Bijlage 1 - Re-integratieverordening 2023
Tekst van het document
Verordening Re-integratie, Loonkostensubsidie en Studietoeslag Wijdemeren 2023 De raad van de gemeente Wijdemeren Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 mei 2023 Gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e en tweede lid en 10b, zevende lid, van de Participatiewet; BESLUIT: 1. De verordening “Verordening Re-integratie, loonkostensubsidie en studietoeslag Wijdemeren 2023” vast te stellen per 1 juli 2023. 2. De verordening, “ Re-integratie, loonkostensubsidie en studietoeslag 2015” per 1 juli 2023 in te trekken. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: 1. wet: Participatiewet; 2. doelgroep: een persoon behoort tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7,
eerste lid, onderdeel a van de wet, 3. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet
mogelijk binnen één jaar; 4. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs
mogelijk binnen één jaar; 5. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de
werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; 6. jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan
personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden werk; 7. overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f,
van de wet; 8. persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste
en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; 9. voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op
arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; 10. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft
om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie
11. werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de
werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstverband is aangegaan, dan wel van plan is; 12. maatwerk in re-integratie: werkwijze die de inzet van voorzieningen en personeel
baseert op de persoonlijke omstandigheden en potentie van de bijstandsgerechtigde voor zover dit naar verwachting niet leidt tot overschrijding van het participatiebudget, ook als dit buiten de gestelde kaders voor de inzet van voorzieningen gebeurt. 13. loonwaarde: vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door
een persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. 14. mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt
geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. 15. uitkeringsgerechtigde: persoon die algemene bijstand op grond van de Wet ontvangt,
dan wel een uitkering ontvangt op grond van de lOAW of de lOAZ, en die niet tevens een uitkering ontvangt van het UWV; 16. niet-uitkeringsgerechtigde: de persoon bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de
Wet; 17. beschut werk: werk in beschutte omgeving en onder aangepaste omstandigheden als
bedoeld in artikel 10b van de wet; De begripsbepalingen van de wet zijn op deze verordening en de daarop berustende bepalingen van toepassing.
Hoofdstuk 2 Beleid en evaluatie Artikel 2 Evenwichtige verdeling en evaluatie 1. Het college kan de voorziening, bedoeld in (artikel 8), aanbieden aan personen die
behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2. Het college kan de voorzieningen, bedoeld in artikel 6, 7 en 12, aanbieden aan
personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3. Het college stelt bij het aanbieden van voorzieningen aan de doelgroep prioriteiten
rekening houdend met haar financiële mogelijkheden. 4. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen
voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en
b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 5. Het college kan in beleidsregels aanvullende bepalingen vaststellen met betrekking
tot de uitvoering van deze verordening; 6. Het college zendt periodiek aan de gemeenteraad een verslag over de
doeltreffendheid van het beleid. Artikel 3 Budgetplafonds 1. Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
voorzieningen. Een door het college ingesteld budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 2. Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking
komt voor een specifieke voorziening. 3. Het college kan bepalen dat aan niet-uitkeringsgerechtigden zoals bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel a 7º, van de Participatiewet een bijdrage in de kosten van de voorziening wordt gevraagd. Hoofdstuk 3 Voorzieningen Artikel 4 Algemene bepalingen over voorzieningen 1. Het college stelt een beleidsplan vast waarin is vastgelegd welke voorzieningen re-
integratie, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2. Een re-integratievoorziening is gericht op volledige uitstroom uit de uitkering door het
verkrijgen van een betaalde baan dan wel het bereiken van een grotere deelname aan de reguliere arbeidsmarkt. 3. Een participatievoorziening is gericht op volledige uitstroom uit de uitkering door het
verkrijgen van een betaalde baan dan wel het bereiken van een grotere deelname aan de reguliere arbeidsmarkt en, als dit (nog) niet mogelijk is, een grotere maatschappelijke participatie. 4.
Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet
behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig
is voor het beoordelen van het recht op de voorziening c.
de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;
d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de
arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden
vastgesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 5. Het college kan een voorziening beëindigen als:
a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in
de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de
doelgroep; c.
de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de wet;
d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende
bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik
maakt van de aangeboden voorziening; f.
de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;
g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de
voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 6. Het college biedt de goedkoopste adequate voorziening aan, houdt bij het
voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet.
Artikel 5 Maatwerkvoorziening re-integratie gericht op economische zelfredzaamheid 1. Het college kan een persoon uit de doelgroep een maatwerkvoorziening aanbieden
gericht op economische zelfredzaamheid voor zover hij niet in staat is op eigen kracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, maar daar met ondersteuning wel binnen afzienbare termijn toe in staat is. Deze maatwerkvoorziening kan ook worden aangeboden aan een persoon uit de doelgroep om zijn aanwezige arbeidsvermogen te vergroten. 2. De duur van het traject is maximaal zes maanden en kan zo nodig verlengd worden
met nogmaals drie maanden. 3. Scholing kan onderdeel uitmaken van de ondersteuning voor zover de scholing naar
het oordeel van het college bijdraagt aan het te bereiken resultaat. 4. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. zonder inzet van scholing is het verwerven of behouden van arbeid naar het
oordeel van het college niet haalbaar;
b. de scholing moet aansluiten bij de krachten en bekwaamheden van de
persoon; c.
de scholing is gericht op het behalen van een certificaat of diploma tenminste op het niveau van een startkwalificatie, of op een lager niveau als er een hoger niveau voor de persoon niet haalbaar is;
5. Het derde lid is niet van toepassing op personen die jonger zijn dan 27 jaar en uit ’s
Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zoals bedoel in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet. 6. Nazorg kan onderdeel uitmaken van de ondersteuning voor de duur van maximaal
twaalf maanden na acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel 6 Werkstage 1. Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling
aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep, en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de
arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren
in een arbeidsrelatie. 3. De duur van het traject is maximaal zes maanden en kan zo nodig verlengd worden
met nogmaals maximaal drie maanden. 4. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen
niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage, en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.
Artikel 7. Sociale activering 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in
het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening; 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de
mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de
concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 8. Detacheringsbaan
1. Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een
onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitstluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen
niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.\
Artikel 9 Proefplaatsing 1. Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld
in artikel 7 eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op, een proefplaat bij een werkgever voor de duur van twee maanden, met mogelijkheid tot verlenging van maximaal vier maanden, onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de
werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans
op arbeidsinschakeling; c.
als hierdoor de concurrentieverhouding niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt;
d. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die
werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft
uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 3. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 4. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan
wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. Artikel 10 Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan, overeenkomstig artikel 10f van de wet, ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leerwerktraject nodig is. Het betreft personen:
a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in
de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
Artikel 11 Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers 1. Het college kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld
in hoofdstuk 3A, verstrekken aan werkgevers die met kwetsbare, of uiterst kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, die de werkgever ontvangt is het
verschil tussen het wettelijk minimumloon en de loonwaarde, vermeerderd met een vergoeding voor de werkgeverslasten (23,5%), gedurende maximaal 12 maanden respectievelijk 24 maanden ten behoeve van de kwetsbare respectievelijk de uiterst kwetsbare werknemer. 3. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: a. Voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere
betaalde betrekking heeft gevonden; b. Geen startkwalificatie bezit; c.
ouder is dan 50 jaar; of
d. alleenstaande ouder is. 4. Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die onmiddellijk
voorafgaand indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest. 5. Als het CAO loon hoger is dan het WML, zijn de meerkosten voor rekening van de
werkgever. 6. De duur van de verstrekking van loonkostensubsidie is afhankelijk van de
loonwaarde. Elk jaar wordt die opnieuw bepaald. Bij een loonwaarde van 100% WML stopt de subsidie. Wanneer iemand dat nooit bereikt kan de loonkostensubsidie blijven doorgaan. 7. De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 8. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een
andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk 9. Het college kan nadere regels stellen ter uitwerking van deze regeling.
Artikel 12 Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand
overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten
2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden
vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 300,- per 6
maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel 13 Vaststelling loonwaarde (vervallen) Artikel 14 Re-integratievoorziening no-riskpolis (vervallen) Artikel 15 Participatievoorziening beschut werk 1. Het college verstrekt om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde
werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen; a. Fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. Uitsplitsing van taken; of c.
aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.
2. Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een
beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: a. Arbeidsmatige dagbesteding waarvoor Wmo-budget kan worden ingezet; b. Sociale activering als bedoeld in artikel 7; c.
Scholing als bedoeld in artikel 5;
d. Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 16; of e. Schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 3. De datum van het (positief) advies van het UWV is bepalend voor de volgorde van
het aanbod van de voorziening beschut werk. 4. Het aantal jaarlijks te realiseren dienstbetrekkingen is beperkt tot het aantal waarvoor
de gemeente middelen ontvangt van het rijk, dan wel het aantal dat bij ministeriële regeling is vastgesteld. 5. Het college wijst een organisatie aan die optreedt als werkgever van de personen in
beschut werk. Artikel 16 Maatwerkvoorziening persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen
behorend tot de doelgroep 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd
het bepaalde in artikel 3, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 3A
3. Het college kan in nadere regels aan de persoonlijke ondersteuning een maximum
tijdsduur verbinden. Artikel 17 Individuele studietoeslag (vervallen) Artikel 18 Vergoedingen Het college kan aan een belanghebbende die tot de doelgroep behoort een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling. Dit wordt in een nadere regel uitgewerkt. Hoofdstuk 3A. Specifieke bepalingen doelgroep Breed offensief Paragraaf 3A.1 Administratief proces loonkostensubsidie Artikel 20a. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op
aanvraag loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of
als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet
tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen 4. Het college stelt binnen 5 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast,
tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet 5. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente
proces loonkostensubsidie in acht. Paragraaf 3A.2 Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel 20b. Voorwaarden toekenning ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 4, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij
VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het
arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met
een minimale arbeidsduur van {aantal} uur per week;
d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk voor is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van
de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie f.
er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en
g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college
proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk. Artikel 20c. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan
bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de
werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 4. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de
persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel2, van de wet. Artikel 20d. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of
een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van
afwijking; en f.
voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorzienig relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund.
Paragraaf 3A.3 Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 20e. Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in
natura verstrekken door middel van een jobcoach die per geval wordt ingekocht. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie
toekennen voor; a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach: of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider
Artikel 20f. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen vier weken na de
ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur
en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel 20g. Jobcoaching 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan
de kwaliteitseisen die aansluiten bij de kwaliteitseisen die UWV stelt. 2. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van een regiem waarbij de
verleende jobcoaching in de eerste drie jaar wordt verleend voor een aantal uren dat maximaal overeenkomt met respectievelijk 10% van aantal gewerkte uren in het eerste, tweede en derde jaar van het aantal uren dat de aan de persoon opgedragen taken in beslag nemen. 3. Het college kan van de in het tweede lid bedoelde maximale 10% van het aantal
gewerkte uren afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 20h. Jobcoaching in natura 1. Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. Bij het aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking
op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 20b tot en met 20g van overeenkomstige toepassing. Artikel 20i. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen
aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het
bepaalde in de artikelen 14b tot en met 14g, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma
en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep,
gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie is gevraagd daarvan op de hoogte is en
schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend
is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. Artikel 20j. Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is
aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Paragraaf 3A.4. Specifieke bepalingen overige voorzieningen Artikel 20k. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn
beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden
wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken
van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden
gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de
werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 20l. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1. Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen
die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. Artikel 20m. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de
persoon om te kunnen werken.
2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product een
meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In
bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. Artikel 20n. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In het beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn. Hoofdstuk 4 Slotbepalingen Artikel 21 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere individuele gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 22 Intrekken oude verordening 1. De “verordening Re-integratie, loonkostensubsidie en individuele studietoeslag
Wijdemeren 2015” wordt ingetrokken ingaande 1 juli 2023. 2. Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de
Re-integratieverordening Wijdemeren 2010 die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de verordening Re-integratie, loonkostensubsidie en studietoeslag 2015 en bijbehorende nadere regelgeving voor de duur: a. van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening,
of b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a. 3. In afwijking van het tweede lid kan het college de toegekende voorziening op grond
van de Re-integratieverordening Wijdemeren 2010 beëindigen indien inzet van een voorziening op grond van deze verordening naar verwachting leidt tot het sneller bereiken van economische zelfredzaamheid. 4. Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode,
besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet. 5. De verordening Re-integratie, loonkostensubsidie en studietoeslag Wijdemeren 2015
blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het tweede en vierde lid. Artikel 23 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2023.
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Re-integratie,
loonkostensubsidie en studietoeslag Wijdemeren 2023. Ondertekening Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 22 juni 2023. De griffier,
De voorzitter,
drs. E.B. Hörchner
drs. C.R. Larson