Bijlage Advies OFGV van 24082021
Tekst van het document
Gemeente Wijdemeren De heer R. Baro 9 L H
Verzenddatum 24-8-2021
Bijlagen 1
Kenmerk Z2021-008888/D2021-227036
Onderwerp Advies bouwen, De Kwakel 10 in Kortenhoef
Geachte heer Baro, Op 17 juni 2021 heeft u om advies gevraagd over de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor de uitbreiding van de woning op de locatie De Kwakel 10 in Kortenhoef. De aanvraag betreft het project met OLO-aanvraagnummer 6040763. De adviesvraag gaat over de consequenties die uitbreiding van de woning kan hebben op het veehouderijbedrijf gelegen aan De Kwakel 8 in Kortenhoef. Het advies vindt u in de bijlage. Conclusie Het bestemmingsplan maakt uitbreiding van de woning richting de veehouderij op de locatie De Kwakel 8 in Kortenhoef mogelijk. Dit heeft vergaande consequenties voor het veehouderijbedrijf. Vragen Heeft u vragen over dit advies dan kunt u contact opnemen met de heer A.J. Greven via telefoonnummer: 06 – 224 451 04 of e-mail: a.greven@ofgv.nl. Hoogachtend,
F.M. Plat Waarnemend Directeur Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek Bijlage: advies
kenmerk Z2021-008888/D2021-227036
pagina 2
Bijlage Advies Aanleiding Op 29 april 2021 is een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aangevraagd bij gemeente Wijdemeren voor uitbreiding van de woning gelegen aan De Kwakel 10 in Kortenhoef. Deze woning ligt in het buitengebied en naast (ten zuiden van) het veehouderijbedrijf gelegen aan De Kwakel 8 in Kortenhoef. Realisatie van het voorgenomen bouwplan met de uitbreiding van de woning heeft tot gevolg dat de afstand tot de veehouderij circa 3 meter korter wordt. De gemeente stelt de vraag of deze kortere onderlinge afstand bij realisatie van het bouwplan nadelige gevolgen voor het bedrijf met zich meebrengt of dat het bedrijf hierdoor gedwongen is maatregelen te nemen. De gemeente heeft mij voor de beantwoording van deze vraag om advies gevraagd. Bestemmingsplan Het geldende bestemmingsplan maakt niet duidelijk of de voorgenomen uitbreiding van de woning binnen of buiten het bouwblok zal zijn gelegen. Er is geen bouwblok op de plankaart. H , met bouwregels voor het totale bebouwingsoppervlak, voor hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Daarnaast gelden er specifieke gebruiksregels.
Er zijn geen beperkingen in het bestemmingsplan vastgelegd specifiek voor het bouwblok voor de woning in relatie tot aan te houden afstanden tot de naburige veehouderij vanuit de milieuwet- en regelgeving (omgekeerde werking van de regels). Milieuregels voor de veehouderij April 2000 is voor het bedrijf een zogenaamde revisievergunning (met registratienummer 368) volgens de Wet milieubeheer verleend, en in 2005 een veranderingsvergunning (met registratienummer 2005-01) volgens de Wet milieubeheer. De revisievergunning ziet op het houden van maximaal 450 varkens, 90 melkkoeien, 75 stuks vrouwelijk jongvee en 40 schapen. De veranderingsvergunning betreft een uitbreiding met 45 melkkoeien (tot totaal 135 stuks), 15 stuks vrouwelijk jongvee (tot totaal 90 stuks). Voor de uitbreiding met extra melkkoeien en het jongvee is de bestaande ligboxenstal uitgebreid in noordelijke richting met extra ligboxen. Deze milieuvergunningen zijn op 1 januari 2013 van rechtswege komen te vervallen door wijziging in wet- en regelgeving. De veehouderij is vanaf die datum geheel onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Abm) komen te vallen, een type B inrichting met alleen meldingsplicht. Er gold eerder voor de veehouderij al Abm-meldingsplicht voor het opslaan van gasolie.
De aanvragen bij genoemde vergunningen zijn sinds voornoemde datum te beschouwen als Abm-meldingen. Op 9 juli 2020 is voor het veranderen van de veehouderij een Abm-melding ingediend. De gemelde verandering betreft het niet meer houden van varkens, uitbreiding met maximaal 55 melkkoeien (tot totaal 190 stuks) in de bestaande ligboxenstal, uitbreiding van het aantal vrouwelijk jongvee met maximaal 45 stuks (tot totaal 135 stuks) te houden voor een deel in de voormalige varkensstal en in het westelijk deel van gebouw E, en uitbreiding met maximaal 10 schapen (tot totaal 50 stuks). De schapen worden gehuisvest in een deel van gebouw E. Voorheen verbleven de schapen alleen in de aflammerperiode in de inrichting. Specificering adviesvraag Voor de advisering is onderzocht of de kortere afstand gevolgen heeft voor de aspecten geluid, fijnstof en geur. Deze aspecten worden hierna belicht. Afstandseisen kunnen ook een rol spelen als de externe veiligheid in het geding is. Er zijn echter op het bedrijf geen (propaan)gastanks aanwezig die een gevaarszetting kunnen opleveren.
kenmerk Z2021-008888/D2021-227036
pagina 3
Geluid Het Abm kent geluidgrenswaarden waaraan moet worden voldaan te opzichte van geluidgevoelige objecten, zoals woningen van derden. De kortere afstand bij realisatie van het bouwplan zal naar verwachting niet leiden tot overschrijding van de geluidgrenswaarden doordat de opstallen het geluid grotendeels afschermen dat voornamelijk zal worden veroorzaakt door tractoren, shovel en vrachtwagens. Bij de beoordeling van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt enkel rekening gehouden met vast opgestelde installaties en toestellen. Die zijn er nagenoeg niet. Bij het bepalen van het maximale geluidsniveau (piekgeluid) worden laad- en losactiviteiten in de dagperiode buiten beschouwing gelaten. Buiten de dagperiode is het maximale geluidsniveau wel van belang. Echter zullen vrachtwagens van en naar het bedrijf gebruik maken van de noordelijke in-/uitrit volgens de melding uit 2020. Dit leidt ertoe dat naar verwachting wel zal kunnen worden voldaan aan het maximale geluidsniveau. Fijnstof Voor meldingsplichtige veehouderijen als hier het geval hoeft niet te worden getoetst aan de normen voor fijnstof. De kortere afstand heeft dus in dit verband geen nadelige gevolgen voor het milieu of de leefomgeving.
Geur en de vaste mestopslag Voor de vaste mestopslag (aangeduid met J op de tekening bij de Abm-melding uit 2020) geldt een aan te houden afstand van minimaal 50 meter tot de woning. De afstand bedraagt bij realisatie van de uitbreiding van de woning circa 66 meter. Aan deze afstandseis wordt dus voldaan. Geur vanuit de stallen Om geurhinder vanuit dierenverblijven waar landbouwhuisdieren worden gehouden te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken zijn in het Abm regels gesteld. Deze zijn te vinden in artikel 3.115 en 3.116 voor dierenverblijven met dieren waarvoor een geuremissiefactor geldt (zoals voor schapen) en in artikel 3.117 en 3.118 voor dierenverblijven met dieren waarop een vaste minimaal aan te houden afstand van toepassing is. Deze bedraagt in deze situatie 50 meter vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van de stal tot een geurgevoelig object, zoals een woning van een derde. Een gemeentelijke verordening kan bepalen dat andere afstandseisen gelden dan de minimaal aan te houden afstand. De afstand moet in ieder geval minimaal 25 meter bedragen. Verder bepaalt artikel 3.119 dat de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object minimaal 25 meter bedraagt. Hieraan kan een gemeentelijke verordening niets wijzigen.
Situatie veehouderij De Kwakkel 8 bij realisatie uitbreiding woning De Kwakel 10 Stal
Soort vee
Aantal dieren
B E
Melkkoeien Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
F
E
Schapen
190 35
Aan te houden minimale afstand in meters volgens artikel 3.117 resp. 3.119 Abm 50/25 50/25
Afstand dichtstbijzijnde emissiepunt stal tot woning in meters (3.117-beoordeling) circa 39 circa 48
Afstand buitenzijde gevel stal tot dichtstbijzijnde buitenzijde gevel woning in meters (3.119beoordeling) circa 32 circa 38
100
50/25
circa 90
circa 86
Aan te houden minimale afstand in meters volgens artikel 3.119 Abm
Geurnorm volgens artikel 3.115 Abm en berekende geurbelasting odeur units per m³ lucht op de woning 8 resp. 0,7
circa 41
50
25
kenmerk Z2021-008888/D2021-227036
pagina 4
Voor de beoordeling van de afstanden en de stalaanduiding is gebruik gemaakt van de plattegrondtekening bij de melding uit 2020. Stal E is in feite het linkerdeel van gebouw E. Er is bij de bepaling van de afstanden van uitgegaan dat de woning na uitbreiding circa 3 meter dichter bij de veehouderij zal zijn gelegen. Dit heeft de gemeente aangegeven.
Toets afstandseis 25 meter (volgens artikel 3.119 Abm) Uit de tabel volgt dat in alle gevallen wordt voldaan aan de minimum afstand van 25 meter van gevel stal tot gevel woning. Toets afstandseis 50 meter (volgens artikel 3.117 Abm) Ligboxenstal B is niet voorzien van mechanische ventilatie. Deze stal wordt natuurlijk geventileerd. Dat heeft tot gevolg dat voor het dichtstbijzijnde emissiepunt van de stal tot de woning aan De Kwakel 10 moet worden uitgegaan van openingen in die stal. Als dichtstbijzijnde emissiepunt van die stal ten opzichte van de woning is de oostelijke toegangsdeur van de stal genomen. Die afstand is circa 42 meter en zal circa 39 meter bedragen als de uitbreiding van de woning wordt gerealiseerd. De afstand is in beide situaties onvoldoende. Voor de bepaling van het dichtstbijzijnde emissiepunt van stal E (wat betreft het vrouwelijke jongvee) tot de woning is uitgegaan van de toegangsdeur van de stal. Dit emissiepunt ligt op circa 51 meter tot de woning, maar na uitbreiding van de woning op circa 48 meter. De afstand wordt daarmee onvoldoende. Stal F ligt op voldoende afstand tot genoemde woning. Toets geurbelasting schapen (volgens artikel 3.115 Abm) Wat betreft de schapen geldt er geen vaste afstandseis van minimaal 50 meter, maar moet de geurbelasting worden berekend met berekeningsprogramma V-stacks.
De geurbelasting uit stal E op de woning aan De Kwakel 10 is berekend op 0,7 odeur units per m³ lucht, terwijl deze maximaal 8 odeur unit per m³ lucht mag zijn. Aan deze norm wordt dus ruimschoots voldaan, zodat geen onaanvaardbare geurhinder van het houden van de schapen optreedt bij genoemde woning. Stand still beginsel Volgens het overgangsrecht van artikel 3.119, eerste lid, onder a Abm hoefde de veehouderij toen deze op 1 januari 2013 van rechtswege (geheel) onder de regels van het Abm kwam te vallen, niet te voldoen aan de minimumafstand van 50 meter tussen dierenverblijf (stal B) voor het melkrundvee en vrouwelijk jongvee tot een geurgevoelig object, nu de revisievergunning uit 2000 een kortere afstand mogelijk maakte. Dit overgangsrecht geldt totdat een wijziging wordt gemeld waarop de artikelen 3.115 tot en met 3.119 Abm van toepassing zijn en daarmee binnen de inrichting meer landbouwhuisdieren per diercategorie worden gehouden, de geurbelasting groter wordt en/of de afstand tot een geurgevoelig object kleiner wordt dan vastgelegd in de eerdere vergunning(en). Voor de veehouderij is een wijziging gemeld op 9 juli 2020 voor het houden van maximaal 55 extra melkkoeien (van 135 naar maximaal 190 stuks) in stal B. Met die wijziging vervalt het overgangsrecht en moet worden voldaan aan onder andere de afstandseis van minimaal 50 meter voor stal B.
De melding van 9 juli 2020 weigeren of niet accepteren voor die 55 extra melkkoeien in stal B vanwege de afstandseis is juridisch gezien niet mogelijk. Wel kan daarop worden gehandhaafd. De revisievergunning van 2000 was ter vervanging van de oprichtingsvergunning (voor onder meer het houden van melkrundvee en vrouwelijk jongvee) uit 1985 en de veranderingsvergunning (voor het houden van varkens) uit 1988. De revisievergunning gaat niet in op eventueel aan te houden afstanden voor stal B die toen nog niet was vergroot. De stal is al in 1977 gebouwd. De oprichtingsvergunning en de
kenmerk Z2021-008888/D2021-227036
pagina 5
veranderingsvergunning zijn opgevraagd bij het streekarchief in Hilversum, maar deze vergunningen zijn niet in het archief terug te vinden. Het is dus niet te achterhalen wat in de considerans van die vergunningen is overwogen over aan te houden afstanden tot woningen van derden. In het jaar van verlening van de oprichtingsvergunning (1985) verscheen de Brochure Veehouderij en Hinderwet die algemeen werd toegepast bij vergunningverlening als toetsingskader voor de aanvaarbaarheid van geur vanuit dierenverblijven bij intensieve veehouderijen. Het houden van melkrundvee (ongeacht de aantallen dieren) werd niet gezien als intensief. In 1996 kwam de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder als opvolger van de brochure. De rechter bepaalde dat de categorie-indeling uit de richtlijn voor de mate van bescherming niet kon worden toegepast bij vergunningverlening. Dit betekende dat werd teruggevallen op de categorie-indeling van de brochure. De richtlijn zorgde er wel voor dat voor melkrundvee een minimumafstand ging gelden van 100 en 50 meter voor respectievelijk omgevingscategorie I/II en III/IV. De van toepassing zijnde categorie werd bepaald aan de hand van het aantal mestvarkeneenheden en de afstandsgrafiek. De omgeving van de inrichting werd aangemerkt als een categorie III-omgeving.
Voor het houden van melkrundvee in een categorie III-omgeving gold dus een afstand van minimaal 50 meter tussen stal en de woning. Mijn inziens is het discutabel of de nadien verleende veranderingsvergunning van 2005 voor de uitbreiding met melkkoeien en vrouwelijk jongvee in ligboxen in de uitbouw van stal B wel verleend had mogen worden vanwege de al bestaande overbelaste situatie. De considerans van de vergunning uit 2005 gaat alleen in op de afstand van de uitbouw van stal B tot genoemde woning. Die afstand bedraagt circa 58 meter, waarbij is geconcludeerd dat aan de 50 meter-eis uit de richtlijn wordt voldaan. Bij verlening van die vergunning had de te korte afstand van het bestaande deel van stal B (dus van vóór de uitbouw) moeten worden betrokken. Het gaat ook om een verandering van de bestaande stal B. Omdat er al sprake was van een overbelaste situatie had de veranderingsvergunning voor de uitbouw met het daarin te houden vee (melkkoeien en jongvee) moeten worden geweigerd, al is die uitbouw op zichzelf beschouwd wel op voldoende afstand gelegen. De vergunning is rechtens verleend en inmiddels komen te vervallen op 1 januari 2013.
De Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) op 1 januari 2007 in werking getreden gold tot 1 januari 2013 voor het bedrijf toen het daarna meldingsplichtig werd en de regels van het Abm voor het houden van landbouwhuisdieren van toepassing werden. De 50 meter-eis is opgenomen in de Wgv met daarbij een soortgelijke stand-still bepaling als in het Abm. Een toename in het aantal dieren waarvoor een minimumafstand geldt, is niet toegestaan volgens artikel 4, derde lid Wgv in de situatie dat de onderlinge afstand tussen een veehouderij (dus niet: dierenverblijf) en geurgevoelig object reeds te klein is. Dat het gaat om de (nb. de gehele inrichting en niet een bepaald deel ervan) is aan de orde gekomen in de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 1 juli 2009 met kenmerk 200805725/1/M2. In de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2013 zijn er geen wijzigingen aangevraagd als voornoemd. Bepaling emissiepunt Voor de bepaling van het emissiepunt moe(s)t volgens de Regeling geurhinder en veehouderij worden uitgegaan van een/het punt waar een relevante hoeveelheid geur buiten het geheel overdekt dierenverblijf wordt gebracht. Voor dieren waarvoor een geuremissiefactor geldt, zoals voor de schapen, wordt het emissiepunt bepaald door het geometrisch gemiddelde van de emissiepunten van het dierenverblijf.
Voor dieren waarvoor een vaste afstand is bepaald, zoals voor melkrundvee en vrouwelijk jongvee, geldt het geometrisch gemiddelde niet. Dan is bepalend het punt waar een relevante hoeveelheid geur buiten het dierenverblijf wordt gebracht. Nu het bedrijf geheel onder de regels van het Abm is komen te vallen is dat niet anders.
kenmerk Z2021-008888/D2021-227036
pagina 6
Mogelijkheden legalisatie gemelde dieren Om te voldoen aan de regels is een optie voor de ligboxenstal B het verplaatsen van het emissiepunt van die stal en wel zodanig dat een onderlinge afstand van ten minste 50 meter ontstaat. Daar middel van mechanische ventilatie (ventilatoren) kan in een stal onderdruk worden gecreëerd. Of dit ook daadwerkelijk in voldoende mate kan worden bereikt in de ligboxenstal is de vraag. Dit vraagt nader onderzoek. Volgens de plattegrondtekening (maar niet als zodanig benoemd in de vergunningaanvraag) is stal B aan de noordzijde voorzien van een open constructie. Wat het effect daarvan is op de luchtcirculatie in de gehele stal is niet uit de gegevens bij de aanvraag te halen. Wat het toepassen van mechanische ventilatie daarin kan doen is eveneens niet bekend. Wat betreft het vrouwelijk jongvee is verplaatsen van het vee uit stal/gebouw E vooralsnog de enige optie om te voldoen aan de 50 meter-eis in de situatie dat de gemeente instemt met de uitbreiding van de woning. Een andere mogelijkheid is het vaststellen van een geurverordening met afwijkende (kortere) afstandseisen ten opzichte van artikel 3.117 Abm. Net als de gemeente(raad) heeft gedaan in 2016 voor bestemmingsplan Overmeer-Z . is dan het resultaat van wat in een gebied of in een specifieke situatie als aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gezien.
Het bestemmingsplan staat uitbreiding van de woning richting de veehouderij toe, maar wat dit doet voor het woon- en leefklimaat blijft in het midden. Ook de beperkingen die dit met zich meebrengt voor de veehouderij zijn niet in het bestemmingsplan vastgelegd. Het vaststellen van die verordening is aan te bevelen en is een reële optie (en wellicht de minst bezwarende) om de gevolgen voor de veehouderij met de korter wordende afstand tussen woning en veehouderij te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De veehouder zal de voorgenomen uitbreiding van de woning logischerwijs willen tegenhouden om de verkleining van de afstand, hoewel het bestemmingsplan uitbreiding van de woning zonder meer mogelijk maakt op kortere afstand. Zijn buren zullen of kunnen het bevoegd gezag (gemeente) wijzen op handhaving van de milieuregels. Een goede motivering voor een kortere aan te houden afstand (minimaal 39 meter) tussen geurgevoelig object en dierenverblijven, voor een nog steeds aanvaardbaar woon- en leefklimaat acht ik wel aanwezig. Het feit dat die buren willen uitbreiden richting de veehouderij kan een aanwijzing zijn dat zij de overbelaste situatie niet daadwerkelijk zo ervaren. Ook past de veehouder beweiding toe, zodat het melkrundvee een groot deel van de tijd niet in de ligboxenstal verblijft. Dit kan bijdragen aan de motivering.
Bij de vaststelling van een kortere afstand moet dan wel worden vastgelegd dat verdere uitbreiding in melkrundvee en vrouwelijk jongvee binnen de inrichting niet mogelijk is (stand still beginsel). Daarnaast is het gewenst zo niet noodzakelijk om beperkingen in het bestemmingsplan op te nemen, zodat daarmee een eventueel verdere uitbreiding van de woning richting de veehouderij in de toekomst wordt voorkomen. Als dit niet wordt geborgd, dan kan het probleem van de te korte afstand opnieuw ontstaan. Artikel 3.118, eerste lid Abm vormt de schakel met de geurverordening genoemd in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij, en het niet hoeven voldoen aan de afstandseis(en) vastgelegd in artikel 3.117 Abm. Eindconclusie Het bestemmingsplan staat uitbreiding van de woning gelegen aan De Kwakel 10 richting het veehouderijbedrijf aan De Kwakel 8 toe. Daarmee wordt de afstand tot het bedrijf korter. Dit legt het bedrijf beperkingen op. Zonder het uitbreidingsplan voor de woning voldoet het bedrijf met een onderlinge afstand van circa 42 meter niet aan die minimumafstand van 50 meter tot stal B. Met de realisatie van het uitbreidingsplan zal de onderlinge afstand 3 meter korter zijn. Daarmee
kenmerk Z2021-008888/D2021-227036
pagina 7
wordt de onderlinge afstand tot stal E ook te kort en wel zo dat het vrouwelijk jongvee daar niet meer kan worden gehuisvest. Oplossingen liggen in het verplaatsen van het emissiepunt van stal B (hoewel de vraag is of dit met voldoende effect realiseerbaar is) en het verplaatsen van vrouwelijk jongvee uit stal E. Een meer voor de hand liggende oplossing die meer recht doet aan de situatie kan worden gevonden in het vaststellen van kortere afstanden door de gemeenteraad in een geurverordening, specifiek toegepast op deze situatie. Het bestemmingsplan behoeft aanpassing om de minimumafstand te borgen.