CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 04 Quick scan Wet natuurbescherming

gemeenteraad 22 september 2022, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Afgeven Verklaring van geen bedenkingen Dammerweg 108-109 (Het geamendeerde voorstel is unaniem aangenomen)9.016 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg

Opdrachtgever: Expo Vastgoed Ontwikkeling BV T.a.v. de heer P. Kerklaan Postbus 185 2665 ZK BLEISWIJK

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

200687 14-7-2020 J. Hakkens M. Oomen J. Loeffen Definitief 1

© 2020 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1 1.1 2

Inleiding ................................................................................................................................ 4 Aanleiding ........................................................................................................................ 4 Huidige situatie en ontwikkeling........................................................................................... 5

2.1

Huidige situatie ............................................................................................................... 5

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ............................................................................................ 6

3

Natuurwetgeving en -beleid ................................................................................................. 7

3.1

Inleiding ........................................................................................................................... 7

3.2

Bescherming van soorten ................................................................................................ 7

3.3

Bescherming van gebieden ............................................................................................. 7

3.4

Bescherming van houtopstanden ................................................................................... 8

3.5

Natuurnetwerk Nederland .............................................................................................. 9

4

Methode ............................................................................................................................. 11

4.1

Bureauonderzoek .......................................................................................................... 11

4.2

Terreinbezoek................................................................................................................ 11

5

Beschermde soorten ........................................................................................................... 12

5.1

Planten .......................................................................................................................... 12

5.2

Zoogdieren .................................................................................................................... 13

5.3

Vogels ............................................................................................................................ 16

5.4

Reptielen ....................................................................................................................... 17

5.5

Amfibieën ...................................................................................................................... 18

5.6

Vissen ............................................................................................................................ 20

5.7

Ongewervelden ............................................................................................................. 20

6

Conclusie ............................................................................................................................. 22

6.1

Bescherming soorten .................................................................................................... 22

6.2

Bescherming gebieden .................................................................................................. 23

6.3

Bescherming houtopstanden ........................................................................................ 24

6.4

Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................ 24

6.5

Geldigheid onderzoek ................................................................................................... 24

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens om een kavel te herinrichten, aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg (Figuur 1). In verband met deze voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden of, en zo ja hoe, deze ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Middels een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van de aanwezige terreintypen en waarnemingen van soorten beoordeeld welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Figuur 1. Ligging van het plangebied (rode cirkel), kavel aan de Dammerweg 109, Nederhorst Den Berg. Bron: Esri, 2020.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 4

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied is een kavel aan de Dammerweg 109 in Nederhorst Den Berg in de gemeente Wijdemeren, provincie Noord-Holland. Binnen het plangebied staat een woonhuis en een loods, een oprijlaan met enkele parkeerplaatsen en rond het woonhuis een verzorgde tuin. Achter de loods is een veld met hoog opgaande vegetatie, grenzend aan een watergang met riet. Het plangebied wordt verlicht met bewegingssensoren, de voortuin van het woonhuis wordt door de straatlantarens verlicht. Zie figuur 2 voor een impressie van het plangebied.

Figuur 2. Impressie van het plangebied op 16 juni 2020.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 5

2.2 Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens het woonhuis, de loods en het groen te verwijderen, ter realisatie van 16 woningen en een parkeerplaats met groen. De exacte planning is nog niet bekend. Zie voor de begrenzing van het plangebied Figuur 3.

Figuur 3. Begrenzing van het plangebied. Bron: Esri, 2020.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 6

3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen bij ruimtelijke ingrepen op een beperkt aantal terreinen is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het onderzoeksgebied.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk de nesten van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet het geval blijkt te zijn, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen onderzoeksgebied De wet Natuurbescherming is een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de wet Natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 7

Gevolgen onderzoeksgebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Oostelijke Vlechtplassen, op circa 200 meter afstand. De aard van de voorgenomen werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) die storingsfactoren zoals optische verstoring, verstoring door licht, geluid, trilling of toerisme met zich mee brengt. Reikt niet tot in het nabij gelegen natuurgebied door de afstand en het tussen liggende gebied met gebouwen en groen. De 16 nieuwe woningen betreffen regulieren woningen waardoor er ook geen toename van toerisme is op het natuurgebied. Dit maakt de voorgenomen werkzaamheden uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Met de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten In principe is een berekening van de stikstofuitstoot en de gevolgen daarvan op Natura 2000gebieden veroorzaakt door de werkzaamheden (aanlegfase) en de nieuwe situatie (gebruiksfase) altijd noodzakelijk. Deze AERIUS-berekening zal in een separaat rapport geleverd worden.

3.4 Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen (bomen) is gelet op de Wet natuurbescherming niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook voor het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.

De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 8

• • •

•

• • •

naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen; o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. het dunnen van een houtopstand van uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter; o zijn aangelegd na 1 januari 2013. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.

De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moeten apart van elkaar uitgevoerd worden. Daarnaast geeft de gemeente middels een op te vragen bomenkaart aan welke zij wil beschermen. Gevolgen onderzoeksgebied De te kappen bomen staan alleen op het erf, in de tuin en langs de watergang (eiken, esdoorn en enkele wilgen). Hierdoor is er geen sprake van bescherming van houtopstanden. Mogelijk is het wel noodzakelijk om een kapvergunning aan te vragen bij de gemeente.

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk faciliteert het beter verbinden van natuurgebieden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 9

Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren. Gevolgen onderzoeksgebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het plangebied ligt op ongeveer 200 meter van begrensd NNN-gebied. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Daarnaast wordt het bestemmingsplan niet gewijzigd. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 10

4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie; • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); • de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied; • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database.

4.2 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het plangebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is uitgevoerd door M. Oomen, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Luxon 12x50). Het veldbezoek is overdag uitgevoerd op 16 juni 2020 bij 23°C, bewolkt en windkracht 1 Bft. Het betreft een deskundigenoordeel gebaseerd op de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn ook de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of

-

op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 11

5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Planten Voorkomen en functie Het plangebied betreft een kavel met in de tuin van het woonhuis enkele bomen zoals rode esdoorn en eiken, langs de watergang staan enkele wilgen. Ook staan er struiken zoals vlier, rododendron en braamstruiken, vooral in de tuin rondom het woonhuis. In de tuin van het woonhuis ligt een gazon met kruiden zoals ereprijs, zilverschoon, madelief, paardenbloem en klaver. Achter de loods is een veld met hoog opgaande ruigte met soorten zoals perzikkruid, harig wilgenroosje, scherpe boterbloem, brandnetel, zegge, riet, opkomende wilgen, kornoelje en diverse grassoorten. Langs de oever en in de watergang zijn soorten zoals gele lis, penningkruid en kroos aangetroffen. Tussen de loods en de watergang staat de invasieve exoot Japanse duizendknoop. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Op grond van een deskundigenoordeel is een biotoopanalyse uitgevoerd met betrekking tot de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het onderzoeksgebied. De aangetroffen plantsoorten zijn kenmerkend voor een voedselrijke tot matig voedselrijke bodem. Gelet op de aanwezige habitat dat bestaat uit een aangelegde tuin en een verruigd veldje, het beheer en de functie van het plangebied worden beschermde plantensoorten binnen de grenzen van het plangebied uitgesloten.

Vanuit de NDFF zijn ook geen waarnemingen bekend van beschermde flora binnen of direct rond het gebied. Effecten en ontheffing Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen en kunnen op basis van de biotoopanalyse worden uitgesloten. Ook zijn er geen gegevens van beschermde planten in of in de omgeving van het plangebied bekend uit verspreidingsatlassen en de NDFF. Derhalve zijn negatieve effecten op beschermde plantsoorten uit te sluiten en is een nader onderzoek of ontheffing Wet natuurbescherming niet aan de orde. Aangeraden wordt zorgvuldig met de invasieve exoot Japanse duizendknoop te werk te gaan om verdere verspreiding van deze soort te voorkomen. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk. Advies is om verspreiding van invasieve exoot Japanse duizendknoop tegen te gaan.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 12

5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, en mogelijk ook de baard-, en Brandts vleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Zie ook kader – vleermuisverblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats. Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. De gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouwbewonend. De watervleermuis is voornamelijk boombewonend en de ruige dwergvleermuis bewoont zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.

Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Binnen het plangebied staan 2 gebouwen met ventilatiegaten en spleten bij de raamkozijnen, die potentiële verblijfplaatsen kunnen bieden voor gebouwbewonende vleermuizen. Binnen het plangebied staan diverse boomsoorten van verschillende groottes. Enkele bomen hebben holtes en spleten die potentiële verblijfplaatsen kunnen zijn voor boombewonende vleermuizen. Dit zijn vooral de dikkere boom in de tuin naast het woonhuis. De bomen langs de watergang zijn relatief te dun in omvang om een geschikte verblijfplaats te bieden. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is geschikt als foerageergebied, zo ook de directe omgeving. In de omgeving is alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van het groen langs wegen en in het naast gelegen Natura 2000-gebied.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 13

Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals boomrijen en watergangen, welke als vliegroute kunnen dienen (zie ook kader – foerageergebieden en vliegroutes). De lijnvormige elementen zoals de watergang is potentieel geschikt om als vliegroute gebruikt te kunnen worden. Deze watergang blijft behouden en wordt uitgebreid. Daarnaast is het geen essentiële lijnstructuur, door de aanwezigheid van diverse andere watergangen en lijnstructuren in de omgeving. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter).

Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Plaatselijke factoren met betrekking tot vleermuizen: • Effect op potentiële verblijfplaatsen in woningen: Binnen het plangebied staan 2 gebouwen die beide potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen kunnen bieden. Nader onderzoek is noodzakelijk om aan te tonen dan wel uit te sluiten of en zo ja, welke functie het plangebied heeft voor vleermuizen. Afhankelijk van de uitkomst van het nader onderzoek is mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming nodig evenals het nemen van maatregelen. • Effect op potentiële verblijfplaatsen in bomen: Binnen het plangebied zijn enkele bomen met holtes en spleten aangetroffen die potentiële verblijfplaatsen kunnen zijn voor boombewonende vleermuizen, met name de grote boom in de tuin naast het woonhuis. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk om aan te tonen dan wel uit te sluiten of en zo ja, welke functie het plangebied heeft voor vleermuizen.

Afhankelijk van de uitkomst van het nader onderzoek is mogelijk een ontheffingsaanvraag nodig.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 14

• Foerageergebied niet essentieel: Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied, omdat er buiten het plangebied voldoende alternatief groen aanwezig is in de vorm van groen langs wegen en waterelementen en groenstructuren in het Natura 2000-gebied. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen. • Vliegroute niet essentieel: Binnen het plangebied is een lijnvormig element aanwezig in de vorm van een watergang. Deze is en blijft ook tijdens de werkzaamheden potentieel geschikt als vliegroute. Omdat werkzaamheden overdag uit gevoerd zullen worden, hebben de werkzaamheden geen negatieve invloed op een eventueel aanwezig vliegroute. Daarnaast is de watergang niet essentieel door de diverse andere watergangen in de omgeving. Conclusie: Nader onderzoek is voor vleermuizen noodzakelijk om aan te tonen dan wel uit te sluiten of en zo ja, welke functie het plangebied heeft voor vleermuizen.

5.2.2 Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van de aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, vos, egel, rat, haas, konijn en diverse muissoorten, allen soorten die het plangebied kunnen benutten als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Noord-Holland is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals steenmarter en boommarter, komen volgens verspreidingsatlassen en NDFF niet binnen of in de omgeving van het plangebied voor. Binnen het plangebied zijn geen leegstaande gebouwen waar steenmarter gebruik van kan maken. Voor boommarters zijn er weinig en te kleine bomen binnen het plangebied aanwezig, ook ontbreekt daarvoor geschikte grote holtes als verblijfplaats. In de omgeving van het plangebied komen wel kleine marterachtigen zoals hermelijn en wezel voor (NDFF). Het plangebied heeft achter de loods een veld met hoog opgaande vegetatie met muizenholen. In de omgeving liggen weilanden met kort onderhouden gras en erven met bosschages.

Tijdens het veldbezoek zijn geen houtstapels aangetroffen die kunnen dienen als verblijfplaats van bunzing maar hermelijn en wezels kunnen van muizenholen gebruik maken als verblijfplaats. Effecten en ontheffing De voorgenomen werkzaamheden zullen leiden tot een tijdelijk en klein verlies van leefgebied van genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime andere soorten. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie NoordHolland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Beschermde soorten zonder vrijstelling zoals steenmarter en boommarter komen niet in het plangebied voor. Wel komen in de omgeving kleine marterachtigen voor. Binnen het plangebied

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 15

ontbreken houtwallen of stapels als verblijfplaats voor bunzing. Echter , voor hermelijn en wezel zijn er muizenholen die gebruikt kunnen worden als potentiele verblijfplaatsen in het verruigde grasveld achter de loods. De ruigte biedt ook dekking om als foerageer- en leefgebied gebruikt te kunnen worden. Hierdoor zijn kleine marters niet uit te sluiten in het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden kunnen een geen negatief effect hebben op verblijfplaatsen of het essentieel foerageergebied van de genoemde beschermde zoogdiersoorten, waardoor een nader onderzoek noodzakelijk is of een ontheffing. Nader onderzoek kan met cameravallen en of loopbuizen onderzocht worden en verblijfplaatsen uitsluiten. Dit onderzoek moet in de meest actieve periode (van mei tot augustus) uitgevoerd worden. Conclusie: nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor kleine marterachtigen is noodzakelijk.

5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid kan gemaakt worden tussen broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten. Vogels met jaarrond beschermde nesten komen elk jaar terug bij hun nest. Deze nesten mogen dan ook niet buiten het broedseizoen verwijderd worden. Broedvogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van dorpen, water, riet, bosschages, en weilanden. Onder andere fuut, meerkoet, wilde eend, houtduif, merel, kauw, halsbandparkiet, boerenzwaluw, braamsluiper en mogelijk ook de kleine karekiet kunnen gebruik maken van het plangebied. In de bomen en struiken zijn kleine vogelnesten aangetroffen. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van vogelsoorten die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruik maken zijn geen verblijfplaatsen (horsten), of andere aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, aangetroffen in het plangebied. Ook ontbreken sporen of verblijven van soorten als steenuil en kerkuil in de aanwezige schuur, Wel is het mogelijk dat vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals sperwer het plangebied gebruiken als onderdeel van hun foerageergebied. Huismussen en gierzwaluwen maken voor hun nest gebruik van bebouwing, met name woningen, waar zij onder dakpannen, gevel- en nokpannen kruipen.

Tijdens het veldbezoek zijn huismussen in de omgeving aangetroffen. Binnen het plangebied is alleen het woonhuis met dakpannen een potentiele verblijfplaats voor gierzwaluw en huismus. Effecten en ontheffing Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van eieren en/of nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 16

de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk, indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Tijdens het veldbezoek binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten in de bomen of sporen daarvan aangetroffen. Wel komen huismussen en gierzwaluwen in de omgeving voor. Het woonhuis biedt potentiële verblijfplaatsen voor de gierzwaluw en huismus. De sloopwerkzaamheden kunnen een negatief effect hebben op de jaarrond beschermde nesten van deze soorten. Nader onderzoek is nodig om de aan-, of de afwezigheid aan te tonen. Afhankelijk van dat onderzoek zijn mogelijk een ontheffing en of mitigerende maatregelen nodig.

Nader onderzoek naar de aan- of afwezigheid van de gierzwaluw en huismus worden uitgevoerd volgens het kennisdocument (Bij12,2017) en bestaat uit de volgende inspanning: • 2 veldbezoeken in de periode 1 april-15 mei; • 3 veldbezoeken in de periode 1 juni-15 juli. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor gierzwaluw en huismus noodzakelijk. De werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd als is vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn. Geadviseerd wordt buiten het broedseizoen, dat duurt van 1 maart tot 15 juli, te werken.

5.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen als hazelworm en zandhagedis zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt een dergelijke geschikte biotoop zoals heideterreinen en open zanderige plekken die als voortplantingsplek kunnen dienen voor de zandhagedis. Bovendien zijn er geen recente verspreidingsgegevens (NDFF) bekend van reptielen in het plangebied. Wel komt de ringslang op 700 meter afstand voor, voornamelijk in het nabij gelegen Natura 2000-gebied (Oostelijke Vlechtplassen). In het plangebied ontbreken riet- of bladhopen die door de ringslang gebruikt kunnen worden voor de eiafzetting (voortplanting) of om te overwinteren. De soort kan het plangebied kruisen tijdens het foerageren, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de watergang.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 17

Effecten en ontheffing Het plangebied biedt geen geschikt voortplantingsplekken voor beschermde reptielen. Ook zijn geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde reptielen in het plangebied. Wel komt de ringslang in de omgeving voor, maar in het plangebied ontbreekt het aan geschikte voortplantings- en overwinteringsplekken. Ook voor andere beschermde reptielen ontbreken voortplantingsplekken, zoals open zand. De ringslang kan het plangebied wel gebruiken als onderdeel van zijn foerageergebied. Het betreft echter geen essentiële functie gezien de geschiktheid van de omgeving en de aanwezige Oostelijke Vechtplassen waar de soort voorkomt. Ook blijft de aanwezige watergang behouden waardoor ook in de nieuwe situatie ringslangen het plangebied gemakkelijk kunnen kruisen. Het plangebied maakt geen essentieel onderdeel uit van de functionele leefomgeving van beschermde reptielen. Negatieve effecten worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor reptielen niet noodzakelijk.

5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Een aantal soorten zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop en de watergang als voortplantingsbiotoop. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Noord-Holland is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Andere beschermde amfibieën zoals heikikker of rugstreeppad zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt een dergelijke geschikte biotoop zoals goed ontwikkelde en snel opwarmende geïsoleerde poelen en een goed vergraafbare bodem. Ook komen genoemde soorten niet in het plangebied voor volgens verspreidingsatlassen en de NDFF. In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van rugstreeppad, namelijk op circa 1 kilometer afstand van het plangebied. Voor de rugstreeppad ontbreken binnen het plangebied geschikte voortplantingspoelen en open zand en/of goed vergraafbare grond, als landbiotoop (overwinteringslocatie). Effecten en ontheffing De werkzaamheden hebben op genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten” een klein en tijdelijk negatief effect.

Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Noord-Holland is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. In het plangebied is geen geschikte biotoop aanwezig voor beschermde amfibieën zoals rugstreeppad of heikikker en deze worden dan ook uitgesloten. Ook zijn er in verspreidingsatlassen en de NDFF van beschermde amfibieën geen waarnemingen bekend in het plangebied. Wel komt de rugstreeppad in de omgeving voor, namelijk op circa 1 kilometer

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 18

afstand. In het plangebied ontbreken pionierssituaties: snel opwarmde geïsoleerde poelen en vergraafbare grond waardoor het als voortplantings- en landbiotoop voor de rugstreeppad uitgesloten kan worden. Hierdoor is een negatief effect op beschermde amfibieën uit te sluiten. De rugstreeppad betreft een mobiele soort die wordt aangetrokken door open gebieden met goed vergraafbare bodem. In de voortplantingsperiode van de rugstreeppad, welke is van april tot en met juli, wordt aanbevolen alert te zijn op aanwezigheid van de rugstreeppad om vestiging van de soort voor of tijdens de werkzaamheden te voorkomen (Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Vestiging van de soort kan worden voorkomen door: - het voorkomen van ondiepe waterplassen op het bouwterrein waar rugstreeppadden eiersnoeren in kunnen leggen (voortplanten); - vergraven terrein niet voor langere tijd open en ongebruikt laten liggen. Rugstreeppadden nemen deze graag in gebruik. Vergraven terrein, of delen ervan, kan tijdens de werkzaamheden worden omheind of afgedekt. Indien een rugstreeppad wordt aangetroffen, neem dan direct contact op met een ecoloog. Indien de soort zich (nog) niet heeft gevestigd, mag de ecoloog als ter zake kundige het dier verplaatsen naar geschikt, alternatief terrein.

In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met algemeen voorkomende amfibieën die in de watergang en op de groenstroken kunnen voorkomen, door onderstaande maatregelen te nemen. Aanbevolen wordt deze maatregelen te verwerken in een ecologisch werkprotocol. Maatregelen Om verstoring op amfibieën te voorkomen, wordt aanbevolen werkzaamheden aan de watergang uit te voeren in de voor amfibieën de meest gunstige periode: bij voorkeur in de periode van 15 juli tot 1 november, waarbij september en oktober de voorkeur hebben. Dit is buiten het voortplantingsseizoen en de winterrust van amfibieën. Bij de uitvoering moet één kant op worden gewerkt, zodat amfibieën de gelegenheid hebben te vluchten. Conclusie: Voor de werkzaamheden wordt in het kader van de zorgplicht aanbevolen maatregelen te nemen met betrekking tot amfibieën en deze maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde amfibieën niet noodzakelijk. Geadviseerd wordt alert te zijn op de rugstreeppad.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 19

5.6 Vissen Voorkomen en functie Beschermde vissoorten zoals grote modderkruiper en kwabaal komen in het nabij gelegen Natura 2000-gebied voor. Het plangebied grenst aan een watergang met algemene vissoorten. Binnen het plangebied is geen sprake van verlanding, en in het water zijn weinig waterplanten of diepe delen. Dit komt door het recentelijke uitbaggeren van de watergang. De kwabaal leeft in het diepere koele en zuurstofrijkere deel van watergangen, dat is afwezig in de watergang langs het plangebied. Effecten en ontheffing Grenzend aan het plangebied ligt een watergang met algemeen voorkomende vissoorten. Volgens verspreidingsatlassen en de NDFF komen in de omgeving van het plangebied de beschermde vissoorten grote modderkruiper en kwabaal voor. Echter, de watergang biedt in de huidige situatie matig geschikt biotoop voor beschermde vissoorten zoals de grote modderkruiper en kwabaal waardoor essentiële functies worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde vissen niet noodzakelijk. In de watergang vinden ten behoeve van de herprofilering graafwerkzaamheden plaats. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met algemene vissoorten. Dit door onderstaande maatregelen in acht te nemen. Aanbevolen wordt deze te verwerken in een ecologisch werkprotocol.

Maatregelen Om verstoring van vissoorten te voorkomen, wordt aanbevolen de werkzaamheden uit te voeren in voor vissoorten de meest gunstige periode; bij voorkeur in de periode van 15 juli tot 1 november waarbij september en oktober de voorkeur hebben. Dit is buiten het voortplantingsseizoen en de winterrust van vissensoorten. Bij de uitvoering moet één kant op worden gewerkt, zodat vissen de gelegenheid hebben te vluchten. Is dit niet mogelijk, dan is het in het kader van de zorgplicht noodzakelijk de vissen in de watergangen eerst af te vangen en naar vergelijkbaar water in de buurt over te zetten. Gezien de stress die dit bij de dieren oplevert, heeft deze methode niet de voorkeur. Conclusie: Voor de werkzaamheden in de watergangen wordt in het kader van de zorgplicht aanbevolen maatregelen te nemen met betrekking tot vissen en deze maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) zijn voorbeelden van beschermde soorten: groene glazenmaker en platte schijfhoorn. In het plangebied is geen geschikte biotoop aanwezig dat onder andere bestaat uit heideterreinen, poelen of een grote hoeveelheid aan krabbenscheer. In de watergang ontbreekt een goed

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 20

ontwikkelde watervegetatie. Ook zijn er geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in het plangebied. Effecten en ontheffing Door het ontbreken van een geschikte biotoop in het plangebied kunnen beschermde ongewervelden worden uitgesloten. De werkzaamheden hebben daarom geen negatief effect op beschermde ongewervelden. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 21

6 Conclusie Op basis van deze Quickscan worden de onderstaande conclusies getrokken.

6.1 Bescherming soorten De initiatiefnemer is voornemens bomen te kappen en het groen te verwijderen, twee gebouwen te slopen, en nieuwe reguliere woningen te realiseren op een kavel te Nederhorst Den Berg. Hierdoor zal een tijdelijk en klein verlies van leefgebied van overige beschermde soorten worden veroorzaakt. Daarnaast zijn door de provincie Noord-Holland vrijstellingen van de ontheffingsplicht opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling van ontheffingsplicht indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Nader onderzoek naar deze overig beschermde soorten (algemeen voorkomende zoogdieren) of een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk.

6.1.1 Nader onderzoek naar vleermuizen Naar aanleiding van deze toetsing kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in de woningen en in bomen niet worden uitgesloten. Op basis daarvan is nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Dit onderzoek moet voor de start van de werkzaamheden worden uitgevoerd. Bij de uitvoering van vleermuisonderzoek wordt gewerkt conform het vigerende ‘Vleermuisprotocol’ (2017) dat door het Ministerie van Economische Zaken is goedgekeurd en wordt gehanteerd door het Netwerk Groene Bureaus. Het vleermuisonderzoek kan slechts in een beperkte periode van het jaar worden uitgevoerd. Het onderzoek voor dit plangebied in deze toetsing bestaan uit: 3 bezoeken tussen 15 mei - 15 juli; 2 bezoeken tussen 15 augustus en 1 oktober. Tussen de bezoeken zit in de regel 20 tot 30 dagen. Het onderzoek kan in het najaar van 2020 gestart worden. Afhankelijk van wat wordt aangetroffen bij het nader onderzoek kan dit consequenties hebben voor de planning en wijze van de uitvoering van werkzaamheden. Daarnaast kunnen zogenaamde compenserende en mitigerende maatregelen alsmede een ontheffing nodig zijn.

6.1.2 Nader onderzoek naar kleine marterachtigen Binnen het plangebied zijn muizenholen die als rust en of verblijfplaats kan dienen voor hermelijn en wezel. Nader onderzoek kan in de actieve periode (mei-augustus) uitgevoerd worden met cameravallen en loopbuizen. Nader onderzoek naar kleine marterachtigen is noodzakelijk om te bepalen of het plangebied voor deze soorten een functie heeft, en zo ja welke functie.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 22

6.1.3 Nader onderzoek naar de huismus en gierzwaluw Binnen het plangebied staat een woonhuis met potentiële verblijfplaatsen voor de huismus en gierzwaluw. De sloopwerkzaamheden kunnen een negatief effect hebben op deze jaarrond beschermde nesten. Nader onderzoek is nodig om de aan-, of de afwezigheid aan te tonen. Afhankelijk van dat onderzoek zijn mogelijk een ontheffing en of mitigerende maatregelen nodig. Nader onderzoek naar de aan- of afwezigheid van de gierzwaluw en huismus worden uitgevoerd volgens het kennisdocument (Bij12,2017) en bestaat uit de volgende inspanning: • 2 veldbezoeken in de periode 1 april-15 mei; • 3 veldbezoeken in de periode 1 juni-15 juli.

6.1.4 Rekening houden met vogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen 1 mogen worden uitgevoerd. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen bezette nesten worden verstoord.

6.1.5 Rekening houden met amfibieën en vissen In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met algemene vissoorten en amfibieën. Dit door de maatregelen in Paragraaf 5.5 en 5.6 in acht te nemen. Aanbevolen wordt deze te verwerken in een ecologisch werkprotocol.

6.1.6 Plaagsoort Japanse duizendknoop Binnen het plangebied is Japanse duizendknoop aangetroffen. Aangeraden wordt zorgvuldig met de invasieve exoot Japanse duizendknoop te werk te gaan om de verspreiding van deze soort tegen te gaan.

6.2 Bescherming gebieden Niet- stikstof gerelateerde effecten In de directe omgeving van het plangebied ligt op circa 200 meter afstand het Natura 2000gebied de Oostelijke Vlechtplassen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Met de voorgenomen werkzaamheden, het slopen van 2 gebouwen en de realisatie van 16 nieuwe reguliere woningen, is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

1

In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.

Herinrichting van kavel aan de Dammerweg 109 te Nederhorst Den Berg | Eelerwoude | 23

Literatuurlijst • • • •

• •

Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. Koninklijke Vermande (1999-2009). Planten en dieren, Flora- en faunawet, band 1, 2, 3 , 4 en 5. SDU Uitgeverij, Den Haag Limpens, H. , K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Limpens, H., P. Twisk & G. Veenbaas (2004). Met vleermuizen overweg. Brochure over vleermuizen en de wijze waarop bij planning, aanleg, reconstructie en beheer van wegen praktische invullingen kan worden gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor vleermuizen. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft / Zoogdiervereniging, Arnhem. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Weeda, R., Westra, C., Westra, E. J., & Westra, T. (1985-1994). Nederlandse oecologische flora: Wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. Amsterdam, Nederland: IVN in samenw. met de Vara en de VEWIN.

Soortinformatie en overige websites: • www.zoogdiervereniging.nl • www.ravon.nl • www.sovon.nl • www.ndff-ecogrid.nl • www.floron.nl • www.verspreidingsatlas.nl Provincie Noord-Holland, Natura 2000-gebieden, NNN en houtopstanden: - https://www.Noord-Holland.nl/onderwerpen/landschap/natuurrijk-zuid/natura-2000/ - https://www.Noord-Holland.nl/overons/feiten-cijfers/interactieve/ - https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/default.aspx?main=natura2000

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 2. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.

2

De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.

Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.

Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. 2.

De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.

Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11754480/1