalve niet tot het ontstaan van negatieve effecten op de boommarter en rode eekhoorn. De bunzing, hermelijn en wezel behoren tot de kleine marterachtigen. Deze soorten zijn in min of meerdere mate afhankelijk van voldoende dekking om zich te weren tegen roofdieren. De soorten zijn verspreid rond de planlocatie waargenomen, waarbij de bunzing en wezel binnen 1 km van de planlocatie zijn waargenomen. Gezien het geïsoleerde karakter (zie boommarter en rode eekhoorn) is het voor de kleine marterachtigen tevens niet aannemelijk dat er sprake is van essentieel foerageergebied binnen de planlocatie.

De omgeving van de planlocatie biedt, door zijn groene karakter, zeer veel alternatief geschikt leefgebied. Er zijn door het onderhoudsbeeld geen takkenstapels of andere potentiële verblijfplaatsen aanwezig. De beoogde werkzaamheden leiden derhalve niet tot het ontstaan van negatieve effecten op kleine marterachtigen.

11

Het damhert is eenmalig waargenomen op circa 1,5 km afstand van de planlocatie. Aannemelijk betreft het hierdoor een ontsnapt individu. Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. De soort heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onderbegroeiing. Ook komt de soort voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden. Het is niet uitgesloten dat het damhert sporadisch op de planlocatie komt, echter is deze slecht te bereiken en biedt deze geen essentieel foerageergebied. Gezien de werkzaamheden overdag plaatsvinden is er geen sprake van verstoring. Negatieve effecten op het damhert zijn derhalve uitgesloten. De das komt voor in gemengd landschap waarbij bosschages, weilanden en akkers elkaar afwisselen. De das is verspreid rond de planlocatie waargenomen, op circa 1,3 km afstand. Er zijn geen sporen of burchten van de das aangetroffen op de planlocatie. Gezien de geïsoleerde ligging en slechte bereikbaarheid (zie boommarter en rode eekhoorn) is het ook voor de das uitgesloten dat er sprake is van essentieel foerageergebied. Gezien de werkzaamheden alleen overdag plaatsvinden is er geen sprake van verstoring. Negatieve effecten zijn derhalve uitgesloten. De noordse woelmuis en waterspitsmuis komen voor bij beschutte oevers met weinig verstoring.

Deze soorten zijn aangetroffen bij braakbalonderzoek, waardoor het huidige leefgebied niet met zekerheid te bepalen is. Aannemelijk komen beide soorten voornamelijk voor langs de oevers van de Kortenhoefsche Plassen. Op de planlocatie is geen geschikt leefgebied aanwezig wegens het gebrek aan rietoevers doordat deze geheel beschoeid zijn. De aanwezigheid van beide soorten is derhalve uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis.

(NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Gezien ten tijde van het veldbezoek nog niet exact duidelijk was welke bomen precies gekapt dienen te worden is een aanvullende boominspectie noodzakelijk. Tijdens deze inspectie worden alle te kappen bomen gecontroleerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats (zie H5.3). Uit deze inspectie blijkt of er vervolgstappen noodzakelijk zijn ten aanzien van boombewonende vleermuizen. In de beoogde ontwikkeling zijn geen werkzaamheden aan gebouwen beoogd. Negatieve effecten op gebouwbewonende vleermuizen zijn derhalve uitgesloten.

12

Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Het is niet uitgesloten dat de planlocatie als vliegroute of foerageergebied gebruikt wordt. Er worden meerdere bomen gekapt in de beoogde ontwikkeling. Dit omvat tevens een bomenlaan van circa 20 beuken. Deze laan wordt mogelijk als vliegroute gebruikt en kan onderdeel zijn van essentieel foerageergebied. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander en rugstreeppad. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. Zowel de kamsalamander als de rugstreeppad zijn op meer dan 1 km afstand van de planlocatie waargenomen. De kamsalamander komt voor in poelen bij bosschages en houtwallen.

De waterpartijen op de planlocatie zijn beschoeid, wat betreding vermoeilijkt of zelfs onmogelijk maakt. Het bestaande oppervlaktewater aan de voorzijde van Huis Trompenburgh wordt uitgebreid en aan de achterzijde worden een nieuwe watergang gerealiseerd. Deze werkzaamheden vinden niet plaats in, of nabij potentieel geschikt voortplantingswater van voorgenoemde soorten. De werkzaamheden creëren aannemelijk geen nieuw voortplantingswater voor de rugstreeppad. Negatieve effecten op de kamsalamander en rugstreeppad zijn derhalve uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm en ringslang (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De hazelworm is op circa 1,5 km van de planlocatie waargenomen.

Wegens de grote afstand en vele barrières als wegen en watergangen wordt de hazelworm niet op de planlocatie verwacht. De ringslang is binnen 500 m van de planlocatie waargenomen. De ringslang komt voornamelijk voor in waterrijke gebieden. De watergangen op de planlocatie zijn beschoeid, wat het betreden vermoeilijkt. De omliggende sloten zijn wel toegankelijk, echter zijn hier geen werkzaamheden aan beoogd op het aansluiten van de nieuwe watergang na. Gezien dit slechts een zeer klein oppervlakte betreft en de nieuwe watergang positief is voor de ringslang (meer foerageergebied en betere migratieroute) is het ontstaan van negatieve effecten uitgesloten. De tuin heeft een hoog onderhoudsbeeld waardoor er geen rommelhoekjes of bladhopen aanwezig zijn. De planlocatie beidt derhalve tevens geen geschikte overwinteringsplaatsen of broeihopen. Negatieve effecten op de ringslang zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

13

Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: gestreepte waterroofkever, grote vos, veldparelmoervlinder en zilveren maan (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. De gestreepte waterroofkever komt vooral voor in laagveengebieden in onvervuild, voedselarm tot matig voedselrijk (vrijwel) stilstaand water. Deze soort is in Nederland met name in sloten, kanalen en petgaten gevonden. De gestreepte waterroofkever is enkel waargenomen in de Kortenhoefsche Plassen. De planlocatie biedt geen geschikt leefgebied voor deze soort wegens het gebrek aan geschikt oppervlaktewater. De aanwezigheid van de gestreepte waterroofkever is derhalve uitgesloten. De grote vos komt voor bij bossen en parken met grote bomen. De waardplanten zijn iep, wilg en zoete kers. Wegens de grote hoeveelheid bomen is het niet uitgesloten dat de grote vos sporadisch op de planlocatie te vinden is. Echter is er geen sprake van essentieel leefgebied en kent de soort een zwervend karakter. Er zijn geen waardplanten voor de grote vos aanwezig welke gekapt worden. Negatieve effecten zijn uitgesloten. De veldparelmoervlinder is zeer zeldzaam en is eenmalig waargenomen op circa 1,8 km van de planlocatie.

Mogelijk kan dit een foute determinatie betreffen gezien de soort slechts beperkt zwerft en alleen populaties kent in Zuid-Limburg. De veldparelmoervlinder komt voor bij kruidenrijke, droge en schrale graslanden met een open en korte structuur. Dit habitat is niet op de planlocatie aanwezig. De aanwezigheid van de veldparelmoervlinder is uitgesloten. (Vlinderstichting Veldparelmoervlinder, 2021). De zilveren maan komt voor op natte tot vochtige, schrale graslanden en op bloemrijke hooi- of rietlanden. Waardplanten voor de soort zijn moerasviooltje en in duingebieden ook duin- en hondsviooltje (Vlinderstichting Zilveren maan, 2021). Gezien het gebrek aan geschikt habitat en waardplanten is de aanwezigheid van de zilveren maan uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: braamsluiper, ekster, halsbandparkiet, ijsvogel, kauw, nijlgans, ooievaar, spreeuw, winterkoning en witte kwikstaart. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Er zijn geen werkzaamheden beoogd aan gebouwen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Er zijn geen werkzaamheden beoogd aan gebouwen. Hierdoor zijn negatieve effecten op de gierzwaluw uitgesloten.

14

Tijdens het veldbezoek zijn twee nesten aangetroffen van de ooievaar (figuur 2.1 & 2.2). Het westelijke nest op het eiland zal verloren gaan gezien alle beplanting hier wordt verwijderd. De ooievaar is een categorie 3 soort onder de Wnb, wat betekend dat deze jaarrond beschermd is. Het verwijderen van het nest c.q. de nestboom is derhalve ontheffingsplichtig (zie H5.3).

Figuur 2.1

Locaties van de tijdens het veldbezoek aangetroffen, bezette nesten van de ooievaar.

Figuur 2.2

Op de planlocatie zijn twee nesten van de ooievaar aanwezig. De linker foto betreft het westelijke nest en de rechter foto het oostelijke nest.

Er zijn geen andere grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is mogelijk sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten en uilen, echter wordt dit in de beoogde ingreep niet aangetast. De aanleg van een boomgaard zal het foerageergebied voor roofvogels en uilen aannemelijk versterken.

15

Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

16

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 550 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 550 m tot het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de herinrichting van de tuin. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase niet tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen.

Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een grote afstand (550 m) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven. 17

Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland inclusief natuurverbindingen. De planlocatie grenst aan het Natuurnetwerk Nederland inclusief natuurverbindingen (figuur 3.2). De planlocatie ligt binnen het Bijzonder provinciaal landschap (figuur 3.3). Gezien er geen bebouwing in de ontwikkeling wordt gerealiseerd en het feit dat het gebiedsbeeld weer wordt hersteld naar de situatie zoals deze vroeger was worden de kernkwaliteiten van het BPL-gebied niet aangetast. Gezien er sprake is van een kleinschalige ontwikkeling is er geen nadere toetsing noodzakelijk. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde natuurgebieden.

Figuur 3.2 De planlocatie grenst aan het Natuurnetwerk Nederland (bron: noord-holland.tercera-ro.nl)

Figuur 3.3 De planlocatie ligt binnen het Bijzonder Provinciaals Landschap (bron: noord-holland.terceraro.nl)

18

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn mogelijk kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Echter vallen de houtopstanden onder uitzondering B (houtopstanden op erven of in tuinen). Een meldingsplicht in het kader van Wnb is derhalve niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

19

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming

Er dient een aanvullende boominspectie ten aanzien van boombewonende vleermuizen uitgevoerd te worden. Daarnaast dient er een ontheffing Wnb aangevraagd te worden voor het wegnemen van het nest van de ooievaar. Tevens dient de aangetroffen Japanse duizendknoop op een juiste manier verwijderd te worden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

art. 3.5

Ja, boominspectie

Mogelijke functie planlocatie

Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen

Verblijfplaatsen

Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Ooievaar

art. 3.1

Nee, direct ontheffing aanvragen

Nestlocatie

Vogels (Algemeen en cat. 5)

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, maar wel van provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-calculatie, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Belangrijk Provinciaal Gebied

550 m 0m N.v.t.

Geen Geen Geen

N.v.t. N.v.t. N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

20

5 Conclusie 5.1

Conclusie

De beoogde herinrichting van de tuin aan het Zuidereinde 43 te ‘s Graveland is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te kappen bomen een relevante functie hebben voor boombewonende vleermuizen. Voor het verwijderen van het nest van de ooievaar dient een ontheffing van de Wnb voorhanden te zijn alvorens gestart kan worden. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, ooievaar: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).

Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

5.3 Vervolgstappen  Voor het kappen van de bomen dient een aanvullende boominspectie uitgevoerd te worden.  Voor het verwijderen van het nest van de ooievaar dient een ontheffing van de Wnb voorhanden te zijn.  De groeiplaats van de Japanse duizendknoop dient op een juiste manier verwijderd te worden (zie bijlage 3).

21

5.4 Te treffen maatregelen  Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).  Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.  Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.  Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.  De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).  Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

 De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

22

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.noord-holland.tercera-ro.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming Bestrijding Japanse duizendknoop

23

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan het Zuidereinde 42 te ’s-Graveland en bestaat uit de tuinen van Huis Trompenburgh De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de herinrichting van de tuinen in de oorspronkelijke staat.

Figuur 2

Overzicht van de te kappen beukenlaan.

24

Figuur 3

Overzicht van de voormalige moestuin welke wordt verwijderd, en vervangen door een boomgaard.

Figuur 4

De tuin kent een zeer hoog onderhoudsbeeld.

25

Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

26

Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).

De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

27

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het

daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,

industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter

plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.

28

Bijlage 3 Bestrijding Japanse duizendknoop Methode Afdekken

Beschrijving Grond afdekken met doek en grondlaag, wortels worden verstikt.

Effectiviteit Zeer effectief.

Injecteren met glyfosaat

Stengels worden geïnjecteerd met glyfosaatoplossing van 5% of 70%

Effectief

Afgraven en afvoeren

Bodem met wortels wordt afgegraven en afgevoerd

Effectief, mits alle worteldelen worden verwijderd.

Maaien

Maandelijks groeiplaatsen maaien, maaisel afvoeren naar erkende verwerker

Electricide

Middels electroden wordt de plant onder hoge spanning gezet, waardoor de stengel en wortels van binnenuit koken.

Enkel effectief als beheersing, niet ter bestrijding. Pas na enkele jaren effect. Onbekend

Voor- en nadelen + Zeer effectieve methode; - Lastig toe te passen rond obstakels; - Verstikt overige planten; - Doek moet meerdere jaren blijven liggen. + Snel effect; - Zeer arbeidsintensief; - Effecten van glyfosaat op het milieu en gezondheid zijn omstreden; - Mogelijk verontreiniging van bodem en/of grondwater. + Snel effectief; + Eventueel te combineren met andere werkzaamheden; - Lastig uit te voeren bij obstakels als boomwortels of ondergrondse infrastructuur - Alle grond dient te worden afgevoerd - Mogelijk kostenintensief - Enkel effectief ter beheersing; - Kostenintensief

+ Lijkt een veelbelovende methode - Effectiviteit nog niet bepaald; - Elke stengel moet worden behandeld; - Kostenintensief

29

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15111807/1