CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 05 Nader onderzoek fauna

gemeenteraad 22 september 2022, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Afgeven Verklaring van geen bedenkingen Dammerweg 108-109 (Het geamendeerde voorstel is unaniem aangenomen)7.472 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek fauna Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg

Opdrachtgever: Expo Vastgoed Ontwikkeling BV T.a.v de heer P. Kerklaan Overbuurtseweg 5 2665 CA Bleiswijk

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

200846 9-8-2021 Marielle Oomen Marielle Oomen Maaike Leenen Definitief 1

© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1

Inleiding ...................................................................................................................................................... 4

1.1

Aanleiding ............................................................................................................................................... 4

2

Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 5

2.1

Huidige situatie ....................................................................................................................................... 5

3

Natuurwetgeving ........................................................................................................................................ 7

3.1

Inleiding .................................................................................................................................................. 7

3.2

Bescherming van soorten ....................................................................................................................... 7

4

Methode ..................................................................................................................................................... 8

4.1

Bureauonderzoek ................................................................................................................................... 8

4.2

Veldonderzoek ........................................................................................................................................ 8

5

Beschermde soorten ................................................................................................................................. 11

5.1

Vleermuizen .......................................................................................................................................... 11

5.1.1

Voorkomen en functie ................................................................................................................. 11

5.1.2

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 14

5.2

Vogels ................................................................................................................................................... 15

5.2.1

Voorkomen en functie ................................................................................................................. 15

5.2.2

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 16

5.3

Marterachtigen ..................................................................................................................................... 17

5.3.1

Voorkomen en functie ................................................................................................................. 17

5.3.2

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 17

6

Conclusie ................................................................................................................................................... 18

6.1

Soortenbescherming ............................................................................................................................ 18

6.2

Uitvoerbaarheid van de plannen .......................................................................................................... 18

6.3

Geldigheid onderzoek ........................................................................................................................... 18

Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving ........................................................................................................... 20 Bijlage 2 Locatie cameravallen marters ................................................................................................................. 25 Bijlage 3 Vleermuizenkaart .................................................................................................................................... 26

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens de bebouwing te slopen voor de herontwikkeling van de kavel aan de Dammerweg 109, te Nederhorst den Berg (zie afbeelding 1). In verband met deze plannen is er reeds een toetsing uitgevoerd aan de natuurwetgeving en aan het natuurbeleid. Uit deze toetsing kwam naar voren dat nader onderzoek naar huismus, vleermuis en marterachtigen noodzakelijk is. Nader, gericht veldonderzoek is noodzakelijk om aan te tonen, dan wel uit te sluiten dat aanwezige bebouwing een functie hebben als verblijfplaats voor beschermde soorten. Duidelijk moet dan ook worden om welke soort(en) en aantallen het gaat en wat de eventuele functie van het plangebied is voor deze soort(en). Uit het onderzoek komt naar voren of de voorgenomen ontwikkelingen consequenties hebben voor de aanwezige beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

afbeelding 1. Plangebied (rood kader) aan de Dammerweg 109 te Nederhorst den Berg. Esri, 2021

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 4

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied is een kavel aan de Dammerweg 109 in Nederhorst Den Berg in de gemeente Wijdemeren, provincie Noord-Holland. Binnen het plangebied staat een woonhuis en een loods, een oprijlaan met enkele parkeerplaatsen en rond het woonhuis een verzorgde tuin. Achter de loods is een veld met hoog opgaande vegetatie, grenzend aan een watergang met riet. Het plangebied wordt verlicht door de straatlantarens. Zie afbeelding 2 voor een impressie van het plangebied

afbeelding 2. Impressie van het plangebied, Dammerweg 109 te Nederhorst den Berg.

Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens het woonhuis, de loods en het groen te verwijderen. Ter realisatie van 14 woningen. Ook zal mogelijk de watergang worden uitgebreid (herprofilering). De exacte planning is nog niet bekend. Zie voor de begrenzing van het plangebied en het streefbeeld in afbeelding 3.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 5

afbeelding 3. Ontwerpplan met 14 nieuwe woningen en begrenzing (rood kader) van het plangebied. Bron: Expo Vastgoed Ontwikkeling BV. 2021

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 6

3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De wet Natuurbescherming in een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de wet Natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 7

4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en gericht onderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw.

4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). • Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database. Zie de literatuurlijst voor een totale lijst van de geraadpleegde bronnen.

4.2 Veldonderzoek Op basis van aantal veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen, gierzwaluwen, huismussen en marterachtigen. De onderzoeken zijn uitgevoerd door Marielle Oomen, Jessica Loeffen-Marchal en Ninja Blok. De genoemde personen zijn ecologische adviseur en werkzaam bij Eelerwoude (zie kader – ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de onderzoekers, starttijd en weersomstandigheden genoteerd. Kader - Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 8

Datum

Type onderzoek

Start – eindtijd

Onderzoeker

Weersomstandigheden

19-8-2020

Baltsonderzoek vleermuizen

23:30-1:30 Zon onder: 20:55

Marielle Oomen

19 °C, droog, zwaar bewolkt, windkracht 1 Bft

9-9-2020

Baltsonderzoek vleermuizen

22:00-0:00 Zon onder: 20:07

Marielle Oomen

16 °C, droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft

9-4-2021

Huismusonderzoek

8:00-10:00 Zon op: 6:57

Marielle Oomen

9 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 3 Bft

8-5-2021

Huismus en marteronderzoek camera plaatsen

7:00-9:00 Zon op:5:57

Marielle Oomen

9 °C, droog, half bewolkt, windkracht 2 Bft

19-5-2021

gierzwaluw en Kraamonderzoek vleermuizen

20:00-23:45 Zon onder: 21:34

Jessica Loeften, Marielle Oomen

11 °C, kort motregen, zwaar bewolkt, windkracht 0 Bft

7-6-2021

marteronderzoek camera (ver)plaatsen

n.v.t.

Marielle Oomen

n.v.t.

29-6-2021

Gierzwaluw en marteronderzoek camera controle

20:30-22:20 Zon onder: 22:05

Marielle Oomen

16 °C, droog, zwaar bewolkt, windkracht 1 Bft

12-7-2021

Gierzwaluw en Kraamonderzoek vleermuizen

20:45-0:10 Zon onder: 21:57

Ninja Blok Marielle Oomen

18 °C, droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft

Kraamonderzoek vleermuizen

3:30- 5:40 Zon op: 5:34

Marielle Oomen

17 °C, droog, half bewolkt, windkracht 2 Bft

13-7-2021

Vleermuizen Bij de uitvoering van het vleermuisonderzoek is gewerkt conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties 2017 en 2021’ dat in januari 2017 en eind 2020 is geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het protocol is daarmee aangepast naar de meest recente wetenschappelijke inzichten. Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van de soortensamenstelling, de aantallen, de gebruiksfunctie van het gebied en het vaststellen van verblijfplaatsen (kraamverblijven, winterverblijfplaatsen, zomerverblijven etc.), vliegroutes en foerageergebieden. Het onderzoek heeft zich geconcentreerd op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen en laatvlieger vanwege de geschiktheid van het type bebouwing voor deze soorten. Uiteraard is tijdens de veldbezoeken ook aandacht besteed aan eventuele andere beschermde vleermuissoorten binnen het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector Pettersson D240X in combinatie met een EchoMeter Touch en/of een Pettersson D100. Er zijn vijf vleermuis veldbezoeken uitgevoerd: drie in de kraamperiode (2021) en twee in de baltsperiode (2020). Het kraamonderzoek heeft zich gericht op de aanwezigheid van zomer- en/of kraamverblijfplaatsen van vleermuizen.

Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens het uitvlieg- of invliegtijdstip van vleermuizen, respectievelijk rond zonsondergang en zonsopkomst. Het baltsonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van balts-, paar-, en/of winterverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens de baltsactiviteit van vleermuizen, na zonsondergang tot middernacht. Tijdens dit tijdstip is de meeste baltsactiviteit bij vleermuizen waar te nemen. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 9

Vogels Bij broedvogelinventarisaties van huismus en gierzwaluw wordt gewerkt volgens het Kennisdocument Huismus en Gierzwaluw (Bij12, 2017). Hierbij worden waarnemingen die op broedgevallen of een territorium duiden in verschillende inventarisatierondes genoteerd op kaart. Vervolgens wordt op basis van deze waarnemingen een kaart met territoria vastgesteld. De veldbezoeken richten zich vooral op de soorten die jaarrond gebruik maken van vaste rust- en verblijfplaatsen. Ook eventuele andere bijzonderheden zijn genoteerd. Huismus Het onderzoek naar huismus is uitgevoerd in twee bezoeken in de periode april – mei met één veldmedewerker. De bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens gunstige weersomstandigheden. Tijdens het bezoek is onder andere gelet op zingende mannetjes en nestindicatieve waarnemingen zoals nestbouw, transport voedsel en alarmroepen. Gierzwaluw Het gierzwaluwonderzoek is uitgevoerd in drie bezoeken met één veldmedewerker, waarvan minimaal 1 bezoek plaatsvond tussen 20 juni en 7 juli. Deze bezoeken hebben in een aantal situaties plaatsgevonden in de avond voorafgaand aan het vleermuisonderzoek en tijdens gunstige weersomstandigheden. Tijdens het onderzoek is gelet op bezette nesten (in- en uitvliegende dieren). Tijdens dit tijdstip zoeken gierzwaluwen hun nesten op om te gaan slapen.

Gedurende dit onderzoek worden tevens laagvliegende vogels genoteerd, met onderscheid tussen luidruchtige vluchten op huishoogte en bezoek van (waarschijnlijke) nestplaats. Marterachtigen Het veldonderzoek is uitgevoerd in lijn met de handreiking kleine marterachtigen wezel, hermelijn en bunzing van de provincie Noord-Holland (ODNHN). Conform die handleiding zijn 4 camera’s per hectare voor 4 weken lang in de actieve periode zijnde van mei tot en met augustus. In dit plangebied is een inzet van 2 struikrovers gebruikt, die gedurende 8 weken tenminste 4 weken op één locatie is blijven liggen (zie afbeelding 4). Een ‘Struikrover’ is een wildcamera met lens, die in een gecamoufleerde buis wordt gemonteerd. In de buis wordt ook lokaas geplaatst, in dit geval een blikje sardines in zonnebloemolie. Regelmatig werden de batterijen gecontroleerd en vervangen. De cameravallen (struikrovers) zijn geplaatst op kansrijke plekken zoals bij wissels en langs de watergang. Deze zijn geplaatst op 8-5-2021 en verplaatst op 7-6-2021 en hebben tot 13-7-2021 film/fotodata gemaakt in het plangebied. Zie bijlage 2 voor de locaties waar de struikrovers hebben gelegen in het plangebied.

afbeelding 4. Voor beeld van de ‘Struikrover’. De val bestaat uit een pvc-buis met venster (linksonder) waar een plankje met het lokmiddel en de camera (linksboven) in wordt vastgemaakt. Het geheel wordt in het veld geplaatst (rechts).

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 10

5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Vleermuizen 5.1.1 Voorkomen en functie Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied 4 soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Hieronder wordt per soort ingegaan op welke functies het plangebied heeft voor deze soorten. Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemene vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en ze jagen in gesloten tot halfopen landschap. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied wordt door de gewone dwergvleermuis gebruikt door diverse foeragerende en langsvliegende individuen. Tijdens het onderzoek werden gemiddeld 2 tot 3 gewone dwergvleermuizen verspreid en gebruik makend van de luwte in de voortuin waargenomen per veldbezoek. Met name op 13 en 14 juli werden de grootste aantallen vastgesteld.

Er is geen sprake van belangrijke foerageergebieden of vliegroutes die essentieel onderdeel uitmaken van het leefgebied. Dit omdat in de omgeving veel foerageergebied aanwezig is. Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.

Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 11

Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen zomer- en kraamverblijfplaatsen vastgesteld. Wel is er op 12 en 13 juli 2021 in de directe omgeving van het plangebied een vermoedelijk zomerverblijfplaats van circa 10 uitvliegende gewonde dwergvleermuizen aangetroffen. Uit de woning nr. 107 aan de Dammerweg. Zie ook kader-Vleermuisverblijfplaatsen en het kader – Vleermuisverblijfplaatsen.

Tijdens het baltsonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen balts-, paar- en/of winterverblijfplaatsen vastgesteld. Wel is op 19-9-2020 net buiten het plangebied, bij de woning op nr. 112a aan de Dammerweg een constant roepend (lokroep/balts) mannetje vastgesteld. Zie ook kaderVleermuisverblijfplaatsen en het kader – Paarverblijfplaatsen. Kader – Paarverblijfplaatsen Definitie paar(verblijf)plaats in het vleermuisprotocol 2017: Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.)

Een samenhang van waarnemingen kunnen duidelijk maken wat de waarde van een locatie is. Fanatiek roepende mannetjes zijn een belangrijke indicatie voor een paarverblijfplaats in het gebied. Maar wanneer is de roep nou een indicatie voor een paarverblijfplaats of wanneer is het gewoon een sociaal geluid? Om zeker te kunnen aangeven dat het om een baltsroep gaat voor het vaststellen van een paarverblijfplaats moet er gekeken worden naar verschillende factoren: •

aantal roepen; wanneer een vleermuis <5 roept, gaat het om een sociale roep. Wanneer de roep in lange series met regelmatige intervallen > 10 keer wordt uitgestoten gaat het om een baltsroep;

•

vliegstijl; baltsactiviteiten gaan gepaard met vleugelslagen welke onderbroken worden met een glijdende vlucht;

•

valse landingen; baltsende mannetjes worden vaak herhaaldelijk aanvliegend waargenomen bij bepaalde plaatsen op de muur, dit vaak in de hoeken van een gebouw of onder uitstekende delen van de wand;

•

aantal uren na en voor zonsondergang en -opgang; baltsactiviteiten worden opgebouwd tot 4 uur na zonsondergang (met een piek in het 4e uur) en 4 uur voor zonsopkomst (piek op het 3e uur), om middernacht nemen de baltsactiviteiten iets af;

•

tijd van het jaar; van juli tot augustus is er weinig baltsactiviteit in de eerste uren na zonsondergang, van augustus t/m oktober beginnen de baltsactiviteiten steeds vroeger op de avond;

•

temperatuur en weersomstandigheden; bij hogere temperatuur in de avond zijn er meer baltsactiviteiten, bij heftige regen zijn er geen baltsactiviteiten aanwezig, andere weers- omstandigheden hebben geen invloed op de baltsactiviteiten.

Voordeel van het inventariseren tijdens de baltspiek is dat er makkelijk vastgesteld kan worden wat de territoriumgrenzen van het mannetje zijn, deze kunnen voor gewone dwergvleermuis circa 1,2 tot 10 ha groot zijn. Met deze gegevens kan de dichtheid van de paarplaatsen bepaald worden. Daarnaast is er een voordeel dat ook de aangrenzende gebieden makkelijk beoordeeld kunnen worden en of deze binnen het territorium vallen. Informatie over het territorium is belangrijk wanneer er in het plangebied een paarverblijfplaats wordt aangetroffen. Aan de hand van de informatie over de territoria in de omgeving kan aangegeven worden of er voldoende alternatieve in de omgeving aanwezig zijn. Want ook in de paartijd verhuizen mannetjes regelmatig binnen hun territorium.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 12

Ruige dwergvleermuis De ruige dwergvleermuis kent een sterke seizoenstrek en legt daarbij grote afstanden af. Vanaf augustus/september trekken vooral de dieren uit Midden- en Oost-Europa in Zuidwestelijke richting om onder andere in Nederland te overwinteren. De soort wordt dan ook vaak in Nederland in het najaar gezien, in Nederland zijn slechts enkele kraamverblijfplaats vastgesteld. Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Ze gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend. Ze jagen tot op 5 á 10 km afstand van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren. Ruige dwergvleermuizen jagen in vooral halfopen bosrijk landschap. Foerageergebied en vliegroutes Tijdens het onderzoek op 9-9-2020 werd er 1 ruige dwergvleermuis net buiten het plangebied tussen de gebouwen foeragerend vastgesteld die af en toe een balts roep liet horen. Verblijfplaatsen Tijdens het onderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen zomer-, balts-, paar- en/of winterverblijfplaatsen vastgesteld.

Laatvlieger De laatvlieger komt in Nederland vrij algemeen voor maar staat wel op de rode lijst als kwetsbaar (Min. LNV, 2020). De soort lijkt een matige afname te laten zien (Norren et al., 2020). Laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Kraamkolonies komen in Nederland voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Deze bevinden zich in de spouwmuur, achter en onder de (dak)betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. De jachtgebieden liggen in een straal van 1 tot 5 km (zelden meer) rondom de kolonie. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar laatvliegers vliegen bij gunstige weersomstandigheden ook wel grote afstanden door open gebied. Foerageergebied en vliegroutes Tijdens de veldbezoeken zijn 1 tot 2 overvliegende laatvliegers gehoord. Deze maakt geen gebruik van het plangebied om te foerageren. Ook vlogen ze hoog over zonder een duidelijk lijnvormige structuur te gebruiken. Verblijfplaatsen Tijdens het onderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen zomer-, balts-, paar- en/of winterverblijfplaatsen vastgesteld. Rosse vleermuis De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort.

Onder andere solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen en dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. De vlucht van de rosse vleermuis doet enigszins denken aan die van de gierzwaluw: hoog en snel. De afstand tussen dagrustplaats en jachtgebied wordt in de regel in een snelle rechte vlucht afgelegd, op een hoogte van honderd meter of meer. Jachtplaatsen liggen meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en ook wel rondom straatverlichting.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 13

Foerageergebied en vliegroutes Tijdens de veldbezoeken is 1 rosse vleermuis kort foeragerend en daarna overvliegend buiten het plangebied vastgesteld. Deze maakt geen gebruik van het plangebied om te foerageren. Verblijfplaatsen Tijdens het onderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen zomer-, balts-, paar- en/of winterverblijfplaatsen vastgesteld.

5.1.2 Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Foerageergebied en vliegroutes Ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger zijn overvliegend vastgesteld. Alleen de gewone dwergvleermuis maakt van het plangebied (vooral de voortuin) gebruik als onderdeel van zijn foerageergebied. Door de voorgenomen werkzaamheden treedt er geen verstoring op van foerageergebieden en vliegroutes die onderdeel uitmaken van het (essentieel) leefgebied van de betreffende vleermuissoorten. Ook na en tijdens de werkzaamheden blijft het plangebied geschikt als foerageergebied. Ook de omgeving is geschikt foerageergebied. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden.

Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn.

Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Verblijfplaatsen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied vastgesteld. Zie ook bijlage 3 vleermuiskaart. Wel zijn er twee verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld buiten de grenzen van het plangebied. Het gaat om de volgende verblijfplaatsen: • •

Balts-, paarverblijfplaats bij woning 112a aan de Dammerweg Zomerverblijfplaats bij woning 107 aan de Dammerweg

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 14

De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatieven effecten op de naast gelegen verblijfplaatsen. Ook na de werkzaamheden kunnen de vleermuizen in en uitvliegen, doordat de nieuwe bebouwing niet dicht op de bestaande bebouwing wordt geplaatst. De gewone dwergvleermuis en de laatvlieger maken gebruik van een netwerk aan verblijfplaatsen. Rond het plangebied zijn dan ook diverse alternatieve verblijfplaatsen aanwezig. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook niet verwacht dat de gunstige staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis in het geding komt.

5.2 Vogels 5.2.1 Voorkomen en functie Tijdens het vogelonderzoek zijn in het gebied twee soorten vastgesteld waarvan de verblijfplaatsen jaarrond zijn beschermd; huismus en gierzwaluw. Hieronder wordt per soort ingegaan op hoe zij het gebied gebruiken, daarnaast worden deze waarnemingen in de bijlagen op kaart weergegeven. Huismus Huismussen zijn bijzonder vindingrijk als het gaat om het vinden van een nestplaats. Ze nestelen meestal in holtes, bij voorkeur in huizen. De huismus is een jaarrond-soort, wat inhoudt dat de soort gedurende het hele jaar gebruik maakt van de verblijfplaatsen. De huismus is een echte cultuurvolger en bovendien uitermate veelzijdig, wel is het een veeleisende soort. Het ontbreken van één van de onderstaande elementen kan betekenen dat ondanks de aanwezigheid van veel geschikte nestplaatsen toch geen huismussen aanwezig zijn. Al deze elementen liggen dichtbij elkaar, bij voorkeur in een straal van een paar honderd meter. Geschikt huismussenhabitat bestaat uit de volgende elementen: • Ruim voldoende nestgelegenheid. • Continu voedsel in de directe omgeving van dekking. • Voldoende inheems groen als leverancier van eiwitrijk voedsel voor de jongen. • Evergreens (bladhoudende of groenblijvende plant) in hagen of gevelbegroeiing. • Zandbad. • Water. De huismus komt zeer algemeen voor in en naast het plangebied.

In het plangebied zijn geen territoria vastgesteld, wel zijn er verblijfplaatsen buiten de grenzen van het plangebied bij woning aan Dammerweg 111 de aangrenzende haag is ook een vast rust-, schuilplek, die behouden blijft. Enkele mussen passeren of zitten kort op de woning in het plangebied. Het plangebied vormt een klein onderdeel van het leefgebied van de huismus. De zingende mannetjes zitten buiten het plangebied op het dak van de woning op nr. 111 aan de Dammerweg. Ze foerageren door de omgeving, waarbij het zwaartepunt rondom de verblijfplaatsen ligt en de aangrenzende haag.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 15

Afbeelding 5. Huismus op dakrand geeft aanwijzing voor territorium (li) en een vliegende gierzwaluw (re).

Gierzwaluw De gierzwaluw is een trekvogel en alleen in de maanden mei, juni en juli in Nederland. Ook de gierzwaluw is voor zijn verblijfplaats in Nederland afhankelijk van de mens. Als verblijfplaats kiest de soort holtes en kieren tussen dakpannen en de tengels (panlatten), spouwmuur-isolatiegaten en diverse andere holtes. Deze vogels houden er een bijzondere leefwijze op na; de soort slaapt en paart in de lucht en komt alleen 'aan land' om te broeden. Boven het plangebied maar vooral boven het weiland zijn slechts af en toe enkele 2 à 3 foeragerende gierzwaluwen aangetroffen. Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van gierzwaluw aangetroffen.

5.2.2 Effecten en ontheffing Verblijfplaatsen van huismus en gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Beide soorten zijn in het plangebied niet broedend vastgesteld. Er geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Binnen het plangebied komen er geen verblijfplaatsen van huismus of gierzwaluw voor. Maatregelen zijn daarom niet noodzakelijk.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 16

5.3 Marterachtigen 5.3.1 Voorkomen en functie Kleine marterachtigen In de voorafgaande quickscan (Eelerwoude, 2020) was sprake van mogelijk voorkomen van kleine marterachtigen door waarnemingen uit de NDFF. Er zijn geen opname van deze soorten met de cameravallen gemaakt. Daarnaast hebben de bomen binnen het plangebied geen geschikte boomholte voor boommarter. Ook lopen er enkele katten rond en hebben de buren kippen, mogelijk dat deze buren marters verjagen. Overige aangetroffen zoogdieren (muizen, egels) waarvoor een vrijstelling geldt Tijdens de onderzoeken zijn diverse waarnemingen gedaan van soorten die vrijgesteld zijn van de ontheffingsplicht. Dit betreft onder andere algemeen voorkomende diverse muizen, zoals rosse woelmuis en huisspitsmuis. Tijdens het veldonderzoek is ook gelet op de aanwezigheid van andere (niet-vrijgestelde) beschermde soorten dan hierboven beschreven. Deze beschermde diersoorten (o.a. Noordse woelmuis en waterspitsmuis) zijn niet waargenomen en verblijfplaatsen worden ook niet verwacht, dit vanwege het ontbreken van geschikt biotoop en/of het bekende verspreidingsgebied. Uitzondering hierop is de boommarter die (mogelijk) van het plangebied gebruikmaakt als onderdeel van leefgebied. Er zijn echter geen verblijfplaatsen vastgesteld van de boommarter. Ook zijn er in de bomen geen geschikte boomholtes aangetroffen.

In en rond het plangebied kunnen verschillende algemene vogelsoorten voorkomen. Het gaat hierbij o.a. om de soorten koolmees, pimpelmees, roodborst. Deze soorten kunnen in en rond het plangebied tot broeden komen.

5.3.2 Effecten en ontheffing Kleine marterachtigen Tijdens het onderzoek zijn geen kleine marterachtigen (ook geen boommarter) aangetroffen. Verblijfplaatsen van deze soorten in het onderzoeksgebied worden uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Overige aangetroffen zoogdieren (muizen) waarvoor een vrijstelling geldt Naar beschermde muissoorten is geen gericht veldonderzoek uitgevoerd omdat in de voormalige quickscan (quickscan Eelerwoude, 2020) geen beschermde muizen te verwachten zijn. Ook op de camerabeelden komen geen beschermde muissoorten voor. Het aanvragen van een ontheffing wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie: Negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn niet te verwachten. Het aanvragen van een ontheffing is voor overige beschermde soorten niet noodzakelijk. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 17

6 Conclusie Op basis van het vleermuisonderzoek en vogelonderzoek (huismus en gierzwaluw) worden de onderstaande conclusies getrokken.

6.1 Soortenbescherming Uit het faunaonderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied uitmaakt als een onderdeel van het leefgebied van de beschermde soorten: gewone dwergvleermuis en huismus. Echter er zijn geen verblijfplaatsen binnen het plangebied vastgesteld en het betreft geen essentiële leefgebieden. De huismussen gebruiken het plangebied als (foerageer) onderdeel van hun leefgebied, met name de (groene) haag op de grens van het plangebied, die een vaste schuil-, en rustplaats biedt. Negatieve effecten van de werkzaamheden kunnen vermeden worden door afstand te houden van de haag en of buiten het broedseizoen te werkten. Door overdag te werkten en geen extra verlichting te plaatsen wordt negatieve effecten op vleermuizen vermeden. Met de voorgenomen werkzaamheden wordt dan ook niet verwacht dat de gunstige staat van genoemde soorten in het geding komt, vooral niet als overdag en buiten het broedseizoen wordt gewerkt. Het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.

6.2 Uitvoerbaarheid van de plannen Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten, onderdeel soortenbescherming, aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.

6.3 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegde gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoekgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 18

Literatuurlijst • • • •

•

ESRI Nederland (2019). https://www.esri.nl/nl-nl/home Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur (2017). Vleermuisprotocol 2017. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2020). Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 oktober 2020, DGNVLG/20246331, houdende vaststelling van een geactualiseerde Rode Lijst Zoogdieren. Vergeer J.W., van Dijk, A.J., Boele, A., van Bruggen, J. & Hustings F. 2016. Handleiding Sovon Broedvogelonderzoek: Broedvogel Monitoring Project en Kolonievogels. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

Soortinformatie: www.zoogdiervereniging.nl www.sovon.nl www.eurobats.org profielendocument Waarnemingen: ndff-ecogrid.nl Provincie Noord-Holland: Handleiding kleine marterachtigen bunzing, wezel en Hermelijn. Soorten: Bij12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Bij12, versie 1.0, Utrecht. Bij12 (2017). Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus. Bij12, versie 1.0, Utrecht Bij12 (2017). Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Bij12, versie 1.0, Utrecht. Bij12 (2017). Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula. Bij12, versie 1.0, Utrecht. Bij12 (2017). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Bij12, versie 1.0, Utrecht.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 19

Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 1. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).

De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.

1 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern 1 Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 20

Figuur 1: Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 21

Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.

Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime (Zie kader – Staat van instandhouding). Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 22

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.

Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 23

Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aangewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora en fauna;

•

voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;

•

om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;

•

in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of

•

om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;

•

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

•

ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;

•

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

•

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

•

in het algemeen belang van de betreffende soort.

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 24

Bijlage 2 Locatie cameravallen marters

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 25

Bijlage 3 Vleermuizenkaart

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 26

Fauna onderzoek Dammerweg te Nederhorst den Berg | Eelerwoude | 27

www.eelerwoude.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11754482/1