Bijlage 2 - Toelichting op Huisvestingsverordening GV 2024
Tekst van het document
14
o
Voor de taakstelling vergunninghouders geldt verder dat zij in overleg tussen gemeente en corporaties lokaal bemiddeld worden naar een passende woning.
Artikel 4.2 Randvoorwaarden o 4.2 lid 1. Dit lid geeft aan dat er een duidelijke relatie moet zijn tussen de noodsituatie en de woning/woonsituatie. Die noodsituatie is het rechtstreekse gevolg van die woonsituatie. Met andere woorden: als een noodsituatie niet het gevolg is woonsituatie wordt niet voldaan aan deze randvoorwaarde. Datzelfde geldt als de problematiek geen relatie heeft met de woonsituatie of als een zeer ernstig probleem niet significant verbeteren zal in een andere woning. o 4.2 lid 2. Belangrijk is dat de woningzoekende die voorrang voor een sociale huurwoning vraagt, eigen verantwoordelijkheid heeft; voorafgaand aan het ontstaan van het probleem, maar zeker ook bij het oplossen van het woonprobleem. Die verantwoordelijkheid houdt in dat woningzoekenden vanaf het moment dat duidelijk wordt dat er een woonprobleem kan ontstaan, alles in het werk moeten stellen om te voorkomen dat dit woonprobleem ook daadwerkelijk ontstaat of langer duurt omdat de woningzoekende er zelf niet alles aan doet om het probleem op te lossen. Wat de woningzoekende kan doen is natuurlijk ook mede afhankelijk van de soort problematiek, zie bijvoorbeeld daarvoor ook de voorwaarden van artikel 4.1.2 sub 3., 4. en 5. en de toelichting onder artikel 4.2.lid 3. o 4.2 lid 3.
Woningzoekenden moeten in een redelijke periode voorafgaand aan het woonprobleem, voldoende hebben gereageerd op het woningaanbod in alle gemeenten in de regio Gooi en Vechtstreek om zo te proberen het woonprobleem zelf op te lossen. Ook het gebruik maken van de spoedzoekregeling hoort bij de eigen verantwoordelijkheid. Het is aan de urgentiecommissie om burgemeester en wethouders te adviseren of de urgentieaanvrager voldoende heeft gereageerd. De urgentiecommissie houdt hierbij rekening met de individuele omstandigheden van de aanvrager, het passende woningaanbod en de positie van de aanvrager in de rangorde van kandidaten voor woningtoewijzing. Het naar het oordeel van de urgentiecommissie zonder dringend noodzakelijke reden beperkt op woningaanbiedingen reageren heeft, net als het overslaan van passende woningaanbiedingen in de regio Gooi en Vechtstreek, vaak een langere wachttijd tot gevolg dan strikt noodzakelijk is. De woningzoekende draagt hiervoor eigen verantwoordelijkheid. Een urgentie is nadrukkelijk niet bedoeld voor het realiseren van woonwensen. NB. Na een reactie op een woningaanbieding in WoningNet worden soms meerdere woningzoekenden uitgenodigd voor een bezichtiging van de woning. Van de betrokken woningzoekenden, maar zeker van urgentieaanvragers wordt verwacht dat zij gehoor geven aan deze uitnodiging omdat dit mogelijk tot een woningaanbieding kan leiden.
Het zonder gegronde reden niet verschijnen bij de bezichtiging is een urgentieaanvrager na te dragen, maar kan alleen als het overslaan van een passende woningtoewijzing worden aangemerkt als gebleken is dat de aanvrager daadwerkelijk in aanmerking zou zijn gekomen. o 4.2 lid 4. Het weigeren van een bij het huishouden passende woningaanbieding houdt in dat het woonprobleem opgelost had kunnen zijn. Een urgentie op basis van artikel 4.1.2. is bedoeld als oplossing voor een ernstige situatie van woningzoekenden die voldoen aan alle voorwaarden, maar er niet in kunnen slagen om zelf in aanmerking te komen voor woningtoewijzing. Een urgentie is niet van toepassing als duidelijk is dat een woningzoekende voor een oplossing van het woonprobleem niet afhankelijk is van een urgentie omdat de woningzoekende zelf al aan de beurt kan komen voor woningtoewijzing. Woonwensen hebben een langere wachttijd tot gevolg dan nodig is, daarmee blijft ook het woonprobleem langer bestaan dan nodig is. Dat behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de woningzoekende. Een urgentie is dan niet van toepassing. o 4.2 lid 5. Woningzoekenden moeten er eerst zelf alles aan doen of gedaan hebben om het woonprobleem op te lossen. Dat kan ook een tijdelijke oplossing zijn zoals bijvoorbeeld een kamer zoeken, ergens logeren etc.
Het gaat dan misschien niet om de meest ideale oplossing, maar de woningzoekende heeft onderdak en kan van daaruit naar een beter passende oplossing van het woonprobleem zoeken en reageren op woningaanbiedingen op WoningNet. o 4.2 lid 6. Het aanvragen en verkrijgen van een urgentie op grond van artikel 4.1.2 is beperkt tot ingezetenen van de gemeenten in de regio Gooi en Vechtstreek en de woningzoekenden die een maatschappelijke of economische binding hebben. o 4.2 lid 7. Een woningzoekende die buiten de regio woont is bij een aanvraag huisvestingsvergunning of urgentieaanvraag geen ingezetene van de regio (meer). Dit werkt hard uit voor de woningzoekende die vanwege een scheiding of verbroken relatie in de regio noodgedwongen een tijdelijke oplossing van het woonprobleem buiten de regio moest zoeken. Met deze randvoorwaarde kan de urgentiecommissie de aanvraag gelijk behandelen aan woningzoekenden die na scheiding of verbroken relatie wel een tijdelijke oplossing in een regiogemeente vonden. Een termijn van één jaar na vertrek wordt hierbij als redelijk beschouwd. Daarna geldt de feitelijke situatie: indien buiten de regio woonachtig wordt de woningzoekende 15
o
o
ook voor een urgentieaanvraag als woningzoekende van buiten de regio aangemerkt, met als aan de orde een economische of maatschappelijke binding. NB. deze maatregel geldt alleen voor aanvragen van urgentie en niet bij het reageren op woningaanbiedingen. 4.2 lid 8. Woonproblematiek die buiten de regio is ontstaan moet in principe en eventueel met voorrang opgelost worden daar waar het probleem is ontstaan. Vanwege de schaarste aan vrijkomende sociale huurwoningen en de vele duizenden woningzoekenden in de regio is het ondoenlijk om problematiek van buiten de regio met voorrang in de regio te huisvesten. Slechts in heel uitzonderlijke gevallen, als vaststaat dat er sprake is van de in de verordening bedoelde noodsituatie en de woonproblematiek aantoonbaar alleen maar in onze regio kan worden opgelost en nergens anders in Nederland, kunnen maatschappelijk en economisch gebondenen in aanmerking komen voor een urgentie. 4.2 lid 9. Woningzoekenden die geen ingezetene van een regiogemeente zijn of geen economische of maatschappelijke binding aan een gemeente in de regio Gooi en Vechtstreek hebben, komen zijn uitgesloten van een urgentie. Uitzonderingen vormen de wettelijk urgenten als bedoeld in 4.1.1.
Artikel 4.3 Aanvraag, behandeling, verlening en afwijzing van urgentie o 4.3 lid 1. en lid 2. Een urgentieaanvraag wordt formeel aangevraagd bij burgemeester en wethouders. o In de praktijk wordt het digitale of schriftelijke aanvraagformulier gestuurd naar het regionale urgentiebureau woonruimtezaken van de Regio Gooi en Vechtstreek. De caseworkers van het urgentiebureau spreken de aanvragers, onderzoeken de aanvraag, vragen waar nodig een onafhankelijk medisch advies aan en informeren de urgentieaanvrager over de procedure, voorwaarden, werking van het woonruimteverdeelsysteem en rapporteren hierover aan de urgentiecommissie. De urgentiecommissie formuleert op basis van het rapport, eventueel nader onderzoek en de verordening een advies voor het college van burgemeester en wethouders. Een uitgebracht medisch advies (van de onafhankelijk medisch adviseur) wordt hieraan toegevoegd. Naast hoe de urgentieaanvraag moet worden ingediend geeft dit artikel ook weer aan welke eisen/voorwaarden een aanvraag moet voldoen en dat bij gebrek hieraan de aanvrager een herstelperiode van twee weken moet krijgen om zodoende alsnog te kunnen voldoen aan de gestelde eisen/voorwaarden. Als de aanvraag hierna nog niet aan de eisen/voorwaarden voldoet kan de urgentieaanvraag niet in behandeling worden genomen. De aanvrager wordt hierover schriftelijk op de hoogte gebracht. o 4.3 lid 2.
Alvorens een besluit te nemen, winnen burgemeester en wethouders het advies in van de regionale de urgentiecommissie woonruimteverdeling. Deze commissie bestaat uit deskundige vertegenwoordigers van de regiogemeenten en de woningcorporaties en een van deze partijen onafhankelijk ook deskundig voorzitter. Voor woning gerelateerde medische problematiek wordt het advies ingewonnen van door de Regio aan te wijzen onafhankelijk medisch adviseur. Het advies van de medisch adviseur wordt verwerkt in/samengevoegd met het advies van de urgentiecommissie voorgelegd aan burgemeester en wethouders, danwel voorgelegd aan de door de colleges gemandateerde. o 4.3 lid 3. Hier wordt vermeld wanneer en onder welke voorwaarden een urgentie kan worden verleend. Van belang hierbij is dat de aanvraag op individuele gronden wordt beoordeeld en dat de eigen verantwoordelijkheid van de urgentieaanvrager bij het ontstaan en het oplossen van het woonprobleem meetelt in de besluitvorming. De urgentiecommissie moet de urgentieaanvraag langs de strenge lat van de verordening te leggen, maar in haar advies ook rekening houden met de individuele omstandigheden van de aanvrager. Die individuele afweging betekent dat over min of meer soortgelijke aanvragen toch verschillend geadviseerd kan worden.
(Bijvoorbeeld ‘het elastiekje van de een kan verder uitgerekt zijn’ dan dat van anderen, de ene woningzoekende heeft meer of minder oplossend vermogen dan de andere, een alleenstaande met één kind vindt makkelijker een tijdelijke oplossing dan een gezin met vier kinderen etc. etc.). o 4.3 lid 4. Toegekende urgenties hebben in principe een regionale werking en moeten door de urgent woningzoekenden ook in de hele regio gebruikt worden om het woonprobleem op te lossen. Op grond van individuele en uitzonderlijke omstandigheden kan hiervan afgeweken worden en is de urgentie geldig voor een specifieke gemeente of gemeenten. De urgentie ‘werkt' in dat geval alleen in de gemeente(n) die in het besluit zijn vermeld. o 4.3 lid 5. en lid 6. De urgentiecommissie adviseert niet over de omstandigheden van woningzoekenden die onder de taakstelling huisvesting statushouders van de regiogemeenten vallen. Woningzoekenden uit de taakstelling krijgen automatisch urgentie en worden volgens artikel 4.5.6. lokaal en in afstemming tussen de gemeente en de woningcorporatie(s) direct bemiddeld naar een woning De herhuisvestingsurgenties worden door de betrokken woningcorporatie na afstemming met de gemeente over de sloop of renovatie geactiveerd in WoningNet. Vooraf is bijvoorbeeld van belang of er bijvoorbeeld
16
een sloopvergunning is verleend, er een sociaal plan is en of er met de huurder gekeken is of er kans is om op eigen kracht een andere woning te krijgen. Een advies van de urgentiecommissie is hier niet aan de orde. 4.4 Gelding urgentie en artikel 4.6 Verlenging van de gelding van urgentie o
o
o o o
Uitgezonderd de urgenties voor een specifieke gemeente of specifieke gemeenten hebben urgenties die verleend zijn in één van de regiogemeenten in de andere regiogemeenten precies dezelfde waarde, Het maakt niet uit door of namens welk college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente de urgentie werd verleend. De praktijk heeft uitgewezen dat de gelding van drie maanden in verreweg de meeste gevallen voldoet om met de urgentie op basis van artikel 4.1.1. en 4.1.2. een passende woning te vinden. De gelding van drie maanden is niet van toepassing op de herhuisvestingsurgenten uit artikel 4.1.3., deze urgenties kunnen een langere gelding hebben. De herhuisvestingurgentie is, net als de andere urgenties wel geldig in alle regiogemeenten. Ook hier geldt: tenzij verleend voor een specifieke gemeente of specifieke gemeenten. Bij een herhuisvestingsurgentie gaat het niet om de in de verordening bedoelde noodsituatie, maar om de woning voor sloop of renovatie vrij te maken en zo de woningcorporatie in de gelegenheid te stellen de werkzaamheden uit (te laten) voeren. Voor de statushouders uit artikel 4.1.3. geldt dat de urgentie pas vervalt als er een woning is toegewezen. Voor de doorstroming in de AZC’s is belangrijk dat statushouders die onder de jaarlijkse taakstelling van de regiogemeenten vallen, na koppeling aan een gemeente zo spoedig als mogelijk gehuisvest worden.
Urgenties op grond van artikel 4.1.1. en 4.1.2. vervallen automatisch na drie maanden of van rechtswege na het accepteren van een passende woning binnen de gelding van drie maanden. Als de urgent woningzoekende er niet in is geslaagd om binnen de gelding een bij het urgentiebesluit passende woning te verkrijgen kan de woningzoekende een schriftelijk of digitaal verzoek tot verlenging aanvragen. De verlenging wordt alleen toegekend als blijkt dat er geen bij het urgentiebewijs passend woningaanbod werd geadverteerd op WoningNet en/of een oudere urgentie ging voor bij de woningtoewijzing. Het overslaan van passende woningaanbiedingen en/of het weigeren van een passend woningaanbod en/of het zonder goede reden niet verschijnen bij een uitnodiging tot bezichtiging van een woning, heeft tot gevolg dat de aanvraag voor verlenging van de urgentieaanvraag wordt afgewezen.
17
Hoofdstuk 5 Rangorde Artikel 5.1 Rangorde voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning Eerst de urgenties o o
o o
De woningzoekenden onder 4.1.3. met een herhuisvestingsurgentie en een terugkeergarantie naar de buurt waar de sloop of renovatie plaatsvond, gaan voor op alle andere urgenten (en natuurlijk reguliere woningzoekenden) bij een woningaanbieding in de ‘oude’ buurt waar de renovatie of sloop plaatsvond. Als er geen herhuisvestingsurgenten met een terugkeergarantie zijn, komen de urgenten op basis van artikel 4.1.1 en 4.1.2 als eerste aan de beurt. Deze urgenties zijn gelijkwaardig aan elkaar. De woning moet wel passend zijn bij het type woning waarvoor de urgentie is toegekend, anders geldt de urgentie niet. Als er meer urgente kandidaten op één woningaanbieding inschrijven, dan gaat de ‘oudste’ urgentie, dus de woningzoekende die het eerst de urgentie volgens artikel 4.1.1 of 4.1.2 kreeg, voor de andere. Na of bij gebrek aan urgenties op basis van 4.1.1 of 4.1.2 gaan de herhuisvestingsurgenten uit 4.1.3 die geen terugkeergarantie hebben voor op de andere woningzoekenden.
Als tweede de gemeentebinding o
Als er geen urgenten met een passende urgentie reageren op een woningaanbieding dan zijn de woningzoekenden met een gemeentebinding het eerst aan de beurt, mits de woning ook aangeboden werd met de voorwaarde van gemeentebinding. Gemeentebinding houdt in dat de woningzoekende specifiek aan die gemeente in de regio Gooi en Vechtstreek een maatschappelijke of economische binding heeft.
Als derde de overige woningzoekenden o
Als er geen urgenten reageren op een woningaanbieding en er geen sprake is van voorrang voor gemeentebinding, geldt dat ingezetenen en woningzoekenden met een maatschappelijke en/of economische binding aan een gemeente in de regio Gooi en Vechtstreek voor gaan op woningzoekenden die geen ingezetene zijn en geen maatschappelijke of economische binding hebben. Daarbinnen geldt dan weer de hoogste zoekwaarde.
Uitzonderingen o
o o
Woningen die specifiek geschikt zijn voor jongeren tot 23 jaar (kleinste woningen en/of een jongerencomplex) of ouderen vanaf 55 of 65 jaar (bijvoorbeeld seniorenwoningen) kunnen aangeboden worden met voorrang voor (en niet exclusief voor) deze groepen. Als geen urgente kandidaat met een bijpassende urgentie uit de gevraagde doelgroep inschrijft en er ook geen reguliere woningzoekenden uit de doelgroep reageerden op de woningadvertentie, is de woningzoekende met de oudste urgentie het eerst aan de beurt en daarna de reguliere woningzoekende met de hoogste zoekwaarde. Woningen met een specifieke zorginfrastructuur die niet kan bestaan als er geen gebruik van wordt gemaakt kunnen met voorrang worden aangeboden aan de doelgroep die op die voorziening zijn aangewezen. Als er uit de doelgroep geen geschikte kandidaten komen volgt de reguliere rangorde. Aangepaste woningen kunnen direct aan de doelgroep toegewezen worden, vaak gebeurt dat door directe bemiddeling. Woningzoekenden uit deze doelgroep moeten wel ingeschreven zijn als woningzoekende, maar de rangorde is hier niet van toepassing. Een urgente met een passende urgentie die op een dergelijke woning is aangewezen gaat uiteraard wel voor.
Artikel 5.2 Woningverdeling door loting: 5.2 lid 1. Spoedzoekregeling o o
Woningzoekenden die zichzelf urgent vinden, maar bijvoorbeeld niet in aanmerking kunnen komen voor een urgentie als bedoeld in Hoofdstuk 4, kunnen gebruik maken van de spoedzoekregeling. Ook van urgentieaanvragers wordt in het kader van de eigen verantwoordelijkheid verwacht dat zij van deze regeling gebruik maken/hebben gemaakt om zodoende te proberen het woonprobleem op te lossen. 18
o o o o
De regeling houdt in dat er jaarlijks maximaal 50 woningen verloot kunnen worden. Om te voorkomen dat deze regeling leidt tot een tweede lange wachtlijst van woningzoekenden omdat iedereen wel een kansje wil wagen, worden adresgegevens van de te verloten woningen niet bekend gemaakt. Spoedzoekwoningen worden ‘blind’ verloot voor bij de woning passende huishoudens. Om dezelfde reden als voor het ‘blind’ verloten, heeft het weigeren van een spoedzoekwoning tot gevolg dat de woningzoekende gedurende twee jaar is uitgesloten van deelname aan deze regeling. De woningzoekende kan nog wel reageren op de regulier aangeboden woningen via WoningNet. Het lot bepaalt wie de hoogste rangorde heeft.
5.2 lid 2. Jongeren tot en met 27 jaar o
o
Om te voorkomen dat de regio Gooi en Vechtstreek jongeren ‘verliest’ omdat er lange wachttijden zijn voor een woning in deze regio, kunnen jaarlijks maximaal 350 woningen tot bruto vloeroppervlak 55m2 (starterswoningen aan het einde verhuisketen) verloot worden onder jongeren tot en met 27 jaar. Uiteraard kunnen deze jongeren ook reageren op de ‘gewone’ woningaanbiedingen en meedoen in de spoedzoekregeling. Het lot bepaalt wie de hoogste rangorde heeft.
19
Hoofdstuk 6 Wijziging samenstelling van de woonruimtevoorraad Artikel 6.1.2 Vergunningsvereiste onttrekking, samenvoeging en omzetting Uitgangspunt bij een verzoek om samenvoeging of omzetting van een woning is dat er een afweging moet plaatsvinden tussen drie belangen. Het aanvrager belang (het met de onttrekking, samenvoeging of omzetting gediende belang) versus het volkshuisvestelijk belang (het belang van behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad) en de leefbaarheid (het belang van het beschermen van de leefbaarheid van het woon-en leefmilieu in een complex, straat of buurt). De huisvestingsverordening is gemaakt met oog op aangetoonde aanwezige schaarste om te komen tot een eerlijke verdeling van woonruimte. Uit de aantoonde schaarste volgt tevens dat wij het in principe ongewenst vinden woningen te onttrekken aan de woningvoorraad. Er sprake van groeiende huishoudverdunning (minder inwoners per huishouden) waardoor er tevens behoefte is aan kleinere zelfstandige woningen. Deze dienen zoveel mogelijk behouden te blijven voor de huisvesting van onze inwoners.
Artikel 6.1.7 Criteria voor vergunningverlening o
Zelfstandige woonruimten mogen niet zonder vergunning van burgemeester en wethouders worden omgezet in onzelfstandige woonruimten. Een zelfstandige woonruimte is een volledige woonvoorziening, terwijl bij een onzelfstandige woonruimte er gemeenschappelijk gebruik van basisvoorzieningen als toilet etc. bestaat. Kenmerkend voor een onzelfstandige woonruimte is dat het niet over een eigen toegang beschikt. Voor een toelichting over deze begrippen wordt verwezen naar de begrippenlijst.
o
Burgemeester en wethouders dienen het belang dat de aanvrager heeft af te wegen tegen het behoud van de woonruimtevoorraad. Een weigeringsgrond is als er strijd is met het bestemmingsplan of omgevingsplan. Er mag van de vergunning slechts gebruik gemaakt worden na verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de artikelen 4.4, 5.1, 5.3 en 5.4 van de Omgevingswet. De aanvraag wordt mede aangemerkt als een verzoek om zodanige omgevingsvergunning. Andere weigeringsgronden bij vergunningverlening is mogelijke aantasting van het woon- en leefmilieu in een complex, straat of buurt. Onder woon- en leefmilieu wordt onder andere verstaan, de situatie ten aanzien van gevoelens van (on)veiligheid, onderhoud van woningen en woonomgeving, parkeerdruk, sociale samenhang. Voor jurisprudentie betreffende de aantasting van het woon- en leefmilieu (ontoelaatbare inbreuk) wordt verwezen naar een uitspraak van de raad van state op 22 november 2006 (kenmerk 200600355/1)"
Artikel 4.1.9 Intrekken van een omzettingsvergunning o
Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid een al verstrekte vergunning in te trekken. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht zal de houder van de vergunning in een dergelijk geval wel van dit voornemen in kennis gesteld moeten worden en in de gelegenheid te worden gesteld om een zienswijze tegen het voorgenomen besluit kenbaar te maken.
20
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 7.1 Nadere bepalingen op grond van evaluatie o Veel van de woningzoekenden die voor woningtoewijzing in aanmerking komen op basis van reguliere woningtoewijzing of een voorrangsmaatregel (zoals: spoedzoekregeling, loting, urgentie, uitstroom maatschappelijke instellingen) zijn starters en laten geen sociale huurwoning achter. o Als de toewijzing aan starters zo hoog is dat de doorstroming en daarmee het aanbod van vrij gemelde sociale huurwoningen, dreigt te stagneren, of zelfs te verminderen, kunnen burgemeester en wethouders nadere, eventueel tijdelijke maatregelen treffen. Bijvoorbeeld door het instellen of bijstellen van quota. o De nadere bepalingen kunnen alleen betrekking hebben op de artikelen 2.3, 2.4, 3.3 lid 8 en 3.4. Hiervoor winnen burgemeester en wethouders advies in van het pfho Bouwen en Wonen, na evaluatie door gemeenten, toegelaten instellingen en huurdersorganisaties. Artikel 7.2 Experimenten o Dit artikel biedt de ruimte om per kalenderjaar maximaal 10% van de vrijkomende sociale huurwoningen in te zetten als experiment. De verdeling van de in het experiment vallende woningen kan afwijken van de regelgeving uit de Hoofdstukken 4 en 5 van de verordening. Wel moeten de kandidaat huurders voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning zoals aangegeven in artikel 2.2.1.
Criteria voor verlening van een huisvestingsvergunning. Daarnaast geldt voor de kandidaat huurder dat hij/zij niet is uitgesloten van een huisvestingsvergunning op grond van artikel 2.6 Uitsluiting van een huisvestingsvergunning. o Algemene doelstellingen van een experiment kunnen zijn veelal te onderzoeken hoe bij de verdeling van de sociale huurwoningen een doelgroep beter geholpen kan worden, te onderzoeken hoe de verdeling in algemene zin kan verbeteren o Voorstellen voor experimenten worden ingediend bij het ambtelijk overleg van gemeenten en woningcorporaties het Platform Brede Kijk. Het voorstel wordt vervolgens voorzien van een advies van dit platform geagendeerd voor het pfho Bouwen en Wonen van de regio. Burgemeester en wethouders besluiten in overeenstemming met de uitkomst van het pfho. Artikel 7.3 Hardheidsclausule o Burgemeester en wethouders hebben de mogelijkheid om in individuele situaties waarin strikte toepassing van de regelgeving een onvoorzien en onevenredig benadelend gevolg heeft voor de betreffende woningzoekende, af te wijken van de regelgeving in de verordening. o Het niet kunnen voldoen aan voorwaarden, eisen en criteria kan in het algemeen net als lang op een woning moeten wachten, niet tot toepassing van de hardheidsclausule leiden.
Het opnemen van regelgeving over de verdeling van woningen of criteria en voorwaarden voor een urgentie heeft immers al in zich dat niet iedereen op het gewenste tijdstip of best uitkomende moment in aanmerking komt voor woningtoewijzing. Daarnaast betekent het opnemen van criteria met voorwaarden voor een urgentie dat het ook kan voorkomen dat een situatie juist niet aan de voorwaarden of criteria voldoet en dat niet alle woonproblematiek in aanmerking komt voor een urgentie. o De hardheidsclausule kan alleen toegepast worden op de Hoofdstukken 4 en 5.
21