Bijlage 1 Herziening Bestemmingsplan
Tekst van het document
4.2 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient aangetoond te worden of het project mogelijk invloed heeft op beschermde soorten en of gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Met het voorliggende initiatief wordt er geen bebouwing gesloopt en vinden er geen werkzaamheden plaats. Tevens zijn er geen bomen aanwezig binnen het plangebied. Er kan dan ook gesteld worden dat het initiatief niet leidt tot aantasting van mogelijke schuil- en verblijfplaatsen van beschermde soorten. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld.
In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen' en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) bevinden zich op een afstand van ca. 118 m ten oosten van het plangebied. Het initiatief gaat in de bouwen de gebruiksfase gepaard met enige uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen
23
uitgevoerd, gebruik makend van de nieuwe AERIUS Calculator (Buro SRO, 22 april 2021, bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er in de gebruiks- en bouwfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
4.3 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Het archeologiebeleid is in 2011 door de gemeente Wijdemeren vastgesteld. De archeologische verwachtingswaarden van de gronden zijn weergegeven op de 'Beleidskaart Archeologie gemeente Wijdemeren 2011'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de beleidskaart.
Uitsnede Beleidskaart Archeologie gemeente Wijdemeren 2011, plangebied rood omcirkeld
Uit de bovenstaande afbeelding blijkt dat de gronden van het plangebied 'archeologievrij' zijn. Daarnaast vinden er geen bouw- en graafwerkzaamheden plaats en bevindt de planlocatie zich op het water. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
24
Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in de diverse ruimtelijke plannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat 'een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden' in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Planspecifiek Door de ligging van het plangebied binnen de begrenzing van de 'Stelling van Amsterdam' en de 'Nieuwe Hollandse Waterlinie' dient rekening gehouden worden met de kernkwaliteiten van deze werelderfgoederen. Echter vindt er met het voorliggende initiatief enkel een bestemmingswijziging plaats en wordt er gebruik gemaakt van het bestaande woonschip. Hierdoor worden de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen niet aangetast. Het woonschip heeft geen gemeentelijke of rijksmonumentale status.
Ook is er in de directe omgeving van het plangebied geen monumentale bebouwing aanwezig. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
4.5 Duurzaamheid Het belangrijkste doel uit het Klimaatakkoord is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% verminderd ten opzicht van 1990. In 2050 is de uitstoot van broeikasgassen zelfs met 95% afgenomen. Om de klimaatdoelen voor 2030 te behalen moet het tempo van verduurzaming omhoog. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).
Die eisen vervangen de EPC en zijn dus ook van toepassing op het voorliggende initiatief. Planspecifiek Het woonschip wordt energieneutraal. Om dit mogelijk te maken wordt er gebruik gemaakt van zonnepanelen en een warmtepomp. Met het gebruik van duurzame installaties, zoals de zonnepanelen en
25
warmtepomp, vindt er een verduurzaming van het woonschip plaats. Daarnaast zal de mogelijkheid voor een groen dak op het woonschip meegenomen worden.
4.6 Verkeer en Parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.6.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Met het voorliggende initiatief wordt enkel de bestemming gewijzigd, waardoor permanente bewoning van het bestaande woonschip gelegaliseerd wordt. In de huidige situatie heeft het woonschip een recreatieve bestemming. Echter wordt het woonschip al ruim 20 jaar permanent bewoond.
Door het gebruik van het woonschip als woning zal er dan ook geen toename van de verkeersgeneratie plaatsvinden Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor het voorliggende initiatief. 4.6.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het gemeentelijk parkeerbeleid van de gemeente Wijdemeren is vastgelegd in de 'Beleidsregel parkeernormen van de gemeente Wijdemeren', zoals vastgesteld door burgemeester en wethouders op 31 maart 2015. Uitganspunt van de beleidsregel is dat elke initiatiefnemer van een bouwplan zelf verantwoordelijk is voor het oplossen van zijn eigen parkeerbehoefte en dat die parkeerbehoefte zo veel mogelijk op eigen terrein moet worden opgelost. Het toepassen van de parkeernormen heeft daarmee een positieve invloed op de bereikbaarheid, leefbaarheid en de economische ontwikkeling van de gemeente. Planspecifiek Door de bestemmingswijziging zullen geen extra parkeerplaatsen benodigd zijn.
In de huidige situatie wordt er geparkeerd aan de Dammerweg ten westen van het plangebied. Ook in de nieuwe situatie zal er gebruik gemaakt worden van deze al aanwezige parkeerplaatsen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde bestemmingswijziging.
26
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
27
5.4 Wijze van bestemmen De volgende (dubbel)bestemmingen komen voor in dit bestemmingsplan. Water - Woonschepenligplaats De bestemming 'Water - Woonschepenligplaats' is opgenomen voor de ligplaatsen van woonschepen. Deze gronden zijn tevens bestemd voor waterhuishouding. Per bouwvlak is maximaal één ligplaats toegestaan. Voor wat betreft de regels is de maatvoering van het toegestane woonschip enigszins aangepast en afgestemd op de lijn die de gemeente is gaan volgen in bestemmingsplan Eilandseweg 4a. In voorliggend bestemmingsplan zijn de regels voor de maximale lengte, breedte, goot- en bouwhoogte, gemeten ten opzichte van het waterpeil, opgenomen in de bouwregels. Dit sluit beter aan bij de lijn de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt voor wat betreft een omgevingsvergunning voor woonschepen.
28
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een plan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. De ruimtelijke onderbouwing ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het plan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 6.1.2 Communicatie De initiatiefnemer heeft het beoogde plan besproken met de omwonenden. Er is een verslag opgesteld van de communicatie met de omwonenden. Dit verslag is als bijlage toegevoegd bij dit bestemmingsplan (zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). 6.1.3 Vooroverleg Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg, zoals bedoeld in artikel 3.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening verstuurd naar vooroverlegpartners. Reacties zijn ontvangen van Waternet, Omgevingsdienst, Brandweer en Provincie Noord-Holland. De opmerkingen zien hieronder samengevat en van een gemeentelijke reactie (cursief) voorzien. Waternet Waternet geeft aan geen opmerkingen op het plan te hebben. Reactie: Deze reactie geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Omgevingsdienst Ten aanzien van wegverkeer is nog niet aangetoond dat aan de Wet geluidhinder wordt voldaan. Verzocht wordt om een akoestisch onderzoek uit te laten voeren. Reactie: Het akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai is uitgevoerd en verwerkt in het bestemmingsplan. Geluid vormt verder geen belemmeringen. Provincie Noord-Holland De Provincie Noord-Holland merkt op dat de locatie lingt in het MRA landelijk gebied.
Hier is conform artikel 6.9 (lid 2, 3 en 4) van de Omgevingsverordening NH2020 alleen onder voorwaarden een nieuwe woning toegestaan. Het plan voldoet niet aan deze voorwaarden. Reactie: In zijn vergadering van 27 september 2012 heeft de gemeenteraad in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied Nederhorst den Berg besloten om, naar aanleiding van een zienswijze van de toenmalige eigenaresse, de ligplaats te bestemmen voor 'Water – Woonschepenligplaats'. Er zou dan ter plaatse een woonschip voor permanente bewoning zijn toegestaan.
29
Vast is inmiddels komen te staan dat de wijziging per abuis niet goed is verwerkt in het bestemmingsplan, waardoor de betreffende grond nog steeds is bestemd voor 'Recreatie – Verblijfsrecreatie 4' (recreatiewoonschip). 6.1.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken heeft vanaf 25 november 2021 gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er geen zienswijzen ingediend.
6.2 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De initiatiefnemer en gemeente Wijdemeren hebben een planschadeverhaalsovereenkomst opgesteld.
30