CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 02 Financiële Verordening ex artikel 212 gemeente Wijdemeren 2023 definitief

gemeenteraad 7 december 2023, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Financiële verordening, controleverordening 2024 en verordening onderzoeken doelmatigheid en doeltreffendheid gemeente Wijdemeren 2024 (Het raadsvoorstel is zonder stemming aangenomen.)11.567 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Eerste lid Het eerste lid van artikel 16 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en overheadkosten die rechtstreeks samenhangen met de door de gemeente verleende diensten. Tweede lid Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, worden in de kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen. Derde lid Het derde lid geeft aan dat de rente over de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van (vaste) activa die voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen, werken en diensten worden betrokken bij de kostprijsberekening. De rentepercentages voor deze vergoeding worden bij de behandeling van de begroting vastgesteld. Vierde lid Het vierde lid geeft aan dat jaarlijks een vast opslagpercentage wordt berekend om de overheadkosten op te nemen in de kostprijs van goederen, werken en diensten.

Hiervoor wordt bij de begroting een vast opslagpercentage berekend door de totale overhead te delen door de totale lasten van de taakvelden exclusief overhead. Vijfde lid Het vijfde lid geeft aan dat voor de bepalen van de hoogte van de leges wordt afgeweken van de hoofdregel uit lid 4. De overheadkosten worden via een opslag (uurtarief) boven op de directe kosten verdeeld naar de producten waarvoor leges worden geheven. Van lid 4

wordt afgeweken omdat de gemeentelijke dienstverlening waarvoor leges worden geheven met name bestaat uit arbeidsuren. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de rioolheffing waarvan de directe kosten kapitaalintensief zijn en weinig arbeidskosten bevat. Aangezien de inzet van arbeid meer van de overhead vraagt dan uitvoeringskosten is voor een andere toerekening van de overheadkosten gekozen. Artikel 17. Prijzen economische activiteiten Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht. Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking.

Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter. Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen conform de verwijzing in het vijfde lid. Artikel 18. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 van de Gemeentewet).

Eerste lid Het eerste lid van artikel 18 bepaalt, dat de raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing en leges jaarlijks vaststelt. Voor de gemeente Wijdemeren gaat het vaststellen van de belastingen, rechten, leges en heffingen via de diverse verordeningen (legesverordening, verordening afvalstoffenheffing, verordening rioolheffing etc.). Voor huurovereenkomsten geldt dat, voor zover in de overeenkomst geen specifiek indexpercentage wordt genoemd, de indexering conform de gemeentelijke begroting wordt gebruikt. De nota grondbeleid wordt iedere vier jaar vastgesteld en daarin staan de tarieven voor de verkoop en verhuur van gemeentelijke gronden, inclusief het tarief voor de geliberaliseerd pachtgronden. De tarieven voor reguliere pacht worden bepaald in lijn met hetgeen de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland hanteert. Dit wordt in de nota grondbeleid toegelicht. Tweede lid

Het tweede lid bepaalt, dat tussentijdse wijzigingen van besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen die afwijken van de kaders uit de nota, vooraf ter besluitvorming aan de raad worden aangeboden. Artikel 19. Financieringsfunctie Artikel 212 van de Gemeentewet bevat de bepaling, dat de financiële verordening in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 19 geeft invulling aan deze plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. Eerste lid In aanvulling op de regels uit de Wet financiering decentrale overheden en daarop gebaseerde besluiten en regelingen stelt het eerste lid een aantal aanvullende kaders. Zo mag geen gebruik worden gemaakt van financiële derivaten. Tweede lid Gemeenten mogen alleen leningen en garanties verstrekken en financiële participaties aangaan voor het behartigen van een publiek belang (artikel 2 van de Wet fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 van de Gemeentewet, dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen.

Derde lid Het derde lid draagt het college op bij het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal zo mogelijk zekerheden te bedingen om zo het financiële risico waaraan de gemeente bloot komt te staan, te verminderen. Dit is zeker als het om grote bedragen gaat, iets om op te letten. Als instellingen bij een gemeente aankloppen voor een lening of garantiestelling dan hebben de banken er in de regel niet al te veel vertrouwen meer in. Vierde lid Garantieverlening brengt risico’s met zich mee. Voor risico’s van verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten moet in de jaarrekening een voorziening worden getroffen. Het vierde lid bepaalt dat bij het besluit tot het verlenen van de garantie een inschatting van het risico moet worden gemaakt, zodat de raad dit kan meewegen bij de besluitvorming. Vijfde lid Het vierde lid bepaalt dat het college een treasurystatuut opstelt waarin de regels voor de uitvoering, de taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening wordt vastgelegd. Artikel 20 Overhevelingen Het college geeft uitvoering aan de door de raad vastgestelde begroting en de, in aanvulling daarop, gedurende het jaar vastgestelde beleids- en begrotingsaanpassingen. In de praktijk wijkt de werkelijke besteding af van de in de begroting opgenomen bedragen.

Het komt regelmatig voor dat deze afwijkingen worden veroorzaakt doordat activiteiten, waarvoor de raad geld beschikbaar heeft gesteld, nog niet (geheel) zijn uitgevoerd. Dit leidt dan tot een

voordelig saldo ten opzichte van de begroting. De activiteiten worden in het volgende begrotingsjaar (verder) uitgevoerd. De kaders voor de overhevelingen worden in dit artikel gegeven. Hoofdstuk 5. Paragrafen Het BBV geeft in de artikelen 10 tot en met 16 aan wat er in de paragrafen lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en grondbeleid ten minste moet staan. In de financiële verordening kan de raad bepalen, dat hij ook over aanvullende zaken in de paragrafen wil worden geïnformeerd. Hoofdstuk 4 van de financiële verordening geeft hier invulling aan. Voor de opstelling van de paragrafen in de begroting en jaarstukken hanteren we de wettelijk voorgeschreven paragrafen en de daarin voorgeschreven invulling. Artikel 21. Lokale heffingen In het BBV staat in artikel 10, welke informatie de paragraaf lokale heffingen in elk geval moet bevatten. Artikel 22. Financiering In het BBV staat in artikel 13, welke informatie de paragraaf financiering in elk geval moet bevatten. Artikel 23. Weerstandsvermogen & risicobeheersing In het BBV staat in artikel 11, welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing in elk geval moet bevatten. In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze in beeld moet worden gebracht of de weerstandscapaciteit voldoende is.

Het beleid hieromtrent is vastgelegd in de nota reserves en voorzieningen omdat voor het weerstandsvermogen de algemene reservepositie relevant is. Artikel 24. Onderhoud kapitaalgoederen In het BBV staat in artikel 12, welke informatie de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in elk geval moet bevatten. Het beleidsplan IBOR (Integraal Beheer Openbare Ruimte) is een belangrijk kader waarin de uitgangspunten voor het beheer en onderhoud van de openbare ruimte worden vastgelegd. Het IBOR beschrijft de lijnen waarlangs de gemeente, samen met de gebruikers van de openbare ruimte, de openbare ruimte in stand wil houden. Het beleidsplan IBOR legt de kwaliteitskeuzes voor het beheer van de openbare ruimte vast. Deze keuzes dienen vervolgens als uitgangspunt voor het actualiseren van de beleids- beheer- en eventuele uitvoeringsplannen. Omdat de beleving van de openbare ruimte niet alleen afhangt van het onderhoudsniveau gaat het beleidsplan IBOR ook in op de samenhang van de inrichting, het gebruik en het beheer van de openbare ruimte. Het IBOR is ook het uitgangspunt voor de kapitaalgoederen in de openbare ruimte zoals de wegen, trottoirs, fietspaden, openbare verlichting en civiele kunstwerken. Het IBOR is echter breder en omvat de uitgangspunten voor het totale beheer van de openbare ruimte waaronder ook voor de reiniging, gladheidsbestrijding, straatmeubilair en onkruidbestrijding.

Het onderhoud van het rioolstelsel valt buiten het IBOR; hiervoor wordt het waterplan opgesteld.

De paragraaf onderhoud kapitaalgoederen beperkt zich tot de kapitaalgoederen (investeringen in de openbare ruimte met een meerjarig nut die kunnen worden geactiveerd en meerjarig worden afgeschreven). Deze zijn opgenomen in het tweede lid. Het derde tot en met het vijfde lid bevatten bepalingen waaruit volgt, dat het college periodiek de raad beleidsplannen aanbiedt over respectievelijk de riolering (waterplan), de openbare verlichting, (sport)gebouwen en onderwijsgebouwen. Hiermee kan de raad de kaders voor het toekomstig onderhoudsniveau vaststellen. Voor het Integraal Huisvestingsplan onderwijsgebouwen (IHP) is bij de vaststelling van het beleidsplan afgesproken om het IHP op basis van de geformuleerde uitgangspunten elke twee jaar te actualiseren. Omdat de leerlingenaantallen en de onderwijswetgeving altijd aan ontwikkeling onderhevig zijn. Met een tweejaarlijkse actualisatie kan met dergelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden en kan daar goed op worden ingespeeld. Het IHP wordt opgesteld conform de verordening huisvestingsvoorziening Onderwijs. In deze verordening is opgenomen voor welke onderdeel van de onderwijshuisvesting de gemeente verantwoordelijk is. Artikel 25. Bedrijfsvoering In het BBV staat in artikel 14, welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering in elk geval moet bevatten.

In het kader van de rechtmatigheidsverantwoording heeft de commissie BBV een aantal stellige uitspraken gedaan over hetgeen opgenomen dient te worden in de paragraaf Bedrijfsvoering. Dit zijn: - een toelichting op alle afwijkingen die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen en eventueel welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen. - Indien de normen uit de gids proportionaliteit (aanbestedingen) veelvuldig niet nageleefd worden of slecht gedocumenteerd en/of gemotiveerd zijn, dan moet het college hierover rapporteren via de paragraaf bedrijfsvoering. - Niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet fido en de bijbehorende ministeriële regelingen moeten worden opgenomen en toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering. Daarnaast adviseert de commissie BBV om geconstateerde fraude door eigen medewerkers toe te lichten in de paragraaf Bedrijfsvoering hetgeen in artikel 25 is opgenomen. Artikel 26. Verbonden partijen In het BBV staat in artikel 15, welke informatie de paragraaf verbonden partijen in elk geval moet bevatten. Artikel 27. Grondbeleid Eerste lid In het BBV staat in artikel 16, welke informatie de paragraaf grondbeleid in elk geval moet bevatten. Tweede lid

Het tweede lid bepaalt, dat het college eens de vier jaar aan de raad een nota grondbeleid aanbiedt. Met de nota kan de raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid vaststellen. Derde lid In het derde lid is opgenomen dat het college voor aanvang van een nieuw kalenderjaar een voorstel voorlegt met de grondprijzen voor het nieuwe kalenderjaar. Artikel 28. Openbaarheidsparagraaf Wet Open Overheid Het college doet in deze paragraaf verslag van de gerealiseerde zaken die de Wet Open Overheid aan de gemeenten stelt sinds zijn intrede in 2022.

Hoofdstuk 6. Financiële organisatie en financieel beheer Artikel 29. Administratie Onder artikel 29 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging er van moeten voldoen. Artikel 30. Financiële organisatie Artikel 30 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 van de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie, blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet. Artikel 30 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand, dat het college een organisatiebesluit en een treasurystatuut vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt. Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden.

Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen. In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden. De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden, waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen met een financieel gevolg en de getrouwheid van de jaarrekening.

Artikel 31. Interne controle De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen, rechtmatig zijn verlopen. Het eerste lid van artikel 30 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen. Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen zoals gebouwen, voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen, debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd. Eens in vier jaar moet worden gecontroleerd of de administratie van registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit. Advies is om deze laatste controle eens in de vier of vijf jaar uit te voeren. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Artikel 32.

Intrekken oude verordening en overgangsrecht Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De nieuwe verordening is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar t en later. De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van toepassing op de jaarstukken van het begrotingsjaar t-1. Hiervoor is in artikel 32 een overgangsbepaling opgenomen. Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel In het tweede lid van artikel 33 is een overgangsbepaling opgenomen zodat de bepalingen uit de oude financiële verordening nog van kracht zijn op de jaarstukken t-1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13469951/2