Beantwoording technische vragen RE 15 juni incl bijlagen Meenthof, Fort Spion en rapport Waardenburg
Tekst van het document
8
ADC-toets: toets op Alternatieven, Dwingende reden van groot openbaar belang, Compensatie.
effecten op verder weg gelegen gebieden op grond van de afstand eveneens uit te sluiten. Deel 2 Beschermingsregimes soorten Deel 2 van de voorliggende rapportage beschrijft de effecten van de aanleg van de parkeerplaats op beschermde soorten planten en dieren in het plangebied en op welke wijze rekening moet worden gehouden met deze soorten. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, zal moeten worden nagegaan of een vrijstelling geldt of dat een ontheffing moet worden verkregen. De Wet natuurbescherming onderscheid bij de bescherming van soorten drie beschermingsregimes: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Wnb § 3.1), 4 • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Wnb § 3.2) en • Beschermingsregime andere soorten (Wnb § 3.3). Met het in werking treden van de Wet natuurbescherming is het beschermingsregime voor een aantal soorten veranderd dan wel vervallen. Ook zijn een aantal soorten beschermd die dat voorheen niet waren. Voor een aantal algemeen voorkomende soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren vallend onder ‘Beschermingsregime andere soorten’ heeft de provincie Noord-Holland een vrijstelling verleend voor handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (Wnb Art 3.10 lid 2a).
In dit rapport wordt onderscheid gemaakt in ‘vogels’, strikt beschermde soorten (Wnb § 3.2) en ‘andere soorten’ (Wnb § 3.3). Deel 3 Houtopstanden Met de ingreep worden houtopstanden gekapt. Nagegaan wordt daarom of de regels ten aanzien van houtopstanden zoals vermeld in Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn en zo ja welke implicaties daar dan uit voortvloeien. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied grenst aan het Natuurnetwerk Nederland maar ligt daar niet (deels) binnen (zie figuur 7.2) Directe effecten op de NNN zijn uit te sluiten. Gezien de ligging direct grenzend aan het NNN zal wel worden nagegaan of er mogelijk indirecte effecten zijn die negatief van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van het NNN.
4
Dit betreft soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn met uitzondering van vogels. Vogels vallen onder Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van EZ, versie 1.3 december 2016.
9
2
Plangebied en project
2.1
Aanleg parkeerplaats Fort Spion Plangebied en omgeving Het totale plangebied is ca. 0,65 ha groot. Hiervan wordt maximaal 0,5 ha ingericht als parkeerplaats. Het plangebied is onderdeel van een bosperceel met een omvang van ca 1,9 ha en ligt evenwijdig aan de Bloklaan ten westen van Fort Spion. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Bloklaan. Aan de noordzijde loop de begrenzing door een bosperceel. Een nieuw te zetten hekwerk gaat de begrenzing met het terrein Terra Nova van Waternet (inlaat en voorzuivering van drinkwater) aan de noordzijde vormen. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door erven behorende bij bestaande woonbebouwing en aan de wetszijde is de ingang van het waterleidingterrein van Waternet
Figuur 2.1
Ligging plangebied (rood omlijnd, ondergrond: Data by OpenStreetMap.org contributors under CC BY-SA 2.0 license).
Het plangebied betreft een bosperceel / populierenaanplant op voedselrijke venige en vochtige grond. Het betreft goeddeels een eenvormige populierenperceel. Centraal op terrein is een ruimte zonder boomaanplant. Tussen de populieren staat jongere opslag van els, eik, gewone es en esdoorn. In de ondergroei die vrij homogeen is staat onder meer braam, gewone brandnetel en sneeuwklokje. Binnen het plangebied komt de nodige ‘stormschade’ voor. Een deel van met name de populieren is of omgewaaid of afgebroken. Plaatselijk geeft dit extra lichtinval. Op dergelijke plekken is er dichtere
10
ondergroei met ruigtekruiden. Daar waar parkeerplaats en toerit is gepland is de ondergroei onder ecologische begeleiding en conform de gedragscode Drinkwaterbedrijven verwijderd. Het looppad tussen parkeerplaats en fort loopt door een zelfde bosvegetatie. Project De ingreep omvat de aanleg van een onverlichte parkeergelegenheid voor 45 tot 55 auto’s met een totale omvang (incl toerit) van 0,65 ha. Doel hiervan is om het Fort Spion beter te ontsluiten voor recreanten en de recreatieve functie van het fort beter tot ontwikkeling te brengen. In het verleden is gebleken dat met name het ontbreken van een geschikte parkeervoorziening hierbij een belemmering vormt. De locatiekeuze voor de parkeervoorziening is gebaseerd op de ligging nabij het fort, de beschikbare ruimte en het deels bestemming hebben als ‘Bedrijf’ (waterleidingbedrijf). Langs de Bloklaan zijn in de nabijheid van het fort geen andere geschikte mogelijkheden voor de aanleg van een parkeerplaats. Wil de parkeerplaats ook echt geschikt zijn dient hij op korte afstand van het fort te worden gesitueerd. De parkeergelegenheid heeft een omvang van 45 tot 55 parkeerplekken. De locatie ligt in een terrein dat gekenmerkt wordt door een bosvegetatie.
Ruimte voor een toerit en parkeerplaatsen wordt verkregen door: - gebruik te maken van een bestaande open ruimte in de bosbeplanting - plaatselijk bomen en ondergroei welke geen functie hebben voor vleermuizen en andere beschermde soorten te verwijderen. - en zeer selectief ook enkele grotere bomen te kappen. Uitgangspunt bij het ontwerp is dat het aantal te kappen bomen geminimaliseerd dient te worden. Dit heeft geresulteerd in: - Dat er voor de parkeerplaatsen geen bomen hoeven te worden gekapt. Alle parkeerplekken worden op open plaatsen binnen de bosopstand gerealiseerd - Dat er voor de toerit maximaal 25 boomvormers met een diameter > 15 cm worden gekapt. Hieronder bevinden zich enkele dikkere bomen met een diameter > 50 cm. Afhankelijk van de functie van de te verwijderen bomen voor beschermde soorten kan nog besloten worden bepaalde bomen te sparen en de ligging van de toerit daarop aan te passen. Ter voorbereiding van het ontwerp is door een ter zake deskundige in het veld gecontroleerd of mogelijk te kappen bomen een functie kunnen hebben voor beschermde soorten (verblijfplaatsen vleermuizen, marters, jaarrond beschermde vogelnesten). Het ontwerp is zodanig samengesteld dat te kappen bomen geen functie hebben voor beschermde soorten. Bij de vaststelling van te kappen bomen is uiterst selectief te werk gegaan.
Alle te kappen bomen die geen vleermuiswaarden hebben, worden gezaagd (gecheckt door ter zake kundige). Bomen die wel waarden kunnen hebben, worden gemerkt. Die worden later beklommen door een expert (ecoloog met ervaring hiermee), die holtes en kieren en spleten controleert op vleermuizen. Zijn die niet aanwezig, dan wordt de boom direct daaropvolgend omgezaagd.
11
De controles vooraf bij zowel vaststelling van het ontwerp als de uitvoering van de kap bieden de zekerheid dat vernietiging van verblijfplaatsen van beschermde soorten wordt voorkomen. Enkel beplanting die geen wezenlijke functie voor beschermde soorten heeft (geen verblijfplaatsen omvat, essentieel foerageergebied is), wordt verwijderd. Vervolgens wordt in de ontstane ruimte met honingraatroosters een parkeervoorziening aangelegd en een toerit tot de parkeervoorziening gemaakt. Voor de toegang wordt een overkluizing van een doorgaande watergang gemaakt. Het bestaande hek aan de zuidzijde van de beoogde parkeervoorziening wordt verwijderd en ten noorden van de parkeervoorziening wordt een nieuw hekwerk neergezet. Tussen parkeerplaats en toegang tot het fort wordt door het bos een voetpad (1 à 1,5 meter breed, halfverhard) aangelegd dat middels een nieuwe kleine voetgangersbrug de bermsloot van de Bloklaan oversteekt. Voor de aanleg van dit pad worden geen bomen gekapt (opgaaf Waternet). De uitvoering van werkzaamheden staan gepland vanaf eind oktober 2018 en lopen door tot begin 2019. Een en ander is daarbij afhankelijk van de verlening van benodigde vergunningen. Vast staat dat kap/rooi werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels.
Bos ter plaatse van beoogde parkeerplaats
12
Bestaande hekwerk dat zal worden verplaatst
Op uitvoering van onderhavige werkzaamheden is volgens opgaaf van Waternet de gedragscode Drinkwaterbedrijven van toepassing. Dit betekent dat ontheffingsverlening voor soorten vallend onder het beschermingsregime ‘andere soorten’ (Wnb § 3.3) niet noodzakelijk is.
13
figuur 2.2
14
Overzicht ingreep
2.2 De ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden Het projectgebied grenst aan het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen, het voetpad komt volgens de begrenzingskaart deels (tussen de oprit naar het woonhuis en de oprit naar het fort) binnen het Natura 2000-gebied te liggen (het deel dat is aangewezen als Vogelrichtlijngebied (zie figuur 2.3). Hierbij moet worden aangetekend dat de erven van de huizen tussen het fort en de parkeerplaats en de Bloklaan als Natura 2000-gebied zijn begrensd. Uit het aanwijzingsbesluit volgt echter dat dit type terreinen niet tot het Natura 2000-gebied behoren. Vanuit de worst-case benadering nemen we hier aan dat het voetpad binnen Natura 2000-gebied komt te liggen.
figuur 2.3
Uitsnede uit de kaart begrenzing Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen behorende bij het aanwijsbesluit (groen is HR, blauw is VR)
Meest nabij gelegen andere Natura 2000-gebieden liggen op ruime afstand (Botshol 8,9 km, Naardermeer 10 km, Nieuwkoopse Plassen 13,2 km) van het plangebied. Gezien de aard van de ingreep is een effect op deze Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Overigens worden deze gebieden wel meegenomen in de berekening van de stikstofdepositie in AERIUS.
15
Deel 1 Natura 2000-gebieden 3
Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied
3.1
Oostelijke Vechtplassen De kernopgaven en instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen zijn opgenomen in bijlage 2. Hierin is ook de landelijke staat van instandhouding aangegeven. Een deel van de habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen is gevoelig tot zeer gevoelig voor stikstofdepositie. In onderstaande tabel zijn de kritische depositiewaarden (KDW) aangegeven (bron: Van Dobben et al. 2012). Tabel 2.xx
De KDW in mol N/ha/jr van de habitattypen en leefgebieden van soorten waarvoor het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen is aangewezen
code H3140 H3150 H4010B H6410 H6430A H6430B H7140A H7140B H7210 H91D0 Lg05 ZGH3150baz
omschrijving Kranswierwateren Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Vochtige heiden (laagveengebied) Blauwgraslanden Ruigten en zomen (moerasspirea) Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) Overgangs- en trilvenen (trilvenen) Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Galigaanmoerassen Hoogveenbossen Leefgebied Grote zeggenmoeras Zoekgebied Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
KDW 2.143 > 2.400 786 1.071 > 2.400 > 2.400 1.214 714 1.571 1.786 1.714 > 2.400
Voor habitattypen met een KDW van meer dan 2.400 mol N/ha/jr. geldt dat deze niet gevoelig zijn voor stikstofdepositie (Van Dobben et al. 2012). Het leefgebied van de zeggekorfslag is mogelijk gevoelig voor stikstofdepositie (Van Dobben et al. 2012).
3.2
Voorkomen habitattypen en soorten habitatrichtlijn Habitattypen Enkel het wandelpad loopt door Natura 2000-gebied. Ter plaatse van het wandelpad komen geen habitattypen voor waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. In de directe nabijheid van het plangebied komen enkel Lg05 Grote zeggenmoeras als leefgebied voor de zeggekorfslak en Zoekgebied voor het habitattype H3150 Meren met krabbenscheer voor. Habitattypen met een instandhoudingsdoelstellingen liggen op grotere afstand van het plangebied (zie figuur 3.1).
16
figuur 3.1
Ligging ZGH3150baz (boven, groen) en Lg05 (beneden, bruin) (bron: AERIUSMonitor).
17
Soorten Het plangebied bestaat uit een vochtig bosperceel met een ondergroei van voornamelijk voedselrijke ruigte. Het vormt geen geschikt leefgebied voor de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen is aangewezen. Enkel noordse woelmuis, meervleermuis, groenknolorchis en zeggekorfslak zijn geen specifiek watergebonden soorten. De noordse woelmuis en groenknolorchis zijn afhankelijk van habitattypen uit de verlandingsserie van trilveen, veenmosrietland tot vochtige laagveenheide met dophei. De sterkste binding heeft groenknolorchis, die sterk afhankelijk is van het habitattype Trilvenen (provincie Noord-Holland, 2012). Dergelijke biotopen / habitats komen niet binnen het plangebied voor. In de NDFF zijn geen waarnemingen opgenomen uit de directe omgeving van betreffende soorten uit de afgelopen 5 jaar. Het voorkomen van noordse woelmuis en groenknolorchis binnen het plangebied kan daarmee worden uitgesloten. Meervleermuis is een gebouwbewonende vleermuissoort. Binnen het plangebied staan geen gebouwen. Daarnaast bevindt zich binnen het plangebied geen open water dat als foerageergebied of vliegroute kan dienen voor de meervleermuis. In de NDFF zitten uit de directe omgeving van het plangebied geen waarnemingen van de soort. Het voorkomen van meervleermuis in het plangebied zelf wordt daarmee uitgesloten.
Voor zeggekorfslak ontbreekt ook het geschikte habitat binnen het plangebied. De soort komt voor in de oevers van diverse wateren in de laagveengebieden met een brede rand van ongestoorde verlandingsvegetaties. Ook hier wordt de soort veel op moeraszegge en pluimzegge aangetroffen, maar de soort kan ook op andere moerasplanten worden aangetroffen zoals galigaan en zelfs riet (Provincie NoordHolland, 2012). Door het ontbreken van dergelijke vegetaties in het plangebied kan ook het voorkomen van de zeggekorfslak binnen het plangebied worden uitgesloten. In de directe nabijheid van het plangebied komt wel (potentieel) leefgebied voor de soort voor (zie § 3.1). Broedvogels Broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen is aangewezen betreffen met uitzondering van ijsvogel alle koloniebroeders of broedvogels van moeras en rietland. Koloniebroeders zijn bij het veldbezoek niet aangetroffen en voor vogels van moeras en rietland ontbreekt geschikt habitat / biotoop. IJsvogel maakt gebruik van steilwanden langs het water voor het graven van nestholtes. Ook kunnen zij nestholtes maken in omhoog gekomen wortelkluiten van omgewaaide bomen. Binnen het plangebied komen enkele van dergelijke wortelkluiten voor. Zij liggen echter niet langs water waardoor ze niet geschikt zijn als broedplek voor ijsvogels.
18
Broedvogels met een instandhoudingsdoelstelling voor Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen komen daarom niet voor binnen het plangebied of nabije omgeving. Niet-broedvogels Alle niet-broedvogels waarvoor Oostelijke Vechtplassen zijn aangewezen betreffen watervogels die met uitzondering van de aalscholver of op water of op graslanden foerageren en rusten. Beide biotopen komen niet binnen het plangebied voor. Voor betreffende soorten belangrijke biotopen liggen buiten de invloedsfeer van de parkeerplaats. De aalscholver rust in bossen en struwelen in de nabijheid van water. Zij doen dat in groepen. Binnen het plangebied of invloedsfeer van de parkeerplaats zijn bij het veldbezoek geen rustplaatsen van aalscholver aangetroffen. Het plangebied heeft daarom geen functie voor de niet-broedvogels met een ISHD.
Ondergroei bos binnen plangebied met braam, grote brandnetel en sneeuwklokje
19
4
Effecten op Natura 2000-gebieden
4.1
Mogelijke effecten en de invloedsfeer van het project Habitattypen en leefgebieden Enkel het voetpad tussen parkeerplaats en Fort Spion kent mogelijk een ruimtebeslag op Natura 2000-gebied. Ter plaatse van dat mogelijke ruimtebeslag komen geen habitattypen voor waarvoor het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen is aangewezen en evenmin leefgebieden van soorten met een ISHD of zoekgebieden voor de ontwikkeling van habitattypen. Het mogelijke ruimtebeslag op Natura 2000-gebied is minimaal en bedraagt hooguit 2 150 m (lengte voetpad maximaal 100m maal breedte maximaal 1,5m). Het vindt plaats in verruigd bosopstand, zonder dat daar bomen voor hoeven te wijken. Ruimtebeslag voor de parkeerplaats vindt plaats buiten Natura 2000-gebied. Binnen Natura 2000-gebied in de nabijheid van de parkeerplaats komen enkel Leefgebied Grote zeggenmoeras (Lg05) en Zoekgebied Meren met krabbenscheer (ZGH3150baz) voor. Beiden worden niet beïnvloed door de aanleg en het gebruik van de parkeerplaats. Soorten voor de Oostelijke Vechtplassen genoemd bij betreffende leefgebied en habitattype zijn niet specifiek gevoelig voor geluid en beweging. Daarnaast wordt de parkeerplaats door omringend bos afgeschermd van de omgeving. Effecten op habitattypen en leefgebieden van aangewezen soorten zijn daarom uit te sluiten.
Soorten habitatrichtlijn en vogels Binnen het plangebied komen geen soorten, broedvogels en niet-broedvogels met een ISHD voor. Daarnaast is de invloedsfeer van de ingreep (aanleg zowel als gebruik) beperkt. Het parkeerterrein ligt direct nabij de openbare weg. Verkeer van en naar de parkeerplaats en op de parkeerplaats kan wat betreft beweging en geluid daarom min of meer als onderdeel van het verkeer op de openbare weg worden gezien, en is daarmee geen extra verstoringsbron. Gebruikers worden verder direct middels het voetpad evenwijdig aan de Bloklaan richting Fort Spion geleid. Bebouwing, tuinen en de Bloklaan schermen het voetpad als het ware af van de omgeving. Ook het voetpad is daarmee geen extra verstoringsbron. Aangezien de parkeerplaats daarmee een zodanig beperkte invloedsfeer heeft kan worden uitgesloten dat verstoring optreedt van soorten, broedvogels en nietbroedvogels met een ISHD. Als gevolg van de aanleg treedt tijdelijk enige extra emissie van stikstof op. Bij het gebruik van de parkeerplaats kunnen extra verkeerbewegingen eveneens leiden tot enige extra emissie van stikstof. Om na te gaan of dit gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van habitat of leefgebied is een AERIUS-berekening uitgevoerd. In de volgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan. Verontreiniging als gevolg van
20
aanleg en gebruik door emissie van andere stoffen wordt uitgesloten. Ook veranderingen in hydrologie worden door de beperktheid van de ingreep uitgesloten.
4.2
Bepaling van effecten van stikstofdepositie De stikstofdepositie als gevolg van de aanleg en het gebruik van de parkeerplaats bij Fort Spion is berekend met behulp van het rekenprogramma AERIUS. Dit programma is onderdeel van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Voor de details van de berekening en resultaten wordt verwezen naar de bijlagen (zie supplement bij dit rapport voor AERIUS rapportage). Voor de habitattypen van Bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn kritische depositiewaarden (KDW) vastgesteld voor de depositie van stikstof. De KDW van een aantal habitattypen wordt in de huidige situatie al overschreden (Pas-bureau, 2017, Gebiedsanalyse Oostelijke Vechtplassen, 2017). Een te hoge stikstofdepositie leidt tot verzuring en vermesting. Bij elke toename van stikstofdepositie in deze gebieden dient beoordeeld te worden of significant negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. Indien dit niet mogelijk is dient een passende beoordeling opgesteld te worden en is het conform artikel 7.2a eerste lid van de Wet milieubeheer noodzakelijk om een planMER op te stellen. Als gevolg van de aanleg en het gebruik van de parkeerplaats is sprake van een toename van de stikstofemissie op een locatie waar het activiteitenniveau (verkeer, bedrijvigheid) in de huidige situatie (referentiesituatie) ligt tussen 1.300 en 1.600 mol N/ha/jr.
De verwachting is dat in 2020 tussen de 1.000 en 1.300 mol N/ha/jr ligt. Bronnen van extra NOx/NH3 emissie zijn de in te zetten machines bij de aanleg (is enkel tijdelijk), en de verkeersgeneratie bij gebruik van de parkeerplaats. Inschatting effect op Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen Om een effectinschatting te maken is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aan leg als het gebruik van de parkeergelegenheid. De uitgangspunten voor de berekening zijn te vinden in het achterin deze rapportage toegevoegde supplement rapportage stikstofdepositie. Aanleg Ter plaatse van het meest nabijgelegen deel van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen waar de KDW in de huidige situatie wordt overschreden, is de bijdrage van voornoemde ontwikkeling max 0,19 mol N/ha/jaar (bijlage AERIUS rapport). Deze toename treedt op bij de aanleg van de parkeergelegenheid is daarom tijdelijk. De berekende toename treed op in het Zoekgebied voor uitbreiding van het Habitattype Meren met krabbenscheer (ZGH3150baz). Voor het Leefgebied Grote zeggenmoeras (Lg05) wordt bij de aanleg maximaal 0,07 mol N/ha/jaar berekend (tijdelijke toename). De ontwikkelingsruimte is voor de Oostelijke Vechtplassen bijgesteld naar 0,05 mol N/ha/jaar (www.BIJ12.nl). De achtergronddepositie ligt hoger dan de KDW van de meeste stikstofgevoelige habitats in de Oostelijke Vechtplassen.
De extra depositie wordt echter enkel
21
berekend in de directe omgeving van het plangebied stikstofgevoelige habitats niet voorkomen (zie figuur 4.1).
Figuur 4.1
waar
betreffende
Kaartbeeld met hexagonen waar extra stikstofdepositie wordt berekend bij de aanleg van de parkeerplaats (bron: AERIUS)
Gebruik Voor het gebruik van de parkeerplaats laat de rapportage van de AERIUS-berekening zien dat er geen toename van de stikstofdepositie wordt berekend (zie supplement achter in deze rapportage). Gebruikt leidt daarom niet tot een daaraan toe te schrijven verhoging van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Effecten als gevolg van gebruik zijn daarmee uit te sluiten. Zoekgebied Habitattype Meren met krabbenscheer ZGH3150baz Afhankelijk van het doel dat wordt nagestreefd met ZGH3150baz varieert ook de KDW voor dit type. Het habitattype H3150 zelf is niet gevoelig voor stikstofdepositie (KDW > 2.400 mol N/ha/jaar). ZGH3150baz wordt ook gezien als leefgebied voor bittervoorn, gevlekte witsnuitlibel, platte schijfhoren en zwarte stern. Voor bittervoorn, gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoren wordt in de gebiedsanalyse voor de PAS aan gegeven dat stikstofgevoeligheid van het leefgebied in de Oostelijke Vechtplassen geen knelpunt vormt. Daarnaast geeft de gebiedsanalyse ook expliciet aan: - “Het leefgebied van Bittervoorn bestaat in de Oostelijke Vechtplassen voornamelijk uit gebufferde sloten en gebufferd meer en het habitattype H3150/ZGH3150. Het betreft hierbij vooral heldere wateren met waterplanten of oevers waarin in het water staande helofyten groeien.
Gebufferde sloten en meren en habitattype H3150/ZGH3150 zijn in het gebied niet gevoelig voor Ndepositie (KDW > 2400 mol N/ha/jaar)” - “Platte schijfhoren komt in de Oostelijk Vechtplassen in vergelijkbare leefgebieden voor als Bittervoorn, namelijk hoofdzakelijk in heldere en met waterplanten
22
-
-
-
-
begroeide gebufferde sloten en meren en habitattype H3150/ZGH3150. Deze wateren zijn in het gebied niet gevoelig voor stikstofdepositie (KDW > 2400 mol N/ha/jaar). Platte schijfhoren wordt daarom niet gevoelig geacht voor stikstofdepositie.” “De Gevlekte witsnuitlibel is een in Nederland zeldzame soort die afhankelijk is van heldere en plantenrijke wateren met een goede waterkwaliteit (mesotroof milieu). Het leefgebied bestaat voornamelijk uit oude of pas open gegraven petgaten met helder water en waterplanten (leefgebied 02, habitattype H3150/ZGH3150).” “In het Oostelijk Vechtplassengebied is in de huidige situatie is nergens sprake van een stikstofprobleem (KDW van H3150/ZGH3150 wordt niet overschreden). Dit geldt zowel voor locaties welke de soort als leefgebied daadwerkelijk gebruikt, als op locaties waar potentieel geschikt leefgebied voorkomt.” “Momenteel broedt de Zwarte stern vooral op vlotjes. Dit is het gevolg van een gebrek aan goede krabbenscheervegetaties. Ontwikkeling van krabbenscheervelden op locaties met een goede waterkwaliteit zijn daardoor belangrijk voor het behoud van deze soort.
Dit deel van het leefgebied van de Zwarte stern is echter niet gevoelig voor effecten van N-depositie.” “Van de soorten H1016 Zeggekorfslak, H1042 Gevlekte witsnuitlibel, H1134 Bittervoorn, H4056 Platte schijfhoren, A197 Zwarte stern en de habitattypen H4010B en H91D0/ZGH91D0 valt het oordeel in categorie 1a.”
Voor de zwarte stern geldt wel dat beheer van leefgebieden en de ontwikkeling van bepaalde typen grasland mogelijk een knelpunt vormt. Bij een achtergronddepositie liggend tussen de 1.300 en 1.600 mol N/ha/jaar heeft een tijdelijke toename van maximaal 0,19 mol N/ha/jaar als gevolg van de aanlegwerkzaamheden geen effect op de mogelijkheden voor het behalen van de ISHD van H3150 en het Zoekgebied voor H3150. Leefgebied Grote zeggenmoeras (Lg05) Voor het leefgebied Grote zeggenmoeras (Lg05) van de zeggekorfslak is een KDW aangegeven van 1.714 mol N/ha/jaar. De achtergronddepositie binnen de effectafstand van de parkeerplaats ligt maximaal rond de 1.600 mol N/ha/jaar. Bij een berekende toename van 0.07 mol N/ha/jaar blijft de totale stikstofdepositie nog ruimschoots onder de KDW voor Lg05. Een effect als gevolg van de tijdelijke additionele stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de parkeerplaats is daarmee uit te sluiten. Overige gebieden Voor op grotere afstand van het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden wordt geen additionele stikstofdepositie als gevolg van aanleg en gebruik van de parkeerplaats berekend. Effecten op alle overige gebieden als gevolg van veranderingen in stikstofdepositie zijn dan ook uitgesloten.
23
4.3
Conclusies effecten beschermde gebieden Op grond van veldonderzoek in eind maart 2018 en bronnenonderzoek, wordt geconcludeerd dat 1. Directe effecten als gevolg van de aanleg en het gebruik van de parkeerplaats Fort Spion verlies van areaal of leefgebied door ruimtebeslag of verstoring door mechanische effecten zijn niet aan de orde. 2. Indirecte effecten als gevolg van het de aanleg en het gebruik van de parkeerplaats Fort Spion als versnippering, verdroging, verstoring en verontreiniging zijn niet aan de orde. 3. De aanleg van de parkeerplaats Fort Spion zal leiden tot een (zeer geringe) extra depositie van stikstof in een zeer beperkt deel van Natura 2000-gebied oostelijke Vechtplassen. Effecten op instandhoudingsdoelen voor stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten zijn daarbij uitgesloten. 4. Het gebruik van de parkeerplaats Fort Spion leidt niet tot een berekenbare toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Effecten op instandhoudingsdoelen voor stikstofgevoelige habitattypen door gebruik zijn daarom uitgesloten. Op grond van de in dit rapport gepresenteerde objectieve gegevens zijn negatieve effecten als gevolg van de aanleg en het gebruik van de parkeerplaats Fort Spion op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden uitgesloten.
Cumulatieve effecten De uitkomst van de beoordeling is dat de aanleg en het gebruik van de parkeerplaats bij Fort Spion geen effect heeft op beschermd natuurgebied. En aangezien er geen effect is kan de aanleg en het gebruik van de parkeerplaats ook niet bijdragen aan een cumulatie van effecten. Het is daarom niet nodig naar cumulatieve effecten onderzoek te doen. Passende beoordeling Omdat er geen effecten zijn, is het uitgesloten dat er significante effecten zijn. Omdat er geen sprake zal zijn van een verslechtering van habitattypen of leefgebieden of significante verstoring van aangewezen soorten wordt een passende beoordeling niet nodig geacht. N.B. De beoordeling van de noodzaak voor een vergunning ligt bij het bevoegd gezag. De conclusie van Bureau Waardenburg heeft geen rechtskracht. Vervolgonderzoek De conclusies in dit rapport ten aanzien van Natura 2000-gebieden zijn gebaseerd op voldoende beschikbare en actuele informatie. Er zijn geen hiaten in kennis geconstateerd die van invloed kunnen zijn op de conclusies. De conclusies geven dan ook geen aanleiding voor vervolgonderzoek.
24
Deel 2 Beschermde soorten 5 Betekenis van het plangebied ‘parkeerplaats Fort Spion’ voor beschermde soorten 5.1
Relevante soorten Uit bronnenonderzoek (NDFF geraadpleegd op 22 maart 2018) en een oriënterend veldonderzoek uitgevoerd op 23 maart blijkt dat het terrein van de beoogde parkeerplaats ongeschikt is voor de in de regio voorkomende vissen en ongewervelden. Dit omdat binnen het plangebied geen water aanwezig is en moerasvegetaties ontbreken. Deze soortgroepen worden daarom verder niet behandeld. Het plangebied is in potentie wel geschikt voor boombewonende vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, broedvogels met een jaarrond beschermde nestplaats, vaatplanten, als landhabitat voor amfibieën, Het plangebied bevat voor deze soorten (in potentie) geschikt boshabitat. De functie van het plangebied voor relevante soorten wordt besproken in de volgende paragraaf. In het eenvormige populierenperceel met een homogene ondergroei van overwegend braam en brandnetel – waaruit het plangebied goeddeels bestaat – komt een beperkt aantal algemene vogelsoorten tot broeden waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Het gaat onder meer om de volgende tijdens het veldbezoek vastgestelde soorten (in volgorde van opkomst): winterkoning, vink, pimpelmees, merel, tjiftjaf, heggenmus, Vlaamse gaai, roodborst, koolmees, houtduif, staartmees en boomkruiper.
Nesten van deze soorten zijn in hun algemeenheid beschermd en vernielen of verstoren van in gebruik zijnde nesten is een overtreding van de verbodsbepaling van de Wnb waar normaliter geen ontheffing voor kan worden verkregen. Bij de uitvoering van werkzaamheden zal men daar altijd rekening mee moeten houden.
5.2
Betekenis van het plangebied voor aangetroffen en te verwachten beschermde soorten
5.2.1
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn
5
Vogels met jaarrond beschermde nestplaats Bij het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen. Soorten als huismus, gierzwaluw en kerkuil zijn daarbij ook bij voorbaat uit te sluiten omdat binnen het plangebied geen bebouwing staat. Horsten en nesten van buizerd, 5
Op grond van door het ministerie van EZ verstrekte handreikingen worden nesten van de volgende soorten als jaarrond beschermde nestplaatsen beschouwd: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief, zwarte wouw.
25
havik en andere roofvogels zijn tijdens het veldbezoek ondanks de extra aandacht hiervoor niet aangetroffen in het perceel waarbinnen het plangebied ligt. Omdat de bomen nog niet in blad waren is tijdens het veldbezoek hier een volledig inzicht in verkregen. De NDFF omvat wel waarnemingen van buizerd, havik en sperwer in de ruimere omgeving van het plangebied maar niet van binnen het plangebied. De aanwezigheid in de nabijheid van een paartje buizerds doet vermoeden dat het plangebied wel een onderdeel vormt van het territorium van dit buizerdpaar. Vermoedelijk bevindt de horst van dit buizerdpaar in een iets verderop gelegen moerasbos. Gezien de omvang van het plangebied vormt plangebied een zeer klein onderdeel van dit territorium. Op basis van voorgaande wordt geoordeeld dat het plangebied momenteel geen wezenlijke betekenis heeft voor vogels met een jaarrond beschermd nest en dat enkel broedvogels van bos en park zonder jaarrond beschermd nest zijn te verwachten. 5.2.2
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Vleermuizen In de NDFF zijn diverse waarnemingen van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied opgenomen. In het fort zelf en in een ten noorden van het fort staande bunker zijn overwinterende vleermuizen vastgesteld, dit betreft in ieder geval baardvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Brandtsvleemuizen zijn bij controle van deze winterverblijven niet aangetroffen en komen zeer waarschijnlijk ook niet voor (med. dhr. Van der Spek). Langs de Bloklaan zijn met behulp van een batlogger (gegevens NDFF) waarnemingen van ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis gedaan. Er zijn daarbij geen verblijfplaatsen / paarplaatsen vastgelegd. De meerderheid van de huidige bomen in het plangebied is dunstammig en met zekerheid vrij van holten of spleten die van betekenis kunnen zijn voor vleermuizen. Van enkele relatief dikke populieren en één eik kon tijdens het veldbezoek echter niet 100% worden uitgesloten of ze holten hadden, al waren deze vanaf de grond (met een verrekijker) niet te ontdekken. Uitgesloten kan worden dat in het plangebied vele geschikte boomholten in relatief oude bomen op een relatief kleine oppervlakte bos aanwezig zijn en zo een cluster van potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen kunnen vormen. Hiervoor is het aantal potentiele ‘vleermuisbomen binnen het plangebied te gering.
Hiermee is ook de kans op het voorkomen kraamkolonies van boombewonende soorten in het plangebied nihil. De aanwezigheid van een verblijfplaats (paar, zomer) in een vanaf de grond onzichtbare spleet of holte van een vleermuissoort (grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, wellicht gewone dwergvleermuis) die ook bomen voor verblijfplaatsen gebruikt, kan op basis van de quick scan echter niet volledig worden uitgesloten. In ecologische zin kan het gehele bosje (dus niet enkel het plangebied) gezien worden als paar- of zomerverblijfplaats van boombewonende vleermuissoorten. Te kappen bomen zijn voor vaststelling van het ontwerp vooraf gecontroleerd op hun mogelijke functie voor
26
vleermuizen. Enkel bomen die daarbij als zijnde geen functie hebbende voor vleermuizen worden volgens het ontwerp gekapt. Baardvleermuizen, grootoorvleermuizen en rosse vleermuizen foerageren ook in bossen. Zij maken daarbij in het bijzonder gebruik van bijvoorbeeld bospaden en open ruimtes in het bos. Gezien de aanwezigheid van deze soorten in de omgeving is het mogelijk dat het plangebied deel uit maakt van het foerageergebied van deze soorten. Het betreft in dat geval een onderdeel van groter gebied dat in potentie geschikt is als foerageergebied. De randlengtes van de bosbeplanting zal binnen het betreffende perceel bij aanleg van de parkeervoorziening toenemen. Grenzend aan het plangebied komen meerdere grotere bospercelen voor. Gezien de terreinkenmerken (ten opzichte van de omgeving) en de aard van de omringende gebieden wordt uitgesloten dat het plangebied essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes voor vleermuizen omvat. Aangenomen mag worden dat de Bloklaan, als een doorgaande structuur met beplanting tussen twee wateroppervlakken, fungeert als migratieroute voor vleermuizen en dat de zomen langs beplanting en het water ook worden benut om te foerageren.
Amfibieën Gelet op het ontbreken van waarnemingen van strikt beschermde amfibieën in de directe omgeving (bron: NDFF) en de afwezigheid van geschikte landhabitat voor verschillende van deze soorten binnen het plangebied, kan worden uitgesloten dat strikt beschermde amfibieën voorkomen binnen het plangebied. Het plangebied heeft geen betekenis voor strikt beschermde amfibieën als heikikker, poelkikker en rugstreeppad. Overige soorten Habitatrichtlijn Voor overige soorten van de Habitatrichtlijn heeft het plangebied geen functie. Er zijn geen recente waarnemingen bekend van andere soorten van de Habitatrichtlijn binnen of direct nabij het plangebied (NDFF, Provincie Noord-Holland 2012) Op basis van biotoop, ligging, hydrologie, voorkomende vegetaties en de bekende eisen die betreffende soorten aan hun leefgebied stellen heeft het plangebied geen functie voor overige soorten van de Habitatrichtlijn. En de invloedsfeer van de parkeerplaats strekt zich niet uit tot wel geschikt habitat van deze soorten. 5.2.3
Beschermingsregime andere soorten Planten Gelet op het voorkomen van beschermde plantensoorten in de directe omgeving (bron: NDFF) en de afwezigheid van geschikte groeiplaatsen / biotopen voor betreffende soorten binnen het plangebied, kan worden uitgesloten dat beschermde plantensoorten voorkomt binnen het plangebied. Het plangebied omvat een bosvegetatie op voedselrijke grond. In het plangebied zijn geen geschikte groeiplaatsen / biotopen voor beschermde plantensoorten aanwezig. In het
27
plangebied zijn daarnaast geen (restanten van) beschermde soorten planten aangetroffen. Het plangebied heeft daarom geen betekenis voor beschermde soorten planten. Reptielen Het bosperceel waarbinnen het plangebied is gelegen, vormt marginaal onderdeel van het leefgebied van ringslangen. Door het verwijderen van de ondergroei (zie § 2.1) vormt het plangebied zelf geen geschikt leefgebied voor ringslang. Potentieel voortplantingshabitat (zonbeschenen gelegen broeihopen etc.), opwarmplekken en geschikt jachthabitat (structuurrijke oevers van watergangen) binnen de ingreepzone ontbreken. Het plangebied is in zijn huidige toestand ook geen onderdeel van (niet essentieel) land- en/of overwinteringshabitat. Amfibieën het plangebied omvat geschikt landhabitat voor algemeen voorkomende amfibieën. Soorten als gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander kunnen hier voorkomen. In de NDFF zit enkel waarnemingen van bruine kikker in de directe nabijheid van het plangebied. Voortplantingswater voor betreffende soorten ontbreekt binnen het plangebied. Grondgebonden zoogdieren In de NDFF zijn waarnemingen terug te vinden van haas, konijn, vos, veldmuis, huisspitsmuis en bosmuis en boommarter. Tijdens het veldbezoek zijn mol en konijn vastgesteld. De waarneming van boommarter in de NDFF betreft een dood exemplaar (verkeersslachtoffer).
Daarnaast zijn op enige afstand van het plangebied met camaravallen boommarters vastgelegd. Te kappen bomen in het plangebied zijn daarom uitvoerig gecontroleerd op holtes en sporen van marters. Bij deze controle zijn geen potentiele nestplaatsen / verblijfplaatsen of sporen van marters aangetroffen. De bomen zijn of te dun en/of er zijn geen geschikte holtes aangetroffen in bomen binnen het plangebied. Het voorkomen van vaste verblijfplaatsen van boommarter binnen het plangebied wordt momenteel daarom uitgesloten. Voor haas is het biotoop binnen het plangebied weinig geschikt. Zij wordt hooguit zeer incidenteel binnen het plangebied verwacht. Vossenburchten zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Het voorkomen van vos is daarmee eveneens hooguit incidenteel. Voor diverse soorten muizen kan het plangebied gezien worden als leefgebied. Dit betreft enkel algemeen voorkomende soorten zoals de in de NDFF vermelde veldmuis, huisspitsmuis en bosmuis. Mogelijk kan daarnaast ook egel, ree en rosse woelmuis voorkomen. Incidenteel zouden daarnaast mogelijk wezel of bunzing kortstondig in het plangebied kunnen verblijven. Op grond van de bevindingen van het veldonderzoek concluderen we dat de kans op verblijfplaatsen van kleine marterachtigen in het plangebied nihil is.
28
Op grond van de kwaliteit van het plangebied als foerageergebied en de omvang van het plangebied ten opzichte van het totale aanbod aan foerageergebied, wordt tevens geconcludeerd dat het plangebied geen essentieel onderdeel van het foerageergebied van kleine marterachtigen (dat wil zeggen essentieel voor het functioneren van verblijfplaatsen) vormt.
29
6
Effecten op beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van de werkzaamheden op soorten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en het Beschermingsregime andere soorten. De voorgenomen werkzaamheden starten in 2018 en worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. Soorten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en het Beschermingsregime andere soorten zijn niet aangetroffen.
6.1
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Jaarrond beschermde komen niet voor binnen de invloedsfeer van het project (zie § 5.2.1). De ingreep is daarnaast dermate klein in omvang dat hij niet van invloed kan zijn op de omvang en kwaliteit van territoria van soorten met een jaarrond beschermd nest. Effecten op soorten met een jaarrond beschermd nest zijn daarmee uit te sluiten.
6.2
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Het gehele bosperceel waarbinnen het plangebied ligt heeft mogelijk een betekenis als paarplek of tijdelijk zomerverblijf en/of foerageergebied voor ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, baardvleermuis en gewone grootoorvleermuis (zie § 5.2.2). Effect op de kwaliteit en kwantiteit verblijfplaatsen De aanleg van de parkeerplaats vindt overdag plaats en er is geen verlichting op de parkeerplaats voorzien. Voor de aanleg worden alle bomen die potentieel een verblijfsfunctie voor vleermuizen kunnen hebben gespaard. Er worden alleen bomen gekapt die na extra controle als geen functie hebbende voor vleermuizen zijn beoordeeld. Hiermee behoudt het gehele bosperceel ook na aanleg van de parkeerplaats zijn (potentiele) functie als paarplek of tijdelijk zomerverblijf en/of foerageergebied voor individuele exemplaren van vleermuissoorten (grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en wellicht ook gewone dwergvleermuis).. Omdat zo veel als mogelijk de grotere bomen worden gespaard, wordt een eventuele functie als niet-essentieel foerageergebied of niet-essentiële vliegroute niet aangetast. Als foerageergebied kan het perceel extra betekenis krijgen om dat er een wat groter variatie in open en dicht ontstaat.
Door de toenemende randlengte langs bosvegetaties ontstaan er meer en betere foerageermogelijkheden voor soorten als rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en baardvleermuis. Door zowel potentiele ‘verblijfsbomen’ te sparen en doordat er verbeterde condities voor foerageren ontstaan blijft de functionaliteit van het plangebied en het totale bosperceel voor vleermuizen behouden. Er is daarom geen tijdelijk (tijdens aanleg) of blijvend (na aanleg en bij gebruik) effect op de mogelijke functie van het bosperceel voor vleermuizen. Ecologisch gezien heeft de ingreep geen effect op het voorkomen van vleermuissoorten die voor bepaalde functies gebruik maken van het plangebied.
30
Daarmee zal de ingreep ook niet van invloed zijn op de staat van instandhouding van de betreffende vleermuissoorten. Met de planning van de uitvoering wordt rekening houden met de eventuele functie van het bosperceel als paarplek of tijdelijk zomerverblijf van vleermuizen door de kap van bomen uit te voeren buiten de kwetsbare periode, dus te plannen in het najaar wanneer vleermuizen hun winterverblijven hebben opgezocht. Verstoring van in het fort en de bij het fort liggende bunker verblijvende vleermuizen bij de aanleg en het gebruik van de parkeerplaats is niet te voorzien. De parkeerplaats ligt op enige afstand van het fort en de bunker en tussen de parkeerplaats en het fort staat nog een woonhuis met verschillende bijgebouwen. Deze schermen de parkeerplaats als het ware af van het fort en de bunker. Verder zijn de verblijfplaatsen in het fort en de bunker goed afgeschermd van de buitenomgeving zodat beweging en geluid samenhangend met de aanleg en het gebruik niet zal doordringen tot die verblijfplaatsen. Beoordeling ten aanzien van verbodsbepalingen Vanuit ecologisch opzicht is er geen effect op vleermuizen. Het plangebied en het bosperceel als geheel behoud zijn huidige (potentiele) functie(s) voor vleermuizen en er is geen invloed op de staat van instandhouding.
Door controle vooraf van te kappen bomen kan met 100% zekerheid kan worden uitgesloten dat verblijfplaatsen worden vernietigd of verstoord. Er is daardoor ook geen sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen (vernielen of beschadigen -Wnb art. 3.5.4- of opzettelijke verstoring -Wnb art. 3.5.2) van verblijfplaatsen van vleermuissoorten die gebruik kunnen maken van bomen. Nader onderzoek omvat een uitgebreide inspectie van de te kappen bomen op holtes en spleten en de geschiktheid daarvan voor vleermuizen en op het voorkomen van vleermuissporen daarin. Als op basis daarvan geoordeeld wordt dat geen van de aangetroffen holtes of spleten daadwerkelijk geschikt is als vleermuisverblijf (omdat ze bijv. te open, te klein, te nat, etc. zijn) kunnen vleermuisverblijven en daarmee ook effecten op vleermuizen worden uitgesloten. Indien uit de nadere inspectie blijkt dat bepaalde holtes in te kappen bomen wel geschikt zijn, blijven deze bomen behouden.
6.3
Beschermingsregime andere soorten Ringslang Het plangebied is momenteel geen onderdeel van het leefgebied van ringslag Het omvat geen voortplantingsplaatsen, is geen essentieel zomerhabitat, jachtgebied etc. voor ringslang en biedt geen geschikt landhabitat of overwinteringsplaatsen. Er is daarom geen verlies van leefgebied. Het ruimtebeslag van de ingreep heeft geen betekenis voor ringslangen.
31
Daarnaast is op de werkzaamheden een goedgekeurde gedragscode van toepassing. Beschreven wijze van uitvoering is conform de gedragscode waarmee een ontheffing niet meer noodzakelijk is Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen gebruiken door het jaar heen verschillende schuilplaatsen (> 10 volgens RUD-NHN, 2017) met een eigen functie (zie bijlage 3). Ze verblijven daar waar ze jagen of jongen hebben. In het voortplantingsseizoen verblijven de vrouwtjes met jongen voor een langere periode op één plek. De verblijfplaats is niet statisch maar het gebruik kan in de tijd variëren. Voor de levenscyclus van kleine marterachtigen is het van belang dat hun leefgebied gedurende het jaar altijd voldoende schuilplaatsen biedt. In deze toetsing worden voortplantingsplaatsen als ‘vast’ beschouwd voor de periode in het jaar dat zij in gebruik zijn om de jongen groot te brengen. Om overtreding te voorkomen moeten voortplantingsplaatsen in de kwetsbare periode maart-augustus worden ontzien. Buiten het voortplantingsseizoen zijn de dieren flexibel in hun gebruik van verblijfplaatsen. In de nabije en ruime omgeving is er voldoende aanbod aan verblijfplaatsen. Omdat een belangrijk deel van het bosperceel onveranderd blijft, behouden kleine marterachtigen ook na aanleg in voldoende mate mogelijkheden voor verblijfplaatsen.
Bij aanleg van de parkeerplaats buiten het voortplantingsseizoen (in belangrijke mate samenvallend met het broedseizoen van vogels) zullen er ook geen ‘vaste’ verblijfplaatsen worden vernield of verstoord. Een effect op het voorkomen van kleine marterachtigen is onder die voorwaarde niet te voorzien en de ingreep heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding van kleine marterachtigen. In de van toepassing zijn de gedragscode staat vermeld dat deze niet van toepassing is voor algemene beschermde soorten, onder de voormalige Flora- en faunawet de zogenaamde tabel 1 soorten. Daar vielen destijds ook de kleine marterachtigen onder. De noodzaak van een ontheffingsaanvraag voor kleine marterachtigen bij overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb blijft daarmee in het algemeen noodzakelijk. Omdat de werkwijze en planning er op toezien dat voortplantingsplaatsen niet worden vernield of verstoord, is er geen sprake van overtreden van verbodsbepalingen van de Wnb. In dit geval is een ontheffingsaanvraag daarom niet noodzakelijk. Overige grondgebonden zoogdieren en amfibieën Het plangebied heeft betekenis voor soorten als bruine kikker, kleine watersalamander, gewone pad, veldmuis, huisspitsmuis, bosmuis, egel, haas en konijn en vos (zie § 5.2.3). In aantal is het voorkomen van genoemde soorten beperkt.
De regionale staat van instandhouding van betreffende soorten is stabiel. Deze wordt, omdat ze slechts incidenteel voorkomen of het maar een beperkt aantal individuen betreft, met het aanleggen en gebruik van de parkeerplaats niet negatief beïnvloed. Betreffende soorten staan alle op de provinciale lijst met soorten waarvoor bij ruimtelijke ingrepen een algemene vrijstelling geldt voor het overtreden van
32
verbodsbepalingen. Een ontheffingsaanvraag is daarmee niet nodig voor deze soorten.
6.4
Conclusies beschermde soorten Met betrekking tot de ruige dwergvleermuis en andere vleermuissoorten kan worden geconstateerd dat er geen ecologisch effect is te voorzien. Door verschillende controles vooraf in ontwerpfase en aanlegfase kan met 100% zekerheid kan worden gezegd dat er geen bomen wordt gekapt die een (potentiele) functie hebben voor vleermuizen (die bijvoorbeeld tijdelijk dienst doen als zomerverblijfplaats of paarplaats van vleermuizen). Hiermee zijn negatieve effecten op vleermuizen (alle eerder genoemde soorten) uit te sluiten en wordt overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb voorkomen. Een ontheffingsaanvraag is hiermee niet noodzakelijk. Het vergroten van de randlengte van het bos als gevolg van de aanleg van de parkeerplaats doet de geschiktheid van het bosperceel voor vleermuizen toenemen. Met in achtneming van enkele voorzorgsmaatregelen zijn effecten op overige beschermde soorten eveneens uit te sluiten. Vervolgonderzoek Voor de daadwerkelijke kap van bomen dient een uitgebreide bomeninspectie van de te kappen bomen op het voorkomen van potentiele vleermuisverblijfplaatsen plaatst te vinden. Als bij die inspectie geen (potentiele) vleermuisverblijven worden aangetroffen, kunnen vleermuisverblijven worden uitgesloten en is kap mogelijk zonder dat er sprake is van negatieve effecten op vleermuizen.
Indien wel potentiele vleermuisverblijven worden aangetroffen en men wil betreffende boom toch kappen, zal een nader onderzoek conform het vleermuisprotocol (versie 2017) noodzakelijk zijn. De conclusies in dit rapport ten aanzien van de beschermde soorten zijn gebaseerd op voldoende beschikbare en actuele informatie. Er zijn daarbij geen hiaten in kennis geconstateerd die van invloed kunnen zijn op de conclusies. De conclusies geven dan ook geen aanleiding voor vervolgonderzoek voor de overige soorten.
33
Deel 3 7
Houtopstanden, Natuurnetwerk Nederland
7.1
Houtopstanden Volgens opgaaf van de provincie Noord-Holland is het bosperceel waarbinnen de parkeerplaats wordt aangelegd, aangeduid als ‘Bebouwde kommen – Boswet’ (zie figuur 7.1). Hoewel voor de aanleg een aantal bomen worden gerooid, is dit niet compensatie- en meldingsplichtig.
Figuur 7.1
7.2
Uitsnede uit de kaart van bosbieden binnen de begrenzing van bebouwde kommen in Noord-Holland
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied en daarmee de ingreep ligt buiten de begrenzing van het NNN (zie figuur 7.2). Van een direct effect op het NNN is daarmee geen sprake. Omdat de ingreep verder niet van invloed is op de hydrologie en de luchtkwaliteit en de ingreep niet zal leiden tot een toename van verstoring binnen NNN-gebied zijn effecten op het NNN uit te sluiten.
34
Figuur 7.2
7.3
Begrenzing van het NNN rond het plangebied
Conclusies
-
De houtkap is niet meldings- en compensatieplichtig omdat het bosperceel geacht wordt binnen de bebouwde kom te liggen.
-
De aanleg en het gebruik van de parkeerplaats Fort Spion heeft geen effect op het NNN.
35
8
Aanbevelingen
8.1
Vervolgprocedure Op basis van de conclusies getrokken in de paragraven 4.3 en 7.3 is vergunning en ontheffingsaanvraag Wnb niet noodzakelijk. Noodzakelijk hiervoor is wel onderstaande aanbevelingen (§ 8.2) ook over te nemen. Indien de aanbevelingen gevolgd worden wordt overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb voorkomen. Evenwel is het definitieve oordeel hierover aan de provincie Noord-Holland als bevoegd gezag.
8.2
Aanbevelingen Bij het overnemen van de volgende maatregelen specifiek van toepassing op de planuitvoering worden overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Wnb voorkomen. Maatregelen De ondergroei binnen het plangebied is conform de gedragscode Drinkwaterbedrijven en onder ecologische begeleiding al verwijderd. De volgende maatregelen worden daarnaast nog aanbevolen: - Controleer alle te kappen bomen vooraf zorgvuldig op het voorkomen van potentiele vleermuisverblijfplaatsen en het mogelijke gebruik daarvan. Bomen die een functie of potentiele functie hebben voor vleermuizen worden niet gekapt. - Start de aanleg van de parkeerplaats buiten het broedseizoen van vogels. Wil men toch de aanleg starten binnen het broedseizoen dan dient vooraf het terrein eerst op de aanwezigheid van nesten van broedvogels te worden gecontroleerd. Als gebleken is dat die niet aanwezig zijn kan ook dan met de aanleg begonnen worden. Starten binnen het broedseizoen conflicteert echter met de voorzorgsmaatregelen met betrekking tot kleine marterachtigen en ruige dwergvleermuis. - Door na het broedseizoen 2018 maar voor het volgende broedseizoen 2019 de kap van bomen uit te voeren zal men ook buiten de periode van paartijd / gebruik tijdelijke zomerverblijf van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, grootoorvleermuis) blijven.
De werkzaamheden dienen daarom te worden gestart in de periode oktober - februari. - Eveneens voor kleine marterachtigen geldt dat de aanleg start buiten het broedseizoen omdat het broedseizoen samenvalt met de kwetsbare periode van kleine marterachtigen en de periode dat hun verblijfplaatsen als vast kunnen worden beschouwd. Om overtreding van verbodsbepalingen op voorhand te voorkomen dienen de werkzaamheden te worden gestart in de herfst- of winterperiode. - Laat de rest van het bosperceel ongemoeid, voorkom onnodige betreding.
36
37
9
Literatuur van Dobben, H.F., R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2397 2397. 68 blz.; 1 fig.; 3 tab.; 21 ref. Broekmeyer, M.E.A., J. Kros, A.G.M. Schotman, G.W.W. Wamelink en A. van Kleunen, 2012. Effecten van stikstof op vogelsoorten in vogelrichtlijngebieden in Noord-Brabant. Alterra, Wageningen / SOVON, Nijmegen, Alterra-rapport 2359. 124 blz.; 8 fig.; 23 tab.; 31 ref. Provincie Noord-Holland, 2012. Atlas Natura 2000 Oostelijke Vechtplassen en Naardermeer. Provincie Noord-Holland, Haarlem Provincie Noord-Holland, 2017. 95 Oostelijke Vechtplassen gebiedsanalyse. M16L 20-06-2017_NH. PAS-bureau, 2017. Gebiedsrapportage 2016. Natura 2000 gebied nr. 9 Oostelijke Vechtplassen. RUD-NHN, 2017. Wezel, Hermelijn en Bunzing beschermd in Noord-Holland. Wat betekent dit voor beheer en inrichting?
38
Bijlage 1 Wettelijke kader bescherming 1.1
Wet
natuur-
Inleiding Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (kortweg: Wnb) in werking. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Met de inwerkingtreding van de Wnb zijn de provincies het bevoegde gezag voor de ontheffing- en vergunningverlening voor plannen en projecten en voor het vaststellen van vrijstellingsregelingen. Bij provincie overschrijdende projecten is dit de minister van EZ. Deze bijlage vat het wettelijk kader samen voor toetsing van ruimtelijke ingrepen en andere handelingen. In paragraaf 1.2 komen algemene bepalingen van de wet aan de orde. Gebiedsbescherming is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 2 Natura 2000gebieden’ en is hier samengevat in paragraaf 1.3. De bescherming van soorten is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 3 Soorten’ en in deze bijlage samengevat in paragraaf 1.4. De bescherming van bomen en bos is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 4 Houtopstanden, hout en houtproducten’ en is hier samengevat in paragraaf 1.5. Andere onderdelen van de Wnb zoals jacht, schadebestrijding, overlastbestrijding, faunabeheer en omgang met exoten maken geen deel uit van deze bijlage.
1.2
Algemene bepalingen Art 1.10 De Wet natuurbescherming is gericht op:
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en • het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Art 1.11 Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht houdt in elk geval in dat handelingen waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden dat ze nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten achterwege blijven, dan wel dat noodzakelijke maatregelen worden getroffen om negatieve gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen ze beperkt of ongedaan worden gemaakt. Art 1.12 Gedeputeerde staten van de provincies dragen zorg voor: •
39
•
•
•
het nemen van de nodige maatregelen voor de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden in voldoende gevarieerdheid voor alle van nature in het wild levende vogelsoorten en planten en dieren en hun habitats van bijlagen II, IV en V bij de Habitatrichtlijn en habitattypen van bijlage I van de Habitatrichtlijn; het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende van nature in het wild voorkomende dier- en plantensoorten; de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland.
Gedeputeerde staten kunnen gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en ‘bijzondere provinciale landschappen’.
1.3
Natura 2000-gebieden De Wnb heeft tot doel het beschermen en in stand houden van Natura 2000gebieden. Relevante wettelijke bepalingen De beoordeling van projecten en andere handelingen wordt geregeld in artikel 2.7 tot en met artikel 2.9. Aanwijzingsbesluiten geven de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van de leefgebieden voor vogels van de Vogelrichtlijn, de natuurlijke habitats en de habitats van soorten van de Habitatrichtlijn. De instandhoudingsmaatregelen zijn voor elk gebied beschreven in het beheerplan. Tevens beschrijft het beheerplan welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Voor het uitvoeren van plannen of projecten kan GS de verplichting opleggen tot preventieve of herstelmaatregelen. Dit is niet van toepassing indien voor het plan of project een (omgevings)vergunning is verleend. Beoordeling van plannen en projecten Art. 2.7 Voor een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie (in cumulatie) met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, is een passende beoordeling noodzakelijk.
Er is een vergunning nodig van GS voor projecten of andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De bevoegdheid ten aanzien van de vergunningverlening ligt bij GS van de provincie waarin het project wordt uitgevoerd.
40
Er geldt een uitzondering op de vergunningprocedure op grond van de Wet natuurbescherming: als via een andere wettelijke bepaling een passende beoordeling verplicht is (bijvoorbeeld op grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding) voor de besluitvorming. Art. 2.9 Géén vergunning is nodig:
•
•
•
Als het project of de handeling is opgenomen in een Natura 2000-beheerplan of in een vastgesteld programma voor Natura 2000-gebieden (zoals de PAS). Voorwaarde is dat 1) ten aanzien van het plan of het programma een passende beoordeling van projecten is uitgevoerd waaruit de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten, en 2) dat het bestuursorgaan dat het plan of programma heeft vastgesteld, tevens bevoegd gezag is voor vergunningverlening of dat dit bestuursorgaan heeft ingestemd heeft met het plan of programma. Als het project of de handeling al bestond of bekend was op de referentiedatum 31 maart 2010 of later als het gebied later is aangewezen (ook wel bekend als bestaand gebruik). Als het project of de handeling behoort tot door PS bij verordening aangewezen categorieën van gevallen.