Bijlage 2 Voorstel aan deelnemers toekomstige samenwerking in LSD vsdfAB 01 11 2021docx
Tekst van het document
Voorstel
Onderwerp Aan Van Datum Bijlagen
Toekomstige samenwerking recreatietaken en opheffing RMN Deelnemers in Plassenschap Loosdrecht e. o Algemeen bestuur 1 november 2021 1. Intentieovereenkomst SBB, 2. Concept liquidatieplan RMN. A. Overzicht huidige situatie recreatieschappen en RMN, B. Onderzochte scenario’s, C. Raming incidentele kosten omvorming en verdeling; bijlagen A, B en C zijn ingesloten.
Besluit Gevraagde besluiten van colleges, raden en staten van de deelnemers, ieder voor zover bevoegd: 1. Instemmen met de voorgestelde toekomstige samenwerkingsvorm, uitgewerkt in paragraaf 4 van onderhavig voorstel. 2. In dat kader: a. Een voorstel tot wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Plassenschap Loosdrecht e.o. in lijn met de voorgestelde toekomstige samenwerkingsvorm afwachten. b. Kennisnemen van de voorgestelde organisatorische oplossing voor het Routebureau per 1 januari 2023 en de besluitvorming in het Bestuurlijk Overleg Routebureau op dit punt afwachten, zoals beschreven in paragraaf 2.4. c. Kennisnemen van de intentieovereenkomst (onderzoek) met SBB, opgenomen als bijlage 1, en de uitkomsten van dat onderzoek afwachten. d. Het bestuur van het Plassenschap de ruimte geven om met voortvarendheid aan de slag te gaan met het voorbereiden van de implementatie van de nieuwe samenwerkingsvorm, gericht op realisatie per 1 januari 2023, waarbij u tussentijds op de hoogte wordt gehouden van de vorderingen. 3. Het besluit van het bestuur van het Plassenschap inhoudende opheffing van RMN per 31 december 2022 onderschrijven. 4.
In dat kader: kennisnemen van het liquidatieplan RMN, bijgevoegd als bijlage 2, en de daarin opgenomen raming van de financiële consequenties voor het schap en de deelnemers, welke verwerkt zullen worden in de jaarrekeningen 2022/2023 van het schap en het voorstel over de dekking van het aandeel van het schap in deze kosten afwachten.
Ondertekening Aldus vastgesteld in de vergadering van het Algemeen bestuur, gehouden op 1 november 2021 in digitale vorm.
Voorzitter
Secretaris
Inhoud Voor u ligt het bestuursvoorstel voor de toekomstige vormgeving van de samenwerking op de recreatie-en gebiedstaken van het huidige Plassenschap Loosdrecht e.o.. Dit voorstel is als volgt opgebouwd: 0. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Samenvattende toelichting op de voorstellen Aanleiding Context Scenario’s en weging Kernelementen van het voorstel Consequenties Risico’s en onzekerheden Planning van het vervolgproces
Pagina 2 van 27
Samenvattende toelichting op de voorstellen Onderstaand geven wij een korte samenvattende toelichting op de gevraagde besluiten. Meer informatie vindt u verderop in dit voorstel. Toelichting bij besluit 1: Instemmen met de voorgestelde toekomstige samenwerkingsvorm, uitgewerkt in paragraaf 4. De samenwerkingsvorm die wordt voorgesteld is schematisch weergegeven in onderstaande afbeelding.
Deze samenwerkingsvorm heeft de volgende kernelementen: 1.
De GR blijft in stand, maar wordt omgevormd naar een Bedrijfsvoeringsorganisatie (BVO). De BVO houdt de eigendommen die het nu op het grondgebied van beide gemeenten in het bezit heeft en houdt het eigendom over de materiële activa. Er worden dus geen gebieden aan de samenwerking onttrokken. De belangrijkste reden voor omvorming van de huidige GR naar een BVO is de op uitvoering gerichte aard van de schapstaken in de nabije toekomst. De op de uitvoering gerichte taken van het schap maakt het mogelijk te kiezen voor een ‘beleidsarme’ BVO met één bestuur. Hierdoor wordt de bestuurlijke drukte aanzienlijk verminderd. Het bestuur houdt zich bezig met het beheer van de eigendommen, het vaststellen van de kaders voor de taakuitvoering (beheer & onderhoud, (V)TH, exploitatie, communicatie en bedrijfsvoering), het sluiten van DVO’s met de uitvoerende partijen en het vaststellen van de begroting nadat hierover van de deelnemers een zienswijze is gevraagd. Het bestuur komt in beginsel 2x per jaar bij elkaar. Daarnaast geldt dat er ten aanzien van de VTH-taken geen reden is het schap verordenende bevoegdheden te laten behouden. De samenwerking kent immers maar twee grondgebiedgemeenten die onderling kunnen afstemmen over de APV’s en mandaatverlening.
Tegelijkertijd houden de raden en staten positie via de P&C-cyclus en kunnen zij betrokken blijven worden bij het werk van het schap, waarmee democratische legitimatie gediend is. Bij dit alles is van belang dat wij ons als bestuur LSD en als deelnemers realiseren dat deze nieuwe samenwerkingsvorm een trendbreuk is met hoe het nu gaat en dus ook om een cultuurverandering binnen de samenwerking vraagt, waar we samen aan moeten werken. De GR zal als gevolg van deze verandering uit (de stuurgroep van) het Gebiedsakkoord treden, omdat de deelnemers in de GR daarin ook al rechtstreeks participeren. De deelnemers aan de GR nemen de
Pagina 3 van 27
contractueel vastgelegde financiële verplichtingen van de GR ten aanzien van het Gebiedsakkoord over, zodat deze stap voor het Gebiedsakkoord budgettair neutraal is. De gemeente Utrecht is voornemens om per 1 januari 2023 uit de samenwerking te treden omdat zij daar geen belangen heeft en zal dus niet gaan deelnemen in de bedrijfsvoeringsorganisatie. In dat kader heeft de gemeente met de provincie afspraken gemaakt over de financiële uitruil in de bijdragen aan het Plassenschap en Stichtse Groenlanden, zodat dit budgettair uitwerkt voor de andere deelnemers. Het AB van het Plassenschap heeft hiermee recent ingestemd. 2.
De GR draagt aan Wijdemeren de taakuitvoering op ten aanzien van het beheer & onderhoud, VTH, exploitatie, communicatie en bedrijfsvoering voor wat betreft het ‘natte deel’ van het grondgebied. Het uitgangspunt hierbij is dat Wijdemeren het bestaande takenpakket van RMN op deze onderdelen en het bijbehorende personeel zo veel mogelijk over neemt.
3.
De taakuitvoering van voor de ‘droge’ delen op het grondgebied van Stichtse Vecht zal op basis van de uitkomsten van het onderzoek worden opgedragen aan Staatsbosbeheer. Door het Recreatieschap Stichtse Groenlanden wordt een intentieovereenkomst aangegaan met Staatsbosbeheer waarmee een onderzoek wordt gestart naar uitvoering door SBB van de taken voor het schap die nu door RMN uitgevoerd worden, de condities die SBB daaraan verbindt en wat het betekent voor het RMNpersoneel. Wij zullen hierop als bestuur LSD aanhaken en met Staatsbosbeheer hetzelfde onderzoek doen met betrekking tot de ‘droge’ gebieden van ons schap. We zullen de intentieovereenkomst – die geen van de partijen bindt aan daadwerkelijke opdrachtverlening – mee ondertekenen voor de ‘droge’ delen van LSD.
4.
Het bestuur van de GR wordt ondersteund door een bestuurssecretaris en financieel adviseur. Deze functionarissen worden ingeleend bij de provincie Utrecht, zodat het schap niet hoeft op te treden als werkgever.
Toelichting bij besluit 2: a.
Een voorstel tot wijziging van de Gemeenschappelijke regeling in lijn met de voorgestelde toekomstige samenwerkingsvorm afwachten. Op basis van een besluit over de toekomstige samenwerkingsvorm (besluit onder 1) is wijziging van de huidige tekst van de Gemeenschappelijke regeling nodig naar de BVO. In deze wijziging wordt de voorgenomen uittreding van de gemeente Utrecht uit het Plassenschap meegenomen. De deelnemers ontvangen in de eerste helft van 2022 een voorstel tot wijziging van de huidige tekst van de GR met het verzoek daarover voor het zomerreces een besluit te nemen. De gewijzigde GR in de vorm van de BVO kan dan per 1 januari 2023 in werking treden.
b.
Kennisnemen van de voorgestelde organisatorische oplossing voor het Routebureau per 1 januari 2023 en de besluitvorming in het Bestuurlijk Overleg Routebureau op dit punt af te wachten, zoals beschreven in paragraaf 2.4. Het Routebureau is nu organisatorisch ondergebracht bij RMN. Dat kan niet meer nu RMN wordt opgeheven. De provincie is bereid het Routebureau organisatorisch onder te brengen in de provinciale organisatie en de betrokken medewerkers van RMN over te nemen om zo frictiekosten te voorkomen. Deze overname zal niet leiden tot een hogere structurele bijdrage voor de Utrechtse gemeenten. In de recent uitgevoerde evaluatie van het Routebureau wordt als alternatief genoemd dat het Routebureau wordt ondergebracht bij een aparte stichting. Deze evaluatie wordt eind november 2021 besproken in het Bestuurlijk Overleg Routebureau, waarin alle gemeenten die deelnemen in het schap ook participeren. Mocht er over een andere oplossing niet tijdig uitsluitsel zijn, dan wordt het Routebureau ondergebracht bij de provincie Utrecht. Zie verder paragraaf 2.4.
Pagina 4 van 27
c.
Kennisnemen van de intentieovereenkomst (onderzoek) met SBB en de uitkomsten van dat onderzoek afwachten. Zie bijlage 1. Wij zullen een intentieovereenkomst ‘onderzoek’ sluiten met Staatsbosbeheer voor de ‘droge’ gebieden van Stichtse Vecht. Op basis van deze intentieovereenkomst wordt samen met het recreatieschap Stichtse Groenlanden een onderzoek gestart naar de uitvoering door SBB van de taken voor het schap die nu door RMN uitgevoerd worden voor deze ‘droge’ gebieden, de condities die SBB daaraan verbindt en wat het betekent voor het RMN-personeel. Deze intentieovereenkomst schept geen verplichtingen van ons schap tegenover SBB, anders dan dat we ons gezamenlijk inspannen om binnen de afgesproken termijn een adequaat onderzoeksresultaat op te leveren als basis voor de besluitvorming die daarna volgt. Wij streven ernaar dit gezamenlijke onderzoek voor 1 juni 2022 af te ronden en op basis van de uitkomsten daarvan in ons bestuur voor 30 juni 2022 een besluit te nemen over het aangaan van de samenwerking met SBB.
d.
Het bestuur van het Plassenschap de ruimte geven om met voortvarendheid aan de slag te gaan met het voorbereiden van de implementatie van de nieuwe samenwerkingsvorm, gericht op realisatie per 1 januari 2023, waarbij u tussentijds op de hoogte wordt gehouden van de vorderingen. Indien u akkoord gaat met het voorstel voor de nieuwe samenwerking, pakken wij als bestuur van het Plassenschap de voorbereiding van de implementatie met voortvarendheid op, zodat de omvorming op 1 januari 2023 gereed is. Prioriteit heeft de uitwerking van de afspraken met de gemeente Wijdemeren over de taakuitvoering op de ‘natte gebieden’ en het onderzoek met Staatsbosbeheer voor de ‘droge gebieden’.
Toelichting bij besluit 3: Onderschrijven van het besluit van het bestuur van het Plassenschap tot opheffing van RMN per 1 januari 2023, zoals opgenomen in paragraaf 2.3. Het Plassenschap is een van de drie deelnemers in de BVO RMN. Wij hebben als bestuur van het Plassenschap ingestemd met het voorstel van het bestuur van RMN om RMN per 31 december 2022 op te heffen. Dit is geheel in lijn met de richtinggevende besluiten die begin 2021 in het bestuur van het Plassenschap met steun van de deelnemers genomen zijn. Toelichting bij besluit 4: In dat kader, kennisnemen van het concept liquidatieplan RMN en de daarin opgenomen raming van de financiële consequenties voor het schap en de deelnemers, welke verwerkt zullen worden in de jaarrekening 2022/2023 van het schap. Zie bijlage 2. Het concept liquidatieplan is aan ons bestuur voor een reactie toegestuurd door het bestuur van RMN. In dit plan worden de liquidatiekosten geraamd op € 1,25 miljoen. Het betreft voornamelijk personele en contractuele kosten, die mede volgen uit de wens de BVO slank en doelmatig in te richten. Daarvoor moet de overhead worden beperkt; dat verhoogt de incidentele liquidatiekosten. Volgens de geldende verdeelsleutel komt hiervan € 0,39 miljoen voor rekening van ons schap. Deze kosten worden verantwoord in de jaarrekening 2022 van ons schap en de liquidatieverantwoording van RMN (in 2023).
Aangezien RMN en het schap zelf niet over voldoende middelen beschikken om deze eenmalige kosten integraal te dragen zullen wij als bestuur LSD hiervoor volgend jaar en/of in 2023 een beroep moeten doen op de deelnemers. Hiervoor volgt te zijner tijd een separaat voorstel in de vorm van een begrotingswijziging. Uit bijlage 4 van het liquidatieplan RMN blijkt wat dit betekent voor de individuele deelnemers in SGL en LSD. De liquidatiekosten zijn beïnvloedbaar naar gelang de schappen of de toekomstige uitvoerders van taken die nu bij RMN zijn belegd, personeel van RMN over nemen. Al onze inzet is daarop gericht, zowel uit sociale als uit financiële overwegingen. Wij streven er naar hiermee het aandeel in de liquidatiekosten voor ons schap en zijn deelnemers naar beneden te kunnen bijstellen.
Pagina 5 van 27
1. Aanleiding: koers richting een nieuwe samenwerking 1.1
Functioneren RMN
In 2019 is door de besturen van Plassenschap Loosdrecht e.o. en Recreatieschap Stichtse Groenlanden geconstateerd dat de situatie bij RMN hen zorgen baart. Eerder (2018) was door KokxDeVoogd een organisatiescan van RMN uitgevoerd met als belangrijke aanbevelingen de inrichting van de bedrijfsvoering grondig te herzien, het bestuur meer in de eigenarenrol te brengen en het ambtelijk opdrachtgevend systeem van de deelnemers te professionaliseren en uit de stuurlijn binnen RMN te halen. In de periode hierna is door RMN bij de deelnemers van beide schappen weinig vertrouwen gewekt dat de situatie zich zou verbeteren. De schapsbesturen, en daarmee hun deelnemers, zagen hun lasten voor RMN stijgen door kostenoverschrijdingen in de bedrijfsvoering van RMN maar kregen geen grip op de precieze oorzaken en waren bezorgd dat de lasten structureel zouden stijgen. Adequate maatregelen bleven naar hun gevoel binnen RMN uit. Vanwege de toenemende onvrede over deze situatie heeft het RMN-bestuur de directeur verzocht om haar deelnemers (Provincie Utrecht, Recreatieschap Stichtse Groenlanden en Plassenschap Loosdrecht e.o.) mee te nemen in de problematiek en dit uit te werken in een plan van aanpak voor verbetering. Het rapport ‘RMN in transitie’ (2020) van RMN voorzag niet in werkbare oplossingen.
In het rapport ‘Organisatie van de recreatietaken in Midden Nederland’ (2020) van Bureau Berenschot werd de conclusie getrokken dat er meer duidelijkheid nodig is over de basis voor samenwerking onder de deelnemers van RMN, de twee schappen en de provincie. En dat er duidelijkheid nodig is van de deelnemers aan de schappen over doel, nut en noodzaak van de samenwerking, omdat daarover geen eenduidig beeld bestond.
1.2
Richtinggevende uitspraken over andere samenwerkingsvorm
In het najaar van 2020 spraken de Dagelijks Besturen van Plassenschap Loosdrecht e.o. en Recreatieschap Stichtse Groenlanden elkaar over de toekomst van de uitvoeringsorganisatie Recreatie Midden Nederland (RMN). Door beide schappen werd een Bestuurlijke Begeleidingsgroep opgericht die uit de gesprekken richtinggevende uitspraken destilleerde, zoals opgenomen in de memo ‘Besluitvorming over richtinggevende uitspraken voor vervolgstappen nieuw organisatie recreatietaken Midden Nederland’ van 7 december 2020. Deze uitspraken zijn onderschreven door de besturen van SGL en LSD.
Voor RMN: • Het voornemen uit te spreken om Bedrijfsvoeringorganisatie RMN op te heffen. (…) Als streefdatum voor de liquidatie te opteren voor 1 januari 2022.
Voor Plassenschap Loosdrecht e.o.: • Het uitwerken van een samenwerking binnen het schap op basis van centrumconstructie waarbij de gemeente Wijdemeren als opdrachtnemer kan optreden voor beheer en onderhoud en toezicht en handhaving van de gebieden. • Het laten vervallen van de verordende bevoegdheid en de nautische bevoegdheid voor de plassengebieden om deze toe te wijzen aan de gemeente Wijdemeren (als opdrachtnemer van de samenwerking) en hierover advies in te winnen. • Een verkenning uitvoeren naar scheiding van de zogenaamde ‘natte’ en ‘droge’ taken van het Plassenschap.
•
Nader verkennen of samenwerking met de Vinkeveense plassen mogelijk is en op welke termijn.
Pagina 6 van 27
1.3
Reacties van deelnemers op richtinggevende uitspraken
Aan de deelnemers van LSD (de 3 gemeenten en twee provincies) is gevraagd in te stemmen met de richtinggevende uitspraken en hier zo nodig inhoudelijk op te reageren. Op basis van deze reacties werd door ons bestuur geconstateerd dat de richtinggevende uitspraken door de deelnemers in essentie werden onderschreven. Daarnaast werd duidelijkheid gewenst over de financiële meerwaarde van de nieuwe vormgeving van de samenwerking, over de relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer voor de uitvoering, over gemeenschappelijk eigendom en over de inspraak van raden en staten.
1.4
Doorlopen proces vanaf 15 februari 2021
Op basis van de reacties van de deelnemers heeft de Bestuurlijke Begeleidingsgroep, die zoals gezegd mede door ons is ingesteld voor de begeleiding van de transitie, de volgende opdracht geformuleerd: ‘Ontwerp het bestuurlijke en ambtelijke proces voor het tot stand brengen van een nieuwe organisatie voor de recreatietaken in het gebied van de huidige recreatieschappen, bereid de noodzakelijke besluitvorming voor en geef indien gewenst leiding aan de uitvoering van de besluiten (implementatie).’ Voor het uitvoeren van deze opdracht is een extern bureau aangezocht. Sinds 15 februari 2021 zijn wij als bestuur intensief bezig geweest met de zoektocht naar een goede samenwerkingsvorm. Op basis van een inventarisatie van de taken die RMN nu uitvoert zijn gesprekken gevoerd met de Ambtelijke en Bestuurlijke Begeleidingsgroep om te komen tot scenario’s voor de toekomstige samenwerking. De scenario’s die voor de toekomstige samenwerking in LSD zijn opgesteld – deze worden toegelicht in paragraaf 3 – hadden allemaal het doel een alternatief te bieden voor de complexe governance-structuur van de huidige samenwerking. Onder het motto: eenvoudiger, eenduidiger, efficiënter en met minder bestuurlijke drukte. De huidige samenwerking kent immers een ‘dubbele GR’ – te weten: de GR LSD als één van de drie eigenaren van RMN en de GR RMN zelf.
Door het opheffen van de constructie met een dubbele GR ontstaat er een directe relatie tussen de deelnemers en de organisatie die de recreatietaken uitvoert en krijgen de deelnemers van het Plassenschap bestuurlijke grip op deze taakuitvoering. Een van de richtinggevende uitspraken was te opteren voor de opheffing van RMN per 1 januari 2022. Dit is het uitgangspunt geweest, maar onder meer door de tijd die het inzichtelijk krijgen van financiën en taakomvang van RMN ten behoeve van de schappen vergde en de tijd die de schappen nodig bleken te hebben voor de heroverweging van hun samenwerkingsvorm is deze datum niet haalbaar gebleken. Op dit moment wordt daarom uitgegaan van liquidatie van RMN per 31 december 2022. Dat vereist nog wel een forse inspanning. Bij het uitwerken van de scenario’s ontstond gaandeweg ook het inzicht dat ook niet alle andere richtinggevende uitspraken even goed gevolgd konden worden. Wij lichten dat in paragraaf 3 van dit voorstel toe. Wij hebben gezocht naar de best passende alternatieve samenwerkingsvorm die aan bovenstaand doel beantwoordt. Zoals in paragraaf 3 nader wordt toegelicht zijn wij uitgekomen op een samenwerkingsvorm waarbij GR LSD wordt omgevormd naar een BVO, de taakuitvoering voor de ‘natte gronden’ wordt belegd bij Wijdemeren en voor de ‘droge gronden’ bij Staatsbosbeheer – waarbij met beide partijen een DVO wordt gesloten.
Wij zijn nu zo ver met het uitwerken van het nieuwe samenwerkingsmodel dat wij u onderhavig voorstel voor een besluit aan u als deelnemers kunnen voorleggen. Daarbij streven wij ernaar, conform de wens van veel deelnemers, over de nieuwe samenwerkingsvorm voor LSD vóór de gemeenteraadsverkiezingen van 16 maart 2022 gezamenlijk een onomkeerbaar besluit te nemen.
Pagina 7 van 27
2. Context: Samenhang met traject LSD en opheffing RMN 2.1
Duiding van de samenhang
Het proces om te komen tot een toekomstbestendige samenwerkingsvorm op de recreatietaken kent vier belangrijk onderdelen. Dat zijn naast het traject Plassenschap Loosdrecht e.o., het traject Recreatieschap Stichtse Groenlanden, het traject RMN en het traject Routebureau. In bijlage A wordt de huidige constructie en de relatie tussen deze vier onderdelen nader toegelicht. Deze onderdelen hebben allemaal een eigen dynamiek en er zijn voor een belangrijk deel ook andere deelnemers bij betrokken. De verbindende schakel is het onderdeel opheffing van RMN. Dat kan pas geëffectueerd worden als over de drie andere onderdelen besluitvorming heeft plaatsgevonden en duidelijk is waar taken en medewerkers van RMN in de toekomst ondergebracht worden. Deze afhankelijkheid maakt ons eigen proces complex. We lichten in deze paragraaf de samenloop en stand van zaken op deze drie andere onderdelen toe.
2.2
Relatie met traject Recreatieschap Stichtse Groenlanden
Ook voor het huidige schap SGL wordt gezocht naar een nieuwe samenwerkingsvorm. Dit is inhoudelijk een autonoom proces. De financiële uitruil tussen de gemeente Utrecht en de provincie Utrecht komt hierin ook aan de orde. Naar het zich laat aanzien wordt er door de deelnemers in SGL voor een andere samenwerkingsvorm gekozen dan wij voorstellen voor ons schap. Niettemin verdient het sterk de voorkeur dat de besluitvorming binnen SGL op een parallel spoor verloopt aan ons proces. Ten eerste omdat drie deelnemers in LSD ook deelnemer zijn in SGL en met één voorstel naar hun staten en raden willen. Ten tweede omdat de liquidatie van RMN pas geëffectueerd kan worden als beide schappen samen met de provincie Utrecht een besluit genomen hebben over opheffing van RMN en er een oplossing is voor de taken en het personeel. In deze oplossing moeten primair LSD, SGL en de provincie Utrecht voorzien. De twee trajecten zijn dus niet van elkaar afhankelijk qua vormgeving van de nieuwe samenwerking, maar wel als het gaat om het opheffen van RMN en daarmee qua doorlooptijd.
2.3
Relatie met traject RMN
Met het traject RMN1 wordt bedoeld: het traject tot opheffing van RMN per 31 december 2022. Het bestuur van RMN heeft ons bestuur als deelnemer in RMN onlangs het voorstel tot opheffing van RMN per 31 december 2022 voorgelegd. Wij hebben, geheel in lijn met uw richtinggevende uitspraak op dit punt, besloten in te stemmen met dit voorstel en RMN op te heffen. Het bestuur van RMN zond ons ook het concept liquidatieplan (ter informatie bijgevoegd als bijlage 2). In dit plan worden de liquidatiekosten geraamd op € 1,25 miljoen. Het betreft voornamelijk personele en contractuele kosten, die mede volgen uit de wens de BVO slank en doelmatig in te richten. Daarvoor moet de overhead worden beperkt; dat verhoogt de liquidatiekosten. Volgens de geldende verdeelsleutel komt hiervan € 0,39 miljoen voor rekening van ons schap. Aangezien RMN en ons schap niet over voldoende middelen beschikken om deze kosten integraal te dragen zullen wij hiervoor volgend jaar een beroep moeten doen op de deelnemers. Hiervoor volgt dan een separaat voorstel. Een overzicht hiervan is opgenomen als bijlage 4 in het liquidatieplan. Deze incidentele kosten worden gedekt op de begroting van ons schap in het jaar waarin de financiële verplichting voor deze kosten daadwerkelijk wordt aangegaan (2022) en zullen in de begrotingswijziging van september 2022 onder verwijzing naar dit voorstel worden verwerkt.
1 In het liquidatieplan wordt ook ingegaan op de afspraken die gemaakt worden met het Nationaal Park Utrechtse
Heuvelrug in het kader van het aflopende contract met RMN.
Pagina 8 van 27
De incidentele kosten zullen daarnaast uiteraard worden verantwoord in de jaarrekening 2022 van ons schap en in de liquidatieverantwoording van RMN (in 2023). Deze liquidatiekosten zijn beïnvloedbaar naar gelang de schappen of de toekomstige uitvoerders van taken die nu bij RMN zijn belegd, personeel van RMN over nemen. Dat is overigens geen vrijblijvende aangelegenheid, maar gebaseerd op het in overheidsland algemeen aanvaarde principe ‘mens volgt werk’ en mogelijk ook juridisch afdwingbaar op grond van de wettelijke bepalingen omtrent ‘overgang van onderneming’. Opheffing van RMN is weliswaar een gescheiden traject, maar de nauwe verbondenheid met het omvormingstraject van het schap LSD is evident. Het is in dit kader goed te weten dat het bestuur van RMN pas over gaat tot effectuering van het opheffingsbesluit als duidelijk is wat de gevolgen voor de taken en het personeel van RMN zijn van de nieuwe samenwerkingsvorm die ons schap en SGL kiest. Indien er niet tijdig is besloten over een nieuwe samenwerkingsvorm voor ons schap, en de implementatie ervan organisatorisch niet is afgerond vóór 1 januari 2023, dan kan RMN per 31 december 2022 niet worden opgeheven.
Het bestuur van RMN heeft vanuit haar werkgeversverantwoordelijkheid laten weten een besluit van de deelnemers over opheffing uiterlijk op 15 februari 2022 nodig te hebben om het personele traject dat daarna volgt zorgvuldig en tijdig voor 31 december 2022 te kunnen afronden. Dat betekent dus dat het besluit binnen ons schap over de toekomstige samenwerking voor 15 februari 2022 genomen moet zijn.
2.4
Relatie met traject Routebureau
In het Routebureau Utrecht werken alle Utrechtse gemeenten en de provincie samen op het terrein van routes en routenetwerken. De gemeente Wijdemeren neemt deel niet rechtstreeks deel maar via het Plassenschap. Gezamenlijk brengen zij ook de kosten voor instandhouding van het Routebureau op. Het Routebureau is nu organisatorisch ondergebracht bij RMN. Dat kan niet meer nu RMN wordt opgeheven. De provincie is bereid het Routebureau organisatorisch onder te brengen in de provinciale organisatie en de betrokken medewerkers van RMN over te nemen om zo frictiekosten te voorkomen. Deze overname zal niet leiden tot een hogere structurele bijdrage voor de Utrechtse gemeenten. Er speelt in dit kader ook een andere relevante ontwikkeling. Recent is een evaluatie uitgevoerd over het Routebureau; daarin wordt (onder andere) de optie opgenomen is om het Routebureau onder te brengen in een aparte stichting. Dit evaluatierapport wordt op 26 november 2021 besproken in het Bestuurlijk Overleg Routebureau, waarin alle Utrechtse gemeenten deelnemen. Op deze uitkomst kan nu niet vooruitgelopen worden. Vandaar dat met de provincie het overleg plaatsvindt dat zij het Routebureau uiterlijk per 1 januari 2023, en zoveel eerder als mogelijk, opneemt in de provinciale organisatie.
Dit tenzij er tijdig eerder in het Bestuurlijk Overleg Routebureau overeenstemming wordt bereikt over het onderbrengen van het Routebureau in een aparte stichting of er een andere oplossing komt, die voor 1 januari 2023 te realiseren is. Met deze ‘vangnet-afspraak’ blijft enerzijds de ruimte bestaan om eventueel tot een andere door de deelnemers gewenste oplossing voor de organisatorische inbedding van het Routebureau te komen en wordt anderzijds bereikt dat het Routebureau en de medewerkers die daar werken op 1 januari 2023 in ieder geval een organisatorische thuisbasis hebben.
Pagina 9 van 27
3. Onderzochte scenario’s en weging 3.1
Proces van verkenning
Met de Ambtelijke en Bestuurlijke Begeleidingsgroep zijn gesprekken gevoerd over de hoofdlijnen van mogelijke scenario’s voor de toekomstige vormgeving van de samenwerking in ons schap. Op basis van deze gesprekken zijn uit een veelheid van scenario’s vier scenario’s geselecteerd die de basis vormden voor verdere verkenning. In de periode van uitwerken van de toekomstscenario’s zijn ook gesprekken gevoerd met verschillende TBO’s en andere organisaties die potentieel de rol van uitvoerder kunnen vervullen in de toekomstige samenwerking. Er is oriënterend gesproken met Recreatie Noord-Holland, Leisurelands, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Landschap Erfgoed Utrecht, Utrechts Landschap, RUD, ODRU, Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. Deze verdere verkenning heeft geresulteerd in vier hoofdscenario’s.
3.2
De vier hoofdscenario’s
Er zijn in dit traject vier scenario’s uitgewerkt en bestuurlijk besproken en gewogen waarvan de essentie als volgt is: 1.
Scenario ‘Basis’: De GR LSD wordt opgeheven. De gronden, in eigendom van LSD, worden overgedragen naar de grondgebiedgemeenten. De gezamenlijkheid sluit een convenant met een uitvoerende partij voor het uitvoeren van de taken. Een gezamenlijke bestuurlijke stuurgroep wordt ingesteld om de taakuitvoering door de uitvoerende partij te monitoren.
2.
Scenario ‘Basis+’: De GR LSD blijft bestaan – zij het mogelijk anders vormgegeven. De gronden, nu in eigendom van LSD, blijven in eigendom van het schap. De gezamenlijkheid sluit een DVO met de uitvoerende partijen voor het uitvoeren van de taken die RMN nu uitvoert. Anders dan in het oorspronkelijke uitgangspunt, zal er bij het onderbrengen van alle taken bij een uitvoerende partij geen noodzaak bestaan om naast de GR nog een stuurgroep op te richten. De GR gaat het opdrachtgeverschap zelf invullen.
3.
Scenario ‘TBO’: De GR LSD wordt opgeheven. Een TBO neemt grondeigendom over, en daarmee de gehele taakuitvoer. Bij volledige overdracht van gronden wordt ook zeggenschap over de gebieden overgedragen. Er is hier in principe geen sprake meer van samenwerking tussen deelnemers, maar van overdracht van gebieden aan een nieuwe eigenaar. Deelnemers hebben slechts door bestemmingsplannen, en wellicht een bestuursovereenkomst, invloed op de ontwikkeling van de overgedragen gebieden.
4.
Scenario ‘nul’: De GR LSD wordt opgeheven en alle gronden worden overgedragen aan de grondgebiedsgemeenten. De aan deze gronden verbonden taken worden door de betreffende gemeente zelf uitgevoerd. De samenwerking richt zich op het in stand houden van de recreatieve functies, de samenhang tussen de gebieden en de inbreng van de benodigde middelen. Hiertoe wordt een stuurgroep tussen alle betrokken samenwerkingspartners opgericht.
De uitwerking van de scenario’s en de weging per scenario is opgenomen in bijlage B.
Pagina 10 van 27
3.3
De keuze voor scenario Basis+
De bovengenoemde scenario’s zijn door ons bestuur besproken en beoordeeld op wenselijkheid en haalbaarheid. We hebben unaniem geconstateerd dat scenario ‘nul’ niet wenselijk is. Dit zou immers betekenen dat de bestuurlijke samenwerking zou verdwijnen, waarmee ook de basis voor de provinciale bijdrage vervalt. Bovendien zouden eigendommen moeten worden verdeeld en zou elke gemeente en provincie zelf verantwoordelijk worden voor de taakuitvoering, wat tot kwetsbaarheid en inefficiency leidt en gemeentegrens-overschrijdende samenwerking bemoeilijkt. Van meet af aan was het, zoals bevestigd door de richtinggevende uitspraken, de bedoeling om de gemeente Wijdemeren als opdrachtnemer van de samenwerking aan te wijzen voor de taken beheer en onderhoud en toezicht en handhaving. Het scenario ‘TBO’, dat meer voor de hand lag voor de samenwerking binnen SGL, werd hiermee als niet wenselijk beoordeeld. We oordeelden voorts dat de scenario’s ‘Basis’ en ‘Basis+’ het meest wenselijk zijn vanuit het oogpunt van continuering van de samenwerking en gedeeld opdrachtgeverschap. Het scenario ‘Basis+’, waarin eigendom in een GR/BVO blijft, heeft daarbij duidelijk voordelen ten opzichte van scenario ‘Basis’.
De samenwerking op de gemeente-grensoverschrijdende recreatietaken blijft robuust, de gronden blijven in gezamenlijk eigendom en de financiële stromen, ook van de provincies, en de solidariteit blijven behouden. Een van de door ons bevestigde richtinggevende uitspraken was het terug laten vallen van de verordende bevoegdheid en de nautische bevoegdheid voor de plassengebieden aan de beide respectievelijke grondgebiedgemeenten Wijdemeren en Stichtse Vecht. Hierover oordeelden we dat dit een logische manier zou zijn om de samenwerking een beleidsarm karakter te geven. Wel is het zo dat ook Stichtse Vecht over natte gebieden beschikt te aanzien waarvan afstemming nodig is. Een andere door ons bevestigde richtinggevende uitspraak was het uitvoeren van een verkenning naar scheiding van de zogenaamde ‘natte’ en ‘droge’ taken van het Plassenschap. We constateerden dat Wijdemeren een logische partij zou zijn voor de taakuitvoering voor de ‘natte’ gebieden, maar dat ze – gezien de aard en omvang van de algehele taak – voor de taakuitvoering van de ‘droge’ gebieden niet de meest gerede partij zou zijn. Gezien de ontwikkelingen in SGL en de voortgang van de gesprekken met Staatsbosbeheer is deze laatste partij bij ons in beeld gekomen als uitvoerder van de taken voor de ‘droge’ gebieden.
Staatsbosbeheer voert binnen de Provincie Utrecht al vergelijkbare werkzaamheden uit als RMN (hoewel Staatsbosbeheer beheer en onderhoud van ‘natte’ terreinen tot op heden alleen uitvoert in andere provincies). Staatsbosbeheer is bovendien in staat om niet alleen werk maar ook medewerkers over te nemen tegen arbeidsvoorwaarden die vergelijkbaar zijn met de huidige bij RMN. In de richtinggevende uitspraken werd tevens gevraagd te verkennen of een samenwerking met de Vinkeveense plassen mogelijk is. Ten aanzien hiervan is geconcludeerd dat dit veel onderzoek en overleg vergt en dat het niet haalbaar is dat af te ronden binnen de tijdsspanne die tot de gemeenteraadsverkiezingen resteert voor de besluitvorming over de toekomstige samenwerking. Tegelijkertijd is geconcludeerd, dat een overhaaste afsplitsing van de ‘droge’ gronden complex is en met veel risico’s omgeven. De ‘droge’ gronden en het bijbehorende takenpakket blijven daarom integraal onderdeel van het Plassenschap. Niettemin blijft het onderwerp op de bestuurlijke agenda staan met de bedoeling het gesprek hierover komend jaar voort te zetten. Dat hebben wij zo ook afgesproken met het bestuur van SGL.
Pagina 11 van 27
Alles afwegende hebben wij besloten een toekomstige samenwerkingsvorm aan u voor te leggen die in de kern gebaseerd is op scenario Basis+. Deze samenwerkingsvorm wordt in de volgende paragraaf verder uitgewerkt.
Pagina 12 van 27
4. Kernelementen van het voorstel 4.1 Kernelementen De elementen van de voorgestelde nieuwe samenwerkingsvorm, zoals schematisch weergegeven in onderstaande afbeelding, worden hierna per onderdeel toegelicht.
De GR LSD blijft weliswaar bestaan, maar wordt omgevormd tot een bedrijfsvoeringsorganisatie (BVO) als bedoeld in de Wgr (element 1). Zij heeft uit dien hoofde geen verordenende bevoegdheden en geen beleidstaken. Die zijn in de nieuwe samenwerkingsvorm ook niet meer nodig. De GR houdt de eigendommen die het nu op het grondgebied van beide gemeenten in het bezit heeft en houdt het eigendom van de materiële activa. De GR blijft, om deze licht en eenvoudig te houden, een regeling zonder personeel en krijgt uit dien hoofde ook geen werkgeversverantwoordelijkheid. De belangrijkste reden voor instandhouding van de GR LSD, in de vorm van een bedrijfsvoeringsorganisatie, is het behoud van gemeenschappelijk eigendom, hetgeen bijdraagt aan de stabiliteit en toekomstbestendigheid van de samenwerking. Er worden dus geen gebieden aan de samenwerking onttrokken. Ingewikkelde ontvlechting van eigendommen en activa wordt zo voorkomen. De provinciale en gemeentelijke bijdragen blijven beschikbaar omdat de samenwerking in een juridische entiteit wordt gecontinueerd. De belangrijkste reden voor omvorming van de GR naar een Bedrijfsvoeringsorganisatie is de op uitvoering gerichte aard van de schapstaken in de nabije toekomst. Dit maakt het mogelijk te kiezen voor een ‘beleidsarme’ GR met één bestuur in plaats van een DB en AB.
In het bestuur hebben alle vier de deelnemers 1 lid, door en uit de colleges van B&W en GS aan te wijzen. Om de huidige stemverhouding in de Plassenraad in stand te laten krijgen de bestuursleden van beide gemeenten elk 2 stemmen en de bestuursleden van beide provincies elk 1 stem. Besluitvorming vindt plaats - gelijk nu - bij gewone meerderheid van stemmen. Het bestuur houdt zich bezig met het beheer van de eigendommen, het vaststellen van de kaders voor de uitvoering (beheer & onderhoud, (V)TH, exploitatie, communicatie en bedrijfsvoering), het sluiten van DVO’s met de uitvoerende partijen en het vaststellen van de begroting nadat hierover van de 4 deelnemers een zienswijze is gevraagd. Het bestuur komt in beginsel 2x per jaar bij elkaar.
Pagina 13 van 27
De gemeente Utrecht is voornemens om per 1 januari 2023 uit de samenwerking te treden omdat zij geen belangen te behartigen heeft in dit gebied en zal dus niet gaan deelnemen in de bedrijfsvoeringsorganisatie. Daarover en over de financiële uitruil met de provincie Utrecht is bestuurlijk overeenstemming bereikt. Om als Bedrijfsvoeringsorganisatie te kunnen gaan werken is wijziging van de huidige tekst van de GR nodig. Het voorstel hiervoor ontvangt u in het voorjaar van 2022 met het verzoek daarover voor het zomerreces van 2022 een besluit te nemen, zodat we vanaf 1 januari 2023 kunnen functioneren als bedrijfsvoeringsorganisatie. Onderdeel van dit voorstel is ook de voorgenomen uittreding van de gemeente Utrecht. Als gevolg van omvorming naar een bedrijfsvoeringsorganisatie treedt de GR als zodanig uit (de stuurgroep van) het Gebiedsakkoord, omdat de deelnemers in de GR daarin ook al rechtstreeks participeren. De deelnemers aan de GR nemen de contractueel vastgelegde financiële verplichtingen van de GR ten aanzien van het Gebiedsakkoord over, zodat deze stap voor het Gebiedsakkoord budgettair neutraal is. De totale verplichting van het Plassenschap aan het Gebiedsakkoord is € 906.000. Dit bedrag is met de storting die opgenomen is in de begroting 2022 van de GR LSD per ultimo 2022 beschikbaar in de bestemmingsreserve die van de bedrijfsvoeringsorganisatie blijft.
Daarnaast geldt dat er ten aanzien van de VTH-taken geen alleenrecht hoeft te worden gevestigd om de verordenende bevoegdheid te behouden. Tussen de twee grondgebiedgemeenten, Stichtse Vecht en Wijdemeren, kan relatief eenvoudig worden afgestemd over de APV. Verder kan Stichtse Vecht Wijdemeren 1 op 1 mandaat verlenen voor het uitvoeren van VTH-taken. De GR draagt aan Wijdemeren de taakuitvoering op ten aanzien van het beheer & onderhoud, VTH, exploitatie, communicatie en bedrijfsvoering voor wat betreft het ‘natte deel’ van het grondgebied (element 2). Hierbij wordt een beroep gedaan op de uitzonderingsgrond in de aanbestedingsregels van inbesteding. Deze ‘natte gronden’ worden vastgelegd in een overzichtskaart. a)
Het uitgangspunt hierbij is dat Wijdemeren het bestaande takenpakket van RMN op deze onderdelen en het bijbehorende personeel over neemt. Wijdemeren doet een boekenonderzoek naar de stand van de taakuitvoering om daarvan een duidelijk beeld te hebben. Voor wat betreft het overnemen van medewerkers op basis van het principe ‘mens volgt werk’ m.i.v. het gebruikelijke criterium 70% of meer, wordt nader bezien wat met name ten aanzien van de onderdelen communicatie en bedrijfsvoering verstandig is om te besluiten, ook voor de betrokken personeelsleden zelf, wanneer zou blijken dat zij slechts een zeer gering aantal uren voor LSD werkzaam zijn. b) Door het bestuur van de GR worden de kaders, incl. het kostenniveau en de minimale standaarden vastgesteld voor de taakuitvoering voor de ‘natte delen’ en de ‘droge delen’. Eventuele door een gebiedsgemeente gewenste hogere standaarden voor de taakuitvoering die niet geaccordeerd zijn door het bestuur van de GR komen voor rekening van de betreffende gebiedsgemeente. c) Doordat de verordening van LSD vervalt, herleven voor wat betreft de daarin genoemde regels de APV- bepalingen van respectievelijk Stichtse Vecht en Wijdemeren. Beide gemeenten harmoniseren tijdig hun APV’s om tot een efficiënte uitvoering van het bestaande pakket aan VTH-taken te komen.
d) Geregeld moet worden door de beide provincies dat de respectievelijke colleges van Stichtse Vecht en Wijdemeren (weer) bevoegd gezag worden op grond van de Scheepvaartverkeerswet. e) De bevoegde gezagen van de gemeente Stichtse Vecht voorziet de gemeente Wijdemeren van de mandaten die nodig zijn om het bestaande pakket aan VTH-taken op het grondgebied van Stichtse Vecht op een adequate manier uit te voeren, tenzij er onvoorziene omstandigheden blijken te zijn die het verlenen van deze mandaten bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken. Om er zeker van te zijn dat er geen activiteiten tussen wal en schip vallen wordt door beide gemeenten aan de hand van de huidige verordening van de GR LSD een ‘was-wordt’ overzicht gemaakt. Wanneer daaruit blijkt dat er bij het volgen van onderhavig voorstel activiteiten over blijven die nog belegd moeten worden, worden daarover tussen beide gemeenten aanvullende afspraken gemaakt.
Pagina 14 van 27
De GR is voornemens de taakuitvoering voor de ‘droge’ delen op het grondgebied van Stichtse Vecht (Aa, Bosdijk, Boterwal, De Geer, De Uitweg van Portengen, Oukoperdijk, Veenkade en Zwaan) op te dragen aan SBB (element 3). Deze ‘droge gronden’ worden vastgelegd in een overzichtskaart. Deze opdracht aan Staatsbosbeheer krijgt bij voorkeur vorm via ‘meeliften’ met de constructie van het alleenrecht die voor SGL in het kader van de opdrachtverlening aan Staatsbosbeheer in beeld is; dit omdat Stichtse Vecht als deelnemer in SGL al participeert in deze constructie. Door SGL wordt een intentieovereenkomst aangegaan met Staatsbosbeheer waarmee een onderzoek wordt gestart naar uitvoering door SBB van de taken voor het schap die nu door RMN uitgevoerd worden, de condities die SBB daaraan verbindt en wat het betekent voor het RMN-personeel. Wij zullen hier als bestuur LSD op aanhaken en met het oog daarop deze intentieovereenkomst mee aangaan. Deze intentieovereenkomst bindt geen van de partijen aan daadwerkelijke opdrachtverlening. Dit onderzoek start 1 november en moet de benodigde informatie verschaffen voor het opstellen van een concept-DVO. Beoogd wordt dat dit onderzoek uiterlijk op 1 juni 2022 afgerond en besluitvorming over de uitkomst voor 30 juni 2022 in de besturen van SGL en LSD plaats vindt.
Zodat de resterende tijd tot 1 januari 2023 kan worden gefocust op het voorbereiden van de organisatie op de implementatie van de taken. Het bestuur van de GR wordt ondersteund door een bestuurssecretaris en financieel adviseur. De provincie Utrecht heeft zich bereid verklaard deze twee functies in te vullen. Wij voeren hierover inmiddels overleg met de provincie en hebben vertrouwen in een goede afloop. De kosten komen voor rekening van de GR (element 4). Een van beide functionarissen kan de rol van materieel opdrachtgever tegenover Staatsbosbeheer vervullen, in mandaat van het schap als formeel opdrachtgever. De financieel adviseur stelt de P&Cdocumenten voor het schap op; dat zijn de jaarrekening en de begroting.
4.2 Evaluatie De deelnemers aan de nieuwe samenwerking nemen zich voor om twee 2 jaar na de start met de bedrijfsvoeringsorganisatie, maar uiterlijk ultimo 2025, een evaluatie uit te voeren naar het functioneren van de aan SBB en Wijdemeren op te dragen taakuitvoering en van de werkbaarheid van de nu gekozen invulling van de functies van bestuurssecretaris en financieel adviseur.
Pagina 15 van 27
5. Consequenties 5.1
Wat lossen we met dit voorstel op en wat wordt er anders t.o.v. de huidige situatie?
De voorgestelde samenwerkingsvorm, zoals in paragraaf 4 uitgewerkt, biedt oplossingen voor de problemen die door de deelnemers van LSD worden ervaren in het huidige construct. We lichten deze toe. Een eerste probleem in de huidige samenwerking is het gebrek aan bestuurlijke grip op de taakuitvoering. De huidige samenwerkingsvorm kent een dubbele GR – te weten: LSD en de GR bedrijfsvoeringsorganisatie RMN. Deze GR BVO RMN brengt een extra bestuurslaag met zich mee die resulteert in verminderde bestuurlijke grip vanuit u als deelnemers in LSD op de taakuitvoering. In de voorgestelde samenwerkingsvorm wordt dit opgelost door de GR RMN te laten verdwijnen en het bestuur van LSD nu directe verantwoordelijkheid te geven voor de taakuitvoering en de opdrachtverlening aan de uitvoerende partijen. U bent daar via uw vertegenwoordiger in het bestuur direct bij betrokken. Een tweede als belangrijk ervaren probleem in de huidige samenwerking is de bestuurlijke drukte: teveel bestuursvergaderingen en te lange agenda’s. In de voorgestelde samenwerkingsvorm wordt deze bestuurlijke drukte aanzienlijk verminderd. De bestuurlijke gemeenschappelijkheid blijft in sterk afgeslankte vorm bestaan. Er komt één bestuur met 4 leden, door en uit de colleges van B&W en GS aan te wijzen. Deze vereenvoudiging leidt tot aanzienlijk minder bestuurlijke drukte..
De invloed en betrokkenheid van de raden en staten wordt geborgd via de P&C-cyclus rondom de begroting en jaarrekening van de GR. De deelnemers maken zelf aanvullende afspraken met hun eigen politieke organen over de vormgeving van de betrokkenheid van deze organen bij het werk van de GR. Naast de bestuurlijke grip op de taakuitvoering ontbreekt het nu ook aan grip op de financiën. Er zijn in de huidige samenwerking geen heldere afspraken omtrent de taakuitvoering door RMN en het kwaliteitsniveau ervan vastgesteld. In de voorgestelde samenwerkingsvorm wordt dit opgelost door het vooraf maken van heldere dienstverleningsafspraken met Wijdemeren en SBB. Hierdoor ontstaat meer grip op de prijskwaliteitverhouding en de efficiency. Wijdemeren geeft aan de taakuitvoering voor de gebieden op eigen grondgebied graag zelf uit te willen voeren. In de nieuwe samenwerkingsvorm krijgt Wijdemeren via een DVO de gewenste uitvoering in eigen beheer, zonder direct verantwoordelijk te zijn voor de taakuitvoering in de droge delen. Stichtse Vecht krijgt voor de taakuitvoering in de ‘droge’ delen een robuuste oplossing via SBB. De kosten van de huidige samenwerkingsvorm, specifiek de ‘overhead’ kosten van RMN, worden in de huidige samenwerkingsvorm als problematisch ervaren. In de voorgestelde samenwerkingsvorm wordt een deel van deze kosten verlaagd door het wegvallen van RMN.
Hierdoor verdwijnen naast bijbehorende bestuurskosten ook een deel van de administratiekosten. ‘Overhead’ kosten worden in de nieuwe samenwerkingsvorm zo beperkt mogelijk gehouden door deze taken tot een absoluut minimum te beperken en onder te brengen bij de uitvoeringsorganisaties Wijdemeren en Staasbosbeheer. Enkel de functies bestuurssecretaris en de financieel adviseur blijven actief voor het schap. Bij dit alles is van belang dat wij ons als bestuur LSD en als deelnemers realiseren dat deze nieuwe samenwerkingsvorm een trendbreuk is met hoe het nu gaat en dus ook om een cultuurverandering binnen de samenwerking vraagt, waar we samen aan moeten werken.
Pagina 16 van 27
5.2
Financiële consequenties
Voor de berekening van de financiële consequenties wordt onderscheid gemaakt in a) de incidentele kosten van de omvorming en b) de structurele effecten op de begroting van de deelnemers na implementatie van dit voorstel. Ad a) de incidentele kosten van de omvorming Voor de incidentele kosten van de omvorming gaan we in de eerste plaats uit van het aandeel LSD in de liquidatiekosten van RMN. Dit is een bedrag van € 0,39 miljoen. Daarnaast wordt een bedrag van € 0,11 miljoen geraamd voor aan incidentele kosten die samenhangen met de omvorming van het schap zelf. Daarbij gaat het om onderzoekskosten, opstartkosten en inrichtingskosten die in de besluitvormingsvoorbereiding worden gemaakt en die de nieuwe uitvoeringsorganisaties Wijdemeren, Staatsbosbeheer en de provincie Utrecht (als kandidaat gastheer voor de ondersteuningseenheid) maken en mogelijk doorbelasten aan ons schap2. Het totaal van de incidentele kosten voor de omvorming wordt daarmee voor ons schap geraamd op € 0,5 miljoen. In bijlage C is de verdeling van deze kosten over onze deelnemers opgenomen. Deze kosten worden gedekt op de begroting van ons schap in het jaar waarin de financiële verplichting voor deze kosten daadwerkelijk wordt aangegaan (2022) en zullen in de begrotingswijziging van september 2022 onder verwijzing naar dit voorstel worden verwerkt.
Ad b) de structurele effecten op de begroting van de deelnemers na implementatie van dit voorstel Voor de berekening van de structurele effecten is op dit moment nog niet voldoende informatie beschikbaar. Hiervoor is een aanbod van de beoogde uitvoerder(s) van de beheer- en ander taken nodig. Desalniettemin kan een zeer globale raming van de structurele effecten worden gemaakt door uit te gaan van een gelijkblijvend saldo van baten en lasten op de primaire taken en een reële besparing op de overheadkosten in de toekomstige begroting. Dit voordeel kan geheel of gedeeltelijk worden ingezet voor de noodzakelijke kwaliteitsimpuls op de taakuitvoering. Tabel 1: Programmabegroting 2021 LSD LSD P1 Beheer en onderhoud P2 Toezicht en handhaving P3 Ontwikkeling P4 Exploitatie P5 Overhead TOTAAL
€ € € € € €
LSD Lasten (huidige samenwerking) 723,5 250,3 70,9 633,8 1.138,9 2.817,4
€ € € € € €
LSD Lasten (nieuwe samenwerkingsvorm) 723,5 250,3 70,9 633,8 845,1 2.523,6
Verschil huidig - nieuw € € € € € €
0 0 0 0 -293,8 -293,8
De totale lasten van LSD bedragen € 2,8 miljoen. De lasten voor de overhead bedragen € 1,1 miljoen, dit is ongeveer 40% van het totaal. Wanneer in de toekomstige samenwerkingsvorm de overhead wordt verlaagd van de huidige 40% naar 30% (dit is een aanname), ontstaat een structureel voordeel van afgerond € 0,3 miljoen op de totale lasten. In de te zijner tijd met de gemeente Wijdemeren en Staatsbosbeheer te maken afspraken zal duidelijk worden welk over een te komen percentage overhead aan de GR doorberekend zal worden. De overheadkosten in de nieuwe situatie bestaan uit twee componenten: a) de eigen kosten van het schap voor de bestuursondersteuning en het vormgeven van het opdrachtgeverschap namens de deelnemers van het schap naar Wijdemeren en Staatsbosbeheer (secretarisfunctie en controllersfunctie voor het opstellen van de P&C-documenten). Doordat er geen inhoudelijke eigenaarsvergaderingen meer zijn (omdat slechts via DVO’s wordt gestuurd en verantwoord) kan de nieuwe samenwerking volstaan met 0,1 f.t.e. voor de bestuurssecretaris en 0,1 f.t.e. voor de businesscontroller. Dit is veel minder dat nu aan ons schap via de verdeelsleutel voor deze functies door RMN wordt doorbelast.
2 Onderdeel zijn de kosten voor externe begeleiding van het besluitvormingsproces en voor een eventuele projectleider/ kwartiermaker van
de nieuwe governance.
Pagina 17 van 27
b) de overhead doorbelasting van de nieuwe opdrachtnemer (Wijdemeren en SBB). Omdat we het aanbod van Wijdemeren en SBB nog niet kennen moet een aanname worden gedaan over de omvang van de overhead die Wijdemeren en SBB doorbelasten in haar tarieven voor de uitvoering van de taken. 30% lijkt hiervoor een reële aanname. Indien dit structurele voordeel wordt gerealiseerd, is bij de eerder berekende incidentele kosten van € 0,5 miljoen sprake van een terugverdientijd van minder dan 2 jaar. Naar de mate waarin het lukt meer medewerkers met hun werk mee over te laten gaan naar Staatsbosbeheer zullen daarmee de eenmalige liquidatiekosten afnemen3. De begroting van de GR bevat als inkomsten de huidige bijdragen van de vier deelnemers (provincie Utrecht incl. de ophoging met de bijdrage van gemeente Utrecht) en als uitgaven de kosten van het bestuur en van de taakuitvoering door de daarvoor aangewezen organisatie(s). De kosten van de primaire taakuitvoering worden vooralsnog op het huidige niveau gehouden. Het Dagelijks Bestuur vraagt het Algemeen Bestuur om jaarlijks, te beginnen vanaf 2021, een extra storting te doen in de voorziening groot onderhoud. In 2021 wordt dit gedekt vanuit de algemene reserve en vanaf 2022 uit een verhoging van de deelnemersbijdragen. Vanaf 2023 wordt een structurele verlaging van de overheadkosten verwacht.
Na vijf jaren zal worden bezien hoe dit zich per saldo ontwikkelt tot een stabiel niveau.
5.3
Overige consequenties
De provincie en de gemeente Utrecht hebben overleg gevoerd over een uitruil van hun financiële bijdrage voor ons schap en SGL. De reden hiervoor is dat de gemeente Utrecht per 1 januari 2023 uit LSD wil treden gezien het geringe belang dat zij bij dit schap heeft. De uitruil betekent dat waar de gemeente Utrecht niet meegaat in de nieuwe samenwerking voor LSD, de gemeente Utrecht meer verantwoordelijkheid en middelen toebedeelt aan de toekomstige samenwerkingsvorm voor SGL. Gelijktijdig maakt de provincie Utrecht de omgekeerde beweging. Een lagere bijdrage aan SGL en een hogere bijdrage in LSD. Daarmee kan de provincie Utrecht meer invloed uitoefenen op de opgave in LSD, inclusief daarbij de verwevenheid met de Natura 2000. De stad is omgekeerd meer betrokken bij de regionale opgave die de stad betreffen. In concreto: de huidige bijdrage van de gemeente Utrecht aan LSD (ca. € 185.000 per jaar) vervalt, maar wordt met eenzelfde bedrag gecompenseerd door de provincie Utrecht; in het schap SGL maken beide partijen de dezelfde beweging omgekeerd. De gemeente Utrecht blijft, ondanks de beoogde uittreding uit LSD, wel bijdragen in de liquidatiekosten van RMN. De gemeente en de provincie hebben hier inmiddels op bestuurlijk niveau overeenstemming over bereikt; definitieve besluitvorming vindt binnenkort plaats.
3 Dat wil niet per definitie zeggen dat daarmee ook de structurele kosten toenemen die Staatsbosbeheer in rekening gaat brengen bij het
schap voor de uitvoering van de taken.
Pagina 18 van 27
6. Risico’s en onzekerheden 6.1
Uitvoeringscapaciteit Wijdemeren
Een risico is dat de gemeente Wijdemeren, na meer inzicht te hebben gekregen in de aard en omvang van de taken ‘beheer en onderhoud’ en ‘toezicht en handhaving’, concludeert dat taakuitvoer meer capaciteit vergt dan Wijdemeren kan bieden. Indien er met de gemeente Wijdemeren geen akkoord zou kunnen worden bereikt over de taakuitvoering zal moeten worden overwogen of de deelnemers in de samenwerking alsnog open staan voor taakuitvoering door een andere partij, zoals een TBO.. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan zijn er twee alternatieven: óf RMN blijft bestaan, óf RMN wordt toch opgeheven en de deelnemers zullen de taakuitvoering alsnog zélf moeten organiseren (scenario ‘nul’). In dat laatste geval kunnen – een deel van de – deelnemers vervolgens ook besluiten hun krachten op dit punt in een door hen te bepalen vorm te bundelen. Dat is dan aan hen.
6.2
Het afhaken van Staatsbosbeheer
Een ander risico is dat er met Staatsbosbeheer geen akkoord bereikt kan worden over de uitvoer van taken van de ‘droge gebieden’ in de samenwerking. Het is mogelijk dat Staatsbosbeheer de taakuitvoer organisatorisch niet uitvoerbaar acht – bij specificering van werkzaamheden en budget – of omdat de door het schapsbestuur gewenste taakuitvoer te weinig aansluit bij de beleidsdoelstelling van Staatsbosbeheer. Ook kan het zijn dat we geen overeenstemming bereiken over de condities die SBB stelt aan de taakuitvoering of over het overnemen van RMN-personeel. Tot op heden zijn dergelijke ‘bottlenecks’ niet waargenomen, maar het is wel van belang hier alert op te blijven. Er is op dit moment geen beheerorganisatie in beeld die het takenpakket van de ‘droge’ delen van LSD op zich kan nemen. Wellicht is bij het afhaken van Staatsbosbeheer nog een terugvaloptie dat Wijdemeren alsnog de taakuitvoering voor ook de ‘droge’ delen op zich wil nemen. Wanneer ook deze terugvaloptie er niet blijkt te zijn staat er geen uitvoeringsorganisatie gereed voor de taakovername per 1 januari 2023. Dan kan RMN niet kan worden opgeheven.
6.3
Aanbesteding
Voor het aangaan van de samenwerking met Wijdemeren voor de taakuitvoering voor de ‘natte gebieden’ zijn wij voornemens een beroep te doen op de uitzonderingsgrond inbesteding. Het vormgeven van deze inbesteding vraagt de komende periode nadere aandacht om het juridisch risico te beperken. Dat geldt ook voor een samenwerking met SBB voor de droge delen, waarmee we willen ‘meeliften’ op het contract dat SGL voornemens is af te sluiten met Staatsbosbeheer. Er zijn vergelijkbare casussen waarin Staatsbosbeheer taken is gaan uitvoeren voor publieke organisaties, onder andere voor de provincie Zuid-Holland en gemeenten in deze provincie. Wij zullen in het onderzoek met Staatsbosbeheer verkennen welke vormgeving daar gekozen is en nagaan of deze ook bruikbaar is in onze situatie. Het aanbestedingsrisico moet overigens worden geduid in het perspectief van de beperkte mogelijkheden om voor RMN een andere oplossing te vinden. Hierbij is van belang dat Wijdemeren en SBB publieke partijen zijn die als enigen in staat zijn om medewerkers op lange termijn gelijksoortige arbeidsvoorwaarden te bieden. Daarbij komt dat geen ‘werk’ van de markt wordt gehaald. Ook nu worden de taken door een publieke partij uitgevoerd. De aard van het takenpakket maakt dat private partijen de taken niet uit kunnen voeren of tegen aantrekkelijke condities willen uitvoeren.
Een afspraak waarbij gestuurd kan worden via de BVO en een DVO (met SBB) is dan feitelijk ook om deze reden de enige mogelijkheid met perspectief op een toekomstbestendige en robuuste taakuitvoering.
Pagina 19 van 27
6.4
Niet overgeplaatst personeel
De inzet is dat het huidige personeel van RMN wiens werk over gaat naar Wijdemeren of SBB mee gaat naar de respectievelijke organisaties volgens het uitgangspunt ‘mens volgt werk’. Hetzelfde geldt voor het personeel van het Routebureau naar de provincie. Mocht het onverhoopt gebeuren dat personeel niet overgedragen kan worden dan blijven de liquidatiekosten navenant hoog en daarbij ook de bijdrage van de deelnemers in deze eenmalige kosten van ons schap.
6.5
Samenhangende besluitvorming
Zoals al vermeld is effectuering van het opheffingsbesluit van RMN pas mogelijk indien ook bij de parallelle trajecten van ons schap, SGL en Routebureau is besloten over een nieuwe samenwerkingsvorm respectievelijk nieuwe organisatie en duidelijk is welke medewerkers en contracten met hun werk mee over kunnen naar een andere organisatie. Risico is dat RMN niet op 31 december 2022 kan worden geliquideerd als er in deze drie trajecten geen alternatieve organisatie gereed staat voor taakovername met bijbehorend personeel.
Pagina 20 van 27
7. Planning van het vervolgproces Om tot ordentelijke en rechtsgeldige besluitvorming te komen volgen wij onderstaand stappenplan.
Tabel 2: Proces vanaf instemming met voorstel door DB en AB LSD Stap: Stap 1: DB stuurt voorstel naar de deelnemers Stap 2: Voorstellen toelichten aan Raadsklankbordgroep Stap 3: Deelnemers behandelen het voorstel (colleges, raden, GS, PS) en informeren DB over de uitkomst Stap 4: DB doet voorstel aan AB om besluit definitief te maken Stap 5: AB maakt besluit definitief
Datum: 1 nov. medio nov. 1 feb. 2 feb. 15 feb.
Uiterlijk 15 februari 2022 stellen wij, als algemeen bestuur, vast of u instemt met de voorstellen voor de nieuwe samenwerkingsvorm. Voor de implementatie van de nieuwe samenwerkingsvorm zal de planning vanaf 1 maart 2022 nog nader worden gespecificeerd. De hoofdlijnen hiervan zijn als volgt. Met ingang van 15 februari 2022 wordt met Wijdemeren een traject gestart om de voorgenomen opdracht tot taakuitvoering verder uit te werken. De komende periode wordt bekeken wat er aan voor te bereiden is, zonder dat onomkeerbare stappen gezet worden. Met ingang van 1 november 2021 wordt gestart met het onderzoek dat in de intentieovereenkomst met Staatsbosbeheer wordt afgesproken. Dit onderzoek loopt dus parallel aan de besluitvorming zoals in bovenstaande stappen beschreven. De uitkomsten van dit onderzoek De uitkomsten van dit onderzoek zullen uiterlijk 1 juni 2022 ter besluitvorming aan het AB worden voorgelegd. Het AB beslist vervolgens voor 30 juni 2022. In het voorjaar van 2022 wordt de deelnemers een voorstel tot wijziging van de GR aangeboden, met het verzoek daarover voor het zomerreces 2022 een besluit te nemen, zodat deze wijziging per 1 januari 2023 kan ingaan en een stevige juridische basis legt onder de nieuwe samenwerkingsvorm. De tweede helft van 2022 zal vervolgens worden gebruikt voor: a. het inregelen van de nieuwe bestuurlijke constellatie en b.
taakopdracht en overdracht van medewerkers van RMN naar Wijdemeren en Staatsbosbeheer, zodat er op 1 januari 2023 organisaties gereed staan die de taken van het schap LSD adequaat kunnen gaan uitvoeren.
Pagina 21 van 27
Bijlage A: Huidige situatie Het Plassenschap Loosdrecht e.o. (LSD) is een gemeenschappelijk regeling waaraan 3 gemeenten (Stichtse Vecht, Utrecht en Wijdemeren) en twee provincies (Noord-Holland en Utrecht) deelnemen. LSD heeft, als openbaar lichaam, zowel een algemeen als een dagelijks bestuur. De regeling is een raadsregeling, hetgeen het schap voorziet van verordenende bevoegdheid. Het schap LSD is deelnemer in de gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Recreatie Midden Nederland (RMN). RMN heeft daarnaast twee andere deelnemers, te weten: het Recreatieschap Stichtse Groenlanden (SGL), en de provincie Utrecht. RMN is bedoeld als personeelsorganisatie van de recreatieschappen SGL en LSD, en heeft daarom geen eigendommen. Figuur 1: Huidige situatie