CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

343804 2 - def. versie wijzigingen APV

gemeenteraad 16 december 2021, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Raadsvoorstel aanpassing APV en Drank en Horecawet20.843 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Overzicht wijzigingen behorende bij de Algemene Plaatselijke Verordening Wijdemeren 2018 Toelichting van de wijzigingen van de Algemene Plaatselijke Verordening Toelichting vooraf De Algemene Plaatselijke Verordening van Wijdemeren (hierna: APV) is van 2018. Vanuit de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) zijn er de afgelopen tijd via wijzigingen van de Model-APV een groot aantal aanpassingen en aanvullingen voorgesteld. Daarnaast is de bepaling omtrent het carbidschieten aangepast door het algemene verbod te laten gelden, maar het carbidschieten met een ontheffing toe te kunnen staan. Ten slotte is er een algemeen lachgasverbod opgenomen waardoor het nu mogelijk is om lachgas te verbieden. De vervanging van teksten is door middel van de onderstaande kleurcode aangegeven. Grijze tekst Onderstreepte tekst Blauwe doorgestreepte tekst

  

toelichting op evt. wijziging/toevoeging tekst c.q. artikel toegevoegd en/of gewijzigd tekst c.q. artikel verwijderd

Model-APV van de VNG In de zomer van 2018 is de model-APV door de VNG aangepast. De artikelen in de model-APV zijn gewijzigd vanwege wetswijzigingen, ontwikkelingen in de rechtsspraak e.d. De wijzigingen zijn voornamelijk tekstueel of wetstechnisch van aard. Daarnaast zijn er een aantal inhoudelijke aanpassingen, zoals:  Artikelleden waarmee de lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) ten overvloede van toepassing werd verklaard of uitgezonderd, zijn vervallen. Als de toepasselijkheid uit reeds uit de wet voortvloeit, wordt dit in de APV niet meer herhaald. Ook in gevallen waarin dit niet reeds op grond van de wet van toepassing is en evenmin redenen zijn om deze van toepassing te verklaren in de APV, is over de toepasselijkheid hiervan niets bepaald.  De artikelen 2:24 en 2:25 omtrent evenementen zijn aangepast en aangevuld met een regeling voor vechtsportevenementen en een uitzondering voor theaters.  Artikel 2:59a omtrent gevaarlijke honden op eigen terrein is nieuw.  Artikel 2:79 omtrent woonoverlast is gewijzigd, onder andere door het schrappen van de verplichting om beleidsregels vast te stellen.  Artikel 5:10 over parkeren anders dan op de rijbaan is nieuw.  Artikel 5:13 over collecteren is aangepast zodat duidelijk is dat ook leden- en donateurswerving daaronder vallen.

Ook is de verwijzing naar het CBF vervangen door een verwijzing naar een jaarlijks door het college vast te stellen collecte- en wervingsrooster.  De artikelen 5:25 tot en met 5:27 over ligplaatsen zijn aangepast in verband met de Wet verduidelijking voorschriften woonboten. In de zomer van 2020 is de model-APV opnieuw aangepast. De aanpassingen zijn dusdanig minder dan die in 2018. De zomeraanpassing heeft vooral geleid tot redactionele verbeteringen. Daarnaast zijn er een aantal inhoudelijke aanpassingen, zoals:  Alleen het college heeft de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels en daarom is in artikel 2:10 lid 5 het ‘bevoegde bestuursorgaan’ gewijzigd in ‘college’.  Als een exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is, levert dit een weigeringsgrond voor de exploitatievergunning op. Dit is toegevoegd in artikel 2:28 lid 3. De weigeringsgrond geldt ook voor artikel 2:25 lid 7 (vechtsportevenementen) en artikel 3:7 (seksinrichting)  Het verbod voor niet-aangelijnde honden is uitgebreid tot openbare plaatsen binnen de bebouwde kom (was alleen binnen de bebouwde kom op de weg). Hierdoor geldt het verbod in artikel 2:57 ook voor andere plaatsen binnen de bebouwde kom, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen.

In artikel 3:7 lid 1 is tot uitdrukking gebracht dat de genoemde weigeringsgronden dienen als aanvulling op de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8. In het eerste lid is onderdeel b geschrapt en zijn de overige onderdelen anders geletterd. Onderdeel b bevatte de weigeringsgrond ‘de exploitant of beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij’. Sinds 2015 is wettelijk sprake van ‘beëindiging van ouderlijk gezag of voogdij’. Beëindiging van het ouderlijk gezag is veel ruimer dan de zeer beperkte groep ontzette ouders. In verband hiermee is ook in de destijds geldende Drank-en Horecawet deze weigeringsgrond destijds vervallen. Het crossverbod bedoeld in artikel 5:32 beperkte zicht tot wedstrijden of de voorbereiding daarvan. Het crossen buiten wedstrijdverband is aan de verbodsbepaling in het eerste lid toegevoegd.

In juni 2021 zijn nog wat redactionele technische wijzigingen door de VNG doorgevoerd. Dit zijn enkel tekstuele aanpassingen (artikel 3:7 en 5:23).

Lachgasverbod In de ledenbrief van 14 mei 2020 heeft de VNG aangegeven welke model-APV- bepalingen gemeenten kunnen gebruiken voor de handhaving van overlast door oneigenlijk gebruik van lachgas. Lachgas is namelijk nog niet op lijst II is geplaatst behorende bij de Opiumwet waardoor nog geen landelijk verbod is op het oneigenlijk gebruik van lachgas. In de ledenbrief van 14 juli 2020 van de VNG is benoemd dat een aantal gemeenten aan de VNG hebben gevraagd om een specifieke APV-bepaling met een verbod op het gebruik van lachgas als roesmiddel. Hierdoor heeft de VNG een voorbeeldartikel opgenomen, te weten artikel 2:48a. De VNG heeft in de ledenbrief van 12 mei 2021 aangegeven dat vanwege de moeilijke bewijslast van het gebruik van lachgas het niet wordt aangeraden om voor gemeenten deze specifieke verbodsbepaling op te nemen, maar aan te sluiten bij een ander artikel omtrent openlijk drugsgebruik. Door in de bepaling op te nemen dat het gebruik van middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet en ‘daarop gelijkend waar’ niet is toegestaan, wordt hiermee indirect ook bedoeld dat het niet toegestaan is om lachgas te gebruiken. Lachgas kan namelijk worden aangemerkt als ‘daarop gelijkend waar’. In de huidige APV van Wijdemeren wordt het gebruik en de handel van drugs in een artikel benoemd (artikel 2:74 lid 1 en 2).

De model-APV van de VNG heeft de handel en het gebruik gesplitst in twee artikelen (artikel 2:74 – drugshandel op straat en 2:74a – openlijk drugsgebruik). Hier is nu aansluiting bij gezocht.

Carbidschieten Er is een wijziging in de verbodsbepaling voor wat betreft het carbidschieten opgenomen. In 2020 is in de APV een algehele verbodsbepaling voor het carbidschieten opgenomen, terwijl dit in de voorafgaande jaren niet het geval was. Dit algehele verbod is ingesteld vanwege de Coronacrisis. Er is besloten om dit algehele verbod ook na 2020 te laten gelden. Om het carbidschieten eventueel met een ontheffing toe te kunnen staan, wordt artikel 2:73b van de APV op dit punt aangevuld. Dat biedt de mogelijk om maatwerk te leveren en flexibiliteit in relatie tot eventuele coronamaatregelen.

Alcoholwet De Alcoholwet is per 1 juli 2021 in werking getreden en vervangt hiermee de Drank- en Horecawet. Naast de APV moet ook de Drank- en Horecaverordening door deze wetswijziging worden aangepast. De APV is enkel tekstueel op de nieuwe wetswijziging aangepast vanwege het feit dat de Drank- en Horecaverordening hierop ook wordt aangepast. Met opmaak: Geen afstand, Met opsommingstekens + Niveau: 1 + Uitgelijnd op: 0,63 cm + Inspringen op: 1,27 cm

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. openbare plaats: wat in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; d. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; e. rechthebbende: hij die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een of persoonlijk recht; f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening Wijdemeren; g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; j. college: het college van burgemeester en wethouders.

- bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Bouwverordening Wijdemeren; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgmeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel

1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:1 Definities Een aantal definities zijn overgeheveld naar artikel 1:1 (bromfiets, motorvoertuig, parkeren, voertuig). Deze definities waren opgenomen in artikel 5:1 en artikel 5:32a. Om deze reden zijn die artikelen vervallen. Artikel 1:2 Beslissingstermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing wanneer als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing

als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a. 4. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het tweede lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken. 5. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid. Artikel 1:3 Indiening aanvraag (vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning, of ontheffing op basis van deze verordening kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene, aan wie op basis van deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij dat op basis van deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. als ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.

als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. als van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. als de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. De Een vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2.

Een vergunning of ontheffing kan tevens worden geweigerd als een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, waardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag door het bevoegde gezag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2. Openbare orde Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Een ieder Degene die op een openbare plaats a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid gestelde verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoelt in de Wet openbare manifestaties.

Afdeling 2. Betoging Artikel 2:2 Optochten (gereserveerd) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Een ieder Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, stelt geeft daarvan vóór voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester schriftelijk in kennis. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van de organisator van de betoging degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die de organisator van degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.

Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondeling kennisgeving in behandeling nemen op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel 2:4 Afwijking termijn (vervallen) Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (vervallen)

Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:6 Beperking aanbieden en.d. dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (gereserveerd)

Afdeling 4. Vertoningen e.d. en dergelijke op de weg Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.en dergelijke (vervallen) Artikel 2:8 Dienstverlening (vervallen) Artikel 2:9 Straatartiest e.d. en dergelijke 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een procedure om te komen tot de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen Voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als het dat gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste ten minste een vrije doorgang van 1,10 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4. Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 5. In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag een De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:187; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7. Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of het Provinciaal wegenreglement. 8. Op de procedure om te komen tot de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2. De vergunning wordt verleend : a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, wanneer als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3.4. Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Keur AGV, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Wijdemeren. 54. Op de procedure om te komen tot aanvraag om een de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of veranderingen te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd als: a. daardoor ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c.

als door de uitweg het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, het openbaar groen, het functioneren van de op of aan de weg aanwezige openbare (nuts)voorzieningen of wanneer de bruikbaarheid van de weg wordt aangetast; 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rrijkswaterstaatswerken, de Keur AGV of het Provinciaal wegenreglement. 4. Op de procedure om te komen tot de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 6. Veiligheid op de weg en ijs Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (vervallen) Artikel 2:14 Winkelwagentjes (vervallen) Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. en dergelijke (vervallen) Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.en dergelijke (vervallen) Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de periode van 1 maart tot 1 november. 2. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3. De verboden in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (vervallen) Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting (vervallen) Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (gereserveerd) Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht en Waterverordening provincie Noord-Holland.

Afdeling 7. Evenementen Artikel 2:24 Begripsbepaling Definities 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. evenement: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: - bioscoop- en theatervoorstellingen; - - markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; - - kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; - - het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; - - betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; - - activiteiten als bedoeld in artikelen 2:9 en Kansspelverordening 2010. - sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. b. Klein evenement: een evenement dat geen noemenswaardige belasting vormt voor of impact heeft op de leefomgeving, de openbare orde en veiligheid. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

Artikel 2:24 Definities In dit onderdeel wordt in eerste lid, onder a, ‘bioscoopvoorstellingen’ vervangen door ‘bioscoop- en theatervoorstellingen’. Er is ook een correctie van de verwijzing naar artikel 160 van de Gemeentewet ingevoerd voor wat betreft de definitie van markten. Ook wordt een onderdeel ingevoegd waarmee sportwedstrijden niet als een evenement worden aangemerkt, tenzij het om een door de burgemeester aangewezen vechtsportevenement gaat, waarmee gedoeld wordt op zogenaamde full contact-vechtsportevenementen of -gala’s. Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveiligheid gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor

zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde is geen vergunning vereist voor de door burgemeester aangewezen evenementen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in a) meldings- en vergunningsvrije evenementen; b) meldingsplichtige en vergunningsvrije evenementen. 4. De organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement, onder lid 3, sub b bedoelde, daarvan melding heeft aan de burgemeester. 5. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een klein evenement als bedoeld in het vierde lid te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6. De burgemeester kan nadere regels vaststellen. 7. Het verbod van het eerste lid geldt niet is niet van toepassing op voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregeld onderwerp wordt voorzien in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 7.8.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgmeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8.9. Op de aanvraag om een vergunning procedure om te komen tot de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:25 Evenement In lid 2 wordt opgenomen dat het aanleveren van de gegevens die op grond van artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik overige plaatsen in het kader van een aanvraag om een evenementenvergunning verstrekt moeten worden, alleen nodig is als de aanvrager van de evenementenvergunning ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van dat Besluit voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten doen. Na het zevende lid worden een nieuw lid ingevoegd. Op grond van het achtste lid kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is.

Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Begripsbepalingen Definitie 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. openbare inrichting: verstaan I. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of; II. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel van waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt. 2. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Artikel 2:27 Evenementenvergunning

De definities zijn aangepast en de omschrijvingen van ‘terras’ en ‘buiten de besloten ruimte gelegen delen’ zijn gecombineerd door een samenvoeging van het eerste lid, onder b, en het tweede lid. Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting en/of terras in strijd is met het een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit of als de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, wanneer als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat a. de woon- en of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 3.4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een.: a.

een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfskantine of – -restaurant. 4.5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet Alcoholwet, wanneer als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting die de openbare orde aantasten, dan wel of; b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel. 5.6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a. 7. De burgemeester kan nadere regels stellen terzake de exploitatie van de openbare inrichting en de handhaving hiervan. 8.

Op de procedure om te komen tot de vergunning bedoeld in het eerste lid en de vrijstelling in het vijfde lid is Op de aanvraag om een vergunning of vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting De toegevoegde weigeringsgrond beschreven in het derde lid is aan de gemeentelijke praktijk ontleend. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ‘slecht levensgedrag’ een voldoende duidelijke weigeringsgrond is. Wel is het noodzakelijk dat de burgemeester beleidsregels vaststelt, waaruit voldoende duidelijk blijkt hoe hij deze weigeringsgrond invult. Artikel 2:29 Sluitingstijden 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01:00 en 06:00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02:00 en 06:00 uur. Het bij de openbare inrichting behorend terras is gesloten tussen 23:00 en 06:00 uur. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5.

Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer en de Winkeltijdenwet is voorzien. 6. Op de procedure om te komen tot de aanvraag tot een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden, voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de openbare orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel 2:32 Handel binnen in openbare inrichtingen 1. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2. De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf of behorend terras enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. 2. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor openbare opkopingen en veilingen. Artikel 2:33 Ordeverstoring (vervallen) Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijhorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30.

Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Alcoholwet Zie ‘Drank- en Horecaverordening Alcoholverordening Wijdemeren’

Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Begripsbepaling Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Hij die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 Nachtregister (gereserveerd) Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of kampeerder is, is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden

Zie ‘Kansspelverordening’

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden gelden niet voor zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.

Het in het tweede lid gestelde verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing wanneer voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven 5. 4. Het college kan wijst aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. 5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. daarvan. 7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.en dergelijke 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Dit Het verbod is niet van toepassing, als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal 1.

Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Dit Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 3. Het is verboden op een openbare plaats of op de weg in de nabijheid van winkels een tas of ander hulpmiddel, kennelijk uitgerust om winkeldiefstal mee te plegen, bij zich te hebben of te vervoeren. 4. Het in het derde lid genoemde verbod is niet van toepassing, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die tas of dat ander hulpmiddel niet is bestemd voor het plegen van winkeldiefstal. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.en dergelijke (gereserveerd) Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.en dergelijke (gereserveerd)

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag en overnachten op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan op een wijze die voor andere gebruikers of bewoners omwonenden van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 3. Het is verboden openbare plaatsen als slaapplaats te gebruiken: a. in de openlucht; b. met een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of ander onderkomen en daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. 4. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het derde lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden. 5. Het in het derde lid bepaalde geldt niet voor zover de Woonwagenwet of de Kampeerwet van toepassing is, noch op de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen. 6.

Op de procedure om te komen tot de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1. Het is verboden voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en horecawet Alcoholwet; en b. de plaats, niet zijnde een openbare inrichting, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet Alcoholwet. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is zonder redelijk doel verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een dergelijk gebouw.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimte worden in elk geval begrepen:verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d en dergelijke. (vervallen) Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.en dergelijke (vervallen) Artikel 2:53 Bespieden van personen (vervallen) Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (vervallen)

Met opmaak: Lettertype: 10 pt

Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (vervallen) Artikel 2:56 Alarminstallaties (vervallen) Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: ab. op een openbare plaats binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; ba. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, (zwem)strand, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; c. op een door het college aangewezen plaats buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als die hond niet is zonder dat die aangelijnd is; d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college kan aangewezen plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a niet geldt. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of wanneer de eigenaar of houder van een die deze hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:57a Paarden Het is de eigenaar of houder van een paard verboden dat paard te laten lopen op een door burgemeester en wethouders nader aangewezen gedeelte van een openbare plaats binnen de bebouwde kom. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden en paarden 1. Degene die zich met een hond of paard op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk of dat paard zo snel mogelijk doch uiterlijk binnen 24 uur worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Wanneer Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan van ten hoogste 1,50 meter. 3.

Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die a. vervaardigd is van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen;, die b. door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en. De korf c. zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier hond niet kan bijten, waarbij dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen de scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, moet dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein

1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geld niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanige hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein (nieuw) In dit artikel is bepaald dat het de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond verboden is die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als in de bepaling genoemde voorzieningen zijn getroffen waardoor gevaar voor derden in de openbare en vrij toegankelijke privéruimte niet aanwezig is. Het is eventueel mogelijk om ook andere voorzieningen in dit artikel te benoemen. Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.

Het is verboden op een door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben, of; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of; c. aanwezig te hebben tot in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit die aanwijzing is aangegeven. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. 3. Op de procedure om te komen tot de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:61 Wilde dieren (vervallen) Artikel 2:62 Loslopend vee (vervallen) Artikel 2:63 Duiven (vervallen) Artikel 2:64 Bijen (vervallen) Artikel 2:65 Bedelarij (vervallen)

Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Begripsbepaling Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover van toepassing daaronder begrepen dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de procedure om te komen tot de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: i.1° dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; ii. 2°van een verandering van de onder a, sub 1°, bedoelde adressen; iii 3°. als dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; iv. 4° dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar is zijn; d.

een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie werkdagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (vervallen) Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven (vervallen)

Afdeling 13. Vuurwerk Consumentenvuurwerk en carbidschieten Paragraaf 2.1 Consumentenvuurwerk Artikel 2:71 Begripsbepalingen Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: Consumentenvuurwerk hetgeen daaronder wordt verstaan in het waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen (vervallen) Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door burgemeester en wethouders het college in het belang van de voorkoming het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Paragraaf 2.2 Carbidschieten Artikel 2:73a Begripsbepalingen Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder: a. bevoegd bestuursorgaan: burgemeester en wethouders of, voor zover het openbare vermakelijkheden als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet betreft, de burgemeester; b. bus: een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp; c. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumcetylide) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. Artikel 2:73b Verbod carbidschieten

1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. 2.3. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 2:73b Verbod carbidschieten (aangepast) Het algemene verbod wat gold in 2020 blijft gelden, maar het wordt mogelijk om met een ontheffing carbid te schieten. Dat biedt de mogelijk om maatwerk te leveren en flexibiliteit in relatie tot eventuele coronamaatregelen.

Afdeling 14. Drugsoverlast Artikel 2:74 Handel in en gebruik van verdovende middelen Drugshandel op straat 1. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. 2. Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een publiek toegankelijke gebouw middelen bedoeld als in artikel 2 van de Opiumwet, te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben. Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikel 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik (nieuw) Dit lijkt een nieuw artikel, maar dit artikel sluit aan bij het oude artikel 2:74 lid 2. Volgens de model APV is dit een apart artikel en dit verduidelijkt ook het openlijk drugsgebruik.

Artikel 3 van de Opiumwet en ‘daarop gelijkend waar’ zijn nu toegevoegd. Bij ‘daarop gelijkend waar’ kan worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst voorkomen en waartegen wel moet worden opgetreden of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Dit dient dan natuurlijk wel goed te worden gemotiveerd.

Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen en gebiedsontzeggingen Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats wanneer als deze personen het bepaalde in de volgende artikelen van de thans geldende Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Wijdemeren groepsgewijs niet naleven:. - artikel 2:1 (samenscholingsverbod en ongeregeldheden); - artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op of aan de weg en overnachten op andere plaatsen); - artikel 2:48 (verboden drankgebruik); - artikel 2:49 (hinderlijk verboden gedrag bij in of bij in gebouwen); - artikel 2:50 (hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten); - artikel 2:73 (gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling); - artikel 2:73b (verbod carbidschieten) - artikel 2:74 (handel in en gebruik van verdovende middelen en openlijk drugsgebruik) - artikel 5:34 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken verbod om vuur te stoken). Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

Met opmaak: Lettertype: 10 pt

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen. Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10795053/1