CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ruimtelijke onderbouwing

gemeenteraad 15 november 2022, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Raadsvoorstel definitieve verklaring van geen bedenkingen Bloklaan 22a (Het voorstel is zonder stemming aangenomen.)14.304 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 26

Tabel 6. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.

Relatie tot ontwikkeling De bestemmingen binnen het projectgebied betreffen met name recreatiebestemmingen, zoals ‘Recreatie – Recreatiecentrum’, ‘Recreatie – jachthaven’ en ‘Recreatie – verblijfsgebied’. Overige bestemmingen in het projectgebied betreffen onder meer ‘Groen’, ‘Water (- Waterweg)’, ‘Wonen’, ‘Horeca’ en ‘Bedrijf’. De omliggende de gronden betreffen overwegend ‘agrarisch’, ‘wonen’, ‘natuur’ en ‘Buitenplaats’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat binnen het projectgebied sprake is van gemengd gebied. Havengebouw De locatie waar het havengebouw is beoogd wordt begrensd door de bestemmingen ‘Recreatie – Recreatiecentrum’ en ‘Water (- Waterweg)’. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op een afstand van 135 meter. Voor Jachthaven met diverse voorzieningen geldt milieucategorie 3.1, wat leidt tot een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied (SBI-code 2008, 932). Aangezien geen woningen gelegen zijn binnen 30 meter van het havengebouw, worden geen woningen belemmerd door de bedrijfsactiviteiten. Er is geen sprake van een risico in het kader van bedrijven en milieuzonering. Entreegebouw De gronden waar het entreegebouw is beoogd zijn gelegen nabij gronden met de bestemming ‘Wonen’. Het is in de huidige situatie al toegestaan om een bedrijfswoning te realiseren binnen het bouwvlak waar het entreegebouw deels binnen is gelegen.

Ook is de bedrijfsmatige exploitatie van een terrein voor verblijfsrecreatie met de daarbij behorende kleinschalige dagrecreatieve voorziening toegestaan. Recreatiewoning De recreatiewoning ligt op een afstand van circa 20 meter van een woonbestemming. De bouwvlakken binnen deze woonbestemming liggen in noordelijke richting op een afstand van circa 40 meter en circa 50 meter van de beoogde recreatiewoning conform het bestemmingsplan “Landelijk gebied Noord” (vastgesteld op 3 december 2015). Aan de oostelijke zijde van deze woonbouwvlakken is op een afstand van circa 5 en circa 10 meter reeds verblijfsrecreatie met recreatiewoningen gevestigd. Aan de westzijde op een afstand van circa 5 meter van de projectlocatie waar de recreatiewoning is beoogd, is een bedrijfsbestemming van kracht conform bestemmingsplan “Landelijk gebied Noord”. Binnen deze bedrijfsbestemming is een lampenkappenbedrijf toegestaan met maximaal milieucategorie 2. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Aangezien sprake is van een recreatiewoning en geen burgerwoning, wordt het bedrijf door de voorgenomen ontwikkeling niet belemmerd in zijn bedrijfsuitvoering.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 27

De recreatiewoning is binnen de huidige bestemming ‘Recreatie – Recreatiecentrum’ niet toegestaan. Volgens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2936) is aangegeven dat op grond van de VNG-brochure in het oogpunt van geluidhinder in een rustige woonwijk een richtafstand van 50 meter aangehouden dient te worden tussen woningen en recreatiewoningen. Voor gemengd gebied kan deze afstand verlaagd worden naar 30 meter. Aan deze afstand wordt voldaan, omdat de beoogde recreatiewoning op voldoende afstand van de woonbouwvlakken binnen het bestemmingsplan “Landelijk gebied noord” is gelegen. Hoewel de recreatiewoning op voldoende afstand is gelegen van de woonbouwvlakken, ligt de beoogde bebouwing op een afstand van circa 10 meter van de woonbestemming wat is aangeduid als erfgebied. Hier wordt niet aan de richtafstand van 30 meter voldaan. Van deze richtafstand mag echter gemotiveerd worden afgeweken. In de voornoemde uitspraak heeft de Raad aangegeven dat een afwijking aanvaardbaar wordt geacht op het moment dat sprake is van een verbetering van de bestaande situatie door de herontwikkeling. Er is in de huidige situatie bebouwing aanwezig op de gronden waar de recreatiewoning is beoogd. Deze bebouwing wordt vernieuwd ten behoeve van de recreatiewoning.

Gezien het feit dat het projectgebied een vakantiepark betreft, kan aangenomen worden dat dergelijke functies aanvaardbaar zijn op de locatie. Het vernieuwen van verbouwing kan daarbij mogelijk bijdragen aan de uitstraling van het vakantiepark.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van een havengebouw, entreegebouw en een recreatiewoning. In de huidige situatie is de kwaliteit van de bodem reeds geschikt voor een recreatiefunctie. De toekomstige ontwikkelingen betreffen eveneens recreatiefuncties. Het gebruik veranderd in hoofdzaak niet, waardoor voor het gebruik geen bodemonderzoek benodigd is. Bodemonderzoek is echter wel aan de orde bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’, mits sprake is van grondroerende werkzaamheden.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de planologische procedure.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 28

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: • Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. • Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Recreatiecentrum Mijnden” is: • Het projectgebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; • Het projectgebied niet gelegen binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • Het projectgebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van een nabijgelegen transportroute; • Het projectgebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 29

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: • woningen; • onderwijsgebouwen; • ziekenhuizen; • verpleeghuizen; • verzorgingstehuizen; • psychiatrische inrichtingen; • kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling betreft de realisatie van een havengebouw, entreegebouw en een recreatiewoning. Dit zijn geen geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Voor de beoogde recreatiewoning geldt echter dat aangetoond dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Om een indicatie te geven van de geluidsbelasting ter plaatse van de recreatiewoning is in figuur 9 een uitsnede opgenomen van de geluidsbelastingkaart van de provincie Noord-Holland (een gemeentelijke geluidsbelastingkaart is vooralsnog niet beschikbaar). De locatie waar de recreatiewoning is beoogd is zwart omcirkeld. Figuur 9. Geluidsbelastingkaart provincie Noord-Holland via Geoweb

Op de kaart is te zien dat de beoogde recreatiewoning niet is gelegen binnen een geluidscontour van de provinciale weg, de Bloklaan, die ten noorden van het projectgebied loopt. Op grond van de gegevens die volgen uit deze kaart kan daarmee geconcludeerd worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden ter plaatse van de recreatiewoning.

Conclusie Het aspect geluid vormt, op grond van de geluidbelastingkaart van de provincie Noord-Holland, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 30

HOOGSPANNINGSLEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen.

Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden.

Relatie tot ontwikkeling Op de kaart van hoogspanningsleidingen https://webkaart.hoogspanningsnet.com/index2.php#6/51.998/5.164 zijn hoogspanningsleidingen weergegeven. In de westelijke richting op een afstand van circa 1,8 kilometer van het projectgebied zijn hoogspanningsleidingen van 150 kV (blauwe lijn) en van 380 kV (rode lijn) gelegen. Figuur 10. Uitsnede HoogspanningsNET Netkaart, projectgebied zwart omcirkeld

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 31

Het voorgenomen initiatief betreft de realisatie van een havengebouw, entreegebouw en een recreatiewoning. Gezien de afstand van 1,8 kilometer is geen sprake van langdurige blootstelling aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 mircotesla. Daarnaast is in een recreatiecentrum op voorhand al geen sprake van langdurig verblijft.

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor realisatie van de beoogde ontwikkeling.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: • woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; • kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m 2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van een havengebouw, entreegebouw en een recreatiewoning. Dit kan niet één op één vergeleken worden met de realisatie van woningbouw of kantoorlocaties. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 16 december 2021).

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 32

Tabel 7. Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl) Jaar GCN-achtergrondconcentratie locatie ID 178775 NO2 (µg/m3)

PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

12,5

15,6

8,4

2030

9

13,6

7

Grenswaarden

40

40

25

In de tabel is zichtbaar dat de grenswaarden ter plaatse van het projectgebied, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.

Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 33

Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door BK bouw- & milieuadvies een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van BK bouw- & milieuadvies is bijgevoegd in bijlage 2 bij voorliggende onderbouwing. Daarnaast is door BK bouw- & milieuadvies een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze rapportage is bijgevoegd in de bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Uit de uitgevoerde quickscan flora en fauna volgt dat het projectgebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Hieronder zijn de resultaten op hoofdlijnen weergegeven. − Binnen het plangebied broedvogels te verwachten zijn. Voor alle beschermde soorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Storende werkzaamheden kunnen derhalve alleen buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Er zijn echter ook nestlocaties gevonden van de huismus, een valk, een witte kwikstaart en een oeverzwaluw. Gezien het feit dat dit jaarrond beschermde vogels zijn, is voor verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk.

− Er zijn geen grondgebonden zoogdieren, opening of holen van grondgebonden zoogdieren waargenomen. Alleen indien bomenrijen en struikgewassen/houtwallen worden verwijderd is nader onderzoek nodig. Voor algemeen voorkomende soorten geldt wel een zorgplicht. − De locatie wordt geschikt bevonden als foerageergebied en/of vliegroute met betrekking tot vleermuizen. Indien er bomenrijen of watergangen worden verwijderd dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. De te slopen bebouwing is niet geschikt bevonden als verblijfplaats voor vleermuizen. Met het uitvoeren van de werkzaamheden wordt niet verwacht dat belangrijke verblijfplaatsen worden verstoord of zullen verdwijnen. Nader onderzoek naar de functie van foerageergebied en vliegroute is noodzakelijk. − Gezien het feit dat op het terrein verschillende smalle sloten aanwezig zijn, worden amfibieën verwacht. Indien sloten worden gedempt is nader onderzoek naar de rugstreeppad noodzakelijk. − Op het terrein komen mogelijk ringslangen voor. De zand/grond/steenhopen zijn zeer geschikt als broedhopen. Nader onderzoek is nodig. − Indien er sloten worden gedempt is tevens nader onderzoek naar de grote modderkruiper noodzakelijk. − Er worden geen beschermde ongewervelden soorten verwacht, voor de algemeen voorkomende soorten op de locatie geldt echter wel een zorgplicht. In het rapport is een conclusie opgenomen per werkzaamheden.

De conclusie is terug te vinden in onderstaande tabel.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 34

Tabel 8. Conclusie per werkzaamheden, BK bouw- & milieuadvies

Nader ecologisch onderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling is nader ecologisch onderzoek uitgevoerd door BK Bouw- & Milieuadvies B.V op 18 november 2021 naar huismussen, steenmarter, noordse woelmuis en ringslang. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 4. Voor deze soorten is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk. De aanwezigheid van de rugstreeppad, de grote modderkruiper en essentieel foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen zijn uitgesloten met dit onderzoek. Uit het onderzoek blijkt verder dat er vrijgestelde soorten aanwezig zijn waar rekening mee gehouden dient te worden. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende soorten. Voor deze soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen en hiervoor wordt een werkprotocol geadviseerd. Tabel 9. Overzicht aangetroffen soorten per deelgebied en de te nemen acties

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 35

De geplande werkzaamheden worden in fases uitgevoerd. De te nemen vervolgstappen, per fase, voor de werkzaamheden zijn: 1. Opstellen werkprotocol voor fase 1 voor vrijgestelde soorten, huismussen, ringslang, steenmarter, vleermuizen en algemeen voorkomende soorten, per soort werkzaamheid en deelgebied/fase’ a. aan de hand van het werkprotocol kunnen werkzaamheden in fase 1 worden uitgevoerd. 2. Aanvragen ontheffing voor huismuis, steenmarter, ringslang en noordse woelmuis voor de werkzaamheden in fase 2 en 3. Hiervoor is het volgende nodig: a. opstellen activiteitenplan en werkprotocol b. toepassen/aanbrengen van compenseren maatregelen 3. Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen werkzaamheden voor fase 2 en 3 aanvangen onder voorwaarden van de ontheffing, het activiteitenplan en het werkprotocol. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met mitigerende en compenserende maatregelen. Gebiedsbescherming Het projectgebied is gelegen aan het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Het beoogde havengebouw, het entreegebouw en de recreatiewoning zelf zijn niet gelegen in het Natura 2000-gebied. Gezien de ligging aan een Natura 2000-gebied is het uitvoeren van stikstofonderzoek noodzakelijk. Door BK bouw- & milieuadvies is een AERIUS-berekening uitgevoerd en een stikstofdepositierapportage opgesteld d.d. 30 september 2020.

Vanwege de uitspraak van de Afdeling in het kader van de PAS is met betrekking tot herontwikkeling een Aerius c.q. stikstof-berekening noodzakelijk om aan te tonen dat deze ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op habitatsoorten in het Natura 2000-gebied (negatief effect is uitgesloten bij een depositie van minder of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar). Mocht het project leiden tot een stikdepositietoename van meer dan 0,00 mol/ha/jaar, dan is mogelijk een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en een passende beoordeling. Uit de stikstofberekening komt naar voren dat gezien de ligging van het projectgebied. interne saldering noodzakelijk is. De stikstof uitstoot in de toekomstige gebruiksfase bedraagt 21,67 kg. Dit is een afname van 17,81 kg per jaar ten opzichte van de huidige situatie. Voor de bouwfase is tevens ook sprake van een berekende afname van de stikstofdepositie. De beschikbare stikstof ruimte die vrijkomt, zal in eerste instantie worden ingezet voor de bouwfase (13,4 kg). Uiteindelijk neemt in de toekomstige situatie de stikstofuitstoot af (met 17,81 kg). Er is daarmee sprake van een vermindering van de stikstofuitstoot in de huidige situatie. Omdat gebruik wordt gemaakt van de interne saldering is een vergunning aangevraagd in het kader van de Wet natuurbescherming.

Conclusie Nader ecologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Indien benodigd wordt een ontheffing aangevraagd. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de planologische procedure.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 36

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

Relatie tot ontwikkeling Parkeren Door Loendersloot mobility connected is een rapportage Parkeeradvies Recreatiepark Mijnden te Loosdrecht uitgevoerd op 10 september 2021. Deze rapportage is opgesteld ten behoeve van het gehele recreatiepark. Aangezien de ruimtelijke onderbouwing enkel ziet op de realisatie van een havengebouw, entreegebouw en een recreatiewoning, worden enkel de conclusies voor deze drie functies opgenomen. De gehele rapportage is terug te vinden in bijlage 5 van de ruimtelijke onderbouwing. Havengebouw Er zal een havengebouw met een bvo van +/- 240m2 worden gerealiseerd. Een havengebouw wordt onder de commerciële dienstverlening/kantoor zonder baliefunctie geschaard. Deze parkeernorm valt uiteen in een bezoekers- en werknemersaandeel. Het park heeft zelf ook al ligplaatsen en elke woning ook een steiger voor een boot. Hierdoor is het logisch dat parkeerbehoefte van de ‘bezoekers’ van het havengebouw al wordt gevangen in de parkeernorm van de ‘jachthaven’ en ‘recreatiewoningen’. Daardoor zal dit gebouw alleen een parkeerbehoefte kennen van de werknemers. Van de parkeernorm zal dus 80% worden gehanteerd, omdat het bezoekersaandeel 20% is. Entreegebouw Het entreegebouw bestaat voor twee derde uit opslag en voor één derde als receptie. Het gedeelte opslag zal de norm van arbeidsextensief worden gehanteerd.

Voor de receptie wordt dezelfde redenering als voor het havengebouw voorgesteld. Immers zijn de ‘bezoekers’ van de receptie de gebruikers van het park, welke al een parkeerplaats per woning of per ligplaats hebben. Eventueel kan de ontwikkelaar hier een aantal ‘Kissand-ride’-achtige plekken realiseren voor de korte bezoeken aan de receptie; bijvoorbeeld bij het ophalen van de sleutel en dergelijke. Ook de bezoekers van het park zullen zich wellicht melden bij de receptie, maar ook hun parkeervraag is al voorzien in de recreatiewoningen. Daardoor zal de receptie alleen een parkeerbehoefte kennen van de werknemers. Van de parkeernorm zal dus 80% worden gehanteerd, omdat het bezoekersaandeel 20% is. Wel zal bij dit gebouw dus een aantal parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd voor het korte bezoek. Recreatiewoning Voor een groot deel van de woningen op dit park is al een omgevingsvergunning verleend met een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein. Deze norm van 2 parkeerplaatsen ligt hoger dan de norm uit het parkeerbeleid voor de functie ‘bungalowpark huisjescomplex’, welke 1,8 parkeerplaatsen kent per bungalow. Hiermee wordt verondersteld dat deze woningen en villa’s als functie ‘wonen’ hebben in plaats van ‘recreatie’. Dat betekent dat deze parkeernorm ook is opgebouwd uit parkeerbehoefte die typerend is voor woningen.

Dat bestaat dan uit de bewoners maar ook uit bezoekers. Dit is relevant voor de rest van het park, omdat hiermee het onderdeel ‘bezoek’ van de recreatiewoningen reeds op eigen terrein op wordt gevangen. Daardoor zal de parkeerbehoefte van het aandeel bezoek niet op de buitenruimte hoeven te worden afgewenteld.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 37

Tabel 11 toont de parkeerbehoefte van het recreatiepark in totaal. Deze ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op de met rood onderstreepte functies. Voor één recreatiewoning wordt rekening gehouden met een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. Het havengebouw kent een parkeernorm van circa 8 parkeerplaatsen en voor het entreegebouw dienen circa 14 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Dit komt neer op 24 parkeerplaatsen in totaal voor de onderdelen die in deze ruimtelijke onderbouwing zijn beschouwd. Tabel 10. Parkeerbehoefte recreatiepark totaal (bron: rapportage Loendersloot mobility connected, 10 september 2021)

In de parkeerbehoefte van deze drie functies kan worden voorzien op eigen terrein, waardoor parkeren geen randvoorwaarde vormt. Verkeersgeneratie In het bestemmingsplan “Recreatiecentrum Mijnden” is opgenomen dat één recreatiewoning een verkeersaantrekkende werking heeft van minimaal 2,6 en maximaal 2,8. Gezien het feit dat de recreatiewoning is beoogd op het vakantiepark, worden geen knelpunten verwacht ten aanzien van de minimale extra verkeersbewegingen.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 38

Ontsluiting De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats via de Bloklaan, richting de Rijksstraatweg (N402), de Provincialeweg (N201) naar de A2. Hiermee is de locatie goed bereikbaar. Figuur 11. Ontsluitingssituatie (bron: Google Maps)

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.

Relatie tot ontwikkeling Het projectgebied is gelegen binnen het beheergebied van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. In bijlage 4 van het vigerende bestemmingsplan “Recreatiecentrum Mijnden” is de digitale watertoets opgenomen die is doorlopen ten behoeve van dat bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 39

Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit De recreatiewoning en het entreegebouw worden gerealiseerd binnen het bouwvlak dat reeds is verhard. De extra verharding die wordt toegevoegd ten gevolge van dit project is afkomstig van het havengebouw. De gronden waar het havengebouw is beoogd zijn deels verhard ten behoeve van twee kleine gebouwen. Worstcase zal sprake zijn van een toename van 120 m2 aan verhard oppervlak (oppervlakte beoogde havengebouw conform impressiebeeld Marc Prosman Architecten d.d. 1 oktober 2020). Bij een toename van het verharde oppervlak met 5.000 m2 is watercompensatie verplicht (buiten stedelijk gebied). Hier valt de beoogde ontwikkeling ruim onder. Beschermde gebieden In onderstaand figuur is een uitsnede opgenomen van de legger van het Waterschap. De locaties waar het havengebouw, het entreegebouw en de recreatiewoning zijn beoogd (rood omcirkeld in uitsnede) zijn niet gelegen binnen de (beschermingszone van een) waterkering of watergang. Figuur 12. Legger Waterschap AGV

Gezien de ligging buiten de beschermingszone van een waterkering of watergang, ontstaan geen belemmeringen. Riolering Voor het havengebouw, het entreegebouw en de recreatiewoning wordt aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 40

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van een havengebouw, entreegebouw en een recreatiewoning op een vakantiepark. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D 10 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op de aanleg, wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen van 250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit De voorgenomen ontwikkeling is van beperkte omvang, waardoor er geen nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht . Er is geen sprake van een belemmering.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 41

5

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan de Bloklaan 22a is een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Wijdemeren en Mijnden B.V. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor eenieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 42

6

CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel om ter plaatse van een vakantiepark een havengebouw, entreegebouw en een recreatiewoning toe te voegen. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 43

Bijlage 1 Projectgebied, met projectlocaties, februari 2021 (Mees Ruimte & Milieu)

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 44

Bijlage 2 Quickscan Wet natuurbescherming, december 2020 (BK bouw- & Milieuadvies)

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 45

Bijlage 3 Rapportage stikstof incl. AERIUS-berekening, september 2020 (BK bouw- & milieuadvies)

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 46

Bijlage 4 Nader ecologisch onderzoek, november 2021 (BK bouw- & milieuadvies)

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 47

Bijlage 5 Parkeeradvies Recreatiepark Mijnden, september 2021 (Loendersloot Mobility Connected)

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11943584/1