CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - Ecologisch onderzoek

gemeenteraad 25 mei 2023, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Weigering vvgb Eilandseweg 32 (Het raadsvoorstel is met 17 stemmen voor en 1 stem tegen aangenomen)6.862 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologisch onderzoek De Vechtoever

Opdrachtgever(s): Green Spirit B.V./VDH Uitgevoerd door: Econu / Dhr. Bart Smeets bart.smeets@econu.eu 0646020125 www.econu.eu Uitgevoerd op: mei-juli 2021.

Datum:

29-7-2021

Onderwerp:

Ecologisch onderzoek Vechtoever

Uw kenmerk: / Ons Kenmerk: VDH 21-7-29

ECONU

Inhoud 1 Inleiding ................................................................................................................................. 2 1.1 Aanleiding ....................................................................................................................... 2 1.2 Doel ................................................................................................................................ 2 1.3 Zorgplicht ........................................................................................................................ 2 1.4 Leeswijzer ....................................................................................................................... 2 2 Plangebied ............................................................................................................................ 3 2.1 Ligging en beschrijving plangebied ................................................................................. 3 2.2 Voorgenomen plannen .................................................................................................... 4 3 Methode ................................................................................................................................ 5 4 Natuurwaarden ......................................................................................................................

6 4.1 Beschermde gebieden .................................................................................................... 6 4.2 Beschermde soorten ....................................................................................................... 9 5 Resultaten onderzoek rugstreeppad, weidevogels en platte schijfhoorn .............................. 13 6 Conclusies........................................................................................................................... 14 Beschermde gebieden ........................................................................................................ 14 Beschermde soorten ........................................................................................................... 14 Geraadpleegde bronnen......................................................................................................... 16

1

ECONU

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer, Green Spirit B.V. is bezig met de uitwerking van plannen voor de uitbreiding van chalet park de vechtoever. In verband met de planologische procedure is het noodzakelijk een quickscan flora en fauna uit te voeren. Door middel van de quickscan wordt in beeld gebracht of de ontwikkeling in strijd is met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden. Daarnaast wordt extra aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van rugstreeppad, weidevogels en platte schijfhoorns in de omgeving van het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. Deze wet vervangt de drie voormalige wetten op het gebied van soort- en gebiedsbescherming; Boswet, natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Uiteraard toetsten wij aan de bepalingen volgens de nieuwe Wet natuurbescherming.

1.2 Doel Doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortbescherming en gebiedsbescherming is sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming van belang. Daarnaast is gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS genoemd). In bijlage 1 wordt deze wet- en regelgeving uitgebreid beschreven. Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Tevens heeft het onderzoek tot doel vast te stellen op welke wijze en in welke mate de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op het eventueel voorkomen van beschermde soorten. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving zal worden gehandeld. Aanvullend zal worden bepaald of voorgenomen ontwikkelingen effect hebben op de beschermde natuurwaarden van nabijgelegen natuurgebieden.

1.3 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 wordt de gebruikte onderzoeksmethode(n) besproken. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden en de effecten van de geplande ingrepen op aanwezige beschermde natuurwaarden worden beschreven in

2

ECONU

hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op de mogelijke noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen. In het laatste hoofdstuk zijn de conclusies uiteengezet.

2 Plangebied 2.1 Ligging en beschrijving plangebied De locatie ligt aan de zuidrand van de Horn- en Kuijerpolder. De geplande uitbreidingslocatie bestaat overwegend uit weiland met koeien en enkele sloten. De Horn- en Kuijerpolder is een polder in agrarisch beheer. De polder heeft een drooglegging van 50-80 cm (grondwatertrap II). Het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen ligt op 220 m, gerekend vanaf het te ontwikkelen gebied. Het Natuurnetwerk ligt op dezelfde afstand. Natura 2000. Via de Natura 2000 zijn gebieden beschermd van internationaal belang. Voor deze gebieden zijn doelstellingen geformuleerd voor het behoud van habitats en planten en dieren. Deze Natura 2000 gebieden zijn ook beschermd tegen invloeden van buiten, zoals stikstofdepositie en grondwaterstromen. Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het Natuurnetwerk van Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland wordt via de ruimtelijke verordening beschermd. De belangrijke gebieden voor weidevogels zijn in Noord-Holland beschermd middels de Provinciale ruimtelijke verordening en de omgevingsverordening 2020.

Binnen de gebieden gelden strikte regels, de weidevogels mogen niet verstoord worden. Het weidevogelleefgebied kent geen externe werking. Recent (2018) is het weidevogelleefgebied in de Horn- en Kuijerpolder uitgebreid.

Figuur 1. Ligging locaties nieuwe chalets (Rood omkaderd) en de locatie van de inpassing (Groen omkaderd) in de wijdere omgeving, grijs = NNN, licht groen = Natura 2000 en in het kader is het weidevogel gebied weer gegeven.

3

ECONU

2.2 Voorgenomen plannen De initiatiefnemer is van plan om het bestaande chalet park uit te breiden, er komen in totaal ca 37 nieuwe chalets bij. Deze worden in de loop van de tijd, waarschijnlijk gedurende enkele jaren, geplaatst. Daarnaast wordt er een beheerplan opgesteld om de natuurwaarde en biodiversiteit van het hele park te vergroten.

4

ECONU

3 Methode In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden waarbij gekeken is naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Voor het soortenonderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van het dataloket van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), de NDFF en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving. De ligging van Natura 2000-gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en het Natuurnetwerk Nederland in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarbij alle op de locatie aanwezige biotopen zijn opgenomen. De aanwezigheid van deze biotopen vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten en het aantreffen van holen, uitwerpselen, prooiresten, vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten.

Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Een eenmalig veldbezoek is nadrukkelijk geen volledige inventarisatie. Dat betekent dat op basis van een eenmalig veldbezoek het voorkomen van soorten niet per definitie is uit te sluiten. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in deze rapportage. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 1 juni 2021 in de ochtend onder de volgende weersomstandigheden: droog, onbewolkt, windkracht 3 en circa 23°C. Tijdens het veldbezoek zijn voornamelijk de weilanden rond het park, het park zelf, de wegranden en de sloten in de omgeving van het plangebied bekeken omdat daar de kans op het aantreffen van relevante flora en fauna het grootst is. Voor de update van het eerder uitgebrachte onderzoek naar weidevogels in (de directe omgeving van) het plangebied werden een viertal bezoeken aan het weidegebied achter het chalet park uitgevoerd. Deze bezoeken (op 1/6, 17/6, 30/6 en 5/7) werden in de ochtend uitgevoerd tussen 8 en 12 uur. Het onderzoek naar de rugstreeppad werd aansluitend aan de bezoeken voor de weidevogels uitgevoerd. Met een schepnet werden de sloten op de locatie waar de uitbreiding gepland is en de sloten rond het chalet park bemonsterd.

Om de 50m werd een ruime schep met het net gedaan waarna de vangst geïnventariseerd werd. Op 17/6 werd ook in de avond bij het chalet park gepost om te luisteren of er rugstreeppadden gehoord werden

5

ECONU

4 Natuurwaarden 4.1 Beschermde gebieden Natura 2000 Uit de kaarten van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Economische Zaken (EZ) blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op ongeveer 0.25 kilometer afstand van het plangebied ligt. Het betreft de Oostelijke Vechtplassen. Doordat het plangebied buiten de Natura 2000-gebieden ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. In het geval van de voorgenomen activiteiten bestaan mogelijke effecten uit: verstoring door verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid en licht en optische verstoring (gebiedendatabase). Ondanks de relatief kleine afstand tot het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het voor de meeste vormen van verstoring redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op de Natura 2000-gebieden. Dat komt doordat het plangebied door de bebouwde kom van Nederhorst den Berg afgeschermd wordt van de Oostelijke Vechtplassen Voor de realisatie van de plannen is het noodzakelijk om grondwerk uit te voeren, enerzijds voor de inrichting van het terrein, anderzijds voor het aanleggen van funderingen, kabels, leidingen en afvoeren. De chalets worden kant en klaar naar hun plek gereden, waarna het terrein ingericht wordt. Al met al komen hier een beperkt aantal transportbewegingen en een minimale inzet van machines aan te pas.

Bovendien worden deze werkzaamheden over enkele jaren uitgesmeerd zodat de uitstoot van stikstof en de daarmee samenhangende mogelijke depositie in Natura 2000 gebied minimaal en niet significant is. Het is dan ook niet noodzakelijk om een AERIUS-berekening uit te voeren. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. Uit de natuurbeheerplankaart van de kaartbank op de website van de provincie Noord-Holland, blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNN. De ligging van het NNN ten opzichte van het plangebied is weergegeven in Figuur 1. Het plangebied behoort niet tot het NNN. De bescherming van het NNN is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Als wezenlijke kenmerken en waarden gelden de actuele en geambieerde natuurbeheertypen zoals vastgelegd in het Natuurbeheerplan van de provincie.

Daarnaast worden als wezenlijke kenmerken en waarden aangemerkt geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid en de landschapsstructuur. De voorgenomen plannen zullen geen aantasting tot gevolg hebben van de NNN-gebieden. Evenmin zullen de voorgenomen plannen een aantasting tot gevolg hebben van geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van de bodem, water en lucht, rust, stilte en donkerte, geslotenheid en de landschapsstructuur. De voorgenomen plannen hebben geen aantasting van het NNN tot gevolg. 6

ECONU

Weidevogelgebied De belangrijke leefgebieden voor weidevogels zijn in Noord-Holland beschermd via de Omgevingsverordening 2020 en de Provinciale ruimtelijke verordening (artikel 25 Weidevogelleefgebieden). Binnen deze gebieden gelden strikte regels, de weidevogels mogen niet verstoord worden. Het weidevogelleefgebied kent geen externe werking. In 2018 is het leefgebied van weidevogels in de Horn- en Kuijerpolder uitgebreid. De beschermingsmaatregelen zijn kort gezegd: er mag niets worden uitgevoerd of ontwikkeld dat schade doet aan de weidevogelstand. Het provinciaal bestuur kan jaarlijks – gehoord de raad – op basis van inventarisaties besluiten de begrenzing te wijzigen. In de wijziging van 2018 is de Horn- en Kuijerpolder opgenomen als beschermd. In de toelichting staat: ‘[…] Deze aanvullende kerngebieden (die voldoen aan het kerngebiedenbeleid) worden nu namelijk nog niet beschermd door de PRV en lopen mogelijk risico onderdeel te zijn van nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen.’ Uit weidevogelvisie: ‘Anders dan in het verleden zal de provincie de komende twaalf jaar veel gerichter investeren in gebieden die geschikt zijn (of zijn te maken), waar zich bepaalde minimum dichtheden aan weidevogels bevinden (de zogeheten kerngebieden) en waar een effectieve maatregelmix wordt ingezet.’ Dit beleid – middelen richten op kerngebieden – is tot op heden staand beleid.

In de weidevogelvisie wordt beschreven waaraan een kerngebied moet voldoen. Daarbij worden twee typen onderscheiden: • gruttokerngebied, met minimaal 10 gruitto bp/100 ha, en: • weidevogelkerngebied met minimaal 20 weidevogel bp/100 ha (waarbij kievit, krakeend en graspieper niet worden meegewogen). In de visie wordt tevens aangegeven dat er een telling is in 2009 waarop de kerngebieden gebaseerd worden en evaluaties in 2012, 2015 en 2018. De provincie publiceert haar waarnemingen in de Nationale database Flora en Fauna (NDFF). Op basis van de gegevens uit de NDFF blijkt duidelijk dat niet wordt voldaan aan de criteria voor een weidevogel- of een gruttokerngebied. In de weidevogelvisie worden drie doelen gesteld t.a.v. weidevogels; een duurzame populatie, een duurzaam beheer en een duurzame inzet. Oosterveld en Altenburg (2005) stellen gemotiveerd dat een duurzame populatie minimaal 50 broedparen per soort bevat. Het zal duidelijk zijn dat de telling in 2018 in de Horn- en Kuijerpolder te laag scoort om een duurzaam behoud van de populatie te verkrijgen. In het Natuurbeheerplan wordt jaarlijks vastgelegd wat de ambities zijn en waarvoor geld is gereserveerd binnen het natuurbeheer. Uit de gegevens van het meest recente Natuurbeheerplan blijkt dat tot op heden er geen weidevogelbeleid c.q. beheer wordt uitgeoefend in de Horn en Kuijerpolder.

Ook van een duurzame inzet is geen sprake. Een belangrijke bron voor de verspreiding van de weidevogels is de NDFF. Uit de meest recente gegevens (2021) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de afgelopen vijf jaar 21 meldingen van weidevogels bekend zijn ( Graspieper 1, Kievit 1, Krakeend 12, Scholekster 5 en Wulp 2). Het gaat dan om zowel pleisterende, overvliegende als broedende vogels. De weidevogels zijn voorjaar 2019 door Els & Linde geïnventariseerd: in het zuidelijk 7

ECONU

deel van de polder zijn geen weidevogels waargenomen. In 2021 is een update van dit onderzoek uitgevoerd door Econu, ook in dat onderzoek werden in de ruime omgeving van het plangebied geen weidevogels waargenomen. De uitbreiding van het chalet park De Vechtoever is gepland in de zuidrand van de polder, ten noorden van het huidige chalet park. Weidevogels worden verstoord door hoge objecten zoals woningen. Uit de literatuur blijkt dat de verstoringszone vanuit chalets (gelijk aan woningen) ongeveer 250 meter bedraagt. Dat kan enigszins verzacht worden tot 200 m door de woningen af te schermen met een groenstrook (bomen en struiken). Het blijkt dat binnen de verstoringszone en het ontwikkelingsgebied in de laatste decennium geen enkele weidevogel is gemeld in de NDFF (terwijl er wel andere waarnemingen in die periode vermeld staan). Alle weidevogels die in de nationale database gemeld worden, zitten ruim buiten de verstoringsafstand. De weidevogels zijn voorjaar 2019 door Els & Linde en in 2021 door Econu geïnventariseerd: in het zuidelijk deel van de polder zijn geen weidevogelnesten of weidevogels waargenomen. Uit de inventarisaties volgt dat er geen enkele verstoring is te verwachten Voor de uitbreiding van het chalet park is het van belang na te gaan of er effecten zijn op de beschermde weidevogels.

Rondom het chalet park wordt rekening gehouden met een verstoringszone van 250 m. Binnen die verstoringszone zijn geen weidevogels bekend. De conclusie is dat de weilanden in de huidige toestand matig tot ongeschikt zijn voor weidevogels. Negatieve effecten van de uitbreiding zijn niet aanwezig. Echter, door de inpassing van de te plaatsen chalets en de natuurvriendelijke ontwikkeling van de locatie (groen omkaderde deel), wordt de locatie in potentie meer geschikt voor weidevogels en andere soorten. Artikel 25 lid 3 geeft enkele mogelijkheden voor een afwijking van de bescherming van het weidevogelleefgebied. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan wel voorzien in de in dat lid omschreven ontwikkelingen indien dit geschiedt ten behoeve van: a een ingreep waarvoor geen aanvaardbaar alternatief aanwezig is en waarmee bovendien een groot openbaar belang wordt gediend; b woningbouw indien er sprake is van de toepassing van de regeling Ruimte voor Ruimte als bedoeld in artikel 16 en waarbij de natuurdoelen leidend zijn; c woningbouw die bijdraagt aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige natuurkwaliteiten van het landschap of; d een ingreep die netto geen verstoring van het weidevogelleefgebied geeft. In het voorliggende situatie is het waarschijnlijk via 25,3c of 25,3d mogelijk om tot realisatie te komen.

De provincie heeft criteria opgesteld waaraan een weidevogelleefgebied moet voldoen. Tevens heeft de provincie zichzelf de mogelijkheid gegeven om – op basis van een inventarisatie – wijzigingen in de begrenzing aan te brengen. De Horn- en Kuijerpolder voldoet op geen enkele wijze aan een van de criteria die de provincie zichzelf heeft opgelegd. Het zeer gering aantal broedparen weidevogels in de Horn- en Kuijerpolder maakt dat er geen duurzame populatie mogelijk is voor een van de weidevogels. Ook de recente inventarisaties geven geen aanleiding om de gehele Horn- en Kuijerpolder aan te wijzen. In belangrijke delen zijn nog nooit of slechts incidenteel weidevogels gemeld. Alleen in het noorden van de Horn- en Kuijerpolder is een zekere concentratie van weidevogels aanwezig. 8

ECONU

Bovendien blijkt dat de weilanden rond het chalet park helemaal niet geschikt zijn voor weidevogels, de grondwaterstand is erg laag, de bodem droog en keihard, in de weilanden groeit raaigras dat kort gemaaid of begraasd wordt. Er zijn geen plas-dras elementen en er wordt geen weidevogelvriendelijk beheer toegepast. Evenmin zijn er in de afgelopen jaren maatregelen genomen om dit deel van de polder geschikt te maken voor weidevogels. Beschermde bomen In verband met de aanwezigheid van als beschermwaardig gewaardeerde boombeplanting, is het voor zover en zolang aanwezig, verboden te bouwen op gronden ter plaatse van de aanduiding 'beeldbepalende boom'. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels, indien wordt aangetoond dat door het bouwen en/of gebruik van de gronden de conditie, levensverwachting, groeiplaats en (beeld)kwaliteit van de bomen niet worden aangetast. Ten behoeve van het verlenen van de omgevingsvergunning dient aan het bevoegd gezag een bomeneffectrapportage overlegd te worden, waaruit blijkt dat de bouw of werken en/of werkzaamheden geen onevenredige gevolgen hebben voor de levensvatbaarheid en de ruimtelijke, monumentale, cultuurhistorische of ecologische betekenis van de bomen.

Het bevoegd gezag kan bij het toepassen van de afwijking nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken en de aard van de verhardingen. De geplande werkzaamheden hebben geen negatief effect op beschermde beeldbepalende bomen.

4.2 Beschermde soorten Deze paragraaf beschrijft het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de ingreep zijn en of er mitigerende maatregelen nodig zijn. 4.2.1 Flora Het plangebied bestaat voornamelijk uit weiland, omringd door enkele ondiepe sloten en een houtwal met zwarte els, berk en enkele eikjes. Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat binnen het directe plangebied geschikte biotopen voor beschermde plantensoorten ontbreken. De aanwezige flora duidt op een zeer rijke, bemeste bodem. Het is derhalve redelijkerwijs uit te sluiten dat binnen het directe plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Vanwege het ontbreken van geschikte biotopen en de bemesting van de bodem is het voorkomen van beschermde plantensoorten in het directe plangebied redelijkerwijs uit te sluiten. 4.2.2 Vlinders en libellen Bevindingen uit het veldbezoek tonen aan dat in het directe plangebied geen geschikte biotopen aanwezig zijn en specifieke waardplanten ontbreken voor het voorkomen van beschermde vlindersoorten. Beschermde vlinders hebben specifieke habitateisen; het plangebied voldoet hier niet aan. Uit het veldbezoek blijkt dat in het directe plangebied geen geschikte biotopen aanwezig zijn voor het voorkomen van beschermde soorten libellen.

Er zijn weliswaar enkele slootjes, maar deze vallen deels zeer geregeld droog terwijl in de andere sloten geen geschikte waterplanten aanwezig zijn. Door het ontbreken van geschikt oppervlaktewater in het directe plangebied is geen voortplantingsbiotoop voor beschermde libellen aanwezig. 9

ECONU

Vanwege het ontbreken van geschikte biotopen is het voorkomen van beschermde soorten vlinders en libellen in het directe plangebied uit te sluiten. 4.2.3 Kevers en slakken Beschermde soorten houtkevers zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (naald)bossen. Deze habitattypen zijn niet aanwezig in het directe plangebied. Het voorkomen van beschermde houtkevers in het plangebied kan daarom worden uitgesloten. Beschermde waterkevers en aquatische slakkensoorten platte schijfhoren en Bataafse stroommossel zijn afhankelijk van permanente wateren. De Bataafse stroommossel is reeds geruime tijd uitgestorven in Nederland. In het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Het is mogelijk dat de platte schijfhoorn in de omgeving voorkomt. In het plangebied ontbreken geschikte biotopen voor beschermde soorten kevers. Het voorkomen van deze soorten in het directe plangebied is derhalve uit te sluiten. Wel dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de platte schijfhoorn. 4.2.4 Vissen In het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Het gaat dan enerzijds om sloten die regelmatig droog vallen en anderzijds om enkele bredere sloten die centraal in het weiland liggen. Het is theoretisch mogelijk dat grote modderkruipers in de diepere sloten aanwezig zijn. Door het ontbreken vaneen goede waterbeplanting zijn deze sloten echter marginaal geschikt.

De aanwezige brede sloten blijven echter bestaan, de eventueel aanwezige grote modderkruipers kunnen tijdig en tijdelijk een andere locatie vinden waardoor negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding uitgesloten kunnen worden. Bovendien worden bij de natuurvriendelijke inpassing maatregelen getroffen waardoor het water in de sloot meer geschikt wordt voor grote modderkruipers, bittervoorn en andere soorten. Denk daarbij aan het aanleggen van natuurvriendelijke oevers met lage begroeiing, minder bemesting en daardoor een betere waterkwaliteit, meer waterplanten en schuilplaatsen onder water. 4.2.5 Reptielen en amfibieën Uit de verspreidingskaarten in het boek ‘De amfibieën en reptielen van Nederland’ (Creemers et al. 2009) en de NDFF komen in de omgeving de kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker (alle §3.3 Wn) en rugstreeppad (§3.2 Wn) voor. Tevens komt volgens bovengenoemde bronnen de ringslang (§3.2 Wn) in de omgeving voor. De slootjes vormen een voortplantingshabitat voor diverse amfibieën. Het is niet aannemelijk dat het directe plangebied landhabitat vormt voor amfibieën aangezien dit in de huidige toestand grotendeels uit weiland bestaat. De bosgebieden aan de rand van het plangebied vormen wel een geschikt overwinteringsbiotoop voor deze soorten. Het plangebied lijkt geschikt als leefgebied voor de rugstreeppad.

Echter, tijdens het soortgerichte onderzoek naar rugstreeppadden in het plangebied is gebleken dat er geen rugstreeppadden aanwezig zijn. Vanwege de kenmerken van het terrein en het gebruik van het plangebied is het onwaarschijnlijk dat andere beschermde soorten amfibieën van §3.3 en §3.2 Wn in het plangebied voorkomen. Indien er ringslangen in de omgeving van het plangebied voorkomen, dan kunnen deze tijdig en tijdelijk een alternatief leefgebied vinden. Na de herinrichting is de 10

ECONU

locatie meer geschikt voor deze soort dan dat het nu is door het realiseren van sloten met natuurvriendelijke oevers, takkenrillen en broedhopen, een positief effect dus. 4.2.6 Vogels Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor diverse vogelsoorten. Tijdens het veldbezoek zijn o.a. huismus, ekster, houtduif, kauw, kraaien, diverse mezensoorten, buizerd, torenvalk, verschillende ganzensoorten en meeuwen waargenomen. De vogels zijn waargenomen op de weilanden, in het park en in de omliggende houtwallen. Het is bekend dat in het omliggende gebied ook uilen en sperwers broeden. Tevens werden eerder verschillende soorten reigerachtigen en kiekendieven foeragerend waargenomen. Binnen het directe plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Voor de algemeen voorkomende vogelsoorten geldt dat, indien exemplaren aan het broeden zijn, het verwijderen van bomen en beplanting niet kan plaatsvinden zonder deze dieren te verstoren. Gedurende het broeden zijn de nesten van alle vogels en de functionele leefomgeving strikt beschermd. De vogels die momenteel op de weilanden en in de houtwal foerageren zullen elders voldoende voedsel kunnen vinden, voorbijtrekkende vogels hebben weinig last van de voorgenomen initiatieven. In het algemeen wordt verwacht dat de kleinschalige inrichting met waterpartijen tot een verrijking van het gebied zal leiden.

Gezien de inrichting van het directe plangebied is het redelijkerwijs uit te sluiten dat er jaarrond beschermde nesten zijn. Door (eventueel) aanwezige bomen en struiken buiten het broedseizoen van vogels te verwijderen/snoeien wordt voorkomen dat negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. 4.2.7 Zoogdieren Vleermuizen Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (1997), Korsten en Regelink (2010) blijkt dat de soorten gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, franjestaart en de baardvleermuis (alle §3.2 Wn) voorkomen in de ruime omgeving van het plangebied. In de NDFF staan slechts enkele waarnemingen van gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuizen. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen en het is aannemelijk dat regelmatig vliegactiviteit van vleermuizen in het plangebied is. Er worden geen bomen gekapt, vandaar dat vernietiging van verblijfplaatsen niet aan de orde is, evenmin worden migratieroutes verstoord.

Een verstoring van de eventueel aanwezige verblijfplaatsen in de omliggende gebieden zal gering zijn. Overige zoogdieren Uit de gegevens van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) blijkt dat binnen 2km rond het plangebied diverse zoogdiersoorten voorkomen: bunzing, boom- en steenmarter, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, vos, wezel, aardmuis, bosmuis, dwergmuis, hermelijn, rosse woelmuis en veldmuis (alle soorten §3.3 Wn).

11

ECONU

Het plangebied kan gezien de huidige inrichting en ligging (onderdeel van) het leefgebied vormen van algemene soorten grondgebonden zoogdieren (alle §3.3 Wn). De vos en ree komen veelvuldig in het gebied voor, deze dieren zijn gewend aan activiteiten en zullen waarschijnlijk profiteren van de ontwikkeling in dit gebied. Boommarters verblijven niet in de directe omgeving van het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op deze soortgroep, deze soorten kunnen immers tijdig en tijdelijk een alternatief leefgebied vinden. Na de herinrichting is de locatie meer geschikt voor deze soort dan dat het nu is, een positief effect dus. Bovendien geldt voor deze mogelijk binnen het plangebied voorkomende beschermde soorten (§3.3 Wn) in provincie Noord-Holland in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is derhalve niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen voor deze zoogdiersoorten. De zwaarder beschermde marterachtigen verblijven niet in de directe omgeving van het plangebied en zullen derhalve geen hinder ondervinden van de voorgenomen plannen.

12

ECONU

5 Resultaten onderzoek rugstreeppad, weidevogels en platte schijfhoorn Om een duidelijk beeld te krijgen van de actuele situatie ten aanzien van de aanwezigheid van weidevogels, rugstreeppad en platte schijfhoorns werden een aantal bezoeken aan de locatie gebracht onder gunstige weersomstandigheden. Zoals in hoofdstuk 3 reeds werd gemeld, werden de bezoeken in het kader van het weidevogelonderzoek (op 1/6, 17/6, 30/6 en 5/7) in de ochtend uitgevoerd tussen 8 en 12 uur. Het onderzoek naar de rugstreeppad en platte schijfhoorn werd aansluitend aan de bezoeken voor de weidevogels uitgevoerd. Met een schepnet werden de sloten op de locatie waar de uitbreiding gepland is en de sloten rond het chalet park bemonsterd. Om de 50m werd een ruime schep met het net gedaan waarna de vangst geïnventariseerd werd. Op 17/6 werd ook in de avond bij het chalet park gepost om te luisteren of er rugstreeppadden gehoord werden. Er zijn bij deze bezoeken geen weidevogels gezien en/of gehoord, er zijn geen rugstreeppadden (adult, subadult en/of larve) waargenomen en er zijn geen platte schijfhoorns gezien.

13

ECONU

6 Conclusies Beschermde gebieden Vanwege de minimale inzet van machines, het beperkt aantal jaarlijkse transportbewegingen en de afscherming van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Oostelijke Vechtplassen) door de bebouwde kom van Nederhorst den Berg, is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de voorgenomen plannen negatieve effecten tot gevolg hebben op Natura 2000-gebieden. De voorgenomen plannen hebben geen aantasting van het NNN tot gevolg. Er worden geen beschermde bomen aangetast of gekapt. Er is geen sprake van negatieve effecten op de weidevogelstand en/of weidevogelleefgebied. Bovendien is de locatie in de huidige toestand door de lage grondwaterspiegel, de monotone grasbegroeiing, het geldende maaibeleid en de begrazing door vee niet geschikt als weidevogelgebied. De natuurvriendelijke inpassing van de te plaatsen chalets draagt bij aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige natuurkwaliteiten van het landschap.

Deze landschappelijke inpassing kan bestaan uit het realiseren van een plas/dras situatie, het aanleggen van boomsingels, realiseren van takkenrillen en broedhopen, het aanleggen van natuurvriendelijke oevers, het verwijderen van voedselrijk slib uit de aanwezige sloten, een aangepast maaibeleid, het inzaaien met kruidenrijke grasmengsels, het aanbrengen van water- en oeverplanten in de aanwezige sloten en het beperken van de begrazing in het gebied. De locatie voldoet niet aan de criteria die door de Provincie voor weidevogelgebieden zijn opgesteld. Er komen geen rugstreeppad, weidevogels en/of platte schijfhoorns voor in de omgeving van het plangebied.

Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die beschermd zijn onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is geschikt als foerageer- en broedgebied voor algemene vogelsoorten. In het plangebied en direct daar omheen blijft voldoende geschikt alternatief foerageer- en broedgebied aanwezig. Derhalve hebben de voorgenomen plannen geen negatieve effecten tot gevolg ten aanzien van het foerageer- en broedgebied van algemene vogelsoorten. Als het verwijderen van bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat negatieve effecten optreden ten aanzien van broedende algemeen voorkomende vogelsoorten. In de Wet natuurbescherming wordt echter geen standaardperiode voor het broedseizoen gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Er zijn geen jaarrond beschermde nesten en/of weidevogels aangetroffen. Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Negatieve effecten op het foerageergebied zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Het plangebied blijft geschikt als foerageergebied voor vleermuizen en ook in de directe omgeving blijft voldoende geschikt foerageergebied behouden.

Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het directe plangebied. Mogelijkerwijs kunnen in de nabijgelegen bomen vleermuizen verblijven. Er wordt 14

ECONU

echter niet in de nacht gewerkt, er is geen sprake van bouwverlichting en de aanwezige bomen blijven staan, derhalve worden er geen negatieve effecten verwacht. De aanwezigheid van rugstreeppadden wordt op basis van het uitgevoerde onderzoek uitgesloten. Ringslangen zijn wellicht in de ruime omgeving aanwezig maar ondervinden geen negatief effect door de geplande werkzaamheden.

Soorten van paragraaf 3.3. van de Wet natuurbescherming De voorgenomen plannen hebben mogelijk een tijdelijk negatief effect op een aantal algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren (haas, kleine marterachtigen, egel en diverse muizensoorten) §3.3 wn. Voor deze soorten geldt in provincie Noord Holland in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is derhalve niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen. Voor andere aanwezige zoogdiersoorten leiden de voorgenomen initiatieven niet tot negatieve effecten. Tenslotte wordt verwacht dat de plannen uiteindelijk zullen leiden tot een verrijking van de natuurwaarden van dit gebied. De aanwezige amfibieën zijn ofwel vrijgesteld, of ondervinden geen significante negatieve effecten van de geplande werkzaamheden. Tabel 1. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten

Soort (groep) Amfibieën en reptielen Weekdieren

Vogels (niet jaarrond beschermd)

Vogels (jaarrond beschermde nesten) Weidevogels

Bescherming Functie plangebied Wn §3.2 en Leefgebied in de 3.3 omgeving Wn §3.2 en Leefgebied 3.3 platte schijfhoorn in de omgeving Wn §3.1 Foerageer- en nestgebied

Mogelijk Ontheffing effect nodig? Nee Nee Nee

Nee

Ja

Nee, op voorwaarden

Maatregelen -

Wn §3.1

Foerageergebied Nee uilen en roofvogels

Nee

Snoeien en verwijderen begroeiing buiten broedseizoen -

Provinciaal beleid Wn §3.3

-

Nee

Nee

-

Leef- en Nee foerageergebied Foerageergebied Nee en vliegroutes

Nee

-

Zoogdieren (grondgebonden) Zoogdieren Wn §3.2 (vleermuizen)

Nee, er zijn geen verblijfplaatsen aanwezig en foerageergebied/ vliegroutes blijven bestaan

15

ECONU

Geraadpleegde bronnen Literatuur + Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. + Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. + Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging- rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. + Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. + Ministerie van Economische Zaken, Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt, versie 1.3 december 2016. + Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.

Internet + Natura 2000-gebieden, www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx, 28-1-2019 + NNN, http://ehs.flevoland.nl, 28-1-2019

+ http://www.netwerkecologischemonitoring.nl/dataloket + Verordening natuurbescherming , http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/, 26-1-2019 + www.compendiumvoordeleefomgeving.nl + www.eis-nederland.nl + www.libellennet.nl + www.soortenbank.nl + www.vlindernet.nl + www.zoogdiervereniging.nl + www.verspreidingsatlas.nl

16

ECONU

Bijlage 1 Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2.

Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: + Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is; + Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; + Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode

17

ECONU

Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 (§ 3.1 Wn) Categorie 2 (§ 3.2 Wn) Categorie 3 (§ 3.3 Wn) Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

-

-

Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing. Natura 2000 (bron: Rijksoverheid) In 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet biedt een beschermingskader voor de flora en fauna binnen de aangewezen beschermde gebieden, de zogenaamde Natura 2000- gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt met de habitattoets.

De habitattoets bestaat uit drie onderdelen: + oriëntatiefase (en vooroverleg); + verslechterings- en verstoringstoets; + passende beoordeling. De oriëntatiefase maakt geen deel uit van de in de wet geregelde procedures. In de praktijk is deze stap nodig. Gezamenlijk met het bevoegd gezag wordt bepaald of goedkeuring van het 18

ECONU

plan nodig is en welke verdere procedure doorlopen moet worden. Afhankelijk van de kans en omvang van de effecten op een Natura 2000-gebied bestaat de vervolgprocedure uit het uitvoeren van een verslechterings- en verstoringstoets, een passende beoordeling of geen enkele toetsing. Indien er geen kans is op negatieve effecten op een Natura 2000-gebied is geen goedkeuring voor de plannen of het project nodig. Als uit de oriëntatiefase is gebleken dat er kans is op significant negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien uit de passende beoordeling blijkt dat er kans is op een significant negatief effect moet aan drie criteria worden voldaan. Deze criteria zijn: + er zijn geen alternatieve oplossingen voor het project die minder of geen negatieve effecten hebben voor het Natura 2000-(deel)gebied; + er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang; + er is voorzien in compenserende maatregelen. Alléén als aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan goedkeuring worden verleend. Indien uit de oriëntatiefase is gebleken dat er een kans is op (niet-significante) negatieve effecten, dient een verslechterings- en verstoringstoets te worden uitgevoerd. Met dit onderzoek wordt bepaald: + of deze kans reëel is en + of de verslechtering of verstoring aanvaardbaar is.

Natuurnetwerk Nederland / Ecologische hoofdstructuur (bron: Rijksoverheid) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. Hierdoor zijn deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden kunnen bovendien meer soorten planten en dieren leven. Het doel van het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur is om de EHS als netwerk van natuurgebieden te beschermen tegen negatieve effecten van ruimtelijke ingrepen. Dat betekent niet dat ontwikkelingen zoals woningbouw en bedrijvigheid, verboden zijn. Door het doorlopen van het afwegingskader wordt vastgesteld of, en zo ja, onder welke voorwaarden een ontwikkeling in de Ecologische Hoofdstructuur kan worden toegelaten. De bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur vindt plaats door het nee-tenzij-regime uit de Nota Ruimte. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen in de EHS met een negatief effect op de EHS in principe niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. De beleidsmatige basis voor het afwegingskader voor de Ecologische Hoofdstructuur is de Nota Ruimte.

Daarnaast hebben Rijk en provincies een beleidskader Spelregels EHS opgesteld. Het beleidskader geeft een uitwerking, verduidelijking en aanscherping van de verschillende onderdelen van het afwegingskader. De provincies laten de inhoud van de Spelregels EHS doorwerken in het provinciaal ruimtelijk beleid. De bescherming van de EHS gebeurt via de regelgeving van de ruimtelijke ordening. Het beschermingsregime is onder de WRO door het Rijk vastgelegd in de AMvB Ruimte en werkt via provinciale verordeningen.

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12617288/1