Bijlage 2 - Toelichting Middenweg 63
Tekst van het document
bestemmingsplan
Middenweg 63, Nederhorst den Berg Gemeente Wijdemeren
Planstatus:
concept
Plan identificatie:
NL.IMRO.1696.BP22Mwg63-CO01
Datum:
2023-01-09
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. T. Wilde | dhr. K. Lodewijks
Kenmerk Buro SRO:
SR220363
Opdrachtgever:
Dhr. De Wit
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 10 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 10 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 11 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 14
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 17 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 17 4.2 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 18 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 19 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 19 4.5 Bodem ............................................................................................................................................................... 20 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 21 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................
23 4.8 Archeologie ....................................................................................................................................................... 24 4.9 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 25 4.10 Waterhuishouding........................................................................................................................................... 26 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 27
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 28 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 28 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 28 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 28 5.4 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 28
6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 30 6.1 Economische uitvoerbaarheid........................................................................................................................... 30 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 30
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om aan de Middenweg 63 te Nederhorst den Berg het huidige gebruik van de burgerwoning voort te zetten binnen het juiste planologische kader van de woonbestemming. Het huidige geldende bestemmingsplan bevat een foutief aantal woningen voor de percelen waarop de woonbestemming geldt, namelijk drie in plaats van de vier woningen die er daadwerkelijk zijn. Het huidige planologische kader voor deze locatie is het bestemmingsplan 'Horstermeer' vastgesteld door de raad van de gemeente Wijdemeren op 6 juli 2017. In dit bestemmingsplan geldt er een woonbestemming voor de percelen Middenweg 59, 61 en 63 waarbij er een maximum aantal van drie wooneenheden is aangegeven. Het gebouw op Middenweg 63 bevat echter twee wooneenheden, waarmee er samen met de vrijstaande woningen op nr. 59 en 61 sprake is van vier wooneenheden binnen deze woonbestemming. Om dit op de juiste wijze te bestemmen moet er een nieuw bestemmingsplan voor deze drie percelen samen komen, dat het bestaande bestemmingsplan vervangt. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. De gemeente heeft reeds aangegeven medewerking te willen verlenen aan het voorliggende voornemen. Dit aangezien het al bij het huidige bestemmingsplan de bedoeling was het juiste aantal woningen op te nemen, wat per abuis niet is gebeurd.
Het juiste aantal woningen is ook aangegeven op de inspraakreactie die door initiatiefnemer was ingediend op het voorontwerp-bestemmingsplan 'Horstermeer'. Dit is helaas nooit doorgevoerd in het uiteindelijke bestemmingsplan.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Middenweg 63 te Nederhorst den Berg in de gemeente Wijdemeren. De planlocatie is kadastraal bekend als de gemeente Nederhorst den Berg, sectie C, perceelnummer 2093, 3687 en 3688 met een oppervlakte van circa 6.300 m². De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
5
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Horstermeer', zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Wijdemeren op 6 juli 2017. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De gronden van het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Wonen' met de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden: 3'. Binnen deze bestemming is wonen toegestaan met de daarbij behorende voorzieningen zoals groen, water, erven, parkeervoorzieningen, tuinen en erftoegangswegen. Daarnaast zijn er maximaal drie wooneenheden toegestaan. Binnen het huidige bestemmingsplan zijn er dus maximaal drie woningen toegestaan, terwijl er daadwerkelijk vier woningen zijn. Om deze reden dient er voor deze drie percelen een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden om de juiste situatie planologisch te borgen. Voorts geldt ook het 'Parapluplan Parkeren Wijdemeren 2019'. In dit bestemmingsplan wordt het parkeerbeleid van de gemeente doorvertaald naar een gemeentebreed bestemmingsplan.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen de verschillende relevante milieuen omgevingsaspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische aspecten. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen in Nederhorst den Berg en maakt onderdeel uit van het bebouwingslint van de Horstermeerpolder. Nederhorst den Berg is een plaats gelegen tussen de Vecht en de Spiegelplas. Het plangebied zelf is gelegen aan de Middenweg. De Middenweg is een lintweg die het voormalige en ingepolderde Horstermeer doorkruist. De omgeving van het plangebied kent een mix aan activiteiten; er zijn meerdere agrarische bedrijven, overige bedrijvigheid, woningen en recreatieve voorzieningen te vinden. In het plangebied zelf staan meerdere gebouwen. Op nr. 59 en 61 zijn twee vrijstaande woningen gelegen en op nr. 63 bevinden zich twee woningen in één bouwvolume gelegen. De verschillende woningen zijn te bereiken vanaf de Middenweg met een kleine brug. De navolgende afbeeldingen tonen impressies van het plangebied.
Vooraanzicht plangebied huidige situatie (bron: google.com/maps, d.d. september 2020 )
8
Impressie plangebied, bovenaanzicht huidige situatie (bron: topotijdreis.nl)
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer heeft het voornemen om de bestaande situatie ongewijzigd te handhaven, maar dan met het juiste planologische kader. De wijziging van het voorliggende plan ziet daarmee toe op het juridischplanologisch regelen van vier wooneenheden ter plaatse van het bestemmingsvlak van het plangebied. Ruimtelijk worden er dus geen aanpassingen gedaan aan het plangebied, er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht, de woningen worden niet anders verdeeld over de gronden en de bestaande ontsluiting van het plangebied zal ook niet veranderen en via de Middenweg blijven verlopen.
9
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van woningen.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling heeft raakvlak met het Barro. Het plangebied raakt aan één van de 14 in het Barro geformuleerde rijksbelangen, namelijk titel 2.13 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'. Het plangebied ligt immers in het gebied dat in kaart 7 van het Barro door het Rijk indicatief is aangemerkt als de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Toetsing aan deze uitwerking vindt plaats in toelichting paragraaf 3.2.2.
De overige belangen van het Barro zijn verder niet specifiek van toepassing, waarmee het geen belemmering vormt voor voorliggende planontwikkeling.
10
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorliggende plan maakt juridisch-planologisch gezien per saldo één extra woning mogelijk. Dit is bovendien geen letterlijke extra woning maar een woning die reeds aanwezig is binnen het plangebied en bij een voorgaande bestemmingsplanwijziging abusievelijk niet juist is bestemd. Dit wordt met het voorliggende plan hersteld. Daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is het plan in overstemming met de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a.
Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.
11
b. c.
Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
Gebruik van de leefomgeving a.
b.
c. d.
Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie a.
De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten en houvast te bieden. Daarvoor wordt een aantal bewegingen voor de toekomst benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst. Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging. Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem. Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal. Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector.
Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek De ambitie van de provincie is onder andere het streven naar een goede balans tussen leefbaarheid en economische ontwikkeling. Om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te behouden en te versterken is een goed beheer van de bestaande kwaliteiten en het toevoegen van nieuwe kwaliteiten van belang. Er dient voldaan te worden aan de wettelijke basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving. Voor de leefomgevingskwaliteit is het essentieel de waarden en karakteristieken van het landschap en de cultuurhistorie te benoemen, te behouden, waar nodig adequaat te herstellen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen. Met het voorliggende plan wordt de bestaande situatie juridisch-planologisch goed vastgelegd. Het maximaal aantal wooneenheden dat is toegestaan binnen het bestemmingsvlak aan de Middenweg 59 t/m 63 wordt gewijzigd van drie naar vier. Met dit plan vinden er geen wijzigingen plaatsen aan de ruimtelijke situatie ter plaatse. De situatie zoals deze nu is wordt gehandhaafd. Het karakter en aanzien vanaf de Middenweg zal daarmee onveranderd blijven.
Gesteld kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de ambities uit de Omgevingsvisie NH2050.
12
3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op 22 oktober 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie, vastgesteld op 19 november 2018, vorm te geven en wordt er een start gemaakt met werken in de geest van de Omgevingswet. Echter valt de Omgevingsverordening NH2020 nog onder de huidige wet- en regelgeving. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn alle regels van de provincie die gaan over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Merendeel van de regels in deze verordening zijn vrijwel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2010. Echter zijn een aantal onderdelen wel gewijzigd of nieuw. Belangrijke gewijzigde en nieuwe onderdelen zijn het Landelijk gebied, Bijzonder provinciaal landschap, de mogelijkheden voor kleinschalige woningbouw in landelijk gebied en de ruimte voor windenergie in de MRA regio. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:
•
het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken;
• •
het behoud en herstel van de biologische diversiteit; het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Daarnaast is het doel om de provinciale regels in meer samenhang en op een meer overzichtelijke manier kenbaar te maken. Planspecifiek MRA - Landelijk gebied Er is planologisch gezien sprake van een 'kleinschalige woningbouwontwikkeling' in landelijk gebied. Hoewel de woning al bestaat maakt dit bestemmingsplan door de bestaande situatie juist te bestemmen planologisch gezien een extra woning mogelijk. Aangezien het plangebied is gelegen in het zogenaamde 'MRA - Landelijk gebied' is de realisatie van extra woningen niet toegestaan. Echter wordt in artikel 6.9 onder 2 een uitzondering op het verbod onder 1 gemaakt. Een ruimtelijk plan kan voorzien in een functiewijziging van een stedelijke functie of van een agrarisch bouwperceel naar wonen in de vorm van maximaal twee burgerwoningen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d.
ter plaatse van de bestaande stedelijke functie of het agrarisch bouwperceel is ten minste één bedrijfswoning planologisch toegestaan; de functiewijziging naar een woonfunctie beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet; de bestaande bedrijfsbebouwing op de overige gronden wordt gesloopt en aan deze gronden wordt een bestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden; en een tweede burgerwoning is alleen mogelijk als meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak wordt gesloopt.
Aan de bovenstaande voorwaarden wordt met de beoogde ontwikkeling weliswaar niet letterlijk voldaan. Er is hier immers geen sprake van bedrijfsbebouwing of bedrijfswoningen maar de bestaande stedelijke functie is al een woonfunctie. Daarvan wordt uitsluitend het aantal planologisch toegestane woningen op het perceel vergroot van één naar twee. De beoogde ontwikkeling is echter wel in lijn met de strekking van de uitzondering op het verbod. De strekking is namelijk de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied te waarborgen. Aangezien het hier gaat om het planologisch mogelijk maken van een reeds bestaande woning, er geen ruimtelijke ingrepen plaatsvinden en er slechts een fout uit het huidige bestemmingsplan wordt hersteld heeft de ontwikkeling geen gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit van het landelijke gebied. Daarnaast beperkt de wijziging de omringende agrarische bedrijven niet. De wijziging is daarom in overeenstemming met de strekking van de uitzondering op het verbod.
13
Bijzonder provinciaal landschap Het onderhavige perceel maakt deel uit van het Bijzonder provinciaal landschap Vechtstreek-Zuid, bestaande uit veenpolderlandschap met een uitgebreid stelsel van plassen, petgaten en legakkers (de Vechtplassen). Het plangebied is gelegen in de Horstermeerpolder, een drooggemaakt natuurlijk meer. De droogmakerij heeft een symmetrische opbouw met een middenas in de lengterichting van de polder. Vanaf deze as zijn de ontginningsblokken zo regelmatig mogelijk uitgezet. De polder heeft vanwege de specifieke waterhuishouding smalle kavels, een vierkante ringsloot om de grootste kwellocatie en een brede hoofdtocht naar het gemaal. Het onderhavige initiatief heeft geen negatieve veranderingen in de fysieke omgeving tot gevolg, waardoor er geen afbreuk wordt gedaan aan de waarden van het Bijzonder provinciaal landschap Vechtstreek-Zuid. Nieuwe Hollandse Waterlinie Het plangebied bevindt zich in de Nieuwe Hollandse Waterlinie, één van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde zoals bedoeld in artikel 6.47 van de omgevingsverordening. Een ruimtelijk plan in dergelijk gebied is alleen mogelijk als de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie niet worden aangetast. Deze kernkwaliteiten zijn: 1. 2. 3.
het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militairverdedigingssysteem; de grote openheid; het groene en rustige karakter.
Het voorliggende plan ziet toe op het in standhouden van de huidige situatie ter plaatsen. Er wordt enkele in juridisch-planologische zin een wijziging doorgevoerd door vier wooneenheden toe te staan in plaats van drie wooneenheden. Met het voorliggende plan worden de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie niet aangetast. Conclusie Verder zijn er geen relevante aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening NH2020 waarmee gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Wijdemeren 2040 Op 16 september 2021 is de omgevingsvisie van de gemeente Wijdemeren vastgesteld. De omgevingsvisie is de komende jaren de gids voor ruimtelijk-maatschappelijke vraagstukken en geeft ruimte aan initiatieven uit de samenleving of markt. Hierin staat hoe de gemeente samen met inwoners, ondernemers en anderen de komende jaren samen verder wil bouwen aan een mooie gemeente. In de omgevingsvisie geeft de gemeente aan waar ze op in wil zetten en hoe ze daar op hoofdlijnen uitvoering aan willen geven. De omgevingsvisie geeft richting aan toekomstige ontwikkelingen, initiatieven en beleid. Op basis van de visie op Wijdemeren in 2040 en de diverse trends en ontwikkelingen die op de gemeente afkomen zijn drie integrale kernopgaven geformuleerd. Drie verhaallijnen die ingaan op de uitdagingen die voorliggen en de bijbehorende ambities. Dit zijn: 1. 2. 3.
Vitale en gezonde leefomgeving; behoud en versterking van de woon- en leefkwaliteit in de kernen en linten. Ruimte voor ondernemerschap en bereikbaarheid; het vergroten van het verdienvermogen door ruimte te bieden aan (nieuwe) economische activiteiten en te investeren in bereikbaarheid. Waardevol landschap: vormgeven van natuurbehoud, landschapsbeheer en vergroting van de biodiversiteit.
De gemeente streeft naar inzichtelijk en voorspelbaar beleid voor de woongebieden, werkgebieden en het buitengebied. Per gebied wordt stil gestaan bij de ambitiebepaling op het gebied van milieu, gezondheid en
14
veiligheid. De gebiedsgerichte vertaling biedt de benodigde detaillering voor doorwerking in onder andere programma’s en het omgevingsplan en is essentieel voor de functionaliteit als afwegingskader. Planspecifiek Het plangebied is gelegen aan het lint van de Horstermeerpolder. In de omgevingsvisie zijn voor het gebiedsprofiel 'kernen en linten' gebiedseigen uitgangspunten opgenomen. Eén van de uitgangspunten voor de 'kernen en linten' is de focus op inbreiding. De gemeente geeft aan voorkeur te hebben voor inbreiding boven uitbreiding. Doordat de uitbreidingsmogelijkheden in de gemeente relatief gering zijn, wil de gemeente extra inzetten op inbreiding en transformatie. Er liggen verspreid in de kernen en linten mogelijkheden tot transformatie of inbreiding. Het voorliggende plan ziet toe op het planologisch regelen van de bestaande situatie. Dit is door een omissie in het geldende bestemmingsplan niet goed geregeld. Er dienen binnen het bestemmingsvlak van het plangebied vier woningen toegestaan te worden in plaats van drie. Door dit op de juiste wijze te bestemmen draagt het plan bij aan de ambitie tot behoud van de woon- en leefkwaliteit in de kernen en linten. Verder heeft het plan geen implicaties ten aanzien van de Omgevingsvisie en is het daarmee passend binnen het gemeentelijke beleid.
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Wijdemeren 2040. 3.3.2 Woonvisie Wijdemeren 2021-2024 De gemeenteraad van de gemeente Wijdemeren heeft in juni 2021 een nieuwe woonvisie vastgesteld, de 'Woonvisie Wijdemeren 2021-2024'. De woningnood in de regio en in de gemeente Wijdemeren is hoog. Het hoofddoel voor de Woonvisie Wijdemeren is gericht op het stimuleren van een divers samengestelde woningvoorraad, nu en in de toekomst, waarbij deze zo goed mogelijk is afgestemd op de samenstelling van de inwoners van Wijdemeren, met extra aandacht voor het behoud van (woon)mogelijkheden voor jongeren en jonge gezinnen. Dit leidt tot drie doelstellingen: 1. 2. 3.
focus op nieuwbouw; leefbare kernen met oog voor kwaliteit van leefbaarheid; duurzame woningvoorraad.
Planspecifiek Het voorliggende plan ziet toe op het planologisch regelen van de bestaande situatie. Dit is door een omissie in het geldende bestemmingsplan niet goed geregeld. Er dienen binnen het bestemmingsvlak van het plangebied vier wooneenheden toegestaan te worden in plaats van drie wooneenheden. Daarmee heeft het plan geen uitwerkingen ten aanzien van de Woonvisie en is het daarmee passend binnen het gemeentelijke beleid. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met de Woonvisie Wijdemeren 2021-2024. 3.3.3 Duurzaamheidsagenda 2018-2021 Het beleid op het gebied van duurzaamheid van de gemeente Wijdemeren is vastgelegd in de Duurzaamheidsagenda 2018-2021. In de duurzaamheidsagenda zijn de plannen en voorbereidingen opgenomen die de gemeente gaat ondernemen. De duurzaamheidsagenda bevat vier thema's: 1. 2. 3. 4.
CO2-reductie en energietransitie; groen, water en klimaatadaptatie; grondstoffen en circulairiteit; mobiliteit.
Planspecifiek
15
Het voorliggende plan ziet toe op het planologisch regelen van de bestaande situatie. Dit is door een omissie in het geldende bestemmingsplan niet goed geregeld. Er dienen binnen het bestemmingsvlak van het plangebied vier wooneenheden toegestaan te worden in plaats van drie wooneenheden. Er worden geen nieuwe woningen gebouwd of aanpassingen voorzien aan de bestaande woningen, de bestaande situatie wordt voortgezet. De duurzaamheidsagenda wordt om deze reden niet nader beschouwd.
16
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met het voorliggende plan vindt er een bestemmingswijziging plaats, waarmee het aantal woningen ter plaatsen wordt aangepast. Dit wordt gedaan om de bestaande situatie juridisch-planologisch op een juiste wijze te regelen. Aan de bestaande situatie vinden geen wijzigingen plaats. Er kan dan ook gesteld worden
17
dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Onderstaande verhandeling van de afzonderlijke milieuaspecten geeft voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven), zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt de bestaande situatie juridisch-planologisch mogelijk. De bestaande situatie is door een omissie in het geldende bestemmingsplan niet goed geregeld. Er dienen binnen het bestemmingsvlak van het plangebied vier wooneenheden toegestaan te worden in plaats van drie wooneenheden. Het plangebied is reeds voorzien van de correcte bestemming 'Wonen' en dit blijft ongewijzigd. Er worden geen woningen dichterbij milieubelastende activiteiten gerealiseerd. Aangezien er met het voorliggende plan een voorzetting van de bestaande situatie wordt geregeld kan er worden aangenomen dat er ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat ter plaatse van de woningen in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Milieubelastende activiteiten worden tevens niet belemmerd
18
in hun mogelijkheden. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.
4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt juridisch-planologisch één extra woning mogelijk, die in de bestaande situatie reeds aanwezig is. Het project is daarmee aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied.
De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 15,3 μg/m³, 8,2 μg/m³ en 11,8 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
19
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Een woning is een geluidgevoelig object zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Het plangebied is gelegen aan de Middenweg en ligt binnen de onderzoekszone van de weg. Het voorliggende plan ziet toe op het juridisch-planologisch regelen van de bestaande situatie. Dit is door een omissie in het geldende bestemmingsplan niet goed geregeld. Formeel dient er aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de geluidsnormen. In het kader van het huidige bestemmingsplan (Horstermeer) is er echter reeds akoestisch onderzoek uitgevoerd, Daaruit blijkt dat de huidige woning (die planologisch dus een nieuwe woning wordt) in de zone ligt waarin voldaan wordt aan de waarden. Een toetsing aan de Wet geluidhinder is derhalve niet nodig. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is vanuit het aspect geluid.
4.5 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling vindt er geen functiewijziging van het plangebied plaats. Het betreft namelijk op het juridisch-planologisch regelen van de bestaande situatie. Dit is door een omissie in het geldende bestemmingsplan niet goed geregeld. Er dienen binnen het bestemmingsvlak van het plangebied vier wooneenheden toegestaan te worden in plaats van drie wooneenheden. In de huidige situatie is het plangebied reeds bestemd met de bestemming 'Wonen'.
Er is daarmee geen sprake van een gewijzigd gebruik, tevens vinden er ook geen bodemingrepen plaats. Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat de bodemkwaliteit niet nader in kaart gebracht hoeft te worden en dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
20
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
21
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van kwetsbare objecten binnen het plangebied. Daarom dient de externe veiligheid voor de beoogde ontwikkeling getoetst te worden. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
22
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: atlas voor leefomgeving)
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor het voorliggende initiatief.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische
23
verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek Het voorliggende plan ziet toe op het behouden van de bestaande situatie binnen het plangebied. Er wordt geen bebouwing gesloopt en er vinden evenmin ingrepen plaats die ten kost gaan van bestaande beplanting. Een onderzoek naar mogelijke effecten op beschermde flora en fauna is derhalve niet nodig. Verder gaat het om het op een correcte wijze bestemmen van de bestaande situatie en wordt er niet gebouwd. Een onderzoek naar stikstof is daarom evenmin niet aan de orde. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor het voorliggende initiatief.
4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Archeologiebeleid Wijdemeren In 2010 heeft de gemeente Wijdemeren een Archeologische Beleidskaart laten maken. De kaart is gebaseerd op een uitgebreide inventarisatie van het gemeentelijk bodemarchief en geeft aan welke gebieden een archeologische verwachting hebben. Per gebied is vastgelegd wanneer bij ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met archeologie.
De regimes die hiervoor gelden zijn weergegeven op de Beleidskaart Archeologie. Voor iedereen is dan in één oogopslag duidelijk aan welke regels moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen waar archeologische waarden in het geding kunnen zijn. Planspecifiek Onderstaande afbeelding toont de archeologische verwachting van het plangebied
24
Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Wijdemeren (plangebied rood omkaderd)
Gebieden waar geen archeologische resten (meer) worden verwacht, worden op de beleidskaart aangeduid als archeologievrij. In de gemeente zijn het Plassengebied en het grootste deel van de Horstermeerpolder archeologievrij. Bovenstaande kaart toont aan dat het plangebied aangegeven is als 'Archeologievrij'. Derhalve hoeft er bij de beoogde ontwikkeling geen onderzoek plaats te vinden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.9 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied is gelegen aan de Middenweg te Nederhorst den Berg. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. In en rondom het plangebied zijn daarbij ook geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig.
25
Het plangebied is wel gelegen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Hiervoor geldt dat de kernkwaliteiten van het gebied in stand moeten worden gehouden. Openheid is de voornaamste kernkwaliteit ter hoogte van het plangebied. Het voorliggende plan ziet toe op het in stand houden van de bestaande situatie en heeft daarmee geen invloed op de in stand houding van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De Horstermeerpolder is tevens cultuurhistorisch waardevol als 19e-eeuwse droogmakerij. De belangrijkste waarden van deze droogmakerij bestaan uit de openheid en het verkavelingspatroon, dat bepaald wordt door lengtesloten met haaks daarop de Middenweg. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan deze waarden. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.