CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3 Wet natuurbescherming Bloklaan 9 ontwerp verklaring van geen bedenking

gemeenteraad 23 juni 2022, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Raadsvoorstel ontwerp vvgb parkeerplaatsen Fort Spion (16V-2T Aangenomen)4.047 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Z.46427/D.349255

nhn INHOUDSOPGAVE

VERZONDEN 2 0 Dic 2021 A. Verklaring 1. Onderwerp aanvraag 2. Verklaring 3. Bevoegdheid tot het afgeven van een vvgb 4. Verzoek om een vvgb Wijzigingen ten opzichte van de ontwerp-vvgb 5. B. Voorschriften C. Overwegingen en toetsingen Wet natuurbescherming Hoofdstuk 2 1. Beoordeling aanvraag 2. Vergunningplicht 3. Inhoudelijke beoordeling van de aanvraag Cumulatieve effecten 4. 5. Maatregelen die eventuele schadelijke effecten beperken 6. Slotconclusie

D. Overwegingen en toetsingen Wet natuurbescherming Hoofdstuk 3 A. VVGB WET NATUURBESCHERMING VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN NOORDHOLLAND

A1. Onderwerp aanvraag Waternet is voornemens een parkeerterrein met maximaal 50 parkeerplaatsen aan te leggen op een eigen terrein aan de Bloklaan (ongenummerd), direct ten westen van Fort Spion. De locatie is aangegeven in bijlage 1. Het doel van deze parkeerplaats is meer gebruik te kunnen maken van de recreatieve mogelijkheden van dit fort. Hiertoe wordt een toegangsweg aangelegd vanaf de Bloklaan, ter plaatse van een uitweg van Waternet op deze weg. De toegangsweg loopt parallel aan de Bloklaan in oostelijke richting; in het oostelijke deel van het terrein worden de parkeerplaatsen aangelegd. Het parkeerterrein en de toegangsweg worden niet verlicht. In de aanlegfase wordt ook niet met kunstlicht gewerkt. Vanuit de parkeerplaats wordt een onverhard wandelpaadje aangelegd naar het fort; daartoe wordt een houten bruggetje aangebracht over een bestaande watergang. Zie bijlage 1 plankaart. Tot slot wordt ten noorden van het parkeerterrein en de toegangsweg een hek geplaatst. A2. Verklaring

Gedeputeerde Staten verklaren dat er geen bedenkingen zijn tegen het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. De verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) wordt afgegeven voor het aanleggen en in gebruik hebben van een parkeerplaats aan de Bloklaan, met maximaal 50 plaatsen van de gemeente Wijdemeren, met bijbehorende toegangsweg en uitweg, een hek en een voetpad vanaf het parkeerterrein naar Fort Spion. De aanvraag en de bij de aanvraag aangeleverde stukken maken onderdeel uit van deze vvgb. A3. Bevoegdheid tot het afgeven van een vvgb

Ingevolge artikel 2.2aa, onder a, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb aangewezen als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Ingevolge artikel 2.2aa onder b van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) is het verrichten van een handeling als bedoeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb aangewezen als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. De aanvraag wordt op grond van artikel 5.21 van het Bor beoordeeld conform de bepalingen van de Wnb.

Z.46427/D.349255

Op grond van artikel 1.3, eerste lid Wnb, in samenhang met artikel 2.7, tweede lid Wnb zijn Gedeputeerde Staten van de provincie met betrekking tot projecten, tenzij anders bepaald, waar het project wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht het bevoegd gezag ten aanzien van de beoordeling van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid Wnb. Gelet op artikel 2.27 Wabo juncto artikel 6.10a, lid 1 Bor wordt de aangevraagde omgevingsvergunning pas verleend nadat Gedeputeerde Staten als bedoeld in artikel 1.3, lid 1 Wnb hebben verklaard dat zij geen bedenkingen hebben.

A4. Verzoek om een vvgb Op 29 oktober 2018 hebben wij van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren een exemplaar van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken ontvangen. Daarbij is verzocht om, behoudens verlenging en/ of opschorting van de procedure, binnen enkele weken een verklaring van geen bedenkingen af te geven.

Aanvullende gegevens Ten aanzien van de aspecten van de aanvraag waarvoor een vvgb is vereist, hebben wij aan de hand van de Mor beoordeeld of de aanvraag volledig is en voldoende gegevens bevat. Wij waren van oordeel dat de vvgb-aanvraag van 10 maart 2018 onvoldoende informatie bevatte voor een goede beoordeling van die aspecten waarvoor een vvgb Wnb is vereist. Op 27 november 2018 hebben wij u om aanVLJIlingen gevraagd. Op 25 februari 2019 hebben wij

aanvullingen ontvangen. Op 14 maart 2019 hebben wij wederom om aanvullingen gevraagd. Op 24 juli 2019 hebben wij u een brief gezonden om u te informeren over de Raad van State uitspraak aangaande de PAS (ECLI: NL: RVS: 2019: 1603). Op 26 november 2019 hebben wij een brief gezonden omtrent de mogelijkheden voor intern en extern salderen. Op 15 januari 2020 hebben wij een advies gezonden aan de ecoloog van Waternet, waarin hij ons oordeel vraagt over de ingediende aanvullingen, zowel AERIUS-berekeningen als afdoening van het soortenbeschermingsrecht. Op 19 maart hebben wij u nogmaals een brief gezonden

omtrent de mogelijkheden voor intern en e× tern salderen. Op 25 november 2020 hebben wij aanvullingen ontvangen.

Deze betreffen twee aanvullende vleermuisonderzoeken alsmede AERIUS-berekeningen en een toelichtende notitie aangaande stikstofdepositie. A5. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerp-vvgb < P.M.>

B. VOORSCHRIFTEN TE VERBINDEN AAN DE AF TE GEVEN OMGEVINGSVERGUNNING

Algemeen 1. De verklaring van geen bedenkingen wordt verleend en heeft uitsluitend betrekking op het project zoals dat is weergegeven onder 'A 2. Verklaring' van de verklaring van geen bedenkingen. 2. Daar waar voorschriften uit de verklaring van geen bedenkingen de inhoud van de omgevingsvergunning tegenspreken, prevaleert het voorschrift van de verklaring van geen bedenkingen. 3. De beschreven specifieke voorschriften dienen te worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecologische deskundige. 4. De vergunninghouder dient een ecologisch werkprotocol op te (laten) stellen waarin de in deze verklaring van bedenkingen genoemde voorschriften zijn opgenomen. Alle betrokken partijen, met name ook de uitvoerenden op de projectiocatie (waaronder het

personeel van derden), dienen van het werkprotocol op de hoogte gesteld te worden Meldingsplicht 5. Van opgetreden incidenten, waaronder verstaan worden alle gebeurtenissen waarbij onbedoeld schadelijke stoffen vrijkomen, dan wel waardoor anderszins schade aan een

Z.46427/D.349255

Natura 2000-gebied kan worden toegebracht, dient onverwijld (binnen 1 werkdag) melding te worden gedaan aan de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN) via 088-10 21 300 onder overlegging van alle relevante gegevens. Overiqe voorschriften met betrekking tot de werkzaamheden 6. De aanlegwerkzaamheden dienen bij daglicht (moment tussen zonsopkomst en zonsondergang) en zonder het gebruik van kunstlicht te worden uitgevoerd. 7. In de gebruiksfase dienen geen lichtbronnen te worden toegepast op het parkeerterrein en toeleidende route naar de bloklaan. 8. Er dient geen gebruik gemaakt te worden van geluidsinstallaties (behalve voor veiligheidsredenen), tijdens de aanlegfase van het project. 9. Depots voor materieel en materiaal dienen buiten de begrenzing van het Natura 2000gebied 'Oostelijke Vechtplassen' te zijn gesitueerd. C.

OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN WET NATUURBESCHERMING HOOFDSTUK 2

C1. Beoordeling aanvraag Ingevolge artikel 2.2aa van het Bor is het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb aangewezen als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb is een vergunning vereist voor het uitvoeren van projecten die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Zodanige projecten zijn in ieder geval projecten die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. Indien de wijziging en/ of uitbreiding wel leidt tot een toename van effecten, dient de wijziging en/ of uitbreiding passend te worden beoordeeld als bedoeld in artikel 2.8 Wnb. Op grond van artikel 2.9a Wnb worden de gevolgen van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden die wordt veroorzaakt door activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing gelaten voor de toepassing van artikel 2.7, tweede lid.

Op grond van artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming worden als activiteiten van de bouwsector als bedoeld in artikel 2.9a van de wet aangewezen: het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen en het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.

Natura 2OOO-gebieden De aanvraag heeft betrekking op het Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen'. Instandhoudingsdoelstellingen Voor een omschrijving van de doelen en hun staat van instandhouding wordt verwezen naar de gebiedendatabase (https: // www.natura2000.nl/ ). C2. Vergunningplicht Op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb, is een vergunning vereist voor het uitvoeren van projecten die niet direct verband houden met, of nodig zijn voor, het beheer van een Natura 2000 gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Zodanige projecten zijn in ieder geval projecten die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. In het kader van de Wnb en de Natuurbeschermingswet 1998 is nog niet eerder een vergunning verleend voor het parkeerterrein aan de Bloklaan nabij Loenen aan de Vecht. Vergunningplicht wordt bepaald aan de hand van mogelijke effecten door de stikstofdepositie welke wordt veroorzaakt door de verkeersbewegingen van en naar het parkeerterrein. De projectlocatie ligt direct naast de begrenzing het Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen'. Op basis van de bij de aanvraag gevoegde AERIUS-berekeningen hebben wij vastgesteld dat er in de gebruiksfase voor wat betreft stikstofdepositie voor het Natura 2000-

Z.46427/D.349255

gebied 'Oostelijke Vechtplassen' geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Voor de vaststelling of het project een significant gevolg kan hebben op stikstof gevoelige habitattypen, is de meest recente versie van AERIUS Calculator gebruikt. C3. Inhoudelijke beoordeling aanvraag De beoordeling van de aanvraag en de bijbehorende belangenafweging vindt plaats in twee

stappen: 1. Vaststellen gevolgen op Natura 2000-gebieden; 2. Vaststellen emissies; Voor de beoordeling van de aanvraag hebben wij gebruik gemaakt van de volgende bij de vergunningaanvraag ingediende gegevens: Verzoek vvgb, 29 oktober 2018. OLO aanvraagformulier, met kenmerk 3676649; 24 oktober 2018. Natuurtoets Parkeerplaats Fort Spion; Loenen aan de Vecht, Bureau Waardenburg, oktober 2018. Aanvullingen natuurtoets Wnb Waternet juli 2019. Brief Fort Spion aanvulling Wnb Waternet, ingekomen 29 juli 2019. Notitie vleermuisbezoeken Fort Spion Loenen aan de Vecht, Stichting Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland, 13 november 2019. Notitie vleermuisbezoeken Fort Spion Loenen aan de Vecht, Stichting Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland, deel 2, 18 september 2020. Plankaart parkeerterrein, ingekomen 25 november 2020. Waternet, notitie onderbouwing stikstofeffecten, ingekomen 25 november 2020. AERIUS-berekening gebruiksfase met kenmerk RUunmLuSqBFC (20 oktober 2020). • •

•

•

•

•

•

• • •

Daarnaast hebben wij gebruik gemaakt van de volgende informatiebronnen: • Profielendocumenten (Min LNV, 2008) • Definitieve aanwijzingsbesluiten van de natuurgebieden (min E& L) Volledigheidshalve hebben we zelf de volgende AERIUS berekeningen uitgevoerd ter bepaling verkeerseffecten binnen 5 km en toegevoegd met instemming van de aanvrager: • AERIUS berekening met eigen rekenpunten, met kenmerk RqBQqk3W2XAn (25 maart •

2021). AERIUS berekening met eigen rekenpunten, met kenmerk RwXTEaoudm95 (25 maart 2021).

Ad 1 Vaststellen gevolgen op Natura 2000-gebieden Gezien de afstand tussen inrichting en het dichtstbijzijnde (voor stikstof gevoelige) Natura 2000-gebied is beoordeeld of er bij de beoogde situatie sprake is van overige effecten. Uit de AERIUS-berekeningen komt naar voren dat er geen sprake is van een vergunningplichtige stikstofdepositie. Dit wordt hieronder nader toegelicht.

Toets aan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2OOO-gebied Passende beoordelinq Wanneer een project niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende gebied, dient de initiatiefnemer op grond van artikel 2.8, eerste lid Wnb passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied op te stellen. Gelet op de aard, omvang en locatie van de door u voorgenomen activiteit zijn wij van mening dat deze in potentie een schadelijk effect kan hebben op het Natura 2000-gebied, maar dat op voorhand is uitgesloten dat deze effecten als significant moeten worden aangemerkt. Het is daarom niet nodig om een passende beoordeling uit te voeren. Beheerplan Voor elk Natura 2000-gebied moet een beheerplan worden opgesteld. Het beheerplan zal gedetailleerde informatie bevatten over de aanwezigheid van natuurwaarden, de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen en de instandhoudingsmaatregelen die daartoe getroffen

Z.46427/D.349255

dienen te worden. Het beheerplan kan daarnaast beschrijven welke handelingen en ontwikkelingen het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Voor het relevante Natura 2000 gebied is het beheerplan nog niet vastgesteld. Wij hebben het beheerplan daarom enkel als informatiebron betrokken bij de beoordeling van deze aanvraag.

Beoordeling overige effecten De projectiocatie ligt aan de Bloklaan nabij Loenen aan de Vecht, en maakt geen onderdeel uit van het leefgebied van de doelsoorten van het nabij gelegen Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen'. Effecten van verstoring in de aanlegfase door trillingen, geluid en licht zijn op basis van ecologisch onderzoek van Bureau Waardenburg en nadere aanvullingen niet op voorhand geheel uit te sluiten. De beoordeling van deze aanvraag richt zich dus op de effecten van stikstofdepositie en overige effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied 'Oostelijke Vechtplassen. Effecten op habitatsoorten Het plangebied grenst bijna aan het Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen'. Aan de noordzijde van het plangebied liggen wateren die bij het Natura 2000-gebied behoren. Er wordt mogelijk stikstofdepositie veroorzaakt op leefgebied van de zeggekorfslak. Dit leefgebied ligt direct buiten de sfeer van de werkzaamheden. Directe aantasting in de zin van areaalverlies of kwaliteitsverlies is niet aan de orde voor de zeggekorfslak. Andere habitatsoorten komen niet voor in de invloedssfeer van de werkzaamheden. Op alle andere habitatsoorten zijn derhalve op voorhand (significant) negatieve gevolgen uit te sluiten.

Effecten op habitattypen Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtpfassen'. Behalve stikstofdepositie zijn er geen directe effecten op habitattypen. Derhalve zijn behalve stikstofdepositie (significant) negatieve gevolgen voor habitattypen op voorhand uit te sluiten. Effecten op broedvogels Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen'. Blijkens de natuurtoets maakt het plangebied ook geen deel uit van broedgebieden van aangewezen vogelsoorten. Aan de zuidkant van de Bloklaan ligt de Nieuwe Polderplas, die bij het Vogelrichtlijndeel van het Natura 2000-gebied behoort. In de aanlegfase wordt geen kunstlicht gebruikt, terwijl in de gebruiksfase het parkeerterrein niet wordt verlicht met kunstlicht. Zodoende kan er, na toepassing van de voorschriften 6 en 7, ook geen uitstraling van kunstlicht plaatsvinden naar de wateren die behoren bij 'Oostelijke Vechtplassen'. Daarom zijn zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase (significant) negatieve gevolgen voor aangewezen broedvogelsoorten uit te sluiten.

Effecten op niet-broedvogels Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen'. Blijkens de natuurtoets

maakt het plangebied ook geen deel uit van rust- of foerageergebieden van aangewezen nietbroedvogelsoorten. Aan de zuidkant van de Bloklaan ligt de Nieuwe Polderplas, die bij het Vogelrichtlijndeel van het Natura 2000-gebied behoort. In de aanlegfase wordt geen kunstlicht gebruikt, terwijl in de gebruiksfase het parkeerterrein niet wordt verlicht met kunstlicht. Zodoende kan er ook geen uitstraling van kunstlicht plaatsvinden naar de wateren die behoren bij 'Oostelijke Vechtplassen'. Daarom zijn zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase (significant) negatieve gevolgen voor aangewezen broedvogelsoorten uit te sluiten. en ook geen effecten op niet-broedvogels want niet binnen Natura 2000 gebied.

Z.46427/D.349255

StikstofdeposifLe

Vaststellen ernissies Aanlegfase Op grond van artikel 2.9a van de Wnb worden de gevolgen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing gelaten voor de toepassing van artikel 2.7, tweede lid. Op grond van artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming worden als activiteiten van de bouwsector als bedoeld in artikel 2.9a van de wet aangewezen: het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen en het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. De aanlegfase van het parkeerterrein met de toeleidende infrastructuur vanaf de Bloklaan valt onder bouw- en sloopactiviteiten. Gebruiksfase In de gebruiksfase is er sprake van 2.500 motorvoertuigbewegingen licht verkeer op jaarbasis. H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

Uit de AERIUS-berekening voor de gebruiksfase met kenmerk RUunmLuSqBFc (20 oktober 2020) blijkt dat er een permanente depositie van 0,02 mol/ ha/ jr. optreedt op een zoekgebied voor habitattype H3150 (meren met krabbenscheer en fonteinkruiden).

Nadere analyse in AERIUS heeft duidelijk gemaakt dat het zoekgebied voor H3150 niet overbelast is qua achtergrondconcentratie van stikstofemissies. De AERIUS-berekening geeft dat ook al aan. De KDW voor H3150 is 2.100 mol N/ ha/ jaar; de achtergrondconcentratie in het betreffende deel van de Oostelijke Vechtplassen varieert tussen beneden de 1.000 tot maximaal 1.650 mol N/ ha/ jaar. Daarmee is het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden voor deze zaak niet stikstofgevoelig. Zeggekorfslak Daarnaast vindt mogelijk enige permanente depositie plaats op het leefgebied van de zeggekorfslak. Dit leefgebied bevindt zich direct ten noorden van de locatie waar het parkeerterrein wordt aangelegd. In AERIUS heet dit LGO5 Grote zeggenmoeras.

Voor LGO5 Grote zeggenmoeras is geen AERIUS berekening beschikbaar. Wel is bekend dat de berekende 2.500 motorvoertuigen licht per jaar leiden tot een emissie van < 1 kg NOx en < 1 kg NH3. Daarmee is de omvang van de emissie en daarmee tevens de depositie verwaarloosbaar. De Kritische Depositiewaarde voor het leefgebied LGO5 Grote zeggenmoeras is 1714 mol/ ha/ jaar. De zeggekorfslak is blijkens het profielendocument gebonden aan grote zeggenvegetaties, waaronder moeraszegge en pluimzegge. De soort komt soms ook in andere cypergrassen voor zoals in galigaanvelden. Bij uitzondering komt de soort in rietkragen voor. De soort komt vooral voor op plekken waar dergelijke vegetaties zich in moerasbossen bevinden. Moeraszeggevegetaties zijn blijkens het profieldocument voor de zeggekorfslak in zekere mate gevoelig voor vermesting (bijvoorbeeld door stikstofdepositie); de genoemde plantensoorten zijn echter veel gevoeliger voor ontwatering. Daarvan is in dit project geen sprake. Omdat er sprake is van een emissie van minder dan 1 kg NOx en NH3 op jaarbasis, en de vindplaatsen niet overbelast zijn qua achtergrondconcentratie, is er geen sprake van een significant gevolg voor het leefgebied van de zeggekorfslak.

Gezien het bovenstaande leidt de emissie als gevolg van het project niet tot een significant gevolg voor habitattypen of leefgebieden. Stikstofeffecten gebruiksfase buiten 5 kilometer uit te sluiten Voor de gebruiksfase hebben wij ambtshalve berekeningen gemaakt. Uit de AERIUSberekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat op 4 kilometer afstand geen stikstofdepositie plaatsvindt als gevolg van verkeersbewegingen. Gezien het voorgaande kan met zekerheid

Z.46427/D.349255

worden uitgesloten dat in de gebruiksfase het stikstofeffect als gevolg van verkeersbewegingen de 5 kilometer contour overschrijdt.

C4. CUMULATIEVE EFFECTEN Op grond van de Wnb dient bekeken te worden of een te vergunnen project afzonderlijk, maar ook in combinatie met andere projecten significante gevolgen kan hebben. Deze cumulatietoets is vooral van belang voor projecten die een mogelijk negatief (maar niet significant) gevolg hebben, om te bezien of een project in cumulatie alsnog tot een significant effect zou kunnen leiden. Nu de werkzaamheden geen effecten hebben op de voor het gebied aangewezen soorten, kunnen deze ook in cumulatie niet leiden tot een effect. Nu effecten op de doelsoorten niet zijn te verwachten, zijn cumulatieve effecten ook uitgesloten. C5. MAATREGELEN DIE EVENTUELE SCHADELIJKE EFFECTEN BEPERKEN Om effecten op de overwinterende alsmede broedende doelsoorten te voorkomen, is aangegeven dat geen kunstlicht wordt gebruikt, niet in de aanlegfase en ook niet in de gebruiksfase. Dit is geborgd in de voorschriften 6 en 7. Daarnaast is geborgd dat geen geluidverstoring plaatsvindt in de aanlegfase (voorschrift 8). Tot slot is geborgd dat er geen depots voor materieel en materiaal binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen' mogen worden opgericht. C6. Slotconclusie Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied als gevolg van het project.

Het is dan ook niet vereist een passende beoordeling op te stellen. Wij verklaren geen bedenkingen te hebben tegen het afgeven van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het aanleggen en in gebruik hebben van een parkeerplaats met 50 plaatsen ten westen van Fort Spion, met alle bijbehorende aangevraagde voorzieningen (aanrijroute met uitweg, wandelpad en hek) aan de Bloklaan nabij Loenen aan de Vecht. Deze conclusie geldt nadrukkelijk onder de door ons gestelde voorwaarden en beperkingen en onder de voorwaarde dat de hiervoor onder B. geformuleerde voorschriften integraal aan de af te geven omgevingsvergunning worden verbonden. D.

OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN WET NATUURBESCHERMING HOOFDSTUK 3

Omdat er een parkeerplaats wordt aangelegd op een locatie die in gebruik is als foerageergebied voor vleermuizen, zijn op voorhand overtredingen ten aanzien van soortenbescherming niet uit te sluiten. Vanuit de aanvrager is aangegeven dat voor kleine marterachtigen geen essentieel leefgebied aanwezig is, en dat er in het plangebied geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Voor de soortgroep vleermuizen heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden: vanuit Waternet zijn twee aanvullende vleermuisonderzoeken verricht. Het eerste onderzoek was erop gericht een verblijfsboom te onderzoeken op paarverblijven. Bij deze boom zijn zwermende gewone en ruige dwergvleermuizen aangetroffen. Dit kan er op wijzen dat in deze boom een verblijfplaats aanwezig is. De locatie van de betreffende boom is weergeven op bijlage 2 bij dit besluit. Er is een tweede vleermuisonderzoek verricht, dat erop was gericht het gebruik van vleermuizen van het plangebied te onderzoeken. Uit dit onderzoek is gebleken dat 5 vleermuissoorten het

plangebied incidenteel tot regelmatig gebruiken als foerageergebied. De rosse vleermuis en laatvlieger gebruiken het terrein incidenteel; van deze soorten zijn geen verblijfplaatsen gevonden. Meer regelmatig wordt het terrein als foerageergebied gebruikt door de baardvleermuis, alsmede gewone en ruige dwergvleermuis. Het gebruik is echter dusdanig dat dit voor geen van de soorten als essentieel foerageergebied is beoordeeld. Als conclusie van het aanvullende vleermuisonderzoek is aangegeven, dat er geen overtreding van de Wnb plaatsvindt indien er geen verlichting wordt aangebracht. Zoals reeds eerder in het besluit is aangegeven wordt in de aanlegfase geen kunstlicht gebruikt, terwijl in de gebruiksfase het parkeerterrein niet wordt verlicht met kunstlicht. Dit is als mitigerende maatregel om

Z.46427/D.349255

negatieve gevolgen voor aangewezen broedvogelsoorten in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen reeds vastgelegd in voorschriften 6 en 7. Overtreding van de verboden ten aanzien van vleermuissoorten als bedoeld in artikelen 3.5 van de Wnb als gevolg van verlichting is uitgesloten.

De dode verblijfsboom met verblijfplaats van vleermuizen blijft staan. De functionaliteit van het leefgebied van de betreffende soorten blijft bestaan, alsmede de verblijfplaats behouden. Derhalve zijn overtredingen uit te sluiten. Op basis van de door u overgelegde informatie concluderen wij dat er geen sprake is van het overtreden van de verboden als bedoeld in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 de Wnb, mits u zich houdt aan de voorgestelde maatregelen zoals beschreven in de voorschriften.

Bij het fort liggen bunkers waar onder meer baardvieermuizen winterverblijven hebben. Een eventueel effect op het gebruik van de verblijfplaatsen in de bunkers bij het fort valt buiten de scope van deze aanvraag en hebben wij dus niet beoordeeld. Indien u de verblijfsboom van vleermuizen zoals aangegeven in bijlage 2 bij dit besluit kapt, is sprake van een overtreding van de Wnb en heeft u voorafgaand aan de kap een ontheffing op grond van de Wnb nodig. Zorgplicht De vergunninghouder is gehouden aan de in de vvgb opgenomen voorschriften die worden vastgelegd in de omgevingsvergunning. Voor alle soorten echter, geldt de zorgplicht ex artikel 1.11

van de Wnb, die van toepassing is op zowel beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten, ongeacht vrijstelling of ontheffing. Op grond hiervan dient de houder van de omgevingsvergunning zoveel als redelijkerwijs mogelijk is schade aan deze soorten te voorkomen. Vogels De vergunninghouder dient gedurende de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient te worden voorkomen. Dit kan plaatsvinden door bijvoorbeeld werkzaamheden buiten de broedperiode van aanwezige soorten uit te voeren of kunt u voorbereidende maatregelen treffen om te voorkomen dat vogels tot broeden kunnen komen binnen het plangebied. Wij wijzen erop dat voor het broedseizoen geen standaardperiode wordt gehanteerd in het kader van de Wnb. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode

Meer informatie Heeft u nog vragen? Neemt u dan contact op met de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN) via 088-10 21 300. Wij verzoeken u hierbij het zaaknummer te vermelden. Hoogachtend < P.M.>

Rechtsbescherming < P.M.>

Verzending Deze vvgb wordt verzonden aan de gemeente Wijdemeren

Bijlagen: 1.

2.

Plankaart Locatie verblijfplaatsboom

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11548743/1