Bijlage 2 Toelichting BIZ Nootweg 2025 2029
Tekst van het document
Toelichting op verordening BIZ Nootweg Wijdemeren A. Algemeen 1.
Inleiding
Zowel ondernemers als gemeenten hebben belang bij investeringen in de bedrijfsomgeving. Voor het bedrijfsleven is de kwaliteit en veiligheid van de bedrijfsomgeving een belangrijke factor voor de aantrekkelijkheid van een onderneming voor klanten. Voor de lokale overheid is een veilige en leefbare openbare ruimte van belang om bedrijven (werkgelegenheid) en bezoekers aan te trekken. Een leefbare bedrijfsomgeving heeft invloed op de leefbaarheid van het omliggende gebied; burgers willen een veilige en leefbare omgeving om in te werken en te winkelen. Het collectieve belang van de ondernemers valt op deze punten samen met het algemene belang van een kwalitatief hoogwaardige bedrijfsomgeving. Gezamenlijke investeringen liggen voor de hand omdat dit synergievoordelen oplevert en het effect van de investeringen groter wordt. Gemeenten hebben met de Wet op de bedrijveninvesteringszone (hierna: de wet of Wet BIZ) de bevoegdheid om een gebied aan te wijzen (de bedrijveninvesteringszone (BIZ)) waarbinnen de BIZbijdrage mag worden geheven ter financiering van door een meerderheid van de bijdrageplichtigen gewenste extra voorzieningen. De voorzieningen dienen zowel het gezamenlijk belang van de ondernemers als het algemeen belang. De BIZ kan echter niet worden ingezet voor de financiering van concrete verantwoordelijkheden die de wetgeving exclusief aan de gemeente opdraagt.
De BIZ is alleen bedoeld om een hogere kwaliteit aan voorzieningen tot stand te brengen die de gemeente op grond van een optimale verdeling van de beschikbare middelen zelf niet kan en hoeft te realiseren. 2. Draagvlak Het initiatief tot instelling van een BIZ ligt bij de ondernemers, de gemeente faciliteert alleen de heffing en invordering van de BIZ-bijdragen. Artikel 4 van de wet vereist de aanwezigheid van voldoende steun voor de inwerkingtreding van de Verordening BIZ Nootweg Wijdemeren 2025 – 2029. Dit draagvlak vormt bij de invoering en instandhouding van de BIZ-bijdrage de rode draad. Artikel 5 van de wet bepaalt wanneer er sprake is van voldoende steun. Draagvlakeisen voor een BIZ gerealiseerd door deelname van gebruikers en eigenaren: • • • • • •
Ten minste 50% van de gebruikers moet zich uitspreken over de inwerkingtreding van de BIZ. Ten minste 50% van de eigenaren moet zich uitspreken over de inwerkingtreding van de BIZ. Ten minste 2/3 deel van de gebruikers die zich hebben uitgesproken, moet zich vóór inwerkingtreding van de BIZ hebben uitgesproken. Ten minste 50% van de eigenaren die zich hebben uitgesproken, moet zich vóór inwerkingtreding van de BIZ hebben uitgesproken. De som van de WOZ-waarden van de gebruikers die zich vóór inwerkingtreding van de BIZ hebben uitgesproken, moet hoger zijn dan de som van de WOZ-waarden van de gebruikers die zich tegen de inwerkingtreding van de BIZ hebben uitgesproken. De som van de WOZ-waarden van de eigenaren die zich vóór inwerkingtreding van de BIZ hebben uitgesproken, moet hoger zijn dan de som van de WOZ-waarden van de eigenaren die zich tegen de inwerkingtreding van de BIZ hebben uitgesproken.
Doordat bij de draagvlakmeting binnen iedere categorie belastingplichtigen een meerderheid moet bestaan, wordt voorkomen dat er sprake is van een oneigenlijke afwenteling van lasten door eigenaren op gebruikers of andersom. Lokaal moet wel goed worden gekeken of ondernemers te
maken krijgen met een stapeling van BIZ-bijdragen, doordat de ondernemer misschien zowel de eigen heffing als de heffing van de eigenaar betaalt (via de huur of anderszins).
B. Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 2 Aanwijzing stichting De Wet BIZ stelt verplicht dat er een vereniging of stichting wordt opgericht die de BIZ feitelijk beheert. In de Verordening bedrijveninvesteringszone Nootweg Wijdemeren 2025 – 2029 is de Stichting Nootweg Loosdrecht aangewezen als de Stichting als bedoeld in artikel 7 van de wet. Deze Stichting is de rechtspersoon die de subsidies ontvangt. Ten aanzien van de Stichting is vereist dat ten minst 2/3 van de bestuursleden afkomstig is uit de kring van de beoogde bijdrageplichtigen. Op grond van artikel 7 Wet BIZ moet de Stichting aan strikte vereisten voldoen. Zo moet de Stichting uitsluitend ten doel hebben de BIZ-activiteiten uit te voeren. Dat hoeven niet altijd met BIZ-bijdrage gesubsidieerde activiteiten te zijn. Vereist is dat de activiteiten van de BIZ-organisatie zijn aan te merken als activiteiten in de openbare ruimte en op internet, gericht op het bevorderen van de leefbaarheid in, de veiligheid in, de ruimtelijke kwaliteit van of de economische ontwikkeling van die zone. Artikel 7 Wet BIZ verhindert wel dat de Stichting de algemene belangenbehartiging overneemt van een bestaande ondernemersvereniging.
Hoofdstuk II Belastingbepalingen Artikel 3 Belastbaar feit en aard van de belasting Lid 1 beschrijft het belastbaar feit. De BIZ-bijdrage wordt geheven ter zake van onroerende zaken die zijn gelegen binnen de bedrijveninvesteringszone en op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen. Het gaat dus alleen om niet-woningen. Door de verwijzing naar artikel 220a Gemeentewet wordt aangegeven dat het begrip niet-woning conform de daar gegeven regels moet worden uitgelegd. De jurisprudentie die voor artikel 220a Gemeentewet is gewezen is daarmee ook van toepassing op de BIZ-bijdrage. In de bepaling wordt benadrukt dat het een jaarlijkse heffing betreft gedurende de looptijd van de verordening. Dit is gedaan om te voorkomen dat de indruk ontstaat dat het om een eenmalige bijdrage zou gaan. Belastingplichtige is degene die op 1 januari van het belastingjaar gebruiker en/of eigenaar is van de onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient. Als het gebruik in de loop van het jaar aanvangt of eindigt, heeft dat geen invloed op de belastingplicht. De maximale looptijd van een BIZ is vijf jaar, met de mogelijkheid de periode met nog eens vijf jaar te verlengen. De procedure voor verlenging is hetzelfde als de procedure voor de initiële instelling van de BIZ.
Lid 2 is opgenomen om er geen twijfel over te laten bestaan, dat de heffing bedoeld is ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de BIZ of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de BIZ. Inpandige activiteiten kunnen in beginsel niet met een BIZbijdrage worden gefinancierd, tenzij het gaat om activiteiten die gericht zijn op een publiek belang in de openbare ruimte.
Activiteiten opgenomen in het BIZ-plan Nootweg zijn in elk geval het verbeteren van de jaarmarkt, gladheidbestrijding, de groenvoorziening (plantenbakken), algemene promotie en (feest)verlichting. Artikel 4 Belastingobject De BIZ-bijdrage wordt geheven ter zake van onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. Doordat artikel 220a Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is, is de objectafbakening zoals die voor de Wet WOZ (artikel 16) en de OZB geldt, ook van toepassing voor de BIZ-bijdrage. Het gaat dus alleen om niet-woningen en het woningdeel van de niet-woningen wordt ook buiten toepassing gelaten als de BIZ-bijdrage wordt geheven naar de WOZ-waarde. Artikel 5 Belastingplicht Eerste lid De Wet BIZ biedt de mogelijkheid om te heffen van de gebruikers, de eigenaren of van beide categorieën. De BIZ-bijdrage bij de Nootweg wordt geheven van de gebruikers en van de eigenaren van de belastingobjecten. Aan de mogelijkheid om zowel gebruikers als eigenaren aan de BIZ te laten bijdragen, ligt de gedachte ten grondslag dat eigenaren ook een belang hebben bij collectieve investeringen. Tweede lid, onderdeel a Artikel 220b van de Gemeentewet geeft nadere invulling aan het begrip ‘gebruik’. Dit begrip is overeenkomstig van toepassing op de BIZ-bijdrage.
Op grond van artikel 5 tweede lid onderdeel a van de Verordening kunnen in bepaalde situaties belastingplichtigen aangewezen worden die niet feitelijk gebruik maken van een niet-woning. Gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, wordt aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven. Door deze bepaling is de verhuurder (al of niet tevens eigenaar) ook belastingplichtig voor de BIZ-bijdrage als hij niet zelf gebruiker (van een deel) van de niet-woning is. Dit betekent dat bij verzamelkantoorgebouwen met meer dan één gebruiker (die voor de Wet WOZ als één object kunnen gelden), de verhuurder in de heffing van de BIZ-bijdrage moet worden betrokken. De huurders zijn dan niet belastingplichtig. Voor alle duidelijkheid: de bepaling ziet alleen op situaties waarin (onzelfstandige) delen van de onroerende zaak worden gebruikt door afzonderlijke gebruikers, die niet gezamenlijk het geheel gebruiken. De verhuurder van een nietwoning kan niet als gebruiker worden aangemerkt als hij de niet-woning verhuurt aan bijvoorbeeld één onderneming of één persoon. Verhuurt hij de verschillende (onzelfstandige) delen aan verschillende gebruikers, dan is hij wel belastingplichtig. Verhuurt hij echter de niet-woning als geheel aan meerdere gebruikers (bijvoorbeeld van één onderneming), dan is hij niet belastingplichtig.
Hij staat dan immers niet een deel van de niet-woning in gebruik af. Degene die het gebruik afstaat, mag overigens de gebruikersbelasting wel verhalen op degene aan wie het gebruik van een deel wordt afgestaan. Tweede lid, onderdeel b Dit onderdeel bepaalt dat het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Dit ziet vooral op niet-woningen die voor korte perioden worden verhuurd. In beginsel is de eigenaar degene die de niet-woning ter beschikking stelt voor volgtijdig gebruik. Degene die de niet-woning ter beschikking stelt is bevoegd om de belasting te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
Tweede lid, onderdeel c Artikel 220b van de Gemeentewet geeft nadere invulling aan het begrip ‘eigenaar’. Dit begrip is overeenkomstig van toepassing op de BIZ-bijdrage. Artikel 5 tweede lid onderdeel c van de Verordening bepaalt dat de basisregistratie kadaster in bijna alle gevallen uitsluitsel geeft over de vraag wie de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Derde lid In sommige gevallen is er als gevolg van leegstand geen sprake van een gebruiker in de zin van de Wet BIZ. In de verordening is bepaald dat als een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, de BIZ-bijdrage wordt geheven van degene die van die zaak het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft. Deze krijgt dan eenzelfde positie (dus ook qua draagvlakmeting en dergelijke) als een gebruiker. Artikel 6. Maatstaf van heffing Artikel 2 Wet BIZ benoemt de mogelijke heffingsmaatstaven en tariefdifferentiaties voor de BIZ. Eerste lid De Verordening hanteert de vastgestelde WOZ-waarde van het kalenderjaar 2024 als heffingsmaatstaf voor het betreffende belastingjaar. Tweede lid Het tweede lid regelt de zogenoemde woondelenvrijstelling voor objecten die in hoofdzaak een nietwoning zijn, maar waarin woondelen zijn te onderscheiden. Deze woondelenvrijstelling vloeit voort uit de overeenkomstige toepassing van artikel 220e Gemeentewet.
Derde lid Het derde lid is een zogenaamde 'vangnetbepaling'. Deze bepaling maakt het mogelijk om toch een aanslag BIZ-bijdrage op te leggen in het geval er voor het belastingobject geen WOZ-waarde is vastgesteld. Als de WOZ-beschikking wel is vastgesteld, maar niet is bekendgemaakt, dan is de vangnetbepaling niet van toepassing, maar de gewone hoofdregel van het eerste lid van dit artikel (Hoge Raad 13 mei 2005, nr. 39569, ECLI:NL:HR:2005:AR6816). De waardebepaling geschiedt in het kader van de vangnetbepaling zoveel mogelijk op gelijke wijze als voor de andere onroerende zaken, waarvoor wel een WOZ-beschikking is vastgesteld. Voor de tekst van de vangnetbepaling is aangesloten bij de tekst van artikel 220d, vierde lid, van de Gemeentewet. Artikel 7. Vrijstellingen Bij de toepassing van de WOZ-waarden gelden de wettelijke vrijstellingen zoals vermeld in artikel 220d Gemeentewet. Ter voorkoming van misverstanden daarover zijn deze als uitzondering geformuleerde vrijstellingen overgenomen in de Verordening. Dit geldt ook voor de facultatieve vrijstellingen die de Verordening vermeldt. Onderdelen a t/m i De onderdelen a t/m i zijn op grond van artikel 220d Gemeentewet verplicht voorgeschreven.
Artikel 8 Belastingtarief De BIZ-bijdrage wordt zowel van de gebruikers als van de eigenaren geheven. Het is niet vereist dat de tariefstelling voor beide categorieën gelijk is. Voor de BIZ-bijdrage Nootweg is gekozen voor een heffing naar waardeklassen. Waardeklasse Tot €300.000 Meer dan €300.000, maar minder dan €500.000 €500.000 of meer
Tarief gebruiker €300 €350
Tarief eigenaar €85 €140
€500
€190
Het totale belastingbedrag dat binnenkomt is dan € 11.000. Artikel 9 Wijze van heffing Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. In de Verordening is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. Artikel 11 Looptijd belastingheffing Eerste lid De Wet BIZ schrijft voor dat een BIZ-bijdrage voor ten hoogste vijf jaar kan worden geheven. Een kortere termijn is ook mogelijk. De gemaakte keuze wordt in dit artikel geregeld en is gesteld op 5 jaren. Overigens kan de gemeenteraad, al dan niet op verzoek van de bijdrageplichtigen, besluiten de verordening eerder in te trekken. Een dergelijk besluit moet bij afzonderlijke belastingverordening worden vastgesteld. Op grond van artikel 6 Wet BIZ kunnen ondernemers de gemeenteraad vragen om de BIZ-verordening in te trekken. Een dergelijk verzoek moet afkomstig zijn van minimaal 20% van de bijdrageplichtigen. Als de gemeente een voldoende ondersteund verzoek krijgt, organiseert het college van burgemeester en wethouders onder alle bekende bijdrageplichtigen een draagvlakmeting. Het verschil met de draagvlakmeting bij de invoering is dat bij een tussentijdse draagvlakmeting wordt gevraagd naar steun voor intrekking.
Voor een geldige tussentijdse draagvlakmeting is vereist dat ten minste de helft van de bijdrageplichtigen deelneemt. Omdat in deze situatie artikel 5, derde lid, Wet BIZ niet van toepassing is, is bij een heffing van gebruikers en eigenaren gezamenlijk, niet vereist dat in iedere categorie afzonderlijk de helft deelneemt. Van voldoende steun voor intrekking is gebleken als ten minste de helft van deelnemers voor intrekking hebben gestemd, en deze deelnemers ten minste de helft van de som aan WOZ-waarden representeert. Tweede lid De Wet BIZ biedt de mogelijkheid om een BIZ na afloop met maximaal 5 jaar te verlengen.
Hoofdstuk III Subsidiebepalingen Artikel 13 Algemene Subsidieverordening De BIZ-subsidie wijkt sterk af van de overige subsidies die de gemeente verstrekt. Zo is de gemeente verplicht om de belastingopbrengst als subsidie uit te keren aan de Stichting. Daarnaast is de Stichting verplicht om die subsidie te besteden aan de overeengekomen activiteiten. Deze verplichtingen liggen vast in de Verordening (zie artikel 14 hierna). Vanwege deze afwijkingen is bepaald dat de Algemene Subsidieverordening Wijdemeren niet van toepassing is op de onderhavige BIZ. Artikel 14 Subsidievaststelling De Wet BIZ schrijft voor dat de opbrengst van de BIZ-bijdrage als subsidie wordt verstrekt aan de Stichting. Door deze manier van voorbereiden is er, voordat er subsidie wordt verstrekt, tussen de gemeente en subsidieontvanger al vergaande overeenstemming. Bovendien is er een uitvoeringsovereenkomst gesloten. De kans is dus zeer klein dat de activiteiten niet worden uitgevoerd of dat er anderszins problemen ontstaan. Een uitgebreide subsidieregeling met allerlei waarborgen is dus in dit geval niet nodig. Daarom is hier gekozen voor een zeer eenvoudige subsidieregeling met zo min mogelijk administratieve lasten.
Bij activiteiten die nog moeten plaatsvinden is het bijvoorbeeld gebruikelijk om eerst de subsidie te verlenen, wat neerkomt op een toezegging en pas na afloop van de activiteiten definitief af te rekenen (vaststelling). In dit geval kan het subsidiebedrag in een keer worden vastgesteld en afgerekend. Artikel 15 Melding van relevante wijzigingen Als zich bij de Stichting ingrijpende wijzigingen voordoen, wordt het college daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld. Hoofdstuk IV Slotbepalingen Artikel 16. Inwerkingtreding Na volledige afweging van alle belangen door de gemeenteraad en vaststelling van de verordening vindt de draagvlakmeting plaats. Dit betekent dat de verordening pas in werking kan treden nadat de draagvlakmeting is gehouden en er gebleken is van voldoende draagvlak. In plaats daarvan is voor de inwerkingtreding aangesloten bij de bekendmaking van de uitslag van de draagvlakmeting. Indien er sprake is van voldoende draagvlak, zal de heffing per 1 januari 2025 ingaan.