Bijlage 05. Natuurtoets
Tekst van het document
owinngf
T.a.v. dhr. H. van der Brink Laageinderweg 16 3774 TD Kootwijkerbroek
Datum
20 november 2020
Kenmerk
BE/2020/808/r
Uw kenmerk
Email d.d. 27 oktober 2020
Auteur(s)
M.A. Brinkbaumer
Collegiale toets
ir. ing. A.E. Vos
Quickscan Wet natuurbescherming Middenweg 100 te Nederhorst den Berg Aan de Middenweg 100 te Nederhorst den Berg is een boerenerf met woning en vier opstallen, namelijk een aangebouwde schuur, een losse schuur, een voormalige stal en een hooiberg gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de opstallen te saneren ten behoeve van een nieuwe woning. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Dhr. H. van den Brink heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland en Bijzonder Provinciaal Landschap? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Middenweg 100 te Nederhorst den Berg (figuur 1). De planlocatie betreft een boerenerf bestaande uit een woning met aangebouwde schuur, een losse schuur, een voormalige stal en een hooiberg. Beschrijving van de woning en overige opstallen zijn opgenomen in figuur 3 en de onderstaande tekst. De planlocatie is deels bestraat en bevat deels gazon. Verder staan er enkele bomen en heggen op de planlocatie. De noordelijke perceelgrens betreft een dwarssloot langs de middenweg en aan de zuidwestelijke zijde van de planlocatie is een kavelsloot met riet begroeide oevers gelegen. Zowel de bebouwing als de inrichting van de planlocatie vertonen sporen van achterstallig onderhoud. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische graspercelen met kavelsloten en boerderijen. Op ca. 1 km ten noordwesten, noordoosten en zuidoosten zijn verschillende plassen gelegen welke onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. In de directe omgeving van de planlocatie bevindt zich geen bosrijke omgeving. De dichtstbijzijnde autosnelweg is de A1 gelegen op ca. 7 km ten noorden van de planlocatie
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Middenweg 100 te Nederhorst den Berg (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 3
Foto’s als visuele ondersteuning van de bebouwing op de planlocatie.
(A) De woning is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw met een mansardedak bedekt met dakpannen. De dakranden sluiten niet overal even goed aan op de muren. (B) De aangebouwde schuur is opgetrokken uit houten wanden met een plat golfplaten dak. (C) De voormalige stal heeft betonnen muren zonder spouw en een geïsoleerd golfplaten zadeldak. (D) De losse schuur is deels opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw met een dakpannen zadeldak en deels uit houten wanden met aflopend golfplaten dak. (E) De hooiberg heeft enkel een metalen golfplaten piramidedak bevestigd aan betonnen pilaren.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de schuren, stal en hooiberg ten behoeve van een woning. De functie van het perceel dient gewijzigd te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 3 november 2020 en is uitgevoerd door M.A. Brinkbaumer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 11 Celsius en windkracht 0-1 (Bft).
3
Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de Noord-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland en Bijzonder Provinciale Landschappen. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en Bijzonder Provinciale Landschappen geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
4
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht geldt. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de groenknolorchis (NDFF 2010-2020). De groenknolorchis groeit op zonnige, open plaatsen met vrij natte, voedselarme grond. De waarnemingen in de directe omgeving zijn gedaan in de Ankeveensche Plassen en de Kortenhoefsche Plassen. Op basis van de waargenomen vaatplanten is vast te stellen dat de planlocatie zeer voedselrijke grond betreft. Derhalve is uitgesloten dat er sprake is van functionele groeiplaatsen van de groenknolorchis. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status.
Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerdistel, grote brandnetel, paardenbloem, pitrus, riet, smalle weegbree en veldzuring. De planlocatie is enkel deels bestraat en verder grotendeels onverhard. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de planlocatie staan enkele knotwilgen, witte paardenkastanje en een vlier. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, boommarter, bosmuis, bruine rat, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, hermelijn, mol, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, waterspitsmuis, wezel en woelrat (NDFF 2010-2020).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, das, hermelijn,
5
waterspitsmuis en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De boommarter is een uitgesproken bossoort welke enkel voorkomt in aaneengesloten bosrijke omgeving. De waarnemingen zijn dan ook gedaan in de bosrijke(re) omgeving van de Kortenhoefsche plassen. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied. Derhalve is de aanwezigheid van de boommarter uitgesloten van de planlocatie. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen. De planlocatie betreft een voormalig boerenerf met zeer beperkte beschutting. Verder zijn de dichtstbijzijnde waarnemingen gedaan op ca. 1 km ten noordoosten en ten zuidoosten. Derhalve is de aanwezigheid van de das op de planlocatie uitgesloten. Kleine marterachtigen zoals de hermelijn en wezel zijn zeer afhankelijk van dekking in de vorm van hagen, houtwallen, stuiken en struwelen voor functioneel leefgebied. Op de planlocatie is een enkele heg en zijn enkele bomen aanwezig, dit is echter onvoldoende om voor dekking te zorgen voor kleine marterachtigen. Verder is er geen opgaande begroeiing wat in directe verbinding staat met de planlocatie.
De voorgenoemde punten samen met het feit dat er geen sporen van marteraanwezigheid zijn aangetroffen op de planlocatie, maken dat de aanwezigheid van kleine marterachtigen op de planlocatie uitgesloten kan worden. De waterspitsmuis leeft in een gebied met schoon, niet te voedselrijk water met een aanzienlijke ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Bodem bedekkende vegetatie is een voorwaarde. Eveneens dienen in de oevers voldoende schuilmogelijkheden aanwezig te zijn. De planlocatie grenst aan de noordelijke en zuidelijke zijde aan sloten. Deze sloten worden echter gebaggerd en de oevers zijn recentelijk gemaaid. Derhalve is er geen sprake van functioneel leefgebied. De aanwezigheid van de waterspitsmuis op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden.
Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Enkel de rij knotwilgen aan de noordoostelijke zijde van het perceel bevatte enkele holtes, echter zijn deze knotwilgen volledig uitgeschoten waardoor er geen sprake is van vrije aanvliegroutes.
Verder blijven de knotwilgen behouden bij de beoogde ontwikkelingen waardoor er geen mogelijke rust- en/of verblijfplaatsen verwijderd worden. De te bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig
6
invloed van weersomstandigheden. De woning op de planlocatie is het enige pand op de planlocatie met een spouwruimte. Deze is toegankelijk via enkele plaatsen waar het dak overstek niet goed aansluit op de muren. Hierdoor is het mogelijk voor gebouw bewonende vleermuizen om vaste rust- en/of verblijfplaatsen te vinden in de bebouwing. De overige bebouwing op de planlocatie heeft geen spouwruimte of geschikte dakruimte waar vleermuizen gebruik van zouden kunnen maken. De bebouwing is wel mogelijk toegankelijk voor grootoorvleermuizen, echter zijn er geen sporen (keutels en/of mottenvleugels) aangetroffen. Aangezien de woning op de planlocatie behouden blijft, worden er geen vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen weggenomen met de beoogde ontwikkelingen. Het is niet vereist om aanvullend onderzoek uit te voeren naar gebouwbewonende vleermuizen, wel dient er rekening gehouden te worden dat er geen verstoring plaatsvindt van de mogelijk aanwezige vleermuizen. Derhalve dient gezorgd te worden dat de woning ten alle tijden vrij bereikbaar blijft voor vleermuizen en dient voorkomen te worden dat er lichtbundels naar de woning gericht wordt. Wegens het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw is het voor vleermuizen onmogelijk om in de te saneren schuren, stal en hooiberg een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden (zie ook figuur 3).
Het is uit te sluiten dat de te saneren bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Aangezien er beperkte opgaande begroeiing aanwezig is op de planlocatie is uitgesloten dat er sprake is van essentieel foerageergebied. De sloten aan de noordzijde en zuidzijde van de planlocatie kunnen mogelijk opportunistisch gebruikt worden als vliegroute, echter staan deze niet in verbinding met geschikte foerageergebieden. Derhalve zijn essentiële foerageergebieden uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van essentiële foerageergebieden en/of vliegroutes zijn uitgesloten. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort.
Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de heikikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen zijn op een korte afstand van elkaar aanwezig. De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied.
De drie habitattypen waar de soort gebruik van maakt (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering) dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen. Aangezien de planlocatie zeer voedselrijke grond betreft, zijn de sloten ook voedselrijk. Derhalve is er geen sprake van functioneel voortplantingswater. Verder is de dichtstbijzijnde waarneming gedaan op een afstand van ca. 1,2 km. Derhalve is het voorkomen van de heikikker uitgesloten van de planlocatie. De rugstreeppad komt voor op vergraafbare gronden met ondiepe (snel opwarmende) poelen als voortplantingswater. De onverharde delen van de planlocatie zijn volledig begroeid met grassen
7
en kruiden, derhalve is er geen sprake van functioneel leefgebied. De dichtstbijzijnde waarnemingen van de rugstreeppad zijn gedaan op ca. 1 km ten noorden en ca. 1,3 km ten zuiden. Aangezien er tussen de locatie van de waarnemingen en de planlocatie verschillende barrières in de vorm van brede kavelsloten en wegen liggen is het voorkomen van de rugstreeppad op de planlocatie uitgesloten. Echter dient rekening gehouden te worden dat er mogelijk kolonisatie plaats kan vinden als de werkzaamheden uitgevoerd worden. Hiervoor kunnen preventieve maatregelen getroffen worden (zie te treffen maatregelen). Verder is het niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Ringslangen jagen langs het water en zonnen op open, rustige plekken.
Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. De kavelsloten langs de randen van de planlocatie worden geregeld gebaggerd en/of gemaaid en de hopen worden verwijderd. Hierdoor zijn er geen geschikte eiafzetplaatsen en wegens de verstoring wordt niet verwacht dat de ringslang voorkomt op de planlocatie. Het voorkomen van de ringslang kan derhalve uitgesloten worden van de planlocatie. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020). De aan de planlocatie grenzende sloten worden in de beoogde ontwikkelingen niet gedempt, derhalve zijn negatieve effecten op (beschermde) vissen uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de gestreepte waterroofkever (NDFF 2010-2020). De gestreepte waterroofkever komt voor in sloten en kanalen met een spaarzame vegetatie van drijvende en submerse waterplanten waarbij een krooslaag afwezig dient te zijn. De waarnemingen van de soort zijn gedaan ca. 1,2 km van de planlocatie in de Ankeveensche en Kortenhoefsche Plassen, verder staan de sloten rondom de planlocatie niet in directe verbinding met deze plassen.
Derhalve is het voorkomen de gestreepte waterroofkever uitgesloten van de planlocatie. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: blauwe reiger, houtduif, huismus, kauw, koolmees, merel, postduif, spreeuw en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn verschillende individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12, 2017). Ten tijde van het veldbezoek is huismus activiteit op het dak van de woning en in de vegetatie op de planlocatie waargenomen.
De te saneren schuren, stal en hooiberg zijn echter ongeschikt als nestgelegenheid vanwege het ontbreken van een gootstructuur, de en aanwezigheid van houtenlatten onder de golfplaten (figuur 4).
8
Figuur 4
Foto’s van de dakranden van de stal (L) met zichtbare obstructie onder de golfplaten en de houten lat langs de dakrand van de losse schuur (R).
Door de aanwezigheid van de houten latten en vulling (kranten) van de golfplaten, is het niet mogelijk voor huismussen om nestgelegenheid te vinden in de te saneren schuren. Aangezien bij de beoogde ontwikkeling de woning behouden blijft en enkel de (ongeschikte) stal, schuren en hooiberg gesaneerd worden, leidt de ontwikkeling niet tot het wegnemen van huismusnesten. Voor de ontwikkeling worden geen bomen of hagen gekapt of gesnoeid en de ontwikkeling resulteert derhalve niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. De planlocatie is gelegen te midden van landelijk gebied en de te saneren bebouwing heeft dakranden van maximaal 2 meter hoog. Aangezien gierzwaluwen een minimale uitvlieghoogte van 3 meter nodig hebben is er geen sprake van geschikte nestgelegenheid. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen.
Mogelijk dat de agrarische percelen ten zuiden van de planlocatie geschikt zijn als algemeen foerageergebied van gebouwbewonende uilen, echter is wegens volledig ontbreken van sporen (braakballen en/of krijtsporen) op de planlocatie en het ontbreken van waarnemingen in de directe omgeving is uit te sluiten dat er sprake is van essentieel leefgebied. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Aangezien de graspercelen op de planlocatie beperkt qua omvang zijn is uitgesloten dat er sprake is van essentieel foerageergebied. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
9
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland en Bijzonder Provinciale Landschappen. Op een afstand van circa 430 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (figuur 5). Op een afstand van circa 430 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6). De planlocatie is gelegen binnen de begrenzing van het Bijzonder Provinciaal Landschap (figuur 7).
10
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 430 m tot het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (bron: arcgis.com).
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 430 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: maps.noord-holland.nl).
Figuur 7
De planlocatie is gelegen binnen de begrenzing van het Bijzonder Provinciaal Landschap (bron: maps.noord-holland.nl).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Ten aanzien van het Bijzonder Provinciale Landschap geldt dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, specifiek woningbouw tot maximaal 11 woningen. Aangezien de beoogde ontwikkeling de realisatie van enkel 1 nieuwbouwwoning betreft worden er geen negatieve effecten verwacht op Bijzonder Provinciaal Landschap. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep.
De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van een stal, schuren en hooiberg ten behoeve van een nieuwbouwwoning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •
Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.
Gezien er een geringe afstand (430 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
11
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De te saneren bebouwing op de planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De woning op de planlocatie biedt potentie voor nesten en verblijfplaatsen van vleermuizen en huismussen, aangezien deze behouden blijft zijn negatieve effecten uit te sluiten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied is gelegen binnen een Bijzonder Provinciaal Landschap, echter zijn negatieve effecten uitgesloten. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. Een Voortoets of een Nee-Tenzij-toets kan achterwege blijven. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
+
+/-
-
-
-
+/-
-
-
n
n
n
n
+
+
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
430 m
stikstof
AERIUS
Natuurnetwerk Nederland
430 m
geen
n.v.t.
Bijzonder Provinciaal Landschap
0m
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
nee
n.v.t.
Bomen
ja
nee
n.v.t.
n
-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wnb. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
12
Conclusie De sanering van de opstallen en nieuwbouw van een woning aan de Middenweg 100 te Nederhorst den Berg is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-calculator. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv.
aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
13
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie.
KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.maps.noord-holland.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
14
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., M.A. Brinkbaumer Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. A.E. Vos Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
15
Bijlage 1 Fotografische impressie
16
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Middenweg 100 te Nederhorst den Berg en bestaat uit een woning en vier opstallen.
Figuur 2
De woning op de planlocatie bevat verschillende plaatsen waar gebouwbewonende vleermuizen toegang tot dak- en spouwruimte geboden kunnen worden.
17
Figuur 3
Tijdens het veldbezoek is huismusactiviteit waargenomen op en rondom de woning van het perceel.
Figuur 4
De grasvelden op de planlocatie zijn ongeschikt als foerageergebieden van roofvogel en/of uilensoorten.
Bijlage 2 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Figuur 1
Determinatie kenmerken van de rugstreeppad.
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
18
Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden. Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is.
Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen. Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaarsen zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).
Figuur 2
19
Bij hevige regenval kunnen ontstane geulen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden.
In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
Figuur 3
20
Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn.