Bijlage 7 Nader onderzoek marterachtigen en teunisbloempijlstaart
Tekst van het document
Nader onderzoek marterachtigen en teunisbloempijlstaart In het kader van de Omgevingswet en activiteiten die de natuur betreffen Plangebied: Dennenlaan, Loosdrecht Opsteller(s): N.M. Roozen
Colofon Plangebied
Dennenlaan, Loosdrecht
Opsteller(s)
N.M. Roozen
Datum
15-1-2026
Versienummer
01
Rapportkenmerk
ER20250063NOv01
Aantal pagina’s
21
Opdrachtgever
Gooi en Omstreken
Contactpersoon
H. van Duuren
Kwaliteitscontrole
G.S. Posthuma
Projectleider
P. ten Broeke
Wijze van citeren
Roozen, N.M., 2026. Nader onderzoek marterachtigen en teunisbloempijlstaart. In het kader van de Omgevingswet en activiteiten die de natuur betreffen. Plangebied: Dennenlaan, Loosdrecht. Kenmerk: ER20250063NOv01. Ecoresult B.V.,
Ecoresult B.V. 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl
Hendrik-Ido-Ambacht. Hoofdvestiging Hendrik-Ido-Ambacht (postadres) Kringloopweg 22 3343 LR Hendrik-Ido-Ambacht Vestiging Veenendaal Lunet 2-8 3905 NW Veenendaal
Ecoresult B.V. is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, de branchevereniging voor ecologisch advies en onderzoek.
© copyright Ecoresult B.V. 2026 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.
Samenvatting In het kader van de werkzaamheden is er nader onderzoek naar marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) en teunisbloempijlstaart uitgevoerd in het plangebied: Dennenlaan, Loosdrecht. Uit de resultaten blijkt dat marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) en
de
nachtvlindersoort teunisbloempijlstaart afwezig is binnen het plangebied. Individuen worden niet verstoord en essentieel leefgebied/voortplantingsplaatsen worden niet aangetast. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Het treffen van maatregelen ten behoeve van algemene broedvogels en specifieke zorgplicht is daarentegen wel noodzakelijk. Deze maatregelen zijn beschreven in hoofdstuk 6. Deze maatregelen en eventuele passende maatregelen dienen nader uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol.
3
Inhoudsopgave Samenvatting
3
1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Onderzoeksvragen
6
1.3 2
3
4
5
Leeswijzer
6
Omschrijving plangebied
7
2.1
Algemeen
7
2.2
Beschrijving
7
2.3
Geplande ingrepen
8
2.3.1
Omschrijving werkzaamheden
8
2.3.2
Methode uitvoering: materieel en werkwijze
8
2.3.3
Werkplanning, werktijden en realisatieperiode
9
2.3.4
(Ontwerp)tekening
9
Onderzoek beschermde soorten
10
3.1
Algemeen
10
3.2
Marterachtigen
10
3.2.1
Protocol
10
3.2.2
Onderzoeksmomenten
10
3.2.3
Onderzoeksmaterialen
11
3.2.4
Methodiek en verantwoording onderzoek
11
3.3
Teunisbloempijlstaart
12
3.3.1
Protocol
12
3.3.2
Onderzoeksmomenten
12
3.3.3
Methodiek en verantwoording onderzoek
13
3.4
Specifieke zorgplicht soorten
13
Resultaten nader onderzoek
14
4.1
Marterachtigen
14
4.2
Teunisbloempijlstaart
14
4.3
Algemene broedvogels en Categorie 5 soorten
14
4.4
Specifieke zorgplicht soorten
14
Effectbeoordeling
15
5.1
Nationaal beschermde soorten
15
5.1.1
Marterachtigen
15
5.1.2
Teunisbloempijlstaart
15
5.2
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit
6
7
15
Vervolgstappen
16
6.1
Beschermde waarden en vervolgstappen
16
6.2
Overige (algemene) broedvogels
16
6.3
Specifieke zorgplicht soorten
16
Conclusies
Ecoresult B.V. januari 2026
18
4
8
Geraadpleegde bronnen
19
8.1
Literatuur
19
8.2
Internet
19
Ecoresult B.V. januari 2026
5
1
Inleiding
1.1
Aanleiding In opdracht van Gooi en Omstreken heeft Ecoresult B.V. een nader onderzoek uitgevoerd in het plangebied: Dennenlaan, Loosdrecht. De aanleiding van dit verzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied (zie verder paragraaf 2.3). Uit een verkennend veldonderzoek uitgevoerd door Ecoresult B.V. in 20251 is gebleken dat in de woningen potenties aanwezig zijn voor voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) en teunisbloempijlstaart. Zodoende was nader onderzoek noodzakelijk om te vast te stellen of deze soorten inderdaad aanwezig zijn en zo ja, hoe in het kader van de Omgevingswet gehandeld dient te worden. In voorliggende rapportage worden de onderzoeksresultaten beschreven. De resultaten van voorliggende rapportage zijn drie jaar geldig vanaf het laatst uitgevoerde veldbezoek voor een betreffende soort en functie. Als de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen of als de gegevens ouder zijn dan drie jaar, dient het onderzoek te worden geactualiseerd.
1.2
Onderzoeksvragen In het onderzoek worden 6 onderzoeksvragen beantwoord: 1.
Zijn marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) en teunisbloempijlstaart aanwezig?
2.
Welke functie(s) heeft het object of het gebied voor marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) en teunisbloempijlstaart?
3.
Blijft de functionaliteit van de voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en/of het essentiële functionele leefgebied behouden?
4.
Is een vergunning op grond van de Omgevingswet noodzakelijk?
5.
Welke eigenschappen van het object of gebied moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden?
6.
Zijn er nog overige natuurwaarden aanwezig die bescherming genieten onder de specifieke zorgplicht voor soorten?
1.3
Leeswijzer In deze rapportage worden allereerst het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna volgt een beschrijving van de werkwijze van het onderzoek, de resultaten van het onderzoek en een effectenbeoordeling van de geplande werkzaamheden. Aansluitend wordt beschreven welke vervolgstappen genomen dienen te worden om negatieve effecten te voorkomen of te verminderen. Er wordt afgesloten met de conclusies.
1
Hagen, 2025
Ecoresult B.V. januari 2026
6
2
Omschrijving plangebied
2.1
Algemeen Het plangebied omvat een braakliggend terrein tussen de straten Dennenlaan en Rading, binnen de bebouwde kom van Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, provincie Noord-Holland (zie Figuur 1).
Figuur 1: Ligging plangebied, voor regionale ligging zie kaartinzet rechtsboven. Kaartbron: OpenStreetMap.
2.2
Beschrijving Plangebied •
Het plangebied bestaat uit een braakliggend terrein met delen met sloopafval (puinhopen), enkele bomen en verschillende vaatplantsoorten welke een pioniersvegetatie vormen.
•
De grond is deels verhard door middel van betonplaten. Te midden van het plangebied zit ook een waterafvoer en een put.
•
Bebouwing binnen het plangebied is reeds gesloopt en ten tijde van het veldbezoek daarom afwezig. o
Grenzend aan het plangebied is bebouwing aanwezig in de vorm van loodsen en schuren. De schuur aan de westkant heeft wijkende boeiborden welke toegang geven tot achterliggende ruimtes.
o
In de loods aan de noordgrens van het plangebied zijn openingen in de gevels vastgesteld, daar waar de houten dak betimmering is afgebroken.
•
In het noordoostelijke deel van het plangebied liggen verschillende hopen met puin. Het puin bestaat uit gesloopt gesteente, hout (snoeiafval, takken) en er zijn twee zandhopen. De hopen zijn op sommige plekken meer dan een meter hoog, en er zijn verschillende toegankelijke holtes geconstateerd.
•
Er zijn verschillende bomen aanwezig binnen het plangebied. In geen van de bomen zijn holtes, gaten, kieren, loshangend schors, afgebroken takken of takkennesten aangetroffen. o
In het noorden van het plangebied staat een taxus van ongeveer tien meter hoog. Er zijn in deze boom geen holtes of nesten.
Ecoresult B.V. januari 2026
7
o
Er staat een es en een paar eiken aan de zuidoostelijke grens van het plangebied. De bomen zijn nog niet volwassen. Deze bomen bevatten geen gaten of holtes.
o
In het zuidwesten van het plangebied staan op de grens een aantal volwassen bomen waaronder beuken en een paardenkastanje. De paardenkastanje heeft een dicht struweel groeiend rond de stam.
•
Het plangebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van verschillende vaatplanten welke samen een pioniersvegetatie vormen. Er zijn tijdens het veldbezoek onder andere hoge dichtheden van grote teunisbloem aangetroffen.
•
Het plangebied is onverlicht; straatverlichting is afwezig. Enkel voor de tiny houses ten zuiden van het plangebied, staat straatverlichting.
•
Open water is binnen de grenzen van het plangebied afwezig. Er was tijdens het veldbezoek ook geen indicatie op langdurige aanwezige, langzaam opdrogende poelen.
Nabije omgeving van het plangebied: •
Het plangebied bevindt zich aan de rand van de bebouwde kom van Loosdrecht. Ten oosten van het plangebied bevinden zich achter de weg, een bomenkwekerij.
•
Ten zuiden staan tiny houses en rijwoningen.
•
In overige windrichtingen bevinden zich bedrijventerreinen.
2.3
Geplande ingrepen
2.3.1
Omschrijving werkzaamheden Het plangebied zal herontwikkeld worden. Dit houdt in ieder geval in: •
Het bouwrijp maken van het plangebied.
•
Het verwijderen en opschonen van het groen binnen het plangebied. Dit betreft ook het kappen van bomen.
•
Realisatie van nieuwbouw: 8 rijwoningen en een appartementengebouw met 21 woningen.
o Daarbij behorende aanleg van infrastructuur. 2.3.2
Methode uitvoering: materieel en werkwijze Per fase start de bouw nadat het (deel)plangebied bouwrijp is gemaakt. Bij het bouwrijp maken (slopen woningen/bergingen, waar nodig verwijderen van bomen, heggen en struiken, grondwerkzaamheden, aanleg bouwwegen). De bouwwerkzaamheden bestaan in hoofdzaak uit: •
Heien paalfundering;
•
bouwen/ monteren casco (wanden, vloeren, gevels, dak); gebruik bouwsteigers, mobiele kranen e.d.;
•
installaties en afbouw;
•
herinrichten openbaar gebied, waaronder straten, fiets- en voetgangersvoorzieningen, parkeerplaatsen, openbaar groen, hagen als afscheiding van privé tuinen met het openbaar gebied; werkzaamheden worden met het nodige (zwaar) materieel uitgevoerd;
•
tijdens de werktijden is de bouwplaats voor zonsopgang en na zonsondergang verlicht met bouwlampen; buiten de werktijden is de bouwplaats na zonsondergang tot voor zonsopgang in het kader van veiligheid spaarzaam verlicht.
Ecoresult B.V. januari 2026
8
2.3.3
Werkplanning, werktijden en realisatieperiode Een gedetailleerde planning is nog niet beschikbaar. Het voornemen is de werkzaamheden in 2026 te starten. Een doorlooptijd van de werkzaamheden is nog niet bekend. De planning is deels afhankelijk van de conclusies uit voorliggende rapportage.
2.3.4
(Ontwerp)tekening Een ontwerptekening van de nieuwe situatie is reeds niet beschikbaar.
Ecoresult B.V. januari 2026
9
3
Onderzoek beschermde soorten
3.1
Algemeen Het onderzoek is uitgevoerd volgens de voor die soort(groep)en geldende standaarden. De inventarisatie blijft een steekproef, waardoor het mogelijk is dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Omgevingswet vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is hieraan invulling gegeven. Onderzoeksgegevens zijn geregistreerd met WrnPro. Bij elk veldbezoek zijn de weersgegevens, datum en start- en eindtijd geregistreerd. Per soortgroep is binnen WrnPro een specifiek protocol beschikbaar waardoor waarnemingen op een uniforme manier zijn ingevoerd. De exacte locatie, de soort, het aantal individuen, het gedrag, het type verblijfplaats, aanwezige sporen en een opmerking zijn geregistreerd (voor zover van toepassing voor de waarneming).
3.2
Marterachtigen
3.2.1
Protocol Het onderzoek naar aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van marterachtigen ( bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) is uitgevoerd op basis van de condities en methodiek van het Kennisdocument Kleine marterachtigen2 en het document ‘Handreiking kleine marters in relatie tot soortenbescherming van de provincie Noord-Brabant’3. In de periode tussen 15 augustus en 3 november zijn diverse modellen cameravallen geplaatst in het plangebied. Deze cameravallen hebben ten minste 8 weken in het plangebied opnames gemaakt. Op 15 september zijn de camera’s verplaatst.
3.2.2
Onderzoeksmomenten In Tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de onderzoeksmomenten, weersomstandigheden en betrokken ecologisch deskundigen tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken.
2 3
Anoniem, 2024. Kennisdocument Kleine marterachtigen. BIJ12 Bouwers, S., 2017. Handreiking kleine marters Noord-Brabant.
Ecoresult B.V. januari 2026
10
3.2.3
Onderzoeker
Type onderzoek
Datum
Onderzoeksronde
Tabel 1: Onderzoeksmomenten marteronderzoek en weergegevens met eigen waarnemingen in het veld.
1
15-08-2025
Plaatsen cameravallen + onderzoek sporen
1
2
15-09-2025
Controle/verplaatsen cameravallen + sporenonderzoek
1
3
03-11-2025
Opruimen cameravallen + sporenonderzoek
1
Onderzoeksmaterialen Het onderzoek naar marterachtigen is uitgevoerd met behulp van diverse modellen cameravallen. De volgende materialen zijn gebruikt tijdens het onderzoek:
3.2.4
•
1x Mostela + Browning wildcamera,
•
1x Struikrover + Browning wildcamera,
•
1x Browning wildcamera’s van het Model BTC-7E-HP5 in metalen behuizing,
•
Lokstoffen: vis in blik (tonijn).
Methodiek en verantwoording onderzoek Het onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van marterachtigen (bunzing hermelijn, steenmarter en wezel) binnen het plangebied is uitgevoerd conform de condities en methodiek van het meest actuele kennisdocument Kleine Marterachtigen4. Om vast te stellen of bovengenoemde soorten gebruik maken van het plangebied zijn totaal 3 camera’s geplaatst op de meest kansrijke locaties (in dicht struweel, langs een gebouw/hek etc.). De wildcamera’s hebben gedurende ruim 11 weken opnames gemaakt in het plangebied. Tussentijds zijn de camera’s verplaatst om het aantal meetpunten te verdubbelen en de trefkans te vergroten. Daarmee bestaat het totaal aantal meetpunten uit: 3 x 2 = 6 meetpunten. In de Mostela en voor de struikrover/wildcamera zijn lokstoffen (tonijn in blik) geplaatst om de trefkans te vergroten. Volgens deze kennisdocumenten dient er per 0,25 hectare geschikt leefgebied één cameraval te worden geplaatst. De totale oppervlakte van het plangebied bestaat uit ca. 3.000 m² (0.3 hectare). Hieruit kan worden opgemaakt dat er minimaal 1 meetpunt noodzakelijk is. Met 6 meetpunten is er voldaan aan de nodige onderzoeksinspanning. De locaties van de cameravallen zijn weergegeven Figuur 2.
4
Anoniem, 2024. Kennisdocument Kleine Marterachtigen.
Ecoresult B.V. januari 2026
11
Figuur 2. De locaties van de gebruikte cameravallen binnen het plangebied aangegeven per periode (periode 1: 15-08-2025 t/m 15-09-2025 en periode 2: 15-09-2025 t/m 03-11-2025.
3.3
Teunisbloempijlstaart
3.3.1
Protocol Het nader onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van teunisbloempijlstaart is uitgevoerd in de meest optimale periode (tussen begin juli en begin augustus) om de aanwezigheid van de soort vast te stellen. Er zijn 3 bezoeken uitgevoerd waarvan 2 in de maand juli plaatsvonden en 1 bezoek tussen 1 en 15 augustus. De methode waarin onderzoeksinspanning en -periode is bepaald is afkomstig van de Vlinderstichting, zie hoofdstuk 3.3.3.
3.3.2
Onderzoeksmomenten In Tabel 2 wordt een overzicht gegeven van de onderzoeksmomenten, weersomstandigheden en betrokken ecologisch deskundigen tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken.
Ecoresult B.V. januari 2026
12
1
30-07-2025 Voortplantings- & vaste rust- en verblijfplaatsen 2 31-07-2025 Voortplantings- & vaste rust- en verblijfplaatsen 3 15-08-2025 Voortplantings- & vaste rust- en verblijfplaatsen
3.3.3
Neerslag (mm)
Temperatuur (°C)
Onderzoeker
Moment
Type onderzoek
Datum
Onderzoeksronde
Tabel 2: Onderzoeksmomenten teunisbloempijlstaartonderzoek en weergegevens met eigen waarnemingen in het veld.
14:00 – 15:00
1
22
Nee
15:53 – 16:17
1
22
Nee
17:00 – 18:00
1
21
Nee
Methodiek en verantwoording onderzoek Voor het onderzoek is de aandacht hoofdzakelijk uitgegaan naar geschikte waardplanten binnen en direct rondom het plangebied. De waardplanten van de teunisbloempijlstaart zijn: 1.
Teunisbloem spec. (Oenothera spec.)
2.
Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum)
3.
Basterdwederik (Epilobium spec.)
Tijdens de onderzoeken heeft 1 onderzoeker met ervaring met teunisbloempijlstaart alle geschikte waardplanten onderzocht op de aanwezigheid van rupsen. Hierbij is tevens gelet op vraatsporen en uitwerpselen. De onderzoek momenten zijn uitgevoerd met hoge temperaturen (minimaal 18°C) en zon. In het plangebied waren tijdens de onderzoeken maar een beperkt aantal waardplanten aanwezig. Dit tezamen met de geringe grootte van het terrein, maakt dat bij elke onderzoeksronde alle waardplanten ten minste één keer zijn onderzocht op aanwezigheid van individuen en sporen van teunisbloempijlstaart. Het lopen van een bepaalde route was hier niet noodzakelijk.
3.4
Specifieke zorgplicht soorten Tijdens het onderzoek naar bovengenoemde soorten is ook gelet op aanwezigheid van soorten die genieten van de specifieke zorgplicht.
Ecoresult B.V. januari 2026
13
4
Resultaten nader onderzoek
4.1
Marterachtigen In onderstaand figuur worden de waarnemingen van het cameraonderzoek weergegeven. In totaal zijn er 1076 opnames gemaakt. Er zijn geen marterachtigen (hermelijn, bunzing, wezel en steemarter) geregistreerd. Een aantal soorten welke wel zijn waargenomen zijn bijvoorbeeld vos en huisspitsmuis. Tabel 3: Waarnemingen van het cameraonderzoek in de gehele onderzoeksperiode. De waarnemingen zijn weergegeven in aantal opnames per soort, per camera. 15-08-2025 t/m 03-11-2025
Mostela
Struikrover
Wildcamera
Gewone bosmuis
6
21
10
Huisspitsmuis
209
821
Huiskat Koolmees
3 2
Vos Zanglijster
4.2
2 2
Teunisbloempijlstaart Tijdens de bezoeken ten behoeve van teunisbloempijlstaart zijn er geen rupsen of uitwerpselen of vraatsporen van rupsen, dan wel imago’s waargenomen in en direct rondom het plangebied. Op basis hiervan is de soort derhalve afwezig in en direct rondom het plangebied.
4.3
Algemene broedvogels en Categorie 5 soorten Tijdens het onderzoek zijn binnen en rondom het plangebied geen waarnemingen verricht van algemene broedvogels en Categorie 5 soorten.
4.4
Specifieke zorgplicht soorten Tijdens het onderzoek zijn binnen en rondom het plangebied geen waarnemingen verricht van soorten die vallen onder de specifieke zorgplicht.
Ecoresult B.V. januari 2026
14
5
Effectbeoordeling
5.1
Nationaal beschermde soorten
5.1.1
Marterachtigen Binnen en grenzend aan het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) aanwezig. Negatieve effecten zijn derhalve uitgesloten. Het aanvragen van een vergunning op grond van de Omgevingswet met betrekking tot marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) of het treffen van aanvullende maatregelen is niet nodig.
5.1.2
Teunisbloempijlstaart Binnen en grenzend aan het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van teunisbloempijlstaart aanwezig. Negatieve effecten zijn derhalve uitgesloten. Het aanvragen van een vergunning op grond van de Omgevingswet met betrekking tot teunisbloempijlstaart of het treffen van aanvullende maatregelen is niet nodig.
5.2
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (of een vrijstelling) kan uitsluitend worden verleend, als voldaan is aan drie cumulatieve voorwaarden. Een uitgebreidere uiteenzetting van de voorwaarden is opgenomen in Bijlage 1: •
Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie).
•
Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie).
•
Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving.
Dit
kan
worden
voorkomen
door
het
treffen
van
voldoende
mitigerende/compenserende maatregelen. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is noodzakelijk voor soorten die onder de bescherming vallen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of nationaal beschermde soorten. Soorten die onder de specifieke zorgplicht vallen zijn niet vergunningplichtig. Om te beoordelen of aan deze voorwaarden wordt voldaan zal een toetsing van de belangen en de alternatieven plaatsvinden en een ecologische toetsing. De richtlijn voor het behandelen van een aanvraag bedraagt 8 weken met de mogelijkheid om dit eenmalig te verlengen met 6 weken. In de praktijk wordt hier soms (sterk) van afgeweken.
Ecoresult B.V. januari 2026
15
6
Vervolgstappen
6.1
Beschermde waarden en vervolgstappen Als gevolg van de werkzaamheden gaan geen ecologische waarden verloren. Vervolgstappen en/of maatregelen om de functionaliteit van het gebied voor de beschermde soorten te behouden zijn niet noodzakelijk omdat individuen en sporen van teunisbloempijlstaart afwezig zijn binnen het plangebied.
6.2
Overige (algemene) broedvogels Tijdens de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met broedvogels. Schadelijke effecten op actieve nesten van vogels zijn te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). •
Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Werken binnen het broedseizoen is alleen mogelijk indien er geen actieve nesten worden verstoord. o
Bij aanwezigheid van in actieve nesten moeten de vervolgstappen in samenspraak met een deskundig ecoloog bepaald worden.
o
Bij afwezigheid van actieve nesten kunnen de werkzaamheden, met inachtneming van maatregelen voor overige beschermde soorten, plaatsvinden.
6.3
Specifieke zorgplicht soorten Om invulling te geven aan de zorgplicht zijn de volgende maatregelen noodzakelijk: Algemene broedvogels: •
Plan de werkzaamheden zo mogelijk buiten het broedseizoen (het broedseizoen loopt globaal van 1 maart – 1 september).
•
Wanneer het niet mogelijk is de werkzaamheden buiten deze periode te starten, dient een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden door een deskundig ecoloog. Bij de vaststelling van actief gebruikte nesten dienen aanvullende maatregelen voor de werkzaamheden opgesteld te worden.
Zoogdieren: •
Egel: o
Het plangebied moet voor de start van de werkzaamheden worden gecontroleerd op vaste rust- en verblijfplaatsen (overwintering en voortplantingsplaatsen) van egel.
o
Egels hebben een wettelijke beschermingsstatus. Op geen enkele opzettelijke manier mogen egels verwond of gedood worden.
o
Als er tijdens de werkzaamheden egels worden aangetroffen, dienen deze voorzichtig verplaatst te worden naar vergelijkbaar habitat in de nabije omgeving.
•
(spits)muizen: o
Voer de werkzaamheden (bouwrijp maken en/of graafwerkzaamheden) in één doorgaande richting uit. Dit geeft (spits)muizen de kans voor de werkzaamheden uit te vluchten.
Ecoresult B.V. januari 2026
16
o
Bij het aantreffen van (spits)muizen tijdens de werkzaamheden, dienen de werkzaamheden gestopt te worden zodat de dieren op eigen kracht het werkterrein kunnen verlaten. Indien noodzakelijk, kunnen (spits)muizen voorzichtig worden verplaatst naar vergelijkbaar leefgebied in de nabije omgeving.
•
Konijn: o
Voorafgaande de werkzaamheden dient er een controle uitgevoerd te worden naar vaste rust- en verblijfplaatsen van konijn. Indien deze worden aangetroffen gelden aanvullende maatregelen.
o
Konijnen hebben een wettelijke beschermingsstatus. Op geen enkele opzettelijke manier mogen konijnen verwond of gedood worden.
Amfibieën: •
Indien er een amfibie wordt aangetroffen, verplaats deze voorzichtig naar vergelijkbaar geschikt habitat buiten het plangebied.
Insecten: •
Voor de invulling van de specifieke zorgplicht voor insecten wordt verwezen naar het onderstaande deel over vaatplanten. Wanneer de vegetatie op een goede manier wordt teruggebracht binnen de nieuwe situatie, zijn de ecologische randvoorwaarden van insecten gewaarborgd.
Vaatplanten (pioniersvegetatie): •
Probeer delen met kruidenrijke vegetaties een plek te geven in het ontwerp van de nieuwe situatie.
•
Laat bij voorkeur de ruimtes ingericht als algemeen groen braak liggen, zodat op een natuurlijke manier de vegetatie weer terug kan groeien.
•
Gebruik in tuinen hierbij enkel inheemse soorten en boots de oorspronkelijke situatie na.
•
Laat bij bomenkap delen van de stam liggen binnen het gebied. Deze vervullen een zeer waardevolle functie als habitat voor vele insecten, korstmossen en schimmels. De stammen kunnen als aanvulling dienen bij het aanbrengen van delen met algemeen groen.
Daarnaast dienen voor de herinrichting van het plangebied en de realisatie van nieuwbouw, natuurinclusieve maatregelen toegepast worden om de bestaande natuurwaardes, welke vallen onder de zorgplicht, te herstellen. Deze dienen uitgewerkt te worden in een nader op te stellen rapport. Het doel van deze maatregel is om het huidige soortenbestand weer te herstellen na de maatregelen en eventueel de natuurlijke situatie te verbeteren. Al deze maatregelen en eventuele passende maatregelen dienen nader uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol.
Ecoresult B.V. januari 2026
17
7
Conclusies In opdracht van Gooi en Omstreken heeft Ecoresult B.V. een nader onderzoek naar marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) en teunisbloempijlstaart uitgevoerd in het plangebied: Dennenlaan, Loosdrecht. De aanleiding van dit onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied. De activiteiten hebben geen schadelijke effecten op marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) en teunisbloempijlstaart. De Omgevingswet wordt niet overtreden. Daarentegen zijn er wel maatregelen noodzakelijk in het kader van de specifieke zorgplicht voor soorten. Deze maatregelen zijn weergegeven in Hoofdstuk 6.
Ecoresult B.V. januari 2026
18
8
Geraadpleegde bronnen
8.1
Literatuur Hagen, R.G.A., 2025. Quickscan. In het kader van de Omgevingswet en activiteiten die de
•
natuur betreffen. Plangebied: Dennenlaan, Loosdrecht. Kenmerk: ER20250063QSv01. Ecoresult B.V., Hendrik-Ido-Ambacht. Kennisdocumenten soorten •
Anoniem, 2024. Kennisdocument Kleine marterachtigen. BIJ12
•
https://www.vlinderstichting.nl/teunisbloempijlstaart/.
•
https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/detailsvlinder/teunisbloempijlstaart.
8.2
•
Bouwers, S., 2017. Handreiking kleine marters Noord-Brabant. Zoogdiervereniging.
•
Westra, S.A. & Kuiters, R.S.M., 2018. Beheerwijzer Kleine Marterachtigen.
Internet •
https://bagviewer.kadaster.nl/
•
https://www.pdok.nl/
•
https://www.omgevingsweb.nl/nieuws/foerageergebied-en-vliegroutes-beschermd-ofniet/
Ecoresult B.V. januari 2026
19
Bijlage 1 Voorwaarden omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (of een vrijstelling) kan uitsluitend worden verleend, als voldaan is aan elk van de volgende drie cumulatieve voorwaarden: 1.
Geen andere bevredigende oplossing: •
De vraag of er een bevredigende andere oplossing is, bestaat uit drie delen: o
Wat is het probleem of de specifieke situatie waarom de handeling plaatsvindt?
o
Zijn er andere oplossingen voor dit probleem?
o
Indien er andere oplossingen zijn, welke gevolgen heeft dit dan voor de verbodsbepalingen?
2.
Sprake van een in de wet genoemd belang •
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan omgevingsvergunning of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: o
In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats:
o
Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom:
o
In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten:
o
Voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of
o
Om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve
wijze
en
binnen
bepaalde
grenzen
een
beperkt,
bij
de
omgevingsvergunning of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de omgevingsvergunning of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben: •
Voor soorten beschermd onder de Vogelrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan een omgevingsvergunning of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: o
In het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid.
o
In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.
o
Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren.
o
Ter bescherming van flora en fauna.
o
Voor onderzoek en onderwijskundige doelen.
Ecoresult B.V. januari 2026
20
o
Voor het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doelen samenhangende teelt.
o
Om kleine hoeveelheden van bepaalde vogels onder bepaalde omstandigheden te vangen, te houden of te gebruiken.
3.
Geen verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. •
Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime, voor soorten van de Vogelrichtlijn is dit: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”
•
Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten de volgende vragen worden beantwoord: o
Wat is de staat van instandhouding (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijk verspreidingsgebied)?
o
Wat is het effect van het verlenen van de omgevingsvergunning op de betrokken populatie(s)?
•
Om te beoordelen of aan deze voorwaarden wordt voldaan zal een toetsing van de belangen en de alternatieven plaatsvinden en een ecologische toetsing. De richtlijn voor het behandelen van een aanvraag bedraagt 8 weken met de mogelijkheid om dit eenmalig te verlengen met maximaal 6 weken. In de praktijk wordt hier (sterk) van afgeweken.
Ecoresult B.V. januari 2026
21