Beantwoording technische vragen RE 15 juni incl bijlagen Meenthof, Fort Spion en rapport Waardenburg
Tekst van het document
Toelichting op begrippen Habitattoets De habitattoets is de verzamelnaam van toetsingen van effecten van plannen en projecten op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied. In beginsel worden de effecten van plannen en projecten op Natura 2000gebieden ‘passend beoordeeld’. Als er kans is op significant negatieve effecten en mitigerende maatregelen bij de beoordeling zijn betrokken wordt gesproken over een ‘passende beoordeling’. Om procedurele redenen kan er voor worden gekozen om een oriëntatiefase – soms ook wel ‘voortoets’ genoemd – te doorlopen. De inhoudelijke studie is in de oriëntatiefase in grote lijnen identiek aan een passen de beoordeling, echter mitigerende maatregelen zijn bij de oriëntatiefase niet bij de beoordeling betrokken. Als de conclusie is dat significante negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten en maatregelen nodig zijn om significant negatieve effecten met zekerheid te voorkomen, zal alsnog een passende beoordeling nodig zijn.
Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen zijn maatregelen ter voorkoming of beperking van het (mogelijke) effect van het project of andere handeling en deze maatregelen zijn onlosmakelijk verbonden zijn met een project / andere handelingen Cumulatieve effecten Voor de habitattoets geldt uitdrukkelijk dat voor elke activiteit onderzocht moet worden of er mogelijke significante effecten zijn als gevolg van de activiteit afzonderlijk en in
41
combinatie met andere plannen en projecten. In het laatste geval moeten de gezamenlijke ofwel cumulatieve effecten beoordeeld worden in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het gaat daarbij om alle plannen en projecten die op bestuurlijk niveau zijn goedgekeurd en die nog niet (volledig) zijn gerealiseerd. Significantie Van significante effecten kan sprake zijn als ten gevolge van het plan of project realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt. In de Leidraad bepaling Significantie is het begrip ‘significante gevolgen’ 6 toegelicht. Externe werking Ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied kunnen vergunningplichtig zijn als die activiteiten negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied (kunnen) veroorzaken. Dit wordt de ‘externe werking’ van de bescherming genoemd. Programma Aanpak Stikstof Op 1 juli 2015 is de Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Dit programma geeft met een gericht pakket van herstelmaatregelen enerzijds waarborgen voor behoud en herstel van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten en biedt anderzijds ruimte voor nieuwe economische activiteiten. Voor projecten die vermeld zijn op een lijst met prioritaire projecten is op voorhand ruimte gereserveerd.
Voor nieuwe projecten (niet-prioritair) geldt bij een toename van stikstofdepositie op een stikstof gevoelig habitat met thans al een overschrijding het volgende: • Activiteiten met een stikstofdepositie vanaf 1 mol/ha/jaar zijn vergunningplichtig. • Activiteiten met een stikstofdepositie onder 0,05 mol/ha/jaar zijn niet vergunningplichtig. • Voor activiteiten met een stikstofdepositie tussen 0,05 mol/ha/jaar – 1 mol/ha/jaar moet voor het Natura 2000-gebied worden nagegaan wat de actuele geldende grenswaarde is. Bij 95% uitgegeven depositieruimte wordt de grenswaarde verlaagd naar 0,05 mol/ha/jaar; dan is dus een vergunning nodig bij een stikstofdepositie hoger dan 0,05 mol/ha/jaar (anders bij 1 mol/ha/jaar) De omvang van de stikstofdepositie als gevolg van een project moet worden vastgesteld aan de hand van het rekenmodel AERIUS Calculator.
1.4
Soorten Verbodsbepalingen De Wnb onderscheid bij de bescherming van soorten drie beschermingsregimes: 6
Leidraad bepaling significantie. Nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingswet. Publicatie Steunpunt Natura 2000, versie 27 mei 2010.
42
Art. 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk in het wild levende vogels (VR artikel 1) te doden of te vangen.
2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder 1 te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
3.
Het is verboden eieren van vogels als bedoeld onder 1 te rapen en deze onder zich te hebben.
4.
Het is verboden vogels als bedoeld onder 1 opzettelijk te storen.
5.
Het verbod, opzettelijk storen, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het ministerie heeft een lijst gemaakt van soorten vogels die hun nest doorgaans het 7 hele jaar door of telkens opnieuw gebruiken. Deze nesten zijn jaarrond beschermd . Voor andere soorten geldt dat de nesten alleen beschermd zijn wanneer zij (in het broedseizoen) in gebruik zijn. Art. 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 1.
Het is verboden in het wild levende dieren (HR bijlage IV, VvBern Bijlage II, VvBonn Bijlage I) opzettelijk te doden of te vangen.
2.
Het is verboden dieren als bedoeld onder 1 opzettelijk te verstoren.
3.
Het is verboden eieren van dieren als bedoeld onder 1 in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
4.
Het is verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder 1 te beschadigen of te vernielen.
5.
Het is verboden planten (HR bijlage IV, VvBern Bijlage I) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art. 3.10 Beschermingsregime andere soorten 1.
Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage bij de Wet, onderdeel A, natuurbescherming opzettelijk te doden of te vangen.
2.
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder 1 opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
3.
Het is verboden vaatplanten genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij de Wet natuurbescherming, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ontheffingen en vrijstellingen Gedeputeerde staten kunnen een ontheffing verlenen van verboden die gelden voor Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Art 3.3), Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Art 3.8) en Beschermingsregime andere soorten (Art 3.10 lid 2). Provinciale staten en de Minister kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (Art 3.3, Art 3.8) 7
Zie de Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingrepen, ministerie van LNV, augustus 2009.
43
Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan: • er bestaat geen andere bevredigende oplossing, • er is voldaan aan een in Art 3.3 dan wel Art 3.8 genoemd belang, • er is geen sprake van een verslechtering van de (gunstige) staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Aan een ontheffing kunnen voorwaarden worden gesteld om schade te beperken of te compenseren zodat er geen afbreuk wordt gedaan aan de SvI. Art 3.3, Art 3.8 De verboden voor zijn niet van toepassing op handelingen ten behoeve
van instandhoudingsmaatregelen en handelingen in het kader van een Natura 2000beheerplan of een vastgesteld programma (zoals bijvoorbeeld de PAS). Art. 3.10 Voor soorten vallend onder ‘Beschermingsregime andere soorten’ kan de
provincie een vrijstelling verlenen voor handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer of onderhoud. Art. 3.31 De hierboven genoemde verboden onder de drie beschermingsregimes zijn
niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer of onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.
1.5
Houtopstanden Hoofdstuk 4, paragraaf 4.1 van de Wnb regelt de verbodsbepalingen ten aanzien van houtopstanden. De Wet natuurbescherming beschermt houtopstanden met een oppervlakte van minimaal 1000 m2 en rijbeplantingen die bestaan uit meer dan 20 bomen (art. 1.1). Art. 4.1 De bepalingen in § 4.1 hebben o.a. geen betrekking op houtopstanden binnen
de bebouwde kom, op erven of in tuinen, wegbeplantingen, beplanting langs rijkswegen, boomsingels en in het geval van het dunnen van een houtopstand. Art. 4.2 Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen
vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. Art. 4.3 Als een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het
periodiek vellen van griend- of hakhout, geldt een plicht tot herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen.
44
Art. 4.4 De bepalingen in § 4.1 zijn eveneens niet van toepassing als het vellen van houtopstanden en herbeplanten wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode.
In de artikelen van § 4.1 zijn meer uitzonderingen aangegeven.
45
Bijlage 2 Instandhoudingsdoelen Natura 2000gebied Essentietabel Natura 2000-gebied 095. Oostelijke Vechtplassen Kernopgaven Opgave landschappelijke samenhang en Behoud en herstel van samenhang tussen slaapplaatsen en foerageergebieden in het bijzonder voor interne compleetheid (Meren en moerassen) grasetende watervogels en meervleermuizen (de belangrijkste kraamkamerfunctie en slaapfunctie van de meervleermuis ligt vooral in gebouwen buiten de Natura 2000 gebieden). Voor afgesloten zeearmen en randmeren behoud van de specifieke betekenis van de verschillende onderdelen voor habitattypen en vogels. Herstel van mozaïek van verlandingsstadia van open water tot moerasbos en herstel van gradiënt watertypen (inclusief brak) met name in het deellandschappen Laagveen.
4.08
Evenwichtig systeem
Nastreven van een meer evenwichtig systeem (waterkwaliteit, waterkwantiteit en hydromorfologie): waterplantengemeenschap (voor kwanswierwateren H3140 en meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3150), zwarte stern A197, platte schijfhoren H101X en vissen zoals o.a. bittervoorn H1134, grote modderkruiper H1145, kleine modderkruiper H1149 en insecten, zoals gevlekte witsnuitlibel H1042 en gestreepte waterroofkever H1082.
4.09
Compleetheid in ruimte en tijd
Alle successiestadia laagveenverlanding in ruimte en tijd vertegenwoordigd: overgangs- en trilvenen (trilvenen en veenmosrietlanden) H7140_A en H7140_B met onder meer grote vuurvlinder H1060, groenknolorchis H1903 en vochtige heiden (laagveengebied) H4010_B, blauwgraslanden H6410, galigaanmoerassen *H7210 en hoogveenbossen H91D0, in samenstelling met gemeenschappen van open water.
4.12
Overjarig riet
Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging door rietmoerasvogels, zoals roerdomp A021, purperreiger A029, snor A292, grote karekiet A298 en voor de noordse woelmuis *H1340.
4.15
Vochtige graslanden
Herstel inundatie, behoud en nieuwvorming blauwgraslanden H6410, glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) H6510_B, met name kievitsbloemhooilanden, mede als leefgebied van de kemphaan A151 en watersnip A153.
Instandhoudingsdoelstellingen SVI Doelst. Doelst. Doelst. Draagkracht Draagkracht Landelijk Opp.vl. Kwal. Pop. aantal vogels aantal paren
46
Kernopgaven
Habitattypen H3140 H3150 H4010B H6410 H6430A H6430B
Kranswierwateren Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Vochtige heiden (laagveengebied) Blauwgraslanden Ruigten en zomen (moerasspirea) Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)
-+ -
> > = = = =
> > = > = =
4.08,W 4.09, ,W 4.09, ,W
H7140A H7140B
Overgangs- en trilvenen (trilvenen) Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
--
> >
> >
4.09, ,W 4.09, ,W
H7210 H91D0 Habitatsoorten H1016 H1042 H1082 H1134 H1145 H1149 H1163 H1318 H1340 H1903 H4056 Broedvogels A021 A022 A029 A119 A197 A229 A292 A295 A298 Niet-broedvogels A017 A041 A043 A050 A051 A056 A059 A068
*Galigaanmoerassen *Hoogveenbossen
-
> =
> =
4.09, ,W
Zeggekorfslak Gevlekte witsnuitlibel Gestreepte waterroofkever Bittervoorn Grote modderkruiper Kleine modderkruiper Rivierdonderpad Meervleermuis *Noordse woelmuis Groenknolorchis Platte schijfhoren
---+ ---
= > > = = = = = > = =
= > > = = = = = > = =
Roerdomp Woudaapje Purperreiger Porseleinhoen Zwarte Stern IJsvogel Snor Rietzanger Grote karekiet
-----+ ---
> > = = > = = = =
> > = = > = = = =
Aalscholver Kolgans Grauwe Gans Smient Krakeend Slobeend Tafeleend Nonnetje
+ + + + + + --
= = = = = = = =
= = = = = = = =
4.09, ,W
= > > = = = = = > = =
4.08,W 4.08,W 4.08,W 4.08,W 4.08,W 4.12, ,W 4.09, ,W 4.08,W 5 10 50 8 110 10 150 880 50 behoud 920 1200 2800 40 80 120 20
4.12, ,W 4.12, ,W 4.08,W 4.12, ,W 4.12, ,W
4.15,W
Bijlage 3 Het gebruik van rust- en verblijfplaatsen door kleine marterachtigen Bunzing, hermelijn en wezel zijn territoriaal. Hun leefgebieden kunnen sterk in grote variëren afhankelijk van het seizoen en de beschikbaarheid van voedsel. De territoria van mannetjes zijn groter dan van vrouwtjes en kunnen een omvang hebben van enkele tot 100 ha. De territoria van mannetjes overlappen vaak met die van meerdere vrouwtjes. In de voortplantingsperiode verblijven ze op één locatie om de jongen groot te brengen. Dit zijn de plekken waar de belangrijkste prooi algemeen voorkomt. De voortplantingsperiode begint vanaf maart en duurt een zomer waarin jonge dieren met de moeder in familiegroepen kunnen jagen. Wezels kunnen twee worpen per jaar hebben, hermelijn en bunzing werpen éénmaal per jaar. Voor de voortplantingsperiode van kleine marterachtigen wordt maart – augustus aangehouden. De dieren houden zich buiten de voortplantingsperiode in hun territorium op daar waar een hoge prooidichtheid is of waar jagen relatief weinig moeite kost in vergelijking met andere seizoenen. Ze kunnen enkele dagen rond een tijdelijke slaapplek jagen om daarna te verhuizen en op een andere plek te jagen. Daarnaast gebruiken de dieren diverse schuilplaatsen waar ze in tijd van onraad snel kunnen schuilen.
De verschillende functies kraamplek, slaapplek en schuilplek zijn niet ‘vast’ en kunnen in een seizoen en van jaar tot jaar wisselen. Bunzing, hermelijn en wezel gebruiken vergelijkbare typen holen zoals oude konijnen holen, mollengangen, holen onder boomwortels, houtstapels etc. Wezels maken ook gebruik van muizenholen. De dieren komen voor terreinen waar voldoende dekking en voedsel aanwezig is. Ze maken daarbij veel gebruik van lineaire landschapselementen als bosranden, houtwallen, slootranden en greppels. Ze komen voor in bossen, moerassen, rietlanden, houtwallen, ruigtes etc. Wezel heeft een voorkeur voor drogere terreinen en bunzing juist voor waterrijke gebieden. (Hellstedt, 2005; Tod et al., 2004; Twisk et al., 2003; Sleeman, 1989) Bronnen Hellstedt, P., 2005. Behaviour, dynamics and ecological impact of small mustelids. (dissertatie) Dep. of Biological and Environmental Sciences Ecology and Evolutionary Biology, University of Helsinki. Helsinki. Roobeek, K., in: Hoogeboom, D. M., F. Visbeen, J. Wondergem, W. Ruigenbeek (red.) 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo, en Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. RUD-NHN, 2017. Wezel, Hermelijn en Bunzing beschermd in Noord-Holland. Wat betekent dit voor beheer en inrichting? Sleeman, P, 1989. Stoats and Weasels, Polecats and Martens. Whittet Books Ltd., London 119 p.
Todd, I, Macdonald, D.W and Tew, T.E (2004) 'The ecology of weasels (Mustela nivalis) on mixed farmland in southern England.' Biologia, 59 (2). pp. 235241. ISSN 1336-9563
47
Twisk, P., A. van Winden, R. Lange, & A. van Diepenbeek, 2003. Zoogdieren van West-Europa, 2de druk. Uitgeverij KNNV en VZZ, Utrecht.
48
Supplement Rapportage Stikstofdepositie
49
Gehanteerde uitgangspunten bij de AERIUS-berekening werkzaamheden aanleg
materieel
draaiuren
opmerkingen
kap (ca 10 dagen)
2x kettingzaag
100
1x forewarder
50
1x versnipperaar
16
grondwerk (ca 5 dagen)
1x bandenkraan
40
aanbrengen honingraatroosters incl fundering (ca 5 dagen) aanbrengen stootplaten (ca 2 dagen)
1x bandenkraan
40
1x bandenkraan
6
hekwerk (ca 10 dagen)
1x minigraver
40
bospad en bruggetje (ca 7 dagen)
1x bandenkraan
10
1x minigraver
60
transport stammen
vrachtwagen
5
transport houtsnippers
vrachtwagen
2
transport honingraatroosters incl fundering transport hekwerk
vrachtwagen
20
vrachtwagen
1
niet opgenomen in berekening wegens te beperkt brandstofgebruik gemiddelde verbruiksklasse aandrijving tractor gemiddelde verbruiksklasse gemiddeld vermogen, gemiddelde verbruiksklasse gemiddeld vermogen, gemiddelde verbruiksklasse gemiddeld vermogen, gemiddelde verbruiksklasse gemiddeld vermogen, gemiddelde verbruiksklasse gemiddeld vermogen, gemiddelde verbruiksklasse gemiddeld vermogen, gemiddelde verbruiksklasse gemiddeld vermogen, verbruiksklasse VI gemiddeld vermogen, verbruiksklasse VI gemiddeld vermogen, verbruiksklasse VI gemiddeld vermogen, verbruiksklasse VI
Voor transport is de route aangehouden via Loenen aan de Vecht. Het tracé Loenen aan de Vecht - Fort Spion (Bloklaan N403) is meegenomen in de berekening. Vanaf de aansluiting op de Rijksstraatweg (N402) in Loenen aan de Vecht is de aanname dat het verkeer opgaat in het overige verkeer en niet meer specifiek aan het project is toe te schrijven. gebruik
aantal autos
dagen
type auto
maximaal overig
50 10
4 361
euroklasse 6 of hoger euroklasse 6 of hoger
Voor de aanrijroute is de route aangehouden via Loenen aan de Vecht. Het tracé Loenen aan de Vecht - Fort Spion (Bloklaan N403) is meegenomen in de berekening. Vanaf de aansluiting op de Rijksstraatweg (N402) in Loenen aan de Vecht is de aanname dat het verkeer opgaat in het overige verkeer en niet meer specifiek aan het project is toe te schrijven.
50
Dit document bevat resultaten van een stikstofdepositieberekening met AERIUS Calculator. U dient dit document te gebruiken ter onderbouwing van een vergunningaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming. De resultaten geven de stikstofeffecten van deze activiteit weer voor Natura 2000gebieden. AERIUS Calculator maakt enkel voor de PAS-gebieden inzichtelijk welke stikstofgevoelige habitattypen er voor komen en op welke hiervan een effect is. Op basis hiervan is aangegeven voor hoeveel hectares ontwikkelingsruimte benodigd is. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en stikstofoxide (NOx), of één van beide. Hiermee is de depositie van de activiteit berekend en uitgewerkt. Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in de Calculator.
Berekening Aanleg parkeerterrein Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl en pas.natura2000.nl.
RVLJQrTcKwyi (23 maart 2018) pagina 1/7
Benodigde ontwikkelingsruimte
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Bureau Waardenburg
Bloklaan 9a, 1231 AZ Loosdrecht
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Aanleg parkeerterrein Fort Spion
RVLJQrTcKwyi
Datum berekening
Rekenjaar
Rekeninstellingen
23 maart 2018, 10:14
2018
Berekend voor Wnb.
Tijdelijk project, startjaar
Duur in jaren
2018
1
Totale emissie
Resultaten
Situatie 1
NOx
24,77 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Bijdrage
Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Oostelijke Vechtplassen
0,19 (0,07)
Toelichting
Aanleg parkeerterrein Fort Spion
Benodigde ontwikkelingsruimte
Aanleg parkeerterrein
RVLJQrTcKwyi (23 maart 2018) pagina 2/7
Benodigde ontwikkelingsruimte Locatie Aanleg parkeerterrein
Emissie Aanleg parkeerterrein
Bron Sector
Aanleg parkeerplaats Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
Vervoer Wegverkeer | Buitenwegen
Benodigde ontwikkelingsruimte
Aanleg parkeerterrein
Emissie NH3
Emissie NOx
-
23,02 kg/j
< 1 kg/j
1,75 kg/j
RVLJQrTcKwyi (23 maart 2018) pagina 3/7
Benodigde ontwikkelingsruimte Resultaten PASgebieden
Natuurgebied
Hoogste bijdrage *
Oostelijke Vechtplassen
0,19 (0,07)
(mol/ha/j)
*
Benodigde ontwikkelingsruimte
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting tussen haakjes aangegeven.
Aanleg parkeerterrein
RVLJQrTcKwyi (23 maart 2018) pagina 4/7
Benodigde ontwikkelingsruimte Resultaten per habitattype
Oostelijke Vechtplassen
(mol/ha/j) Habitattype
Hoogste bijdrage *
ZGH3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen
0,19 (-)
Lg05 Grote-zeggenmoeras
0,07
*
Benodigde ontwikkelingsruimte
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting tussen haakjes aangegeven.
Aanleg parkeerterrein
RVLJQrTcKwyi (23 maart 2018) pagina 5/7
Benodigde ontwikkelingsruimte Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Aanleg parkeerterrein
NOx
Voertuig
Omschrijving
AFW
Brandstof verbruik (l/j)
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
Forwarder, 75KW, 2011, 50 uur
4,0
4,0
0,0 NOx
6,75 kg/j
AFW
Tractor met versnipperaar, 40KW, 2011, 16 uur
4,0
4,0
0,0 NOx
< 1 kg/j
AFW
Bandenkraan, 40KW, 2011, 96 uur
4,0
4,0
0,0 NOx
6,91 kg/j
AFW
Minigraver, 28KW, 2007, 100 uur
4,0
4,0
0,0 NOx
9,07 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Benodigde ontwikkelingsruimte
Aanleg parkeerplaats 131255, 468232 23,02 kg/j
Soort
Voertuig
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
Aanleg parkeerterrein
Vervoer 130540, 468413 1,75 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen (/dag) Stof
Emissie
1,0 NOx NH3
1,75 kg/j < 1 kg/j
RVLJQrTcKwyi (23 maart 2018) pagina 6/7
Benodigde ontwikkelingsruimte Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden verleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2016L_20171215_64190d2d2b Database versie 2016L_20170828_c3f058f00f Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/uitleg
Benodigde ontwikkelingsruimte
Aanleg parkeerterrein
RVLJQrTcKwyi (23 maart 2018) pagina 7/7
Dit document bevat resultaten van een stikstofdepositieberekening met AERIUS Calculator. U dient dit document te gebruiken ter onderbouwing van een vergunningaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming. De resultaten geven de stikstofeffecten van deze activiteit weer voor Natura 2000gebieden. AERIUS Calculator maakt enkel voor de PAS-gebieden inzichtelijk welke stikstofgevoelige habitattypen er voor komen en op welke hiervan een effect is. Op basis hiervan is aangegeven voor hoeveel hectares ontwikkelingsruimte benodigd is. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en stikstofoxide (NOx), of één van beide. Hiermee is de depositie van de activiteit berekend en uitgewerkt. Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in de Calculator.
Berekening Gebruik parkeerterrein Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl en pas.natura2000.nl.
RbGhHr6wbGX2 (23 maart 2018) pagina 1/5
Benodigde ontwikkelingsruimte
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Bureau Waardenburg
Bloklaan 9a, 1231 AZ Loosdrecht
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Gebruik parkeerterrein Fort Spion
RbGhHr6wbGX2
Datum berekening
Rekenjaar
Rekeninstellingen
23 maart 2018, 10:14
2018
Berekend voor Wnb.
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Benodigde ontwikkelingsruimte
Situatie 1
NOx
< 1 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Bijdrage
-
-
Gebruik parkeerterrein Fort Spion
Gebruik parkeerterrein
RbGhHr6wbGX2 (23 maart 2018) pagina 2/5
Benodigde ontwikkelingsruimte Locatie Gebruik parkeerterrein
Emissie Gebruik parkeerterrein
Benodigde ontwikkelingsruimte
Bron Sector
Aanrijdroute parkeerterrein Wegverkeer | Buitenwegen
Gebruik parkeerterrein
Emissie NH3
Emissie NOx
< 1 kg/j
< 1 kg/j
RbGhHr6wbGX2 (23 maart 2018) pagina 3/5
Benodigde ontwikkelingsruimte Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Gebruik parkeerterrein
NOx NH3
Benodigde ontwikkelingsruimte
Soort
Voertuig
Euroklasse
Personenauto benzine - Euro 5
Gebruik parkeerterrein
Aanrijdroute parkeerterrein 130540, 468413 < 1 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen (/dag) Stof
Emissie
21,0 NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
RbGhHr6wbGX2 (23 maart 2018) pagina 4/5
Benodigde ontwikkelingsruimte Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden verleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2016L_20171215_64190d2d2b Database versie 2016L_20170828_c3f058f00f Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/uitleg
Benodigde ontwikkelingsruimte
Gebruik parkeerterrein
RbGhHr6wbGX2 (23 maart 2018) pagina 5/5