CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Wijchen Bijsterhuizen West m.e.r beoordeling

Raad openbaar Wijchen 30 november 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 141275 Beslisnota Structuurvisie Uitbreiding Bijsterhuizen5.813 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

m.e.r.-beoordeling

Structuurvisie Bijsterhuizen West, Wijchen Gemeente Wijchen

Datum: 05 oktober 2023 Projectnummer: 220262.02

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding De m.e.r.-beoordeling

3 4

2

Kenmerken van het plan

7

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Beschrijving van het plan Omvang van het plan Overige kenmerken van het plan

7 7 8 8

3

Plaats van het plan

11

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

11 11 11

4

Kenmerken van het potentiële effect

15

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Inleiding Natuur Archeologie Verkeer Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid

15 16 17 17 18 18 19

5

Conclusie

20

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De gemeente Wijchen wil graag een bijdrage leveren in de behoefte aan regionale werklocaties. Daarom heeft de gemeente Wijchen de ambitie om het bedrijventerrein Bijsterhuizen verder uit te breiden in noordwestelijke richting. De beoogde uitbreiding van Bijsterhuizen is tevens opgenomen in het Regionaal Programma Werklocaties (hierna: RPW). De structuurvisie Wijchen (29 mei 2009) geeft richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Wijchen. In deze structuurvisie zijn de bestaande bedrijventerreinen aangeduid. Deze zijn echter inmiddels volledig ingevuld en er is geen uitbreiding voorzien in de huidige structuurvisie. Eén van de speerpunten van de gemeente Wijchen, die zijn vastgelegd in het Strategisch kompas: Wijchen 2035 ‘De Kracht van Wijchen’, is: Iedereen aan het werk. De gemeente beoogt een uitbreiding van Bedrijventerrein Bijsterhuizen met ca. 27 hectare netto uitgeefbaar terrein. Daarom is er behoefte aan een nieuwe uitbreidingslocatie om te voorzien in regionale bedrijvigheid. De beoogde uitbreiding maakt dat een wijziging van de huidige structuurvisie noodzakelijk is. Voorliggende structuurvisie Bijsterhuizen West voorziet hierin. De gemeenteraad kan op grond van artikel 2.1 lid 2 Wet ruimtelijke ordening voor aspecten van het gemeentelijk ruimtelijk beleid een structuurvisie opstellen.

Een structuurvisie kent een abstracter niveau dan een bestemmingsplan. Om grip te houden op de ontwikkeling heeft de gemeenteraad op 1 december 2020 gemeentelijk voorkeursrecht gevestigd op een gebied westelijk van Bijsterhuizen dat nu nog agrarisch gebruik kent. Als gevolg daarvan dienen eigenaren bij een voorgenomen verkoop hun eigendom als eerst aan de gemeente aan te bieden. Op grond van de Wet voorkeurrecht gemeenten (hierna: Wvg) dient de gemeenteraad binnen drie jaar na dagtekening van het raadsbesluit een structuurvisie, bestemminsplan of inpassingsplan vast te stellen om het gemeentelijke voorkeursrecht te kunnen bestendigen. Het voorkeursrecht op de genoemde locatie vervalt van rechtswege op 1 december 2023 als er niet voor deze datum een structuurvisie, bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad. Mede daarom kiest de gemeente voor het opstellen van de structuurvisie Bijsterhuizen West. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine projecten beoordelen of een plan-m.e.r nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een plan- m.e.r nodig is. In drie gevallen is een plan-m.e.r. wettelijk verplicht bij structuurvisies: 1.

De structuurvisie stelt kaders voor activiteiten in het plangebied waarvoor de wet voorschrijft dat er een project-m.e.r moet komen, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een project m.e.r. noodzakelijk is. Deze activiteiten

3

zijn met drempelwaarden (oppervlakte, aantal) benoemd in lijst C en D in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. 2. Nadelige milieugevolgen zijn niet uit te sluiten voor activiteiten die genoemd worden in lijst D van het Besluit milieueffectrapportage maar onder de drempelwaarden liggen. 3. De activiteiten in de structuurvisie leiden mogelijk tot significante gevolgen voor Natura2000-gebieden. In deze (vormvrije) m.e.r.-beoordeling wordt bepaald of een plan-m.e.r noodzakelijk is en wordt bepaald of nadelige milieueffecten uit te sluiten zijn voor activiteiten die genoemd worden in lijst D van het Besluit milieueffectrapportage.

1.2

De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden.

4

Sedert een wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Het plan wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.3 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°.

een oppervlakte van 75 hectare of meer.” Tevens kan het plan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r, namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.” Verder worden er nog activiteiten die genoemd worden in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.22.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een gezamenlijk vermogen van 15 megawatt (elektrisch) of meer, of 2°. 10 windturbines of meer.” Het plangebied betreft circa 42 hectare bruto bedrijventerrein en hierop zullen drie windturbines mogelijk gemaakt worden met een opgeteld vermogen van ongeveer 12 megawatt (MW). Gezien het voorgaande blijft onderhavige activiteit onder de drempelwaarde en kan volstaan worden met een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling.

Doel (vormvrije) m.e.r-beoordeling Het doel van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en

5

daarmee vormt dit rapport de benodigde (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen:  kenmerken van de activiteit;  plaats waar de activiteit wordt verricht;  kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige plan en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

6

2 2.1

Kenmerken van het plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het plan besproken. De aard en de omvang van het plan worden in beeld gebracht, Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving van het plan Het plangebied is gelegen in het noorden van de kern Wijchen. De locatie ligt op de uiterste rand van het dorp, op de overgang van de kern naar het buitengebied. Het plangebied is aan de oostelijke en zuidelijk zijde gelegen aan het bestaande bedrijventerrein Bijsterhuizen te Wijchen. In de regionale afspraken is vastgelegd dat Bijsterhuizen uitgebreid kan worden met in de eerste fase 16,5 ha netto bedrijventerrein, verdeeld over de volgende werkmilieus: 6,2 ha (maak)industrie 8 ha agrifood 2,3 ha logistiek De tweede fase, die maximaal 10,5 ha netto bedrijventerrein omvat, wat de totale behoefte op ca. 27 ha netto bedrijventerrein brengt. Voor fase 2 gelden dezelfde werkmilieus in dezelfde verhouding als voor fase 1. Daarbij geldt het uitgangspunt dat het te ontwikkelen bedrijventerrein duurzaam, innovatief en toekomstgericht dient te zijn.

Ruimtelijke hoofdstructuur Bijsterhuizen. In donkerpaars Bijsterhuizen West (bron: SAB).

Gezien de huidige ruimtelijke structuur ligt een uitbreiding van regionaal bedrijventerrein in de richting van de Schoenaker voor de hand. De Nieuwe Wetering vormt de 7

noordelijke bebouwingsgrens van het bedrijventerrein en zal dat ook blijven met de voorgenomen ontwikkeling. Daarbij vormt de Schoenaker ook een bestaande grens tussen woongebied (westelijk van de Schoenaker) en bedrijventerrein (oostelijk van de Schoenaker). Binnen de gemeente Wijchen is het gebied tussen Wilhelminalaan en Schoenaker de meest kansrijke locatie voor de ontwikkeling van regionaal bedrijventerrein. De aansluiting op het regionale wegennetwerk is goed en het bedrijventerrein sluit aan op het reeds bestaande regionale bedrijventerrein. Er zijn binnen de gemeente Wijchen geen andere gebieden voorhanden die aan deze voorwaarden voldoen. Bij de vormgeving van het bedrijventerrein is het van belang om dit goed landschappelijk in te passen. Tevens is de ambitie om een duurzaam, innovatief en toekomstgericht regionaal bedrijventerrein te ontwikkelen. Een belangrijk aandachtspunt is daarbij om het versterken van de biodiversiteit als integraal duurzaamheids-thema mee te nemen. Daarvoor is een sterk groen-blauw netwerk van belang. In het bijzonder is de Wilhelminalaan van belang als groene structuur én belangrijke fietsroute, zoals ook al in de Structuurvisie 2009 in aangeduid. Tevens zijn de groen-blauwe structuren van belang om te voorzien in een goede landschappelijke inpassing, waterhuishouding en uitstraling van het bedrijventerrein.

Tegelijkertijd is duurzaam ruimtegebruik van groot belang. Dit vraagt om een efficiënte inrichting van bedrijfskavels waarbij dubbelruimtegebruik binnen de kavels wordt gestimuleerd.

2.3

Omvang van het plan Het plangebied is circa 42 hectare bruto bedrijventerrein en drie windturbines. Een duurzaam, innovatief en toekomstgericht regionaal bedrijventerrein is het uitgangspunt. De beoogde ontwikkelvlek voor bedrijventerrein is naar verwachting voldoende groot om te voorzien in ca. 27 ha netto uitgeefbaar terrein. Daarmee kan in de behoefte worden voorzien en tevens een ruimtelijke afronding van het bedrijvenareaal worden gemaakt. In de ontwikkelvlek voor bedrijventerrein zien we nadrukkelijk ook kansen voor projecten die bijdragen aan de realisatie van een energie neutrale en fossielvrije toekomst. De ontwikkeling van windenergieprojecten en een tankstation voor schone brandstoffen zijn voorbeelden van ontwikkelingen die kansrijk kunnen zijn en bij een verdere planontwikkeling kunnen worden onderzocht.

2.4

Overige kenmerken van het plan

2.4.1

Cumulatie met andere plannen Cumulatie met andere plannen is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.

8

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. In het plangebied worden drie nieuwe windturbines gepland.

2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid). Deze aspecten zullen in het navolgende onderzocht worden.

9

2.4.4

Risico van ongevallen In de structuurvisie zijn drie windturbines en kan ook een H2-hub gerealiseerd worden. De 10-6 risicocontouren dienen binnen de betreffende bedrijfsterreinen te blijven zodat risico’s naar omliggende bedrijven beperkt blijven. De beoogde ontwikkeling maakt wel risicovolle activiteiten mogelijk, maar deze blijven beperkt tot het eigen bedrijventerrein. De omgeving zal ten gevolge van de ontwikkeling dan ook geen risico ondervinden.

10

3 3.1

Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Tussen het bedrijventerrein en de Schoenaker bevindt zich een gebied dat op dit moment een agrarische bestemming heeft en voornamelijk bestaat uit grasland/weidegebied. In het noordoosten bevindt zich een bedrijfswoning, bestaande uit een grotendeels losstaande woning met twee schuren. De onderstaande afbeelding geven een impressie van dit gebied.

Aanzicht vanaf de zuidoostelijke kant richting het gebied en van de bestaande bedrijfswoning inclusief schuren (bron: afbeelding SAB)

3.3

Het opname vermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze (vormvrije) m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze (vormvrije) m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

11

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied Wetlands

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.

Kustgebieden

Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het plangebied is niet gelegen

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het plangebied ligt niet in een

Nationale Landschappen

benoemd in de Nota Ruimte

Nationaal Landschap.

Nationale parken

Nationale Parken zijn onderdeel

Het plangebied ligt niet in een

in een berg- of bosgebied.

Speciale beschermingszones,

van de EHS.

Nationaal Park.

Wet natuurbescherming

In de omgeving van het plange-

door de lidstaten aangewezen

bied liggen Natura 2000-gebie-

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

den (zie verder onder 1).

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij commu-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het plangebied ligt niet in gebie-

nautaire wetgeving vastgestelde

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

den waar basis van communau-

normen inzake milieukwaliteit

derrichtlijn water)

taire wetgeving reeds normen

reeds worden overschreden

worden overschreden.

Gebieden met hoge bevolkings-

Het plangebied is niet gelegen

dichtheid

in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

Verdrag van Valletta

Het plangebied ligt in een zone

historisch belang

Monumentenwet

met ‘Waarde - Archeologie 3’.

cultureel belang

Gemeentelijk landschaps-

Bij het oprichten van een bouw-

ontwikkelingsplan

werk van 1.000 m2 of meer is

o

beschermd stads- en dorpsgezicht

archeologisch onderzoek nodig

archeologisch belang

(zie verder onder 2). In of rondom het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig.

1. Natura 2000-gebied In de omgeving van het plangebied liggen Natura 2000-gebieden Rijntakken. Dit gebied ligt, op circa 4,7 kilometer afstand van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen dit gebied is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Volgende afbeelding toont ligging van het plangebied ten opzichte van het nabijgelegen Natura 2000-gebied.

12

Globale ligging van plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied Rijntakken. Bron: Aerius.

Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Wel is met de ontwikkeling een toename van stikstofemissie te verwachten. Voor de Natura 2000-gebied “Rijntakken” is sprake van stikstofgevoelige habitattypen. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht. 2. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

Raadpleging van het geldende bestemmingsplan wijst uit dat de gronden van het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 3’. In de archeologische dubbelbestemming voor ‘Archeologie 3’ is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen om eventuele archeologische waarden te beschermen en veilig te stellen. Om die reden wordt dit aspect in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

13

3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Provinciale verordening

Het plangebied maakt geen deel

heen: Ecologische Hoofdstruc-

uit van het Natuurnetwerk Ne-

tuur)

derland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), en in de buurt ligt eveneens geen NNN-gebied.

Gebied geschikt voor be-

Wet natuurbescherming

schermde soorten

Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 3).

Weidevogelgebied en ganzen-

Provinciale verordening

foerageergebied

Het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.

Stiltegebied

Wet milieubeheer

Het plangebied is niet gelegen in

Provinciale verordening

een stiltegebied.

Bodembeschermingsgebied

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

een bodembeschermingsgebied. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

3. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

14

4 4.1

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het plan en de plaats van het plan zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woonwijk. Hoofdstuk 2 laat zien dat het plan de realisatie van een bedrijventerrein van circa 42 hectare bruto betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van o.a. verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het plangebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de wijdere omgeving van het plangebied bevinden zich Natura 2000-gebieden. Daarnaast kunnen beschermde dier- of plantensoorten en archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld:  natuur: Het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna.

Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie.  archeologie: Het plangebied heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde waardoor mogelijk archeologische waarden bij de ontwikkeling in het geding zijn.  verkeer: De nieuwe woonontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid.  geluidshinder: Het plan heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving.  luchtkwaliteit: De toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.  externe veiligheid: De functies in onderhavig plan kan leiden tot externe veiligheidseffecten. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete plan en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen:  bodem: Onderhavig plan bevat op voorhand geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. Mocht hiervan mogelijk wel sprake zijn zal en tijde van

15

de planvorming nader onderzoek worden verricht en indien benodigd passende maatregelen getroffen.  cultuurhistorie: De functies in onderhavig plan leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden.  Grondwaterintrekgebied: Het plan komt in een grondwaterintrekgebied te liggen. Er zullen geen vervuilende activiteiten of diepe boringen plaatsvinden. Onderhavig plan zal niet tot negatieve effecten op het grondwater leiden.  geurhinder: De functies in onderhavig plan leiden niet tot geurhinder. De voorgaande aspecten worden daarom in deze (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.

4.2

Natuur

4.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich aan de rand van Wijchen (gemeente Wijchen, provincie Gelderland). Richting het westen en noorden zijn agrarische gronden aanwezig. Ten oosten en zuiden bevindt zich het bestaande bedrijventerrein Bijsterhuizen en naar het zuidwesten de kern Wijchen. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van bedrijvigheid en landbouwgronden. Het plangebied zelf bestaat uit agrarische grond en een bestaande veehouderij.

4.2.2

Effecten ontwikkeling Gebiedsbescherming In de omgeving van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Rijntakken. Dit gebied ligt op circa 4,7 kilometer afstand van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen dit gebied is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Omdat het hier een structuurvisie betreft zullen de benodigde onderzoeken ten tijde van de planvorming worden onderzocht. De huidige grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j mag niet worden overschreden. Dit geldt zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase. Geconcludeerd wordt dat ten tijde van de nadere planvorming dit aspect dient te worden onderzocht. Mocht hieruit blijken dat mogelijk sprake is van de verstoring van Natura 2000-gebied, dan zullen maatregelen moeten worden getroffen om negatieve effecten te voorkomen. Soortenbescherming In het plangebied kunnen beschermde soorten aanwezig zijn, welke door de realisatie van het bedrijventerrein kunnen worden verstoord. In het kader van de bestemmingsplan- en omgevingsvergunningprocedures dient onderzoek te worden gedaan naar beschermde planten en diersoorten. Mocht hieruit blijken dat inderdaad sprake is van

16

de verstoring van de betreffende soorten, dan zullen maatregelen moeten worden getroffen om negatieve effecten te voorkomen. Conclusie Gezien voorgaande is wat betreft de gebiedsbescherming geen negatief effect te verwachten en zullen wat betreft soortenbescherming maatregelen moeten worden getroffen om een negatief effect te voorkomen. Dit betekent dat op voorhand niet gesteld hoeft te worden dat sprake is van een negatief milieueffect.

4.3

Archeologie

4.3.1

Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft in de huidige situatie een bebouwde en onbebouwde locatie voor agrarische doeleinden. Conform het geldende bestemmingsplan is er deels sprake van een gebied met een Archeologische Waarde 3.

4.3.2

Effecten ontwikkeling Gelet dat er bebouwing van 1.000 m2 bebouwing mogelijk is, dient een archeologisch bureau- en booronderzoek verricht te worden. Hierdoor kunnen zonder vervolgonderzoek de gewenste bodemingrepen niet plaatsvinden. Wat betreft archeologie is hierdoor geen sprake van een negatief milieueffect.

4.4

Verkeer

4.4.1

Huidige situatie In de huidige situatie geldt een beperkte verkeersaantrekkende werking richting het plangebied, gelet op het agrarische grondgebruik.

4.4.2

Effecten ontwikkeling Omdat het hier een structuurvisie betreft zullen de benodigde onderzoeken ten tijde van de planvorming worden onderzocht. Het plangebied kan zowel in noordelijke als zuidelijke richting ontsloten worden. In noordelijke richting is dat via de Schoenaker (provincialeweg N847) naar de autosnelweg A73/A50 richting Nijmegen-Arnhem. In zuidelijke richting is dat ook via de Schoenaker naar de autosnelweg A326/A50/A73, richting Nijmegen-Den Bosch-Venlo. In het verkeerskundig onderzoek dient de verkeersafwikkeling op het wegennet met de bijbehorende kruisingen/rotondes te worden onderzocht. Geconcludeerd wordt dat ten tijde van de nadere planvorming dit aspect dient te worden onderzocht en indien benodigd zullen passende maatregelen worden getroffen. Wat betreft het verkeer zijn hierdoor geen negatieve milieueffecten te verwachten.

17

4.5

Geluid

4.5.1

Huidige situatie De locatie grens direct aan de bestaande kern en ligt ten noorden van de autosnelweg A326. Ten oosten van de locatie ligt het bestaande bedrijventerrein Bijsterhuizen. Er zijn geen stiltegebieden in de omgeving aanwezig. In de volgende afbeelding is de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied weergegeven.

Uitsnede Atlas leefomgeving ter plaatse van plangebied (blauwe ovaal)

4.5.2

Effecten ontwikkeling Door de beoogde ontwikkeling van een bedrijventerrein van circa 27 hectare netto zal er verkeer van en naar het bedrijventerrein worden gegenereerd. De bedrijven op het bedrijventerrein zullen ook geluid produceren. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten gecreëerd. Uit de Wet geluidhinder (Wgh) is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidbelasting merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Omdat het hier een structuurvisie betreft zullen de benodigde onderzoeken ten tijde van de planvorming worden onderzocht. Wanneer blijkt dat er sprake zal zijn van een merkbare geluidstoename bij de woningen, zullen bron- en of overdrachtsmaatregelen worden voorgeschreven om de geluidsbelasting aanvaardbaar te houden. Er vanuit gaande dat de benodigde bron- en overdrachtmaatregelen genomen zullen worden, zal er als gevolg van het plan geen sprake zijn van een belangrijke negatief effect voor het milieu.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof 18

(PM10) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen vanuit de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer); dit bedragen de jaargemiddelde immissieconcentraties. Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en fijnstof in de huidige situatie ruim beneden de gestelde grenswaarden. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM10)

Achtergrondconcentratie (2021, huidig) 12 - 14 µg/m3 16 - 18 µg/m3 9 - 10 µg/m3

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Stikstofdioxide en (zeer) fijnstof huidige situatie (Bron: Atlas Leefomgeving).

4.6.2

Effecten ontwikkeling Het plan voorziet in de realisatie van ca. 27 hectare netto bedrijventerrein. Door het plan zal verkeer gegenereerd worden. Omdat het hier een structuurvisie betreft zullen de benodigde onderzoeken ten tijde van de planvorming worden onderzocht en indien benodigd zullen passende maatregelen worden getroffen. Gezien de omvang van het plan kan echter worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ zijn dus op voorhand ook geen significant negatieve milieueffecten te verwachten.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Huidige situatie In het plangebied liggen twee hogedruk aardgastransportleidingen. Deze leidingen hebben aan weerszijden van de leiding een belemmeringenstrook. Ten zuiden van het plangebied ligt de autosnelweg A326 waar gevaarlijke stoffen over getransporteerd worden.

4.7.2

Effecten ontwikkelingen Het plan voorziet in de realisatie ca. 27 hectare netto bedrijventerrein. Aan de noordzijde van het terrein zijn drie windturbines gepland. Op het terrein wordt een H2-hub beoogd. De risico’s behorende bij de windturbines en de H2-hub dienen binnen de grenzen van het betreffende bedrijf te blijven. Omdat het hier een structuurvisie betreft zullen de benodigde onderzoeken ten tijde van de planvorming worden onderzocht en indien benodigd zullen passende maatregelen worden getroffen. Wat betreft het aspect ‘externe veiligheid’ zijn dus op voorhand ook geen significant negatieve milieueffecten te verwachten.

19

5

Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van het bedrijventerrein Bijsterhuizen West nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

Archeologie

Verkeer

Geluid

Beoordeling milieueffecten In de omgeving van het plangebied zijn Natura 2000-gebieden gesitueerd. In het kader van de bestemmingsplanen omgevingsvergunningprocedures dient onderzoek te worden gedaan naar stikstof. Mocht hieruit blijken dat mogelijk sprake is van de verstoring van Natura 2000-gebied, dan zullen maatregelen moeten worden getroffen om negatieve effecten te voorkomen. Op voorhand zijn er wat betreft gebiedsbescherming daarom geen negatieve effecten te verwachten. In het plangebied kunnen beschermde planten- en diersoorten voorkomen. In het kader van de bestemmingsplan- en omgevingsvergunningprocedures dient onderzoek te worden gedaan naar beschermde planten en diersoorten. Mocht hieruit blijken dat inderdaad sprake is van de verstoring van de betreffende soorten, dan zullen maatregelen moeten worden getroffen om negatieve effecten te voorkomen. Op voorhand zijn er wat betreft soortenbescherming daarom geen negatieve effecten te verwachten. Ter plaatse van het plangebied blijken gronden met een archeologische verwachtingswaarde aanwezig te zijn. De archeologische waarden worden in het geldende bestemmingsplan beschermd middels een dubbelbestemming. Hierdoor kunnen zonder vervolgonderzoek geen ingrepen in het plangebied plaatsvinden die de archeologische waarden kunnen aantasten. Van een negatief milieueffect op dit aspect is hierdoor geen sprake.

In het kader van de bestemmingsplan- en omgevingsvergunningprocedures dient de verkeersafwikkeling op het wegennet met de bijbehorende kruisingen/rotondes te worden onderzocht en indien benodigd zullen passende maatregelen worden getroffen. Van een negatief milieueffect op dit aspect is hierdoor geen sprake. Als gevolg van de ontwikkeling van de woonwijk en bijbehorende voorzieningen zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. Hiermee zal sprake zijn van een toename van de geluidshinder op bestaande woningen. De toename van de geluidshinder is op basis van de structuurvisie niet te berekenen en zal in het 20

Aspect

Luchtkwaliteit

Externe veiligheid

Beoordeling milieueffecten kader van het bestemmingsplan moeten gebeuren. Wanneer sprake is van een merkbare geluidstoename bij de woningen, zullen bron- en of overdrachtsmaatregelen worden voorgeschreven om de geluidsbelasting aanvaardbaar te houden. Er vanuit gaande dat de benodigde bron- en overdrachtmaatregelen genomen zullen worden, wordt geen belangrijk negatief milieueffect verwacht. In het kader van de bestemmingsplan- en omgevingsvergunningprocedures dient de luchtkwaliteit te worden onderzocht en indien benodigd zullen passende maatregelen worden getroffen. Gezien de omvang van het plan kan echter worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Van een negatief milieueffect op dit aspect is hierdoor geen sprake. Het plan voorziet in de realisatie ca. 27 hectare netto bedrijventerrein. Aan de noordzijde van het terrein zijn drie windturbines gepland. Op het terrein wordt een H2-hub beoogd. De risico’s behorende bij de windturbines en de H2-hub dienen binnen de grenzen van het betreffende bedrijf te blijven. In het kader van de bestemmingsplanen omgevingsvergunningprocedures zal het aspect externe veiligheid worden onderzocht en indien benodigd zullen passende maatregelen worden getroffen.

Van een negatief milieueffect op dit aspect is hierdoor geen sprake.

De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.- procedure is daarom niet nodig.

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=1fed0774-e564-4f84-8371-32a10b89137c