Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Slotlaan 4 Kasteel Nederhorst
Tekst van het document
4.2
Water en bodem
Water Er vinden geen veranderingen plaats aan het watersysteem, de hoeveelheid verharding neemt niet toe als gevolg van de ontwikkeling. Er vindt zelfs afname plaats, omdat de oppervlakte aan bebouwing afneemt. Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bodem Gezien de ontwikkeling een inpandige verbouwing betreft zal de ontwikkeling geen gevolgen hebben voor de bodemkwaliteit ter plaatse. Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor de doorgang van deze ontwikkeling. Mogelijk wordt in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen een actueel bodemonderzoek vereist.
41/73
4.3
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 35 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en vrijgesteld is van toetsing aan de grenswaarden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Nieuwe Overmeerseweg ten oosten van het projectgebied.
Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen voor de Nieuwe Overmeerseweg in 2020; 14,2 µg/m³ voor NO2, 17,5 µg/m³ voor PM10 en 10,4 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,1 dagen. Tevens voldoen de huidige achtergrondwaarden aan de grenswaarden gesteld door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Met de toevoeging van de ontwikkeling zal ook binnen de
42/73
verschillende grenswaarden worden gebleven. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied.
4.4
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Beleidsregel parkeernormen, gemeente Wijdemeren 2015). Hierin zijn parkeernormen opgenomen voor kernen en landelijk gebied. De projectlocatie bevindt zicht buiten de kern Nederhorst Den Berg, daarom worden de parkeernormen van dat gebiedstype (landelijk) gehanteerd. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (2018). Daarbij geldt hetzelfde uitgangspunt als bij de parkeerbehoefte. Onderzoek Verkeersgeneratie De toekomstige woningen hebben een verkeersaantrekkende werking. De verkeersgeneratie wordt berekend voor het beoogde programma van maximaal 35 woningen. Daarbij wordt er een mix van hoog segment, midden en goedkope (sociale) huurappartementen gerealiseerd. Tabel 4.2 toont de berekening van de verkeersgeneratie van het beoogde woonprogramma en het ondersteunende programma.
Daarbij is gebruik gemaakt van het CROW kencijfer voor woonmilieutypes uit tabel A5. Gezien het inwonersaantal van Nederhorst den Berg (< 10.000 inwoners) wordt het kencijfer voor Landelijk gebied 'centrum-dorps' aangehouden.
Tabel 4.2 Berekening verkeersgeneratie Parkeren Parkeerbehoefte In de Beleidsregel parkeernormen 2015 van de gemeente Wijdemeren zijn onder andere specifieke parkeernormen voor diverse woningtypes opgenomen. Daarbij wordt in de parkeernorm onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen. Het projectgebied ligt volgens de beleidsregel in het landelijk gebied. Daarbij horen hogere parkeernormen dan bebouwde kom. Echter, gezien de aard van het gebied en de ligging, direct aansluitend aan woongebieden, is het reëel om de parkeernormen voor kern aan te houden. Afwijking van de parkeernormen voor het landelijk gebied is dan ook op basis van onderstaande argumenten door de gemeente Wijdemeren akkoord bevonden:
43/73
Hoewel het kasteel net buiten de komgrens van de kern Nederhorst den Berg ligt, is er geen sprake van een landelijke ligging. De kern Nederhorst den Berg bestaat uit bebouwing aan weerszijden van de Overmeerseweg. Aan de noordzijde ligt de bebouwing aan de westzijde van de weg. Aan de zuidzijde aan de oostzijde van deze weg. Het plangebied ligt precies tussen deze twee gebieden in en heeft daardoor juist een centrale ligging binnen de kern. Het is dus niet reëel te veronderstellen dat de toekomstige bewoners een ander autobezit zullen hebben dan de bestaande bewoners. Bij een wijziging van het plangebied naar woongebied ligt het voor de hand om ook hier de parkeernormen voor de bebouwde kom aan te houden. De bereikbaarheid van de locatie per openbaar vervoer is niet anders dan de bereikbaarheid binnen de kern. De dichtsbijgelegen openbaar vervoerhalte ligt aan de Overmeerseweg op circa 200 m van het plangebied. Daarmee is de bereikbaarheid zelfs beter dan sommige delen van de bebouwde kom. De transformatie van het kasteel biedt kansen voor doorstroming. Er worden onder andere woningen gerealiseerd die zich richten op één- en tweepersoons huishoudens. Met name in het kasteel zal sprake zijn van kleinere eenheden omdat een monumentaal gebouw ruimtelijke beperkingen met zich meebrengt.
Verder is het de ambitie van Stadsherstel om (gedeeltelijk) betaalbare woningen aan te bieden in het gebied. De parkeernormen die nu gelden sluiten echter niet aan op deze doelgroepen. Conform het vigerende bestemmingsplan is de functie kantoren (zonder baliefunctie) toegestaan. Uitgaande van het parkeernormenbeleid (2,8 pp per 100 bvo) en de maximale oppervlakte (3.650 bvo) zou de parkeerbehoefte bij maximale invulling van het vigerende plan 103 pp bedragen. Per saldo leidt de ontwikkeling daarom alleen maar tot een afname van de parkeerbehoefte. Het realiseren van parkeerplaatsen conform de parkeernorm in gebiedsype landelijk gebied is niet alleen irreëel vanuit de interpretatie van de doelstelling van het beleid, het leidt ook tot een aanzienlijke aantasting van de monumentale waarden van het landgoed. Er moet immers een groot parkeerterrein gerealiseerd worden dat waarschijnlijk amper gebruikt gaat worden.
Het plan voorziet in de realisatie van 35 woningen van verschillende woningtypes. De Beleidsregel parkeernormen geeft in de bebouwde kom voor de categorie appartement etage sociale huur een parkeernorm van 1,0 per woning. Voor huurappartementen in niet sociale huurklasse zijn geen parkeernormen opgenomen. Uitgegaan wordt van de norm appartement etage koop. Deze norm bedraagt 1,3 parkeerplaatsen per woning. Voor tussen/hoekwoning in een rij bedraagt de parkeernorm 1,4 per woning. Voor de semi-openbare bijeenkomsten functie is uitgegaan van de categorie theater/filmhuis (klein). Deze parkeernorm bedraagt 4,3 per 100m2 bvo.
44/73
De totale parkeerbehoefte is in onderstaande tabel weergegeven. Functie
Aantal / opp Norm bvo
Benodigde parkeerplaatsen
Woningen Appartement
etage sociale huur
7
1
7
Appartement etage koop
8
1,3
10,4
Tussen/hoekwoning in een rij
17
1,4
23,8
subtotaal
41,2
Voorzieningen theater/filmhuis (klein)
100
4,3
4,3
subtotaal
4,3
Totaal
45,5
Parkeeraanbod Binnen het projectgebied zijn reeds parkeerplaatsen aanwezig. Er worden in het nieuwe plan voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen en de parkeereis van tenminste 46 parkeerplaatsen. De parkeervoorzieningen worden ingepast volgens het streefbeeld restauratie en revitalisatie tuin- en parkaanleg Kasteel De Nederhorst (zie ook paragraaf 2.2). Conclusie De ontsluiting van het projectgebied is goed. De verkeerstoename ten behoeve van de ontwikkeling leidt niet tot knelpunten op het omliggende wegennet. Er is is op eigen terrein voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de berekende parkeerbehoefte op basis van de gemeentelijke parkeernormen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
4.5
Geluid
Toetsingskader Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien een nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau. Als de Wgh van toepassing is dan dient een nieuwe geluidgevoelige functie te voldoen aan bepaalde wettelijke normen. Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk (65 dB voor binnenstedelijke wegen en 53 voor een buitenstedelijke autoweg). De geluidwaarde binnen de geluidgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB(A). Bovendien zal voor de betreffende geluidgevoelige functie ten minste altijd één geluidluwe gevel aanwezig moeten zijn, terwijl er gestreefd wordt het aantal "dove gevels" per woning tot maximaal één te beperken.
45/73
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wgh geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Onderzoek en conclusie Ten behoeve van de ontwikkeling is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. De ontwikkeling ligt binnen de geluidzone van de Nieuwe Overmeerseweg, de Overmeerseweg (parallelweg) en het gedeelte van de Slotlaan met een snelheidsregime van 50 km/uur. Voor voornoemd gedeelte van de Slotlaan geldt echter dat deze weg doodlopend is richting Kasteel Nederhorst, richting de begraafplaats en richting de woningen aan de Slotlaan nummers 5 tot en met 13. Derhalve is deze weg niet in het akoestisch onderzoek meegenomen. Voor de zowel de Nieuwe Overmeerseweg als de Overmeerseweg (parallelweg) geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de woningen overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde.
Aangezien geen sprake is van een procedure hogere waarde, wordt voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.
4.6
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per
46/73
jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.
In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek en conclusie Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in de nabije omgeving van het projectgebied geen risicovolle bronnen gelegen.
In de nabijheid van het projectgebied worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd over het spoor, de weg of door buisleidingen met een externe werking. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Kabels en leidingen
Toetsingskader Planologische relevantie Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een (bestemmings)plan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour, kunnen planologisch relevant zijn. Als planologisch relevante leidingen worden aangemerkt (buis)leidingen voor het transport van: elektriciteit met een hoogspanning van meer dan 50 kV;
47/73
brandbare gassen met een druk van 20 bar en hoger; brandbare vloeistoffen of giftige stoffen met een diameter van 4" en hoger; buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter. Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd. Grondroeringsregeling De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olieen gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Toetsing en conclusie Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.8
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevondeonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimen. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuz nsie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. Onderzoek Ter plaatse van het projectgebied is in het koetshuis een geluidsstudio aanwezig.
Het betreft een bedrijfsactiviteit uit milieucategorie 2 (SBI 591, 592, 601, 602) met een richtafstand van 30 m ten opzichte van een rustige woonwijk op basis van het maatgevende aspect geluid. In de praktijk betreft het een kleinschalige geluidsstudio (1 werknemer) die volledig is geïsoleerd. Toekomstige woningen zullen naar verwachting geen overlast ondervinden. Daarnaast wordt de geluidsstudio niet in de bedijfsvoering beperkt.
48/73
Op het kasteel en het landgoed vinden incidenteel evenementen plaats. Het gaat om zogenoemde A-evenementen conform het Evenementenbeleid 2019-2022 van de gemeente Wijdemeren. Dergelijke evenementen hebben naar hun aard en omvang weinig impact op de omgeving en er is weinig tot geen geluidsoverlast. Het kortdurend en incidenteel gebruik ten behoeve van dergelijke elementen heeft daarom geen structurele invloed op de woonkwaliteit. Evenementen dragen bij aan een aantrekkelijke woonomgeving op deze bijzondere plek. Ingevolge de Beleidsregel Evenementen van de gemeente Wijdemeren wordt per evenement bezien of sprake is van een meldingsplichtig of vergunning- en meldingsvrij evenement. Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het incidenteel houden van evenementen heeft geen structurele impact op de woonomgeving en draagt hier juist positief aan bij. Ter plaatse van het projectgebied is daarom sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijfen milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Archeologie
Toetsingskader Erfgoedwet De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Gemeentelijk archeologiebeleid In 2011 is het archeologiebeleid voor de gemeente Wijdemeren vastgesteld. Dit beleid geeft, zowel voor de burger als voor de gemeentelijke organisatie, meer helderheid over hoe de gemeente omgaat met de zorg voor het archeologische erfgoed binnen het grondgebied van Wijdemeren. Het beleid bestaat uit een notitie en een kaart met
49/73
toelichting. Voor een juiste regeling van de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen is in het kader van deze nota een inventarisatie van het gemeentelijk bodemarchief uitgevoerd. Daarbij is onderzocht welke archeologische waarden reeds bekend zijn en welke waarden verwacht kunnen worden. Op basis hiervan is de gemeente verdeeld in verschillende archeologiegebieden, elk met een eigen vrijstellingsgrens die aangeeft wanneer de initiatiefnemer is vrijgesteld van de archeologische onderzoeksplicht. Bij het vaststellen van de vrijstellingsgrens is rekening gehouden met de aard van het bodemarchief. De verschillende vrijstellingsgrenzen zijn weergegeven op de Archeologische Beleidskaart, zodat voor een ieder in één oogopslag duidelijk is aan welke archeologische voorwaarden moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen. De toegepaste archeologieregimes zijn: Categorie
Rekening houden met archeologie bij
Eerste
alle grondroerende werkzaamheden, hieronder valt ook het rijksmonument omdat bij grondingrepen bij het rijk een monumentenvergunning moet worden aangevraagd.
Tweede
plannen van 50 m2 en groter en grondroerende maaiveld.
Derde
plannen van 100 m2 en groter en grondroerende werkzaamheden dieper dan 35 cm beneden maaiveld.
Vierde
plannen van 500 m2 en groter en grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm beneden maaiveld.
Vijfde
plannen van 2500 m2 en groter en grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm beneden maaiveld.
Zesde
Geen regime
werkzaamheden dieper dan 35 cm beneden
Zoals op figuur 4.5 te zien is geldt voor het kasteel geen vrijstellingsgrens bij grondroerende werkzaamheden. Voor de bijgebouwen geldt een vrijstellingsgrens voor plannen kleiner dan 100 m2 en dieper dan 35 cm.
50/73
Figuur 4.5 Uitsnede archeologische beleidskaart Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling betreft hoofdzakelijk inpandige verbouwingen. Ter plaatse van het kasteel vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats. Op de locatie van de bijgebouwen vinden eveneens inpandige werkzaamheden plaats. Wel wordt er bebouwing gesloopt en op de locatie achter de studio nieuwe bebouwing toegevoegd. Ten behoeve van deze werkzaamheden is mogelijk archeologisch onderzoek noodzakelijk. Omdat de exacte bouwplannen nog niet zijn uitgewerkt zal dit als voorwaarde bij de omgevingsvergunning voor het bouwen worden opgenomen. Alsdan kan ook gericht archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
51/73
4.10 Cultuurhistorie Toetsingskader Besluit ruimtelijke ordening Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen het aspect cultuurhistorie expliciet moeten meewegen. Het besluit regelt dat de effecten van een initiatief op cultuurhistorische waarden in een gebied inzichtelijk worden gemaakt en ruimtelijk worden afgewogen. Eventuele waarden kunnen, door middel van specifieke regels, worden vastgelegd in het plan. Provinciale ruimtelijke verordening Voor het proiectgebied is relevant dat de ontwikkeling gelegen is in landelijk gebied. Artikel 15 PRV is daarom van toepassing. Artikel 15 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied 1. Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 2. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied, indien gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie a. rekening wordt gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble, en; de ambities en ontwikkelprincipes van de toepasselijke provinciale structuren, en; b.
hierbij wordt betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes, en; de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble, en; de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van de toepasselijke provinciale structuren. 3. De toelichting van een bestemmingsplan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid. 4. Gedeputeerde Staten kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) om advies vragen over ontwikkelingen die een grote impact kunnen hebben op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden of indien wordt afgeweken van de ontwikkelprincipes als bedoeld in het tweede lid onder a. Het projectgebied ligt tevens binnen UNESCO Werelderfgoed Nieuwe Hollandse Waterlinie. Artikel 22 van de PRV geeft de volgende regels voor ontwikkelingen binnen UNESCO Erfoederen. Artikel 22 Ontwikkelingen binnen UNESCO-erfgoederen 1. Een bestemmingsplan mag uitsluitend voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies binnen de gebieden als bedoeld in artikel 20 voor zover deze de kernkwaliteiten van de erfgoederen met uitzonderlijke universele waarde behouden of versterken, als bedoeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zoals genoemd in artikel 15 en in bijlage 1 bij deze verordening. 2.
In aanvulling op het gestelde in het eerste lid bevat het bestemmingsplan geen bestemmingen en regels die voorzien in:
52/73
a. een grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocatie of glastuinbouwlocatie dan wel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject; b. een project dat, of een activiteit die de uitgewerkte Uitzonderlijke Universele waarden van het Unesco-erfgoed van uitzonderlijke universele waarden “De Beemster”, “De Stelling van Amsterdam” of de “Nieuwe Hollandse Waterlinie”, aantast of doet verdwijnen. 3. Artikel 5a, artikel 5c en artikel 15 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kan een bestemmingsplan hierin wel voorzien indien: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op het behoud of de versterking van de uitgewerkte kernkwaliteiten te mitigeren of te compenseren; c. het bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 5a of artikel 5c; d. het bestemmingsplan in overeenstemming is met de kwaliteitseisen zoals opgenomen in artikel 15 van deze verordening en; e. er geen reële andere mogelijkheden zijn. 5. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het vierde lid plaatsheeft. Artikel 22 bevat een motiveringsplicht ten aanzien van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.
In lid 1 van dit artikel is opgenomen dat een ontwikkeling uitsluitend mag voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies binnen de gebieden als bedoeld in artikel 20 voor zover deze de kernkwaliteiten van de erfgoederen met uitzonderlijke universele waarde behouden of versterken. In lid 2 is aanvullend onder andere bepaald dat grootschalige stads- of dorpsuitbreidingen in beginsel niet zijn toegestaan. In lid 4 is bepaald dat hiervan kan worden afgeweken indien er sprake is van een groot openbaar belang en er voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op het behoud of de versterking van de uitgewerkte kernkwaliteiten te mitigeren of te compenseren. Daarbij dient het plan tevens te voldoen aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 15. Onderzoek Monumenten De buitenplaats kasteel Nederhorst is aangewezen als rijksmonument (monumentnummer 520084). Kasteel Het kasteel stamt uit de eerste helft van de 17de eeuw, waarvan een deel van het muurwerk aan de westzijde herinnert aan de 16de-eeuwse woontoren (ander steenformaat) en een classicistische ingangspartij die in 1973 werd voltooid.
Het op vierkante grondslag opgetrokken huis bestaat uit een onderhuis, gelegen boven het waterniveau, en twee verdiepingen onder een met leien -alleen voorzijde- en pannen gedekt omgaand schilddak met kleine dakruiters; op de hoeken staan zeskantige torens bekroond door leien gedekte spitsen met windvaatjes. Het kasteel is volgens de beschrijving bij het rijksmonument van algemeen belang vanwege: de ouderdom; het hoofdgebouw dat een voorbeeld is van een 17de-eeuws huis met een kasteelachtig aanzien gebaseerd op de traditionele bouwwijze, die de gehechtheid aan het verleden uitdrukt; de representatieve 18de-eeuwse classicistische ingangspartij; de oorspronkelijke plattegrond en interieuronderdelen;
53/73
de kenmerkende ligging binnen de historische tuin- en parkaanleg; de functioneel-ruimtelijke relatie met de andere onderdelen van de buitenplaats.
Koetshuis Het koetshuis is een 18de-eeuws complex, dat in het begin van de 20ste eeuw met twee vleugels aan weerszijden, haaks op het bouwlichaam, is uitgebreid. Het op U-vormige grondslag opgetrokken bakstenen pand bestaat uit één bouwlaag onder een met pannen gedekt zadeldak; de vleugels die naar achteren toe uitspringen worden beëindigd door een topgevel. Het pand is in 1961 gerestaureerd en inpandig geheel vernieuwd Het koetshuis is volgens de beschrijving bij het rijksmonument van algemeen belang vanwege: de ouderdom; de bouwmassa en plaats aan het voorplein; de karakteristiek en functioneel onderdeel van de buitenplaats; de functioneel-ruimtelijke relatie met de andere onderdelen van de buitenplaats. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de waarden van het uiterlijk van het rijksmonument aangezien de werkzaamheden inpandig worden uitgevoerd. Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen zal door initiatiefnemer tevens een aanvraag om monumentenvergunning worden gevraagd.
Toetsing artikel 15 en 22 PRV Aan de hand van provinciale regels is de ontwikkeling Kasteel Nederhorst getoetst aan: de ambities en ontwikkelprincipes van de Leidraad Cultuurhistorie (artikel 15 en 22 lid 1 PRV); De mogelijkheid om te mogen afwijken van de regels voor UNESCO door de realisatie van een dorpsontwikkellocatie buiten de bestaande gebieden (artikel 22 lid 2 juncto lid 4 PRV). Toetsing Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (artikel 15 en artikel 22 lid 1 PRV) In de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is Noord-Holland onderverdeeld in 20 gebieden, de zogenaamde ensembles, en 10 provinciale structuren, zoals de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Stelling van Amsterdam en (agrarische) erven. Elk ensemble en elke structuur biedt een beschrijving van de ontstaansgeschiedenis, van de dynamiek en van de belangrijkste drie kernwaarden: landschappelijke karakteristiek, openheid en ruimtebeleving, en ruimtelijke dragers. Bij het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied moet rekening worden gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes die staan beschreven bij de afzonderlijke ensembles en structuren. Ensemble Vechtstreek Het projectgebied ligt binnen het ensemble Vechtstreek.
In het veenrivierenlandschap in het westen van het ensemble zijn kronkelige riviertjes met uitwaaierende verkavelingen karakteristiek, in het veenpolderlandschap in het oosten zijn de ontginningslinten en de langgerekte verkavelingspatronen kenmerkend. Veel veenpolders zijn voor turfwinning vergraven tot veenplassen. Het gebied is een belangrijk natuur- en recreatiegebied voor de Metropoolregio Amsterdam (MRA). De Diemerscheg vormt een van de scheggen van Amsterdam. In het noorden hebben de snelwegen A1 en A6 grote invloed op het landschap. Het westelijk deel van het ensemble wordt doorsneden door het Amsterdam-Rijnkanaal. De Stelling van Amsterdam valt in de Vechtstreek samen met de Oude en Nieuwe Hollandse Waterlinie.
54/73
De Vechtstreek bestaat uit een veenlandschap met veenrivieren en veenpolders. Het veenrivierenlandschap in het westen heeft uitwaaierende verkavelingen (met de oeverwal van de kronkelige rivier als basis), het veenpolderlandschap in het oosten heeft meer langgerekte, evenwijdige verkavelingen met lintbebouwing. Het onderscheid tussen beide landschapstypen is niet heel erg groot. Voor het ensemble Vechtstreek is de volgende voor het projectgebied relevante ambitie en de bijbehorende ontwikkelprincipes het vertrekpunt bij het streven naar ruimtelijke kwaliteit: In de Vechtstreek blijft openheid van het militair strategische landschap ervaarbaar; Per ambitie zijn verschillende ontwikkelprincipes opgesteld. De beoogde ontwikkeling van Kasteel Nederhorst getoetst aan de relevante principes en ambities. Het projectgebied ligt in de structuur van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze structuur bestaat uit een militaire verdedigingsgordel uit de laat-19e, vroeg-20e eeuw. De verdediging werd uniek vormgegeven, met gebruikmaking van de karakteristieken van het omringende landschap en door het onder water zetten (inundatie) van land. Dit is de reden dat de linie is opgenomen in de Werelderfgoedlijst van UNESCO. De waterlinie is van groter belang dan enkel als krijgskundig monument.
Ze brengt ook op markante wijze landschappelijke samenhang tot expressie en zijn daarmee een verrijking van het cultuurlandschap. De herontwikkeling van het kasteel leidt niet tot aantasting van het militair strategische landschap van de Nieuwe Hollandse Waterlinie omdat de bebouwing grotendeels gehandhaafd blijft. De beperkte nieuwe bebouwing vindt plaats nabij het koetshuis en past binnen het ensemble. Daarnaast is op het terrein ook geen sprake van de karakteristieke openheid vanwege de aanwezige landschapstuin. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het project.
4.11 Ecologie Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
55/73
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Holland In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.
Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Onderzoek Soortenbescherming Om de ecologische gevolgen op het gebied van soortenbescherming voor de ontwikkeling in beeld te krijgen is een quickscan uitgevoerd (bijlage 1). Hieruit blijkt dat vervolgonderzoek benodigd is. Uit het vervolgonderzoek (bijlage 2) blijkt het volgende.
56/73
Vleermuizen Gewone- en ruige dwergvleermuis komen beide in relatie tot het Kasteel Nederhorst, koetshuis en bijgebouwen voor. Van gewone dwergvleermuis werd een kraamverblijf en werden paarterritoria vastgesteld Van ruige dwergvleermuis werden twee paarverblijven geconstateerd achter de luiken van het kasteel. De Laatvlieger komt voor als foeragerende gast en heeft geen relatie met de gebouwen. Gewone grootoor en watervleermuis werden sporadisch met grote mate van onzekerheid waargenomen maar hebben geen relatie met de gebouwen. Overige soorten Huismus, gierzwaluw en overige beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Conclusie Bij de werkzaamheden aan Kasteel Nederhorst vindt geen vernietiging van verblijfplaatsen plaats maar kan verstoring optreden. Hiervoor dienen mitigerende maatregelen te worden genomen. Door sloop en bouwwerkzaamheden van de bijgebouwen rond het koetshuis zullen er twee paarterritoria en een zomer/winterverblijf van gewone dwergvleermuis verdwijnen. Hiervoor is zowel mitigatie als compensatie noodzakelijk. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk. Voor het aanvragen van ontheffing zal een actieplan worden worden opgesteld waarin de mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Gebiedsbescherming Het projectgebied is geen onderdeel van Natura 2000. Wel is het onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4.6).
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Oostelijke Vechtplassen, ligt op circa 378 meter en is stikstofgevoelig.
Figuur 4.6 Ligging projectgebied t.o.v. beschermde natuurgebieden. (Bron: Provincie Noord-Holland)
57/73
Vanwege de aard van de ontwikkeling zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering en verandering van de waterhuishouding op voorhand uitgesloten. Ook verstoring is niet te verwachten. Vermesting en/of verzuring als gevolg van stikstofdepositie kunnen echter op voorhand niet uit worden gesloten. Dit gezien de verkeersaantrekkende werking van de beoogde functie. Conform het vigerende bestemmingsplan is de functie kantoren (zonder baliefunctie) toegestaan. Met het mogelijk maken van 35 woningen wordt een verkeerstoename verwacht. Conform de CROW-normen voor een 'weinig stedelijk gebied' in 'rest bebouwde kom' geldt voor de huidige 2.200 m² kantoor (zonder balie functie) een verkeersgeneratie van 192,5 mvt/etmaal voor een gemiddelde weekdag. Zoals beschreven in de verkeersparagraaf geldt voor de beoogde situatie een verkeersgeneratie van 209 mvt/etmaal. Hierbij wordt uitgegaan dat het verkeer de locatie via het noorden (Juliana-Bernhardplein) aandoet. Op het moment dat het verkeer de Slotlaan verlaat kan gezien het beperkte aantal motorvoertuigen en de ontsluitende functies van de omliggende wegen worden uitgegaan dat het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Voor een verdere toelichting van de uitgangspunten voor de berekening zie de memo in bijlage 3. Met deze uitgangspunten is in Aerius calculator een berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase.
Op basis van een verschilberekening is er in de gebruiksfase geen sprake van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Een significant negatief effect op Natura 2000 is derhalve uitgesloten. Op basis van de Logtsebaan-uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2021:71) is een vergunning in kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Dit omdat met een (verschil)berekening aangetoond is dat er geen sprake zal zijn van significant negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. De berekening met Aerius is opgenomen in bijlage 4. Conclusie Ten behoeve van het aspect soortenbescherming is ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist. Indien de ontheffing verleend wordt vormt de Wet Natuurbescherming geen belemmering voor de haalbaarheid van de ontwikkeling.
58/73
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De initiatiefnemer heeft ter onderbouwing van de economische uitvoerbaarheid een exploitatieopzet gemaakt. In deze exploitatieopzet is rekening gehouden met de te verwachte kosten, zoals onderzoekskosten, plankosten, de benodigde grond- en sloopwerken voor bouw- en woonrijpmaken, tegemoetkoming in planschade, aanleg van groenvoorzieningen, infrastructuur en water en de bouwkosten. De opbrengsten betreffen de uitgifte van de gronden (woonkavels). Deze exploitatieopzet is sluitend. De ontwikkeling is hiermee economisch uitvoerbaar Kostenverhaal De omgevingsvergunning waarvoor deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld, leidt tot de planologische mogelijkheid om nieuwe woningen te bouwen. Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening betekent dit dat de gemeente verplicht is een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal van de door de gemeente te maken kosten anderszins is voorzien.
Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien tussen de grondeigenaar en de gemeente een zogenoemde anterieure overeenkomst wordt afgesloten. Dit heeft volgens de wetgever ook de voorkeur. Voor deze paragraaf is ervan uitgegaan dat een dergelijke overeenkomst wordt afgesloten. Het opstellen van een exploitatieplan is daarmee niet nodig. In deze overeenkomst wordt ingegaan op het kostenverhaal (plankosten) en de verantwoordelijkheid voor de afhandeling van eventuele planschadeclaims. Deze overeenkomst wordt getekend voordat de omgevingsvergunning wordt verleend.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Wettelijk vooroverleg Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht juncto artikel 5.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de ruimtelijke onderbouwing toegezonden aan de overlegpartners van de gemeente Wijdermeren met het verzoek om, onder verwijzing naar artikel 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken te reageren. De ingekomen reacties en de beantwoording hiervan worden hierna weergegeven. 1. Brandweer Samenvatting De brandweer heeft geen op- of aanmerkingen over de ruimtelijke onderbouwing van het plangebied en onderschrijft de verantwoording van het groepsrisico inclusief de conclusie.
59/73
Reactie De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen. 2. TenneT Samenvatting Binnen de grenzen van dit plan heeft TenneT (na een eerste beoordeling) noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer TenneT heeft dan ook geen opmerkingen op genoemd plan en wensen u veel succes bij de verdere uitwerking hiervan. Reactie De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen. 3. Gasunie Samenvatting Gasunie heeft hier geen leidingen en daarmee geen opmerkingen voor dit plan. Reactie De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen. 4. Rijkswaterstaat Samenvatting Geen opmerkingen. Reactie De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen. 5. OFGV Samenvatting 1. Na te gaan in hoeverre het de bedoeling is dat op het terrein nog evenementen plaatsvinden, in hoeverre de geluidstudio in het koetshuis gevestigd blijft en indien deze activiteiten doorgang vinden te (laten) onderzoeken in hoeverre er voor wat betreft geluid sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 2. De berekening voor het onderzoek naar de stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden te laten actualiseren. Reactie 1. Op het kasteel en het landgoed vinden incidenteel evenementen plaats. Het gaat om zogenoemde A-evenementen conform het Evenementenbeleid 2019-2022 van de gemeente Wijdemeren.
Dergelijke evenementen hebben naar hun aard en omvang weinig impact op de omgeving en er is weinig tot geen geluidsoverlast. Het kortdurend en incidenteel gebruik ten behoeve van dergelijke elementen heeft daarom geen structurele invloed op de woonkwaliteit. Evenementen dragen bij aan een aantrekkelijke woonomgeving op deze bijzondere plek. Ingevolge de Beleidsregel Evenementen van de gemeente Wijdemeren wordt per evenement bezien of sprake is van een meldingsplichtig of verguning- en meldingsvrij evenement. Voor wat betreft de geluidsstudio geldt het volgende. In de praktijk betreft het een kleinschalige geluidsstudio (1 werknemer) die
60/73
volledig is geïsoleerd. Toekomstige woningen zullen naar verwachting geen overlast ondervinden. Daarnaast wordt de geluidsstudio niet in de bedijfsvoering beperkt. Bovengenoemde aspecten zijn toegevoegd aan de paragraaf 'Bedrijven en milieuzonering'. 2. De stikstofberekening en de onderbouwing is geactualiseerd. 6. Provincie Noord-Holland Samenvatting De provincie laat weten geen opmerkingen te hebben. Reactie De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen. Procedure Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan wordt de uitgebreide procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgd. De procedure hiervoor is opgenomen in artikel 2.12 eerste lid sub a onder 3 van de Wabo. Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag moet het college van burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen van de vergunning. Tijdens deze periode moet de aanvraag zes weken ter visie worden gelegd, waarbij de mogelijkheid aan een ieder wordt geboden voor het indienen van zienswijzen. Na de bekendmaking van het besluit kan door belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend beroep worden ingesteld.
61/73
62/73
Hoofdstuk 6
Conclusie
De Professionele Monumenten Organisatie Stadsherstel NV is voornemens kasteel Nederhorst en de bijbehorende gebouwen te herontwikkelen. Deze ontwikkeling is in lijn met de ambities van de gemeente om meer woningen mogelijk te willen maken om de kernen leefbaar te houden. De ontwikkeling voldoet ook aan de rijks- en provinciale beleidskaders. De herontwikkeling voorziet in de behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente Wijdemeren en zorgt daarmee niet voor aantasting van de karakteristieke cultuurhistorische landschapswaarden. Ook zorgen de omgevingsaspecten zoals onderzocht in hoofdstuk 4 niet voor belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Het initiatief voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.
63/73
BIJLAGEN
Bijlage 1 Quickscan ecologie
65/73
QUICKSCAN KASTEEL NEDERHORST
Maart 2020
Onderzoek naar beschermde flora en fauna Wet natuurbescherming 2017
35
QUICKSCAN Kasteel Nederhorst
QUICKSCAN Kasteel Nederhorst Onderzoek naar beschermde flora en fauna Wet natuurbescherming 2017
Opgesteld door: N.Daemen bc. ecoloog
In opdracht van: Ruth van der Puijl, projectleider restauratie en planontwikkeling Stadsherstel Amsterdam N.V. Amstelveld 10 1017JD Amsterdam © Maart 2020
1
QUICKSCAN Kasteel Nederhorst
Inhoudsopgave INLEIDING ................................................................................................... 3 1.1 Algemeen ........................................................................................... 3 1.2 Werkwijze ........................................................................................... 3 LIGGING EN BEGRENZING ............................................................................ 4 2.1 Plangebied............................................................................................. 4 2.2 Ligging t.o.v. beschermde natuurgebieden ................................................. 5 INVENTARISATIE RESULTATEN .................................................................... 6 3.1 Biotopen ............................................................................................... 6 3.2 Soorten ................................................................................................ 10 NDFF en waarnemingen ............................................................................. 10 Andere informatie ..................................................................................... 10 Aangetroffen soorten .................................................................................11 WETGEVING ...............................................................................................
13 4.1 Soortenbescherming ..............................................................................13 4.2 Gebiedsbescherming .............................................................................. 15 HUIDIG GEBRUIK EN VOORGENOMEN ACTIVITEITEN IN HET PLANGEBIED 16 5.1 Huidig gebruik en beheer ........................................................................ 16 5.2 Voorgenomen activiteiten en planning ...................................................... 16 TOETSING VAN DE ACTIVITEITEN .............................................................. 17 6.1 Effecten op soorten ................................................................................ 17 6.2 Effecten op Natura-2000 gebied, PAS en NNN ............................................ 18 6.3 Zorgplicht, mitigerende en compenserende maatregelen ............................. 19 CONCLUSIE EN AANBEVELING .................................................................... 20 GERAADPLEEGDE BRONNEN ....................................................................... 21 Literatuur ................................................................................................ 21 Internet ...................................................................................................
21 Foto’s en kaarten ......................................................................................21 BIJLAGEN ................................................................................................... 22 Overzicht NDFF quickscanhulp ...................................................................... 22 Bijlage soorten waarvoor in provincie Noord-Holland een vrijstelling geldt. .......... 25 Bijlage Effectenindicator soorten ................................................................... 26 Bijlage Maatregelenindicator soorten ............................................................. 31 Bijlage kaart stikstofgevoelige vegetatie ......................................................... 33 Colofon ..................................................................................................... 34
QUICKSCAN Kasteel Nederhorst
Inleiding 1.1
Algemeen
Stadsherstel Amsterdam N.V. heeft als doel het bewaren van gebouwd erfgoed voor volgende generaties. Kasteel de Nederhorst te Nederhorst ten Berg is een rijksmonument dat al enige tijd leeg staat. Stadsherstel Amsterdam NV ontwikkelt een plan voor appartementen in het kasteel en de bijgebouwen. Voor deze hoofdzakelijk inpandige woningen is een bestemmingsplanwijziging nodig en voor een deel een sloopvergunning. Aan Arda advies voor natuur, cultuurhistorie en recreatie is gevraagd een quickscan Nb-wet 2017 op te stellen t.b.v. van deze bestemmingsplanwijziging en vergunning. De quickscan geeft antwoord op de volgende vragen: - zijn er beschermde soorten in het plangebied/gebouw aanwezig? Zo ja; - is de restauratie en voorgenomen inrichting van invloed op beschermde soorten of op beschermde gebieden? En zo ja; - welke maatregelen zijn vervolgens nodig?
1.2
Werkwijze
Voor het opstellen van de quickscan is de volgende werkwijze gevolgd: a. Locatiebezoek met onderzoek naar flora en fauna; Op 20 februari 2020 vond een locatiebezoek plaats bij half bewolkt weer naar regenbui en temperatuur van 7°C en wind 3 á 4 Bf. zuidwest. Tijdens het veldbezoek zijn de gebouwen rondom en deels in de gebouwen geïnspecteerd. Er werd gelet op biotopen, vegetatie en diersoorten of sporen van dieren. De gebouwen werden van buiten en binnen geïnspecteerd op voorkomen of geschiktheid voor vogels, vleermuizen en andere overwinterende soorten. Een locatiebezoek is een momentopname. De tijd van het jaar en de weersomstandigheden zijn bepalend voor het aantreffen van organismen. Onder minder gunstige omstandigheden is op basis van “expert judgement” een indruk verkregen. b. Bureau onderzoek Literatuur onderzoek, naslagwerk en internetsites zijn de belangrijkste bronnen van de kantoorstudie. Waar bruikbaar zijn tekstonderdelen onder verwijzing in het rapport opgenomen. Via de “quickscanhulp” Natuurloket werd een soortlijst uit de Nationale databank flora en fauna (NDFF) opgevraagd. c. Rapportage De gevonden informatie werd gebundeld en geanalyseerd om vervolgens te worden getoetst aan de Wet natuurbescherming 2017.
3
QUICKSCAN Kasteel Nederhorst
Ligging en begrenzing 2.1 Plangebied Het plangebied/perceel ligt in de gemeente Wijdemeren Slotlaan 4 Nederhorst den Berg bekend onder kadastraalnummer 1715 en Amersfoortcoördinaten 131447/474873. Het plangebied is het rode vlakje op de kaart. De totale oppervlakte van de kavel bedraagt ±6650M2. Het plangebied omvat het kasteel, koetshuis en aanliggende gebouwen. Rondom het kasteel ligt een gracht en daarbuiten het landgoed met lanen. Verharding bestaat hoofdzakelijk uit grind en zandpaden. Kaart en luchtfoto (Bron: Open topokaart Pdokservice)
Het kasteel is toegankelijk vanaf een hoofdentree aan de Slotlaan met een monumentale poort die doorgaans gesloten is. Noordelijk ligt de JulianaBernhardplein van waaruit een ontsluiting ligt die eindigt op een ruime parkleerplaats. Het kasteel heeft vier torens gedekt met leien. Het vierkant heeft een plat dak belegd met bitumen. De zijwanden van het dak zijn met pannen gedekt Het koetshuis is uit baksteen opgetrokken met pannen gedekte daken. De overige gebouwen zijn van hout met bitumen belegde daken.
QUICKSCAN Kasteel Nederhorst
2.2 Ligging t.o.v. beschermde natuurgebieden
Het plangebied ligt hemelsbreed op 550m. van het dichtstbijzijnde Natura-2000gebied Oostelijke Vechtplassen en 8km. Natura-2000gebied Botshol.
Kaarten (Bron: Open topokaart Pdok-service)
Het plangebied is als landgoed opgenomen in het Natuur Netwerk Nederland (NNN).
Bron: https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp
5
QUICKSCAN Kasteel Nederhorst
Inventarisatie resultaten 3.1 Biotopen De quickscan betreft merendeels een interne verbouwing van de aanwezige panden en sloop van delen van de bijgebouwen. De inventarisatie is daarom vooral gericht op de binnenzijde van het kasteel. De te slopen gebouwen werden aan de buitenzijde bekeken. Het biotoop gebouw is in twee delen gesplitst in binnenzijde en buitenzijde. Het kasteel binnenzijde In de meeste ruimtes van het kasteel zullen verbouwingen plaatsvinden. Alle vertrekken werden daarom bekeken. In het bijzonder werden ook ruimtes bezocht die moeilijk toegankelijk zijn zoals de torenspitsen, de ruimte onder het platte dak en kelderruimten. Het kasteel is gedurende winterperiode verwarmd ter voorkoming van bevriezing van waterleidingen en verwarmingen. De binnentemperatuur in alle vertrekken wordt tussen de 10°C en 15°C gehouden met uitzondering van de torenspitsen en de ruimte onder het platte dak. Het kasteel is goed afgesloten van de buitenwereld waardoor het voor organismen nauwelijks mogelijk is om binnen te komen. Uitzondering hierop vormden de vier torenspitsen en een kleine kelderruimte onder entree van het kasteel. De ruimte onder het platte dak bleek ook hermetisch afgesloten van de buitenwereld.