CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 bij Toelichting Quickscan Flora en Fauna

commissie Ruimte en Economie 27 januari 2021, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Commissievoorstel ontwerpbestemmingsplan 't Laantje 3 en 48.170 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurwaardenonderzoek ‘t Laantje 3 en 4 te Loosdrecht In het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek ‘t Laantje 3-4 te Loosdrecht

In het kader van de Wet natuurbescherming

Uitgevoerd door:

Natuurbank Overijssel

Opdrachtgever: Contactpersoon:

BJZ.NU W. Bekke Twentepoort-Oost 16a 7609 RG Almelo

Projectnummer en versie: 1625, versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Ligging projectgebied: ’t Laantje 3-4 te Loosdrecht

Veldmedewerker(s): P.Leemreise

Status: definitief Rapportdatum: 8-2-2019, geactualiseerd 16-11-2020

Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:

info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700 1

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 1 Inleiding ........................................................................................................................................................... 5 2 Het plangebied ................................................................................................................................................ 6 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 3 Voorgenomen activiteiten............................................................................................................................... 7 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten ....................

7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 7 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 4 Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 9 4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 9 4.3 Natura2000 ............................................................................................................................................ 10 4.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 11 5 Soortenbescherming; het onderzoek ............................................................................................................ 12 5.1 Verwachting en bureauonderzoek .........................................................................................................

12 5.2 Methode ................................................................................................................................................. 12 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 14 5.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 17 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 18 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 20 5.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 20 6 Conclusies ...................................................................................................................................................... 21 Bijlage ............................................................................................................................................................... 22

2

Samenvatting Er zijn concrete plannen voor herontwikkeling van een perceel aan ’t Laantje 3-4 te Loosdrecht. De in het plangebied aanwezige bebouwing, waaronder twee woningen, worden gesloopt om plek te maken voor de bouw van nieuwe woningen. Het definitieve ontwerp voor beide adressen is nog niet gereed, maar ongeacht het definitieve ontwerp is de wens om de bestaande bebouwing te slopen. Omdat negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op beschermde flora- en faunasoorten en beschermd (natuur)gebied op voorhand niet uit te sluiten zijn, is initiatiefnemer verplicht om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten (vooraf) te onderzoeken. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het onderzoeksgebied is op 30 augustus 2019 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied zoals het Natuurnetwerk Nederland en Natura2000.

Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied ligt op enige afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 behoren. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk nestelen er vogels, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de bebouwing. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Beplanting mag alleen gerooid/betreden worden buiten de voortplantingsperiode van vogels. Voor de grondgebonden zoogdier- en/of amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). De gebouwen in het plangebieden vormen een potentiële verblijfplaats voor vleermuizen. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten scherp te krijgen, is nader onderzoek naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen verplicht (art. 1.11). Dergelijk onderzoek is strikt gebonden aan een bepaalde periode in het jaar. Indien vleermuizen een verblijfplaats bezetten in de bebouwing, is een ontheffing vereist om de gebouwen te mogen slopen. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren, niet aangetast.

3

Samenvattende conclusie Het plangebied vormt twee woonerven in een parkachtige omgeving in de kern van Loosdrecht. Het plangebied bestaat uit bebouwing, erfverharding, gazon, bomen, struiken, heesters en sierplanten. De aard van het plangebied en de ligging in stedelijk gebied, maken het plangebied tot een geschikt functioneel leefgebied van sommige algemene- en weinig kritische diersoorten, maar tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Met uitzondering van vleermuizen, vormt het plangebied ook een ongeschikte habitat voor zeldzame- en kritische diersoorten. Voor de in het plangebied voorkomende grondgebonden diersoorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Om de wettelijke consequenties van voorgenomen activiteiten volledig in beeld te krijgen, dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren, niet aangetast.

In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om bij uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden te worden met amfibieën in winterrust. Geadviseerd wordt om beplanting te rooien en het plangebied bouwrijp te maken buiten de winterrustperiode. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is de nazomer (half augustus-eind september).

4

1 Inleiding Er zijn concrete plannen voor herontwikkeling van een perceel aan ’t Laantje 3-4 te Loosdrecht. De in het plangebied aanwezige bebouwing, waaronder twee woningen, worden gesloopt om plek te maken voor de bouw van nieuwe woningen. Het definitieve ontwerp voor beide adressen is nog niet gereed, maar ongeacht het definitieve ontwerp is de wens om de bestaande bebouwing te slopen. Omdat negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op beschermde flora- en faunasoorten en beschermd (natuur)gebied op voorhand niet uit te sluiten zijn, is initiatiefnemer verplicht om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten (vooraf) te onderzoeken. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.

Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000-gebied) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland (Natuurnetwerk Nederland).

5

2 Het plangebied 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd ten noorden van ’t Laantje in Loosdrecht en omvat de percelen ’t Laantje 3 en ’t Laantje 4. Het ligt in de woonkern Loosdrecht en wordt omgeven door stedelijk gebied. Op onderstaande topografische kaart wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met het ovaal aangeduid (bron kaart: PDOK.nl).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt twee woonerven en bestaat uit bebouwing, erfverharding en tuin. In het plangebied staan twee woningen op een ruime kavel. In de tuin van ’t Laantje 4 staat ook nog een houten tuinhuisje. De woningen zijn gebouwd van bakstenen en gedekt met gebakken dakpannen. De woningen beschikken over een beschoten kap en een (geïsoleerde) spouw. De staat van onderhoud van beide woningen is goed; de woningen werden tijdens het veldbezoek bewoond en zijn wind- en waterdicht. De woningen worden omgeven door een siertuin welke bestaat uit gazon, sierplanten, heesters, scheerhaag, struiken en bomen. Vooral ’t Laantje 4 heeft een weelderige tuin die aan de zuid en zuidoostzijde sterk verbost is. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied in detail weergegeven, evenals de begrenzing. Voor een verbeelding van het plangebied wordt naar de fotobijlage verwezen.

Ligging van het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: PDOK).

6

3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Het voornemen is om het plangebied te her-ontwikkelen als woningbouwlocatie. Om dit mogelijk te maken dient de aanwezige bebouwing gesloopt te worden en de aanwezige beplanting gerooid te worden. Op onderstaande afbeelding wordt een verbeelding van de nieuwe situatie op’t Laantje 4 weergegeven. Er was tijdens het opstellen van deze rapportage nog geen uitwerking van ’t Laantje 3 beschikbaar.

Impressie van het mogelijke eindbeeld van ’t Laantje 4.

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • slopen bebouwing (woningen en bijgebouwen); • verwijderen erfverharding; • bouwrijp maken bouwplaatsen; • bouwen woningen en aanleggen erfverharding;

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals het slopen van bebouwing en het bouwen van de nieuwe woningen. Er is geen onderzoek uitgevoerd naar het effect van de emissie van NOx op beschermde Habitattypen en habitat van Habitatsoorten in Natura2000-gebied.

7

Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingslocaties buiten het plangebied.

3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.

8

4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd). 4.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN (voorheen EHS). Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan.

De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Noord-Holland. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v.

het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren liggen op 190 meter afstand van het plangebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

190 meter afstand tussen plangebied en gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren

Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de zwarte cirkel aangeduid. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren, worden met de groene kleur aangeduid (bron: Ruimtelijke plannen).

9

Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Beschermingsregime Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

4.3 Natura2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied behoort niet tot Natura2000. Gronden die tot Natura2000 behoren liggen op minimaal 190 meter afstand van het plangebied. Op onderstaande kaart wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

190 meter afstand tussen plangebied en gronden die tot Natura2000 behoren.

Ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied. Gronden die tot Natura2000 behoren worden met de blauwe kleur aangeduid. De globale ligging van het plangebied wordt met de zwarte cirkel aangeduid (bron: PDOK).

10

Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’.

Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Bepalen vergunningplicht [1] Wet natuurbescherming en benodigde depositieruimte Als een activiteit stikstofdepositie veroorzaakt op een PAS-gebied dient de initiatiefnemer van de activiteit te onderzoeken of de activiteit vergunningsplichtig is onder het PAS. Dit is geregeld onder de Regeling programmatische aanpak stikstof. Om te bepalen of een activiteit vergunningplichtig is, of de uitzondering op de vergunningplicht van toepassing is, moet een enkelvoudige berekening in AERIUS Calculator worden uitgevoerd door een initiatiefnemer. Alleen indien vergunningplicht of meldingsplicht aan de orde is wordt vervolgens een tweede berekening uitgevoerd in AERIUS Calculator om de hoeveelheid benodigde depositieruimte te bepalen (verdieping: https://www.bij12.nl/onderwerpen/programma-aanpakstikstof/vergunningen-en-meldingen/vergunning-aanvragen-of-vergunningvrij/) Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal.

Uitvoering van de voorgenomen fysieke activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen zoals vastgesteld voor Natura2000. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties.

4.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000. In verband met de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hebben de voorgenomen activiteiten geen wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura2000.

11

5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied bestaat uit een deel van een agrarisch erf. De voorgenomen activiteiten bestaan uit het slopen van twee varkensstallen en de bouw van een woning op de slooplocatie. Ervaring heeft geleerd dat dergelijke plangebieden doorgaans niet tot het functionele leefgebied van bijzondere- en/of zeldzame dieren behoren. Beschermde plantensoorten ontbreken op dergelijke erven. Afhankelijk van de bouwstijl en staat van onderhoud en het beheer van het omringende erf, behoort het plangebied tot het functionele leefgebied van: • vleermuizen (gebouwbewonende soorten); • grondgebonden zoogdieren (diverse soorten); • amfibieën (diverse soorten); Overige soortgroepen Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, vissen, dag- en nachtvlinders, haften (oeveraas), kreeftachtigen (Europese rivierkreeft) en beschermde plantensoorten zoals bladmossen, sporenplanten (kleine vlotvaren). Het plangebied vormt geen geschikte habitat voor deze soorten of het plangebied ligt buiten het normale verspreidingsgebied van voorgenoemde soorten. Het is niet aannemelijk dat soorten die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en reptielen.

5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 30 augustus 2018 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x60), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog;1 • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Onbewolkt, droog, temperatuur 22⁰C, wind 1-2 Bft. Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat vogels in deze tijd van het jaar doorgaans geen bezet nest hebben. De enige vogelsoorten die mogelijk nog een bezet nest hebben in deze periode in het jaar zijn Turkse tortel, holenduif en houtduif.

De meeste standvogels bevinden zich doorgaans in de omgeving van de broedplaats, maar de meeste trekvogels hebben de broedplaats al verlaten en zijn vertrokken naar zuidelijkere oorden. 1

Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. 12

In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, ruiveren (roofvogels), braakballen (roofvogels en uilen), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken, bouwstijl, gebruikte materialen en staat van onderhoud kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar deze dieren, maar ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren hebben doorgaans geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Alle vleermuissoorten bezetten de zomerverblijfplaats(en) in deze tijd van het jaar.

De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar zomerverblijfplaatsen (inclusief paarverblijfplaatsen), maar ongeschikt voor onderzoek naar kraamkolonies en winterverblijven van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen. Er is o.a. gezocht naar sporen die op de aanwezigheid van een rust- of verblijfplaats duiden, zoals uitwerpselen en prooiresten. De geschiktheid van de bebouwing als verblijfplaats voor vleermuizen is onder andere beoordeeld op basis van bouwstijl, gebruikte bouwmaterialen en de staat van onderhoud. Bij mogelijke invliegopeningen is gekeken naar sporen die op het gebruik van de invliegopening duiden, zoals veegstrepen, afwezigheid van spinrag en uitwerpselen op de buitenmuur of op de grond. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Alle amfibieënsoorten hebben in deze tijd van het jaar de winterrustplaats verlaten en bezetten een zomerverblijfplaats of voortplantingslocatie.

Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

13

5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Het onderzoeksgebied behoort niet tot de groeiplaats van beschermde plantensoorten. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van vogels. Vogels benutten de buitenruimte in het plangebied als foerageergebied en het is aannemelijk dat vogels in de bomen, struiken, klimop en dichte vegetatie op de grond nestelen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vogels in de bebouwing nestelen. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn houtduif, Turkse tortel, merel, zanglijster, winterkoning, heggenmus, roodborst, groenling, gaai, vink, tjiftjaf, zwartkop, koolmees en pimpelmees. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen in het plangebied waargenomen en het plangebied wordt als een weinig geschikte habitat voor huismussen beschouwd. De beide woningen liggen vrij besloten, te midden van een parkachtige tuin met gazon, borders met sierplanten en opgaande bomen en struiken. Een dergelijk habitat vorm niet het optimale biotoop voor de huismus.

Ook worden de gebouwen als een ongeschikte nestplaats voor de gierzwaluw beschouwd. Er zijn in het plangebied geen aanwijzingen gevonden dat de ransuil of sperwer er een rust- en/of nestplaats bezet. Door het rooien van beplanting (incl. klimop aan tuinhuisje) tijdens de voortplantingsperiode worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield met als gevolg dat eieren beschadigd of vernield worden en dat (jonge) vogels verwond of gedood worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting; (incl. klimop); Grondgebonden zoogdieren Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdieren beschouwd. Beschermde grondgebonden zoogdiersoorten die mogelijk in het plangebied voorkomen zijn huisspitsmuis, bosmuis, rosse woelmuis, gewone bosspitsmuis, egel, steenmarter, bunzing en vermoedelijk das.

Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten soorten als huisspitsmuis, bosmuis, rosse woelmuis, gewone bosspitsmuis en egel er ook een rust- en/of voortplantingslocatie. Deze soorten kunnen een rust- en/of voortplantingslocatie bezetten in gaten en holen in de grond, onder groen(afval), takkenbossen, strooisel, bladeren, opgeslagen goederen en in gebouwen (zoals het houten tuinhuisje). Er zijn in het plangebied geen aanwijzingen gevonden dat de steenmarter of eekhoorn een rust- of voortplantingslocatie in het plangebied bezet. De das bezet een vaste rust- en/of voortplantingsplaats net ten noorden van het plangebied. Door het slopen van bebouwing, het rooien van beplanting en het bouwrijp maken van het plangebied worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond of gedood en wordt een rust- en/of voortplantingslocatie van een beschermd grondebonden zoogdier in het plangebied beschadigd en vernield. Er wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier buiten het plangebied beschadigd of vernield (zoals de dassenburcht). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor een aantal beschermde grondgebonden zoogdiersoorten af.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting; - Slopen houten tuinhuisje; - Bebouwen plangebied; 14

Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden die op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in het plangebied duiden. De gebouwen in het plangebied beschikken over een (holle) spouw en in beide woningen zijn open stootvoegen en spleten tussen buitenmuur en overstek waargenomen die vleermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten in de gebouwen. Er zijn geen andere potentiële verblijfplaatsen, zoals holle ruimtes achter gevelbetimmeringen, vensterluiken, windveren of loodslabben in het plangebied waargenomen. Soorten die mogelijk een verblijfplaats in de woningen in het plangebied bezetten zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis. De open stootvoegen, hoog in de buitengevel, lijken een optimale invliegopening voor de laatvlieger. Deze soort heeft een voorkeur voor relatief warme verblijfplaatsen en bezet vaak een verblijfplaats hoog in de gevel of het dakvlak. Vleermuizen kunnen de gebouwen benutten als zomer-, winter- en kraamverblijfplaats.

Open stootvoegen in de buitengevels van beide woningen. Alle gebouwen in het plangebied worden beschouwd als een potentiële verblijfplaats voor vleermuizen.

De aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in de te slopen gebouwen kan door het uitvoeren van een visuele inspectie niet uitgesloten worden. Door het slopen van de gebouwen worden mogelijk vleermuizen verstoord, verwond en gedood en worden mogelijk verblijfplaatsen beschadigd en vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing (gedurende het gehele jaar). Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als foerageergebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vleermuizen foerageren vermoedelijk rond de randen en kronen van de bomen en struiken in het plangebied en vliegen over het plangebied terwijl ze foerageren rond de randen en kronen van bomen die net buiten het plangebied staan. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is zeer bepekt en vormt geen essentieel foerageergebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de betekenis van het plangebied als foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. 15

Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en vormt daarom geen onderdeel van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot het aantasten van een vliegroute van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt landhabitat voor sommige algemene- en weinig zeldzame amfibieënsoorten als gewone pad, meerkikker, bastaardkikker, bruine kikker en kleine watersalamander beschouwd. Gelet op de aard van het plangebied en de ligging t.o.v.

bestaande populaties, wordt het plangebied als een ongeschikt functioneel leefgebied van zeldzame- en/of kritische amfibieënsoorten als rugstreeppad en poelkikker beschouwd. Amfibieën benutten het plangebied vermoedelijk als foerageergebied en bezetten er (winter)rustplaatsen. Amfibieën kunnen een winterrustplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder groen, afval, bladeren en strooisel en opgeslagen goederen (zoals houtstapels). Soorten als gewone pad en bruine kikker staan er ook om bekend om toegankelijke gebouwen (of andere bouwwerken) te benutten als winterrustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Door het rooien van beplanting, het slopen van het tuinhuisje en het bouwrijp maken van het plangebied, worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting; - Bouwrijp maken plangebied; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

16

5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en de vaste voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten opzettelijk beschadigen of vernielen, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Noord-Holland van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten.

Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.

17

5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het rooien en betreden van opgaande beplanting en dichte vegetatie tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van bezette nesten (eieren) of het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september2-februari. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied foeragerende soorten niet beschermd. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - beplanting rooien/betreden buiten de voortplantingsperiode; Vleermuizen Verblijfplaatsen Door het slopen van de gebouwen worden mogelijk vleermuizen verstoord, verwond en gedood en worden mogelijk verblijfplaatsen beschadigd en vernield. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden.

Omdat de aanwezigheid van een verblijfplaats, zonder specifiek onderzoek niet kan worden uitgesloten, is nader onderzoek verplicht conform art. 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten m.b.t. vleermuizen vast te kunnen stellen is nader onderzoek vereist. Dit nader onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol en bestaat uit een aantal bezoeken aan het plangebied in de periode juni-september. Aan de hand van het nader onderzoek kan worden bepaald òf vleermuizen een verblijfplaats in het plangebied bezetten, welke soort of soorten er een verblijfplaats bezetten, hoeveel dieren gebruik maken van de verblijfplaats en welke functie de verblijfplaats voor vleermuizen heeft. Zonder deze detailinformatie kan geen ontheffing aangevraagd worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - nader onderzoek verplicht naar de functie van bebouwing in het plangebied voor vleermuizen; Foerageergebied Door uitvoering van de voorgenomen plannen wordt het foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen

2

Hout- en holenduiven kunnen tot eind oktober bezette nesten hebben. 18

Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes3 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van een rust- en voortplantingslocatie’ (of de soort is niet beschermd zoals de mol, huismuis, bruine rat). De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. De das staat vermeld op de lijst van Nationaal beschermde diersoorten. De das mag niet gedood worden en de vaste rust- en voortplantingsplaats (burcht) mag niet beschadigd of vernield worden.

De burcht mag wel verstoord worden als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Het foerageergebied en looproutes zijn niet beschermd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield. Voor de amfibieënsoorten die in het plangebied voorkomen geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

In het kader van de zorgplicht dient rekening gehouden te worden met aanwezige amfibieën in winterrust. Om geen amfibieën in winterrust te verwonden of te doden, wordt geadviseerd om het tuinhuisje te slopen, beplanting te rooien en het plangebied bouwrijp te maken buiten de winterrustperiode. De meest geschikte periode om voorgenoemde werkzaamheden uit te voeren is de periode 15 augustus-1 oktober. In deze periode nestelen of waarschijnlijk ook geen vogels meer in de beplanting. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; wel geldt de zorgplicht. Overige soorten

3

Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waarlangs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 19

Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde planten- of diersoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen*

aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren; foerageergebied Grondgebonden zoogdieren; rust- en voortplantingslocaties

Diverse soorten

Geen

Vogels; foerageergebied

Diverse soorten

Vogels; bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Vogels; bezette nesten (jaarrond beschermd) Vleermuizen; verblijfplaats

div. soorten

Niet van toepassing, functie is niet beschermd Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling of de soort is niet beschermd ( huismuis, mol, bruine rat) Niet van toepassing, functie is niet beschermd Art. 3.1 lid 1, 3.1 lid 2.

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Mogelijk diverse gebouwbewonende soorten Mogelijk diverse soorten

Art. 3.5 lid 1, lid 2, lid 4

Vleermuizen; foerageergebied Vleermuizen; vliegroute Amfibieën; voortplantingsbiotoop Amfibieën; (winter)rustplaats en foerageergebied Overige soorten

Diverse soorten

Niet aanwezig Niet aanwezig Diverse soorten Niet aanwezig

Niet van toepassing, functie en betekenis wordt niet aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing Vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling. Niet van toepassing

Geen

Geen Beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode Geen Nader onderzoek verplicht conform art. 1.11 Wnb (zorgplicht) Geen Geen Geen Zorgplicht Geen

Samenvatting van de wettelijke consequenties.

5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

20

6 Conclusies De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten4 geldt in Noord-Holland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk nestelen er vogels, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de bebouwing.

In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Beplanting mag alleen gerooid/betreden worden buiten de voortplantingsperiode van vogels. Voor de grondgebonden zoogdier- en/of amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). De gebouwen in het plangebieden vormen een potentiële verblijfplaats voor vleermuizen. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten scherp te krijgen, is nader onderzoek naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen verplicht (art. 1.11). Dergelijk onderzoek is strikt gebonden aan een bepaalde periode in het jaar. Indien vleermuizen een verblijfplaats bezetten in de bebouwing, is een ontheffing vereist om de gebouwen te mogen slopen.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren, niet aangetast. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om bij uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden te worden met amfibieën in winterrust. Geadviseerd wordt om beplanting te rooien en het plangebied bouwrijp te maken buiten de winterrustperiode. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is de nazomer (half augustus-eind september). Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan de wettelijke consequentie van de voorgenomen activiteiten niet volledig in beeld gebracht worden. In het kader van de zorgplicht is nader onderzoek naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen verplicht. Vanwege de lokale invloedsfeer en de ligging buiten beschermd (natuur)gebied, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

4

Zie bijlage 2 van dit rapport 21

Bijlage Bijlage 1. De natuurkalender Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:

22

Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -

-

Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk.

23

Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Floraen faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.

Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

24

Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9570428/1