CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

01. Bestemmingsplan Ankeveensepad 05-11-2021 ex. bijlagen

commissie Ruimte en Economie 10 november 2021, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Dammerweg 3 en 422.680 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit zijn zowel concrete plannen als de meer zachte plannen. Voorliggend plan draagt bij aan de gemeentelijke ambitie om 1.031 woningen te bouwen. N.b. in hoofdstuk 3 is de behoefte eveneens gemotiveerd. Hierbij is gebruikgemaakt van het meer recente beleidsstuk de Provinciale Prognose Noord-Holland.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Woonvisie Wijdemeren 2016 – 2020 De woonvisie Wijdemeren is vastgesteld op 22 december 2016 en volgt de woonvisie uit 2005 op. Doordat er veel veranderd is op de woningmarkt is een actualisatie van het woonbeleid noodzakelijk gebleken. De belangrijkste doelstelling van de woonvisie is om de woningvoorraad, nu en in de toekomst, zo goed mogelijk af te stemmen op de woonwensen van de inwoners van Wijdemeren. In de visie is een woonagenda geformuleerd met drie hoofdthema’s. De agenda is gebaseerd op basis van de voorgaande onderzoeken van de woonvisie en gespreken in de gemeenteraad. De thema’s zijn: 1. Leefbare kleine kernen: 2. Diverse woningvoorraad met kwaliteit 3. Strategische inzet van nieuwbouw In de Woonvisie worden de hoofdthema’s nader uitgewerkt op basis van knelpunten en kansen, doelen en instrumenten om zo doende goed sturing te kunnen geven. Tot slot is de woonvisie uitgewerkt in een uitvoeringsagenda en woningbouwprogramma. Planspecifiek Voorliggend plan sluit aan op de woonvisie. Het draagt bij aan de leefbaarheid van de kernen omdat het woonbebouwing door het toevoegen van een woningtype waar behoefte aan is, zoals gemotiveerd in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 3 is ook eveneens gemotiveerd dat het plan een kwalitatieve toevoeging van de woningvoorraad inhoudt.

Het derde hoofthema uit de visie beschrijft mogelijkheden om woningbouw strategisch in te zetten om de beoogde doelen uit de woonvisie te bereiken. Voorliggend plan is geïnitieerd vooruitlopend op de woonvisie. In hoofdstuk 3 is echter gemotiveerd dat de beoogde woningen bijdragen aan de doelen van de visie en daarmee niet in strijd is met het vastgestelde beleid. Pagina 25 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

Het project wordt specifiek benoemd in het woningbouwprogramma met als projectnaam Dammerweg. In de voorgaande twee paragrafen en in hoofdstuk drie is tevens gemotiveerd hoe aangesloten wordt op de provinciale en regionale behoefte. 4.3.2 Bestemmingsplan Kern Nederhorst den Berg Het vigerende bestemmingsplan voor de locatie is ‘Kern Nederhorst den Berg’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 27 oktober 2011. Het bestemmingsplan is een hoofdzakelijk consoliderend bestemmingsplan. Dit houdt in dat de bestaande situatie vastgelegd wordt. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hierdoor maar beperkt mogelijk. Planspecifiek Onderstaand is een uitsnede van het vigerend bestemmingsplan weergegeven. De uitsnede toont dat het huidig toegestaan gebruik wonen, groen en water is. De beoogde woningbouw is zowel functioneel als bouwkundig niet toegestaan op de locatie. Om de ontwikkeling te realiseren is een nieuw planologisch beleidskader nodig. Voorliggend plan voorziet in het nieuwe planologische kader. Molenbiotoop In het vigerende bestemmingsplan valt het gebied tevens binnen de ‘vrijwaringszone molenbiotoop’. Een molenbiotoop betreft een regeling die de windvang op een windmolen moet waarborgen. Het betreft hier een zogenaamde 8-kante grondzeiler binnenkruier met als doel de achterliggende polder droog te malen.

Deze voormalige schepradmolen bemaalde vroeger met een tweede molen de StichtsAnkeveensepolder (ca. 473 ha).De windbemaling is tot in de jaren 1930 in bedrijf gebleven. Tussen 1863 en 1894 verdween de tweede molen van het toneel en stond de hier besproken molen er alleen voor. De in 1956 zwaar vervallen molen is toen in eigendom overgegaan van de polder naar de huidige eigenaar. Deze liet de molen restaureren en inrichten als woning. Een molenbiotoop wordt zowel in provinciaal als in gemeentelijk beleid geregeld. Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de regeling uit het vigerende bestemmingsplan aangehouden, aangezien dit een doorwerking is van het provinciaal beleid en voor een ieder bindend is. De regeling luidt als volgt: a. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek; c. het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde onder a, indien: 1.

de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing; 2. toepassing van de onder a bedoelde afstands- en/of hoogtematen de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zouden schaden; d. indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge het gestelde onder a t/m c, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2. De afstand tussen de grens van het bouwvlak in voorliggend plan en het midden van de molen bedraagt 290 meter. Dit houdt in dat op basis van de molenbiotoop de hoogte van de bebouwing 1/30 van de afstand mag zijn, gerekend vanaf het middelpunt van de molen met als grondvlak de onderkant van de verticaal staande wiek. 1/30 van 290 meter is 9,66 meter. Dit is zonder het meerekenen van maaiveld tot aan de onderkant wiek reeds hoger dan de maximale bouwhoogte zoals opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. In

Pagina 26 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

voorliggend plan wordt derhalve voldaan aan de molenbiotoop en vormt dit aspect geen belemmering voor het plan.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan met globale plangrens (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Pagina 27 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

5 Milieutechnische uitvoerbaarheid 5.1

Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. Voor deze afstanden in de brochure zijn naast de factoren aard en omvang van het bedrijf mede afhankelijk van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden. Planspecifiek Onderhavig plan houdt voor delen van het plangebied een wijziging van de groen en water bestemming naar wonen in.

Dit betekent dat er een gevoelige bestemming bijkomt waarvan beoordeeld moet worden of dat inpasbaar is met de in de omgeving aanwezige bedrijvigheid. In het bestemmingsplan zijn in de directe omgeving twee bedrijf bestemmingen gelegen. Aan de overzijde van het Ankeveensepad ligt een kleine bedrijfsbestemming. Op deze locatie is vanwege een specifieke aanduiding ‘nutsvoorziening’ echter enkel een nutsvoorziening toegestaan. Nutsvoorzieningen zijn goed inpasbaar met gevoelige bestemmingen zoals woningen. Aan de Vaartweg 20-21 ten zuidoosten van het plangebied ligt eveneens een bedrijfsbestemming van de voormalige wasserij Gerard Best BV. De gronden zijn aangeduid met een specifieke aanduiding omdat de voormalige wasserij in een hogere milieuhindercategorie valt dan regulier toegestaan is binnen de bestemming bedrijf van het bestemmingsplan ‘Nederhorst den Berg. Voor deze specifieke bestemming geldt een hinderafstand van 50 meter in rustige woonwijken en 30 meter in gemengd stedelijk gebied. Gezien de diversiteit aan functies rondom het plangebied kan hier gesproken worden van een gemengd stedelijk gebied. De afstand van de grens van de bedrijfsbestemming tot de grens van het plangebied bedraagt ca. 37 meter. Er wordt derhalve voldoende afstand tot de bedrijfsbestemming gehouden.

Afstand tussen horeca bestemming en woonbestemming ca. 6 meter. Pagina 28 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

Binnen het plangebied is de horecagelegenheid ‘Het Spiegelhuys’ gelegen. In de regels van het vigerende bestemmingsplan is op deze locatie een horecagelegenheid van categorie 1 en 2 toegestaan. In de toelichting staat aangegeven dat categorie 1 geen beperking vormt voor omliggende functies. Categorie 2 beperkt in geringe mate de omliggende functies. In onderhavig plan is in de vigerende situatie reeds de woonbestemming op ca. 6 meter vastgesteld. De nieuw te realiseren woningen komen op vergelijkbare afstand. Gezien de reeds bestaande afstand tot gevoelige bestemmingen wordt een nieuwe extra woonfunctie nabij de horecagelegenheid als goed inpasbaar gezien. Tot slot worden in het plan 3 appartementen op het Spiegelhuys mogelijk gemaakt. Zoals bij de aanleiding aangegeven gaat het hier om drie woningen in de sociale sfeer. Omdat de woningen direct op de horecagelegenheid gebouwd kunnen worden, zal niet voldaan worden aan de richtafstanden zoals die gelden in de VNG publicatie. Voor deze woningen zal derhalve expliciet aangetoond moeten worden of met het oog op akoestiek realiseerbaar zijn. In paragraaf 4.2 wordt dit met een akoestisch onderzoek expliciet aangetoond. De bedrijven alsmede de horeca gelegenheid vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.2

Geluidhinder

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functie belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudenties zijn aanvullende onderzoek verplichtingen gesteld. Planspecifiek Voor onderhavig locatie geldt dat de Dammerweg een 30 km/h weg is. Op basis van de Wet geluidhinder is hiervoor geen akoestisch onderzoek verplicht. De Overmeerseweg even ten zuiden van het plangebied waarin de Dammerweg overgaat is echter wel een 50 km/h gebied. Het invloedsgebied van deze weg ligt over het plangebied. Akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai is daarom toch noodzakelijk. Door adviesbureau Weel is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘Aan het Ankeveensepad worden grondgebonden woningen en appartementen gerealiseerd. De woningen liggen binnen de geluidzone van de Dammerweg. Een deel van de Dammerweg is gezoneerd (50 km/uur), een deel is niet-gezoneerd (30 km/uur).

Voor wat betreft toetsing van de geluidbelasting op de woningen aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder is alleen het gezoneerde deel van belang. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer op het gezoneerde deel bedraagt maximaal Lden=37 dB. Dit is ruimschoots minder dan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai. De geluidbelasting vanwege het niet-gezoneerde deel bedraagt ten hoogste Lden=55 dB op de westgevel van het bestaande pand waar appartementen worden gerealiseerd. Deze geluidbelasting leidt niet tot een onaanvaardbare woonsituatie. Op de overige waarneempunten is de geluidbelasting lager dan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai. Omdat de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai niet wordt overschreden hoeft geen Hogere waardeprocedure te worden doorlopen..’ Het aspect verkeerslawaai vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.

Pagina 29 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

Het Spiegelhuys is een horecagelegenheid. Derhalve moet tevens beoordeeld worden of t.a.v. de woningen in het plan voldaan wordt aan de geluidsnormen die gelden voor horecalawaai. Om dit goed te bepalen is door Westerveld Advies een akoestisch onderzoek naar horecalawaai uitgevoerd. (Zie voor het volledige onderzoek bijlage 4) Doel van dit onderzoek is de akoestische randvoorwaarden te bepalen voor de bouw van de woningen naast het Spieghelhuys en appartementen of hotelkamers op het Spieghelhuys. Het onderzoek beschrijft de noodzakelijke maatregelen waaronder de woningbouw en de realisatie van appartementen of hotelkamers te combineren is met de horecagelegenheid. Bij de omgevingsvergunning van het bouwen voor de woningen en de hotelkamers zal voldaan moeten worden aan de maatregelen. Deze maatregelen zijn uitvoerbaar binnen de kaders van het bestemmingsplan. Het aspect horecalawaai vormt derhalve geen belemmering voor de appartementen boven het Spiegelhuys en de nieuwe woningen naast het Spiegelhuys.

5.3

Flora en Fauna

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Voorliggend plan houdt het verlegen van een watergang en het kappen van bomen in. Om te bepalen of er geen schadelijke effecten voor beschermde soorten optreden is een ecologisch onderzoek nodig. Door Aveco de Bondt is een quickscan Flora & Fauna uitgevoerd, zie bijlage 5. De ecologische quickscan concludeert dat er mogelijk vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en modderkruipers in het gebied aanwezig zijn. Om hun aanwezigheid en mogelijk nadelige effecten te onderzoeken is een nader onderzoek nodig. Het nader onderzoek is uitgevoerd door adviesbureau Ecologisch, zie bijlage 7. De conclusie van het onderzoek luidt: Er is een paarverblijf van de gewone dwergvleermuis aangetroffen in het restaurant "het Spiegelhuys". Voor vernietiging van een verblijfplaats dient een ontheffing inzake artikel 75c van de Flora- en faunawet aangevraagd te worden en dienen mitigerende maatregelen genomen te worden.

Er zijn geen nestlocaties van de huismus en gierzwaluw aangetroffen. De kleine modderkruiper is eveneens niet aangetroffen. Doordat de planontwikkeling een lange looptijd kent is het door ecologisch uitgevoerde onderzoek verouderd. Er is daarom een actualisatie van het ecologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 11. Op basis van onderzoek zijn geen nieuwe beschermde soorten aangetroffen. Ten aanzien van de vleermuizen wordt het volgende geconcludeerd: ‘Uit de bureaustudie blijkt dat verschillende beschermde vleermuissoorten voorkomen in de omgeving van het plangebied, zoals Baardvleermuis, Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Tweekleurige vleermuis, Watervleermuis (0-1km) en Franjestaart, Gewone grootoorvleermuis, en Meervleermuis (1-5km). Binnen het braakliggend terrein zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten. Vleermuizen zijn zeer plaatsgetrouw. Er wordt daarom vanuit gegaan dat het paarverblijf van de Gewone dwergvleermuis dat in 2015 is geconstateerd nog functioneert. Er zal geen schade ontstaan mits in de juiste periode wordt gewerkt. Enkele maatregelen hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6. Gezien de aanwezige bomen aan de westkant van het plangebied en de opslag van bomen en struiken is het plangebied geschikt als foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten.

Foerageergebied is alleen beschermd indien het van groot belang is voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen van de soorten, doordat er Pagina 30 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

onvoldoende alternatieven aanwezig zijn. Binnen het plangebied zijn reeds nieuwe bomen aangeplant om ook in de toekomst het foerageergebied in stand te houden. Daarnaast zijn voldoende alternatieven aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Hierdoor zal er geen schade ontstaan aan de gunstige staat van instandhouding van de verschillende populaties vleermuizen.’ Door middel van het nemen van maatregelen, zoals beschreven in het onderzoek kan het aangetroffen paarverblijf in stand blijven. Er is door deze conclusie en de daaruit volgende maatregelen dus geen ontheffing nodig. De actualisatie van het ecologisch onderzoek vermeld wel dat een Aeriusberekening noodzakelijk is om aan te tonen dat de stikstofdepositie op nabijgelegen natuurgebied de normen niet overschrijdt. Daarom is door Plannen-makers een Aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlage 12. De Aeriusberekening is uitgevoerd om de stikstofdepositie op natuurgebieden te berekenen als gevolg van de verkeerstoename in de bouwfase en de gebruiksfase. Omdat de woningen gasloos gebouwd worden stoten deze geen stikstof uit in de gebruiksfase en is hiervoor geen berekening noodzakelijk. De conclusie van de Aeriusberekening is dat de stikstofdepositie op het natuurgebied de Oostelijke Vechtplassen onder de 0,00 mol/ha/j blijft.

Voor onderhavig plan houdt dit in dat de beoogde woningbouw inclusief de verlegging van de watergang vanuit ecologisch oogpunt niet bezwaarlijk is. Voor het realiseren van de appartementen op het Spiegelhuys zal een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd moeten worden ivm de vleermuizen. In voorliggend bestemmingsplan wordt de uitbreiding planologisch mogelijk gemaakt. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen voor het Spiegelhuys zal dan een ontheffing overlegd moeten worden. Vooruitlopend op de bouw van de woningen zijn de bomen op de planlocatie gekapt. In overleg met de Regionale Uitvoeringsdienst is bepaald dat gebiedseigen bomen in het plangebied terug dienen te komen. Deze bomen kunnen dan samen met de bebouwing voorzien in vliegroute voor vleermuizen in het plangebied. Om te bepalen welke soorten en op welke plaats de bomen geplaatst kunnen worden is een onderbouwing boomsoortenkeuze opgesteld, zie bijlage 10. Afgesproken is om als tijdelijke oplossing hekwerken met daarop een doek bevestigd, tussen de her te planten bomen te plaatsen. Zo kan tot de bomen geplaatst zijn toch voorzien worden in een mogelijke vleermuisroute. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

5.4

Bodem

Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Onderhavig plan wijzigt de bestemming van groen en water naar Wonen. Bepaald moet worden of de bodem geschikt is voor het toekomstig gebruik. Nader onderzoek vanuit het aspect bodem is voor de ruimtelijke (planologische) motivering derhalve noodzakelijk. Het verkennend bodemonderzoek voor de locatie is uitgevoerd door Inventerra, zie bijlage 7. Het onderzoek heeft zowel de bodem, als de waterbodem onderzocht. Hierbij is aanvullend op asbest gecontroleerd. De eindconclusie van het rapport is dat: ‘milieu hygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming’. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de bijlage. Voor voorliggend plan vormt het aspect bodem geen belemmering voor het plan. Pagina 31 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

5.5

Luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2)

Toetsing van Grenswaarde jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar 200 µg / m³ worden overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 50 µg / m³ keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg / m³ Tabel: grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit

Geldig sinds 2015

vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011 Sinds 2015

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Besluit gevoelige bestemmingen Sinds 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen van kracht. Op grond van het Besluit is het niet toegestaan om kwetsbare functies (zoals ziekenhuizen en verzorgingshuizen) te realiseren op minder dan 300 meter van een Rijksweg en op minder dan 50 meter van een provinciale weg, als ter plaatse de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof worden overschreden. Planspecifiek Voorliggend plan houdt de realisatie van 8 woningen in, het verbouwen van het Spiegelhuys en 3 appartementen op het Spiegelhuys. Een plan voldoet in de regel aan het NIBM criterium als het minder dan 1500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2. De gehele ontwikkeling blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk.

Aanvullend is bepaald wat de huidige luchtkwaliteit is in en nabij het plangebied. Hiervoor is de site Atlas voor de Leefomgeving geraadpleegd. Onderstaande afbeeldingen tonen de meetresultaten ten aan zien van fijnstof en stikstofdioxide in 2013.

Pagina 32 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

Uitsnede fijnstofkaart met globale planbegrenzing 2013 (bron: site Atlas voor de Leefomgeving)

Uitsnede stikstofkaart met globale planbegrenzing 2013 (bron: site Atlas voor de Leefomgeving) De fijnstofkaart toont dat in het plangebied een concentratie van fijnstof tussen de 20-21 µg/m³ aanwezig is. De stikstofkaart toont dat in het plangebied een concentratie van stikstof tussen de 16-18 µg/m³ aanwezig is. Beide waarden blijven onder de grenswaarden. Geconcludeerd kan worden dat de bestaande luchtkwaliteit voldoende is voor het beoogd gebruik.

5.6

Externe Veiligheid

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Pagina 33 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt.

Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden.

Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).

Pagina 34 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

Planspecifiek Om te beoordelen of er risico’s Externe Veiligheidsrisico’s zijn is de risicokaart geraadpleegd.

Uitsnede risicokaart, plangebied in rode ovaal (bron: IPO) De risicokaart toont dat er in of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn en geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Tevens zijn er geen Bevi-inrichtingen in de directe omgeving. Het aspect Externe Veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor het plan. Voorts is het plan nog voorgelegd aan de Brandweer. De brandweer heeft de volgende aandachtspunten gegeven voor de ontwikkeling: 1. De weg moet minimaal 3,0 meter breed en verhard zijn met een vrij ruimte van 3,5 meter. 2. Bij een doodlopende weg, die langer dan 40 meter is, is er een keermogelijkheid aanwezig. 3. Er is onvoldoende bluswater aanwezig op het Ankeveenspad. Het advies is om in de bocht bij de bomen (plankaart) een brandkraan aan te laten leggen. In het plan zal aan de aandachtspunten voldaan worden. De weg heeft en zal in de toekomstige situatie een vrije ruimte houden van 3,5 meter. Op pagina 39 bij de parkeeroplossing is getoond dat de parkeerplaatsen voldoende naar achteren gesitueerd zijn om hier aan te kunnen voldoen. In het plan is een keermogelijkheid opgenomen, deze is ook zichtbaar op pagina 39 aan de zuidoosthoek van het plangebied. Deze ruimte is ook als verkeer bestemd in het bestemmingsplan om deze ruimte hiervoor te reserveren. Tot slot zal in de bocht bij de bomen een bluswatervoorziening aangelegd worden.

Dit wordt bij de omgevingsvergunning uitgewerkt.

5.7

Archeologie

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond Pagina 35 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Planspecifiek Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer in de ondergrond archeologische waarden verwacht worden en de planontwikkeling aantasting van deze ondergrond in zal houden. Bij de bouw van de 8 woningen en het vergroten van de bestaande watergangen zal de ondergrond ‘geroerd’ worden. Op basis van het gemeentelijk beleid is bepaald dat alleen bij grondingrepen groter dan 2.500 m 2 archeologisch onderzoek nodig is. Archeologisch onderzoek is voor onderhavig plangebied niet nodig omdat het deel van het plangebied waarvan de ondergrond geroerd wordt kleiner is dan 2.500 m2.

5.8

Waterhuishouding

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen

Pagina 36 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerplan Het Beleid van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht is vertaald in het Waterbeheerplan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2010-2015. In het Waterbeheersplan is uitgewerkt hoe AGV in de planperiode invulling geeft aan haar taken op het gebied van waterbeheer, zoals veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit. Planspecifiek Waterberging Wanneer een ontwikkeling leidt tot toename van het verhard oppervlak met 1.000 m² of meer dient er watercompensatie gerealiseerd te worden. Op basis van de Keur moet minimaal 10% van het verhard oppervlakte gecompenseerd worden door middel van open water of alternatieve vormen van waterberging. Daarnaast dient al het open water dat gedempt wordt volledig gecompenseerd te worden. In voorliggend plan neemt het verhard oppervlak met woningen, ontsluiting met parkeervakken met 881 m2 toe en wordt de watergang aan de voorzijde langs het Ankeveensepad gedempt, zie hiernavolgende afbeeldingen. De vereiste watercompensatie, 10% van het extra verhard oppervlakte, komt daarmee op 88 m2.

Situatietekening met nieuw verhard oppervlakte (bron: Bureau Maris).

Pagina 37 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

Situatietekening met bestaand wateroppervlakte (bron: Bureau Maris).

Situatietekening met toekomstig wateroppervlakte (bron: Bureau Maris). De watergang langs het Ankeveensepad dient volledig gecompenseerd te worden. In de hiernavolgende tabel is het bestaande wateroppervlakte en het toekomstige wateroppervlakte weergegeven. Hierbij geldt dat de vijver achter de woning van Dammerweg 4 in de bestaande situatie niet als open water wordt meegeteld. Dit water bevindt zich achter een dam en is daardoor niet in verbinding met open water en vormt daardoor geen onderdeel van het open waterbergende vermogen. Dit uitgangspunt is in overleg met het waterschap bepaald. De tabel toont dat het wateroppervlakte met 117 m2 toeneemt en daarmee voldoet aan de verplichte watercompensatie van 88 m2. Pagina 38 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

Gebruik materialen Voor de nieuwbouw worden materialen die de kwaliteit van het regen- en oppervlaktewater negatief beïnvloeden, zoals uitloogbare materialen als koper, zink, lood of geïmpregneerd hout, niet dan wel zo min mogelijk toegepast. Gezien bovenstaande conclusies vormt het aspect water geen belemmering voor voorliggend plan.

5.9

Parkeren

Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek Parkeren Het parkeren van voorliggend plan wordt opgelost op eigen terrein. Er is voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te lossen. Het plan bestaat uit 6 grondgebondenwoningen en 3 appartementen in de sociale sfeer. De extra parkeerbehoefte door het plan is bepaald op basis van de ‘Beleidsregel parkeernormen gemeente Wijdemeren. De planlocatie ligt conform tekening 2A behorende bij de beleidsregel ten delen in de kern en ten delen in het landelijk gebied. 4 woningen krijgen daarom een parkeernorm van 1,6 pppw en 2 woningen van 2,6 pppw. Voor de 3 appartementen moet een norm van 1,0 per appartement aangehouden worden. De toename van parkeerbehoefte op de locatie komt daarmee op: 4 woningen in de kern x 1,6 pp 2 woningen in landelijk gebied 2,6 pp 3 appartementen soc. Huur/koop 1,0 pp Totaal

= 6,4 pp = 5,2 pp = 3 pp ---------=14,6 = 15 pp.

De totale extra parkeerbehoefte als gevolg van het plan bedraagt 15 pp. Het plan voorziet in 12 parkeerplaatsen op eigen terrein en drie in de openbare ruimte, wel binnen het plangebied en niet op het Ankeveensepad zelf.. Het plan voldoet daarmee aan de parkeernorm. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

Pagina 39 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

Situatietekening met beschikbare parkeerplaatsen voor het plan (bron: Bureau Maris) Verkeer Onderhavig plan betreft een uitbreiding van 6 woningen in de kern en drie extra appartementen in de sociale sfeer op het Spiegelhuys. De Dammerweg en het Ankeveensepad kunnen deze beperkte toename van verkeer gezien de dimensionering van de wegen goed aan. In onderstaande afbeelding is aangetoond dat het in- en uitvoegen van de parkeerplaatsen langs het Ankeveensepad uitvoerbaar is.

Overzicht in- en uitvoegen parkeerplaatsen (bron: Bureau Maris) Pagina 40 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

5.10 Cultuurhistorische Verkenning Omdat het plan direct naast de monumentale kerk plan is geprojecteerd, is advies gevraagd aan de erfgoedcommissie van het WZNH. Het WZNH adviseert de gemeente op het vlak van ruimtelijk kwaliteitsvraagstukken. Het plan is twee keer voorgelegd aan de commissie, in november en in december 2013. Op aanraden van de commissie is de cultuurhistorische verkenning uitgevoerd naar de tuinen. De verkenning is uitgevoerd door de Cultuur Compagnie (Cultuurhistorische verkenning van de tuin-/parkaanleg rondom de rooms-katholieke kerk aan de Dammerweg in Nederhorst den Berg, versie 9 dec. 2014), zie bijlage 8. De conclusie van de rapportage luidt: ‘Te concluderen valt dat er altijd sprake is geweest van een tuin rondom de kerk en pastorie. Ze hebben nooit ‘zonder elkaar’ bestaan. Hoewel de beplanting niet oorspronkelijk is, is de indeling dit misschien wel. Het kaartmateriaal geeft vaag weer hoe de tuin er door de jaren heen uit heeft gezien. Er lijkt al die tijd wel sprake te zijn geweest van een tuinaanleg met veel groen, waterpartijen en een padenstructuur, maar hoe de invulling exact op bepaalde momenten is geweest, is aan de hand van het beschikbare materiaal niet te bepalen.

De tuin-/parkaanleg aan de noordzijde van de kerk, met het kerkhof en de beelden van de hand van Bijvoets, had een duidelijke functie voor de kerk en is ook als één geheel, door één architect, ontworpen. Vandaag de dag is dit nog steeds een functioneel onderdeel van de kerk met een publieke functie. De overige tuin-/parkaanleg is door G. Peet aangelegd, al dan niet ontworpen. Inmiddels functioneert het gedeelte ten zuiden van de kerk voornamelijk als tuin voor de pastorie en tuin voor het parochiehuis. Wat betreft de omgeving: de kerk en de bijbehorende tuin-/parkaanleg bevinden zich aan de Dammerweg en aan het Ankeveensepad. Aan de Dammerweg (voormalige Reevaart), ten westen van de kerk, is sprake van lintbebouwing. Deze lintbebouwing is tussen de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuwontstaan aan de oostzijde van de Reevaart. Na de Tweede Wereldoorlog is hier sprake van bebouwing die afwijkt van de structuur van de lintbebouwing. Ook langs het Ankeveensepad is in ieder geval al sinds 1905 sprake van bebouwing. Kaartmateriaal laat zien dat ook hier de bebouwing met de jaren is toegenomen.’ . Op basis van bovenstaande conclusie wordt duidelijk dat vooral de structuur van belang is en niet de beplanting.

Daarbij is de structuur aan de noordzijde van groter cultuurhistorisch belang dan aan de zuidzijde waar voorliggend plan geprojecteerd is. Ten tweede heeft reeds vanaf het begin van de 20 e eeuw bebouwing langs het Ankeveensepad gestaan. De ontwikkeling heeft derhalve beperkte impact in de cultuurhistorische situatie en sluit aan bij de organische ontwikkeling van het Ankeveensepad. Het plan is aangepast op basis van het overleg met de erfgoedcommissie en de cultuurhistorische verkenning. Het aantal woningen is bijvoorbeeld van 14 in het originele plan naar uiteindelijk 10 woningen teruggebracht. De conclusie van de commissie in december is dat door de aanpassing het monument meer tot zijn recht komt en dat de woningen beter op de waterpartij georiënteerd zijn. De commissie is op hoofdlijnen akkoord met het plan, (zie bijlage 9: verslag WZNH woensdag 17 december 2014). Uiteindelijk is in 2016 het totaal aantal woningen teruggebracht van 10 naar 8 woningen en later in 2019 naar 6 woningen. Deze aanpassingen zijn niet specifiek voorgelegd aan de erfgoedcommissie van het WZNH. De woningen die zijn komen te vervallen lagen langs de Dammerweg. Het vervallen van de woningen zorgt ervoor dat het voorterrein van de katholieke kerk meer open blijft zoals in de bestaande situatie. Aan de Dammerweg blijft het bestaande beeld derhalve behouden.

Er is door het behoud van het bestaande beeld geen noodzaak om het plan voor een nieuw advies voor te leggen aan de erfgoedcommissie van het WZNH.

Pagina 41 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

Goedgekeurd ontwerp door WZNH

5.11 Duurzaam bouwen Het plan is duurzaam van opzet omdat het programma afgestemd is op de meest actuele vraag naar woningen in de gemeente en het is zodanig van opzet dat het inspeelt op de toekomstige woonbehoefte. Daarnaast is het bestemmingsplan flexibel ingestoken zodat wanneer de vraag aanpast, het programma door middel van nieuwe of aangepaste woningen, hierop in kan spelen. De milieueffecten van het bouwen kunnen worden beïnvloed door het gebruik van milieuvriendelijke materialen, bouwmethoden en of onderhoudsmethoden. Tevens dient de emissie van uitloogbare materialen zoals PAK, zink, lood en koper zoveel mogelijk te worden voorkomen. Voorbeelden van denkbare nog binnen het ontwerp uit te werken maatregelen op het vlak van duurzaam bouwen zijn: - aandacht voor gebruiks- en belevingswaarde en een sociale en veilige omgeving; - meervoudig ruimtegebruik; - isolatie van bebouwing; - hergebruik van (regen)water; - flexibele bouw. Ten eerste zullen de woningen in voorliggend plan gasloos gebouwd worden. Ten tweede wordt in het bouwplan een technische ruimte opgenomen waarin een luchtwarmtepomp of bodemwarmtepomp kan komen. De woningen zullen voorzien worden door middel van deze warmtewinsystemen.. Tot slot zullen de potentiele kopers een pakket aan maatregelen aangeboden worden om de EPC naar wens te verlagen ten opzichte van het bouwbesluit.

Pagina 42 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd, De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Tevens wordt een anterieure overeenkomst en of een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer van het plan. Hiermee zijn kosten en risico’s verdeeld. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voor zover relevant voorgelegd aan de betrokken diensten van het rijk, waterschap en gemeente. De inhoud van het bestemmingsplan wordt tevens voor omwonenden en belanghebbenden kenbaar gemaakt middels een communicatieplan. Het plan is tevens gedurende de ontwerpfase in het kader van art 3.8 Wro en volgens afdeling 3.4 van de Awb ter inzage gelegd. Een ieder is gedurende deze periode in de gelegenheid een zienswijze op het plan in te dienen. De ingediende zienswijzen en ambtshalve wijzigingen zijn gebundeld in de nota van zienswijzen, zie bijlage 13. Daarin is aangegeven of en in hoeverre de zienswijze tot aanpassing van het plan heeft geleid.

Pagina 43 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

7 Juridische planbeschrijving 7.1

Plansystematiek

Het bestemmingsplan ‘Ankeveensepad’ heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van woningen en het vastleggen van het huidig (bedrijfs)gebruik ter plaatse van het Spiegelhuys. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht op het vigerende bestemmingsplan ter plaatse ‘Kern Nederhorst en Berg’ en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.

7.2

Opzet van de regels

Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 7.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte).

De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • de anti-dubbeltelbepaling; • algemene bouwregels; • algemene aanduidingsregels; • algemene afwijkingsregels; • algemene wijzigingsregels; • overige regels. Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.

Pagina 44 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

7.3

De bestemmingen

In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Artikel 3 Gemengd Deze bestemming is toegewezen aan het bestaande Spiegelhuys. Het bestaande gebruik van horeca is in overeenstemming gebracht met de gemengde bestemmingen zoals de omliggende panden in de kern. Als aanvulling is de aanduiding horeca opgenomen conform het huidige gebruik. Onderdeel van het plan is dat op de verdieping tevens de functie wonen mogelijk gemaakt wordt. Artikel 4 Groen De bestemming groen is opgenomen voor de groenstroken aan de voorzijde van de woningen langs het Ankeveensepad. Door deze bestemming wordt een groene uitstraling langs het pad gewaarborgd en wordt mogelijk bebouwing in een voortuin voorkomen. Artikel 5 Tuin Deze bestemming is om langs de Dammerweg langs het Spiegelhuys een groene uitstraling te behouden. Voor het deel voor de woningen die met hun voorzijde op het voorplein van de katholieke kerk georiënteerd zijn is een aanduiding opgenomen om ook parkeren toe te staan. Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied Het parkeren binnen het plan wordt grotendeels op eigen terrein opgelost. Om de ontsluiting van het parkeren mogelijk te maken is aansluitend de bestemming Verkeer – Verblijfsgebied opgenomen. Artikel 7 Water De watergang aansluitend op de Dammerweg is bestemd als water.

Aan de achterzijde van de woningen langs het Ankeveensepad is ook water beoogd. De exacte vormgeving van de watergang is nog niet definitief vastgesteld. Om hier enige flexibiliteit mogelijk te maken is binnen de bestemming wonen ook water mogelijk gemaakt. Artikel 8 Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd om de nieuw beoogde woningen planologisch mogelijk te maken. De regels voor Wonen zijn overeenkomstig de regels van het bestemmingsplan voor de gehele kern Nederhorst den Berg. In deze regel is toegevoegd, middels een voorwaardelijke verplichting, dat de 3 sociale huur en of koopappartementen gerealiseerd en in stand moeten worden gehouden als onderdeel van de uitwerking van het plan. Hiermee wordt gegarandeerd dat dit belangrijk volkshuisvestelijk punt daadwerkelijk uitgevoerd zal worden.

Pagina 45 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

8 Bijlagen 1. Advies commissie gemeente Wijdemeren, 12 juni 2013 2. Actuele plancapaciteit gemeente Wijdemeren, Plancapaciteit Noord-Holland 2017, Provincie Noord Holland 3. Akoestisch onderzoek Verkeerslawaai, Weel geluidadvies, PLA 15.01, 11-9-2019 4. Akoestisch onderzoek Horecalawaai, Westerveld Advies, Kenmerk: 1394 GM - 3 WO 003-1508-19 V3, 15 augustus 2019 5. Quickscan Flora & Fauna, Aveco de Bondt, TKR/141372/01, 29 april 2015 6. Nader ecologisch onderzoek, Ecologisch, ABVL1402B , 23-10-2015 7. Verkennend bodemonderzoek, Dammerweg 3 en 4 te Nederhorst den berg, Inventerra, 152011-R01AvH, 18 juni 2015 8. Cultuurhistorische verkenning van de tuin-/parkaanleg rondom de rooms-katholieke kerk aan de Dammerweg in Nederhorst den Berg, versie 9 dec. 2014 9. verslag WZNH, woensdag 17 december 2014 10. Onderbouwing Boomsoortenkeuze, Maris, Projectnummer: 07056.C, 31 mei 2018 11. Ecologisch onderzoek Ankeveensepad Nederhorst den Berg, Watersnip, projectnummer 19A066, september 2019 12. Aeriusberekening Woningbouw Ankeveensepad noordzijde, Plannen-makers, PM15003, 22 oktober 2019 13. Nota van Zienswijzen

Pagina 46 Bestemmingsplan Dammerweg 3 en 4

Regels bestemmingsplan “Dammerweg 3 - 4” Planstatus: ontwerp Plan identificatie: BP5300Ankpad2018-on00

Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ....................................................................................................................... 3 Artikel 1 Begrippen .............................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten ................................................................................................................. 10 2 Bestemmingsregels.................................................................................................................. 12 Artikel 3 Gemengd ............................................................................................................................. 12 Artikel 4 Groen .................................................................................................................................. 14 Artikel 5 Tuin ..................................................................................................................................... 15 Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied .................................................................................................... 16 Artikel 7 Water ..................................................................................................................................

17 Artikel 8 Wonen................................................................................................................................. 18 3 Algemene regels ...................................................................................................................... 20 Artikel 9 Anti-dubbeltelregel ............................................................................................................. 20 Artikel 10 Algemene bouwregels ...................................................................................................... 20 Artikel 11 Algemene aanduidingsregels ............................................................................................ 20 Artikel 12 Algemene afwijkingsregels ............................................................................................... 21 Artikel 13 Algemene wijzigingsregels ................................................................................................ 21 Artikel 14 Overige regels ................................................................................................................... 22 4 Overgangs- en slotregels .......................................................................................................... 23 Artikel 15 Overgangsrecht .................................................................................................................

23 Artikel 16 Slotregel ............................................................................................................................ 24

2

1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 het plan het bestemmingsplan Dammerweg 3 - 4 noordzijde van de Gemeente Wijdemeren . 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1696. BP5300Ankpad2018-on00 met de bijbehorende regels. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan- en uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.6 aan-huis-verbonden beroep een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7 achtererf de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan. 1.8 afhankelijke woonruimte een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg gevestigd is.

1.9 antennedrager een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne. 1.10 antenne-installatie een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

3

1.11 archeologisch onderzoek onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt. 1.12 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.13 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.14 bebouwingspercentage dat gedeelte van het bouwvlak per bouwperceel dat bebouwd mag worden. 1.15 bedrijf een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen. 1.16 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein. 1.17 bedrijfsvloeroppervlakte de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten. 1.18 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.19 bestaande bouwwerken bouwwerken, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan zijn, of alsnog kunnen worden gebouwd met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.20 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.21 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.22 Bevi-inrichtingen risicovolle bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 4

1.23 bevoegd gezag bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.24 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.25 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.26 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt of geschikt te maken is. 1.27 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.28 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.29 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.30 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.31 bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10764532/1