Toelichting bestemmingsplan Huurlingsedam fase 4
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
53
waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio’s te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma’s en projecten.
7.2.2 Onderzoek De gemeente Wijchen heeft in 2017 een 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen' vastgesteld met als doel om via beleid en regels waardevolle gebouwen en gebieden binnen de gemeente te beschermen. De gemeente vindt het daarbij van belang dat, bijvoorbeeld bij functiewijziging, de historische- en beeldwaarde van gebieden of panden niet worden aangetast. Een deel van het plangebied ligt binnen een cultuurhistorisch waardevol gebied. Binnen het plangebied zelf zijn er echter geen waardevolle cultuurhistorische objecten aanwezig. Het plan heeft geen negatief effect vanuit cultuurhistorie. 7.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
54
8
Milieu
8.1
Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
8.2
M.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. De bouw van 220 woningen kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft ruim onder de drempelwaarde 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: • Kenmerken van het project; • Plaats van het project; • Kenmerken van het potentiële effect. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren.
Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht.
8.3
Bodemkwaliteit
8.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (landof water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
55
gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 8.3.2 Onderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling heeft Verhoeven Milieutechniek B.V.
een verkennend bodemonderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een verkennend waterbodemonderzoek uitgevoerd. Voorafgaand aan de diverse (water)bodemonderzoeken is reeds een historisch onderzoek uitgevoerd. Met de uitgevoerde onderzoeken zijn asbesthoudende plaatmaterialen aangetroffen op het maaiveld op locatie “de Lanen” en asbestverontreiniging in de contactlaag ter plaatse van de druppelzone op het erf van locatie Sengers. Daarnaast zijn hier ook sterk verhoogde gehalten voor nikkel aangetoond in het grondwater. Deze twee verontreinigingen bevinden zich echter binnen fase 3 en zijn voor dit bestemmingsplan dan ook niet relevant. Uit het onderzoek blijkt dat op een drietal plaatsen nog nader onderzoek dient te worden uitgevoerd en/of gesaneerd te worden. Voor één locatie is inmiddels een vrijgave afgegeven. Door Verhoeven Milieutechniek B.V is het nadere onderzoek naar asbest is de onderzoekslocatie met voormalige asbesthoudend plaatmateriaal binnen Projectlocatie Huurlingsedam te Wijchen uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 14. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de analyseresultaten is er geen asbest op de onderzoekslocatie meer aangetroffen.
De in voorgaand aanvullend onderzoek naar asbest aangetroffen ernstige asbestverontreiniging in de bovengrond is niet bevestigd en derhalve bestaan er geen bezwaren meer tegen de voorgenomen herontwikkeling (woningbouw) op de onderzoekslocatie. Voor wat betreft de locatie “het Eiland”, het dassencompensatiegebied en de overige onderzochte grond, grondwater, asbest in grond/puin en de waterbodem, is de milieuhygiënische kwaliteit wel in voldoende mate onderzocht. Wel dient rekening te worden gehouden met de aangetoonde gehalten voor de NEN-parameters (indicatieve BBK klasse industrie), aangezien mogelijk aanvullende werkzaamheden gewenst (afvoeren) zijn, doordat de
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
56
voorgenomen herontwikkeling woningbouw betreft. Geadviseerd wordt om hierover tijdig in overleg te gaan met de gemeente / Omgevingsdienst / Provincie. Bij de eventuele afvoer van de grond dient rekening gehouden te worden met zowel de resultaten van de NEN- OCB- als de PFAS-parameters. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. 8.3.3 Conclusie De uitgevoerde onderzoeken zijn getoetst door de Omgevingsdienst Regio Nijmegen. Dit advies is opgenomen als bijlage 13 bij deze toelichting. Op een tweetal plaatsen dient nog nader onderzoek worden uitgevoerd en/of gesaneerd te worden. Deze onderzoeken/saneringen vinden momenteel plaats. Wanneer de resultaten hiervan beschikbaar zijn, zullen deze worden toegevoegd aan deze paragraaf. 8.4
Akoestische aspecten
8.4.1 Kader Wegverkeerslawaai Conform artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Alvorens geluidgevoelige objecten - zoals woningen, scholen en kinderdagverblijven kunnen worden geprojecteerd, dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De planlocatie is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de wegen Zuiderdreef, Oosterweg en Provincialeweg N324 (Graafseweg). De interne ontsluitingsstructuur in het plan wordt uitgevoerd als 30 km-weg. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting op de nieuwe en bestaande woningen langs deze wegen ook beoordeeld. Onderzoek railverkeers- en industrielawaai Het plangebied is niet gelegen in de onderzoekszone van een spoorlijn of gezoneerd industrieterrein. Op grond van de Wet geluidhinder is alleen onderzoek nodig naar wegverkeerslawaai. 8.4.2 Onderzoek Voor de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies van dit onderzoek beschreven, de volledige rapportage is als bijlage 10 bij de toelichting opgenomen. In het kader van de Wet geluidhinder is de geluidbelasting ten gevolge van de Provinciale weg N324 (Graafseweg), Oosterweg, Zuiderdreef en de Huurlingsedam inzichtelijk gemaakt.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is eveneens de geluidbelasting ten gevolge van de ontsluitingswegen ter plaatse van de bestaande woningen inzichtelijk gemaakt. Enkel ter westen van het plangebied, op het ‘eiland’ wordt ten gevolge van het verkeer op de Zuiderdreef de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder niet gerespecteerd. Aan de maximale
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
57
ontheffingswaarde van 63 dB wordt wel ruimschoots voldaan. Derhalve zal een hogere waarden procedure moeten worden doorlopen. Met de verkaveling van het eiland is rekening gehouden met deze hogere geluidbelasting. Door een brede watergang wordt er een buffer gecreëerd van circa 30 meter tussen de Zuiderdreef en de toekomstige bouwvlakken. Er blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast ziet de omliggende wegenstructuur met name toe op bestemmingsverkeer voor de wijk, waardoor de te verwachten hinder minimaal is. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de overige delen in het plangebied wordt voldaan aan de voorkeurswaarde. Ter plaatse van de zuidoostzijde valt een strook van het plangebied binnen de gele contour. Ook ter plaatse van de woningen binnen de gele contour bedraagt de berekende geluidbelasting na aftrek artikel 110g Wgh ten hoogste 48 dB. Hiermee wordt de voorkeurswaarde gerespecteerd. 8.4.3 Conclusie Voor een klein deel van de toekomstige woningen dient een hogere waarde te worden vastgesteld. De eerste stap van deze hogere waarde procedure is dat het ontwerpbesluit ter inzage moet worden gelegd gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan. 8.5
Luchtkwaliteit
8.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3.
In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling;
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
58
• de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 8.5.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van circa 220 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is.
Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2021.
Afbeelding 8.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2021)
Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 15,1 µg/m3, 16,2 µg/m3 en 9,2 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
59
µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 8.5.3 Conclusie De ontwikkelingen in dit plan zijn aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm). Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten. 8.6
Milieuzonering
8.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. 8.6.2 Onderzoek Het voornemen betreft de ontwikkeling van maximaal 220 woningen. Om die reden dient enerzijds beschouwd te worden of de nieuwe woningen omliggende bedrijven beperken in hun bedrijfsvoering en anderzijds of het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen gegarandeerd kan worden. In Wijchen wil het gemeentebestuur één uniforme kwaliteitsnorm hanteren. De gemeente Wijchen heeft ervoor gekozen vooralsnog geen gebiedsgericht beleid te willen voeren. Die keuze is ingegeven doordat men de indruk wil vermijden dat er “goede” en “minder goede” woongebieden zouden bestaan.
De gemeente Wijchen gaat daarom uit van de uniforme plandrempel van 48 dB Lden voor wegverkeerlawaai en 50 dB(A) Letm voor industrielawaai voor de gehele gemeente en voor alle situaties. Dat betekent dat bij toetsing aan de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ – voor zover geluid het maatgevende aspect is - één afstandstap terug worden gedaan.
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
60
Categorie bedrijvigheid In tabel 8.2 is weergegeven welke type inrichtingen in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, tot welke VNG-categorie deze behoren en wat de bijbehorende richtafstand is (omdat de richtafstand conform de VNG-brochure één afstandstap teruggebracht mag worden, is tussen haakjes de gereduceerde richtafstand weergegeven). De kolom ‘werkelijke afstand’ is de afstand van de inrichtings-/bedrijfsgrens tot de gevel van de dichtstbijzijnde nieuwe woning(en). Daarbij is gerekend op de bouwvlakken van de nieuwe woningen. Tevens is aangegeven wat het maatgevende aspect (geur, geluid of stof) is. SBICode 2008 4673
Adres
Omschrijving
VNGCategorie
Richtafstand in Werkelijk meters afstand (m)
‘Jansen Steenhandel’, 3.1 50 (30) groothandel in hout- en bouwmaterialen > 2.000m2 8891 Huurlingsedam 10A ‘Kinderdagverblijf 2 30 (10) Jaspers’, kinderopvang 8891 Warmoezenier 11 Kinderdagverblijf, 2 30 (10) kinderopvang 47 Oosterweg 186 ‘Bloemisterij de Blauwe 1 10 (0) Steen’, detailhandel 0141 Graafseweg 372 Landbouwbedrijf Pauwels, 3.2 100 (50) fokken en houden van rundvee 8621 ‘t Slotje Orthodontist/ 1 10 (0) gezondheidscentrum Tabel 8.2: Overzicht aanwezige bedrijven met bijbehorende categorie en richtafstand Oosterweg 300 - 302
Maatgevend aspect
+/- 100
Geluid
+/- 60
Geluid
+/- 60
Geluid
> 250
Geluid
> 250
Geur
+/- 60
Geluid
Jansen Steenhandel, Oosterweg 300-302 Deze inrichting betreft een milieucategorie 3.1 inrichting. Hierbij geldt een richtafstand van 50 meter, waarbij geluid het maatgevende aspect is. De dichtstbijzijnde woning is op circa 100 meter afstand gesitueerd, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand uit de VNG-brochure. Kinderdagverblijf Jaspers, Huurlingsedam 10A Een kinderdagverblijf kan op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven- en milieuzonering geschaard worden onder de categorie ‘kinderopvang’. Ten aanzien van het kinderdagverblijf geldt een indicatieve richtafstand van 30 meter, waarbij het aspect geluid leidend is. De dichtstbijzijnde woning is op circa 60 meter afstand gesitueerd, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand uit de VNG-brochure Kinderdagverblijf, Warmoezenier 11 Een kinderdagverblijf kan op basis van de VNG-brochure geschaard worden onder de categorie ‘kinderopvang’. Ten aanzien van het kinderdagverblijf geldt een indicatieve richtafstand van 30 meter, waarbij het aspect geluid leidend is. De daadwerkelijke afstand van het kinderdagverblijf tot de dichtstbijzijnde geprojecteerde woning bedraagt circa 60 meter. Daarmee gelden er geen belemmering vanuit het aspect bedrijven- en milieuzonering en kan een goed woon- en leefklimaat ter plaatse gegarandeerd worden.
Bloemisterij de Blauwe Steen, Oosterweg 186 Deze inrichting betreft een milieucategorie 2 inrichting. Hierbij geldt een richtafstand van 30 meter, waarbij geluid het maatgevende aspect is. De dichtstbijzijnde woning is op meer dan 250 meter afstand gesitueerd, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand uit de VNG-brochure.
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
61
Landbouwbedrijf Pauwels, Graafseweg 372 Deze inrichting betreft een milieucategorie 3.2 inrichting. Hierbij geldt een richtafstand van 100 meter, waarbij geur het maatgevende aspect is. De dichtstbijzijnde woning is op meer dan 250 meter afstand gesitueerd, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand uit de VNG-brochure. Orthodontist / gezondheidscentrum, ‘t Slotje 7 Voor de vestiging van de orthodontist c.q. het gezondheidscentrum is in het verleden een afzonderlijke planologische procedure doorlopen. Deze inrichting betreft een milieucategorie 1 inrichting. Hierbij geldt een richtafstand van 10 meter, waarbij geluid het maatgevende aspect is. De dichtstbijzijnde woning is op circa 60 meter afstand gesitueerd, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand uit de VNG-brochure. 8.6.3 Conclusie De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door wonen en (agrarische) bedrijven. Middels toetsing aan de richtafstanden is gebleken dat de beoogde nieuwe woningen voor alle nog aanwezige bedrijven voldoen aan de richtafstand. Een goed woon- en leefklimaat kan in voldoende mate gegarandeerd worden. 8.7
Externe veiligheid
8.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.
Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
62
aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. 8.7.2 Onderzoek In de nabije omgeving bevinden zich geen risicobronnen. De N324 (Graafseweg) is op grond van de risicokaart en gegevens van Rijkswaterstaat geen route voor gevaarlijke stoffen. Een verantwoording van het groepsrisico is daarom niet benodigd 8.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. 8.8
Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. In het plangebied en haar directe omgeving zijn geen kabels en/of leidingen (rioolpersleiding, hoogspanningsleiding, enz.) aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
8.9
Duurzaamheid
8.9.1 Kader Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw verdient het aanbeveling zoveel mogelijk rekening te houden met duurzaamheidsaspecten zoals duurzaam bouwen, duurzame energievoorzieningen, bevordering van fietsverkeer en openbaar vervoer, duurzaam ruimtegebruik en dergelijke. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe woonbuurt. Hiervoor zijn een aantal handvatten voor op zowel rijks- als regionaal niveau. Wet voortgang energietransitie De Wet Voortgang energietransitie (Vet) heeft onder andere geregeld dat de aansluitverplichting van nieuwbouw op het gasnet is verdwenen. Op 1 juli 2018 is er een aardgasverbod ingegaan. De Wet voorziet in hoofdzaak in een aantal wijzigingen van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet teneinde de transitie naar een duurzame energievoorziening verder te faciliteren. De aanpassingen hebben met name invloed op de netten die essentieel zijn om de energietransitie verder te ondersteunen. De Wet Vet is op 30 januari 2018 door de Tweede Kamer en op 3 april door de Eerste Kamer aangenomen. Per 1 juli 2018 is de wet in werking getreden. 8.9.2 Onderzoek Duurzaamheid is al vanaf de planontwikkeling van Huurlingsedam een belangrijk speerpunt en wordt concreter naarmate het ontwerp vordert. De duurzaamheidsstrategie heeft zowel betrekking op de algemene werkwijze als op de concrete maatregelen om de duurzaamheid te verhogen.
Door een integrale en multidisciplinaire aanpak wordt duurzaamheid geborgd in de
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
63
plannen. De mate van duurzaamheid moet uiteindelijk aan de plannen af te lezen zijn en voor de toekomstige bewoners (bewust) herkenbaar zijn. De wijk krijgt een duurzaam karakter; de woningen voldoen aan wettelijk bepaalde strenge energieprestatie eisen. De inrichting van de openbare ruimte draagt in een belangrijke mate bij aan duurzaamheid zoals onder andere: • toepassing van duurzame materialen, • hergebruik van bestaande structuren (watergangen en wegen), • creëren van een robuust watersysteem, • toepassing van natuurvriendelijke oevers, • hemelwater: bufferen, infiltreren, afvoeren, • gescheiden afvalinzameling, • woonstraten met gemengd gebruik waar de auto te gast is (shared space), • zoveel mogelijk de toepassing van natuurlijke erfafscheidingen, • minimaliseren oppervlakte verharding, • gesloten grondbalans, • aanplanten van streekgebonden beplanting, vergroten biodiversiteit, etc. Belangrijk onderdeel is ook het ‘mooi’ oud worden. Dit geldt niet alleen voor de inrichting van de openbare ruimte, maar zeker ook voor de architectuur. Hergebruik bestaande structuren De Huurlingsedam ligt op een zandopduiking bij het Slotje tussen twee oude stroomgeulen aan de westkant van Wijchen. De basis van het ‘nieuwe dorp’ vormt het huidige landschap van de Huurlingsedam, de oude weg met de bestaande erven, de beplanting en greppels.
Aan weerszijden van de Huurlingsedam varieert de ondergrond en het grondwaterpeil. Het nieuwe dorp komt als een enclave in het landschap te liggen, omzoomd door een groene dorpsrand die aansluit op het omliggende landschap. De groene dorpsrand van Fase 3 bestaat uit open weidegebied en wordt plaatselijk aangevuld met bomen en bosschages. Op hoger schaalniveau vormt het een landschappelijke schakel tussen het Oosterpark en het bosgebied ten zuiden en westen van de dorpskern Alverna. Binnen het plangebied vormen de lanen en dwarsstraten verbindende routes naar en van de dorpsrand. De dorpsranden omkaderen beide dorpshelften en worden omzoomd met een wandelroute waar de nieuwe dorpelingen een ‘ommetje ‘ kunnen maken en elkaar ontmoeten. Water en oevers Vertrekpunt bij de transformatie van het gebied in een nieuwe woonbuurt, is een maximale beleving van het voor Huurlingsedam zo karakteristieke groen. Met het toenemen van het verhard oppervlak in het plangebied zal echter ook voldoende waterberging gerealiseerd moeten worden. Gekozen is om de bestaande waterlopen aan de westkant - ter plaatse van het eiland - te verbreden en daarmee extra oppervlaktewater te realiseren en kwaliteit toe te voegen aan de woonomgeving. Het bestaande watersysteem rondom de planlocatie blijft zo intact, de doorstroming en beheermogelijkheden worden verbeterd.
De bestaande en nieuwe oevers rondom het plangebied worden zoveel mogelijk uitgevoerd met natuurvriendelijke oevers.
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
64
Afbeelding 8.3: relatie stedelijk gebied/groen met Huurlingsedam
Hemelwaterinfiltratie Integraal waterbeheer vormt een belangrijk uitgangspunt voor de ontwikkeling van de Huurlingsedam. Daarbij geldt een maximale afkoppeling van het regenwater op open water en de toepassing van een minimale hoeveelheid verharding. Het regenwater zal indien technisch mogelijk zo veel mogelijk bovengronds via wadi’s worden afgevoerd naar het aanwezige oppervlaktewater. De wadi’s worden ingepast binnen het groen dat deel uitmaakt van de lanen en dwarsstraten. Ter plaatse van enkele dwarsstraten monden de wadi’s uit in de aanwezige randsloot ten noorden van het plangebied. Uitgangspunt is een hoogwaardige uitstraling van de wadi’s. Deze zullen zorgvuldig worden gedetailleerd, en een goede inpassingsmogelijkheid bieden voor bomen, paden en speelvoorzieningen. Groen Groen is in grote mate bepalend voor de sfeer en beleving, alsmede voor de klimatologisch kwaliteit. Bestaand groen dient te worden geïnventariseerd op locatie en kwaliteit, zodat het groen waar mogelijk kan worden ingepast. Het verdient de voorkeur nieuw aan te planten groen met streekeigen soorten en/of dorpsbomen en een grote mate van diversiteit ten behoeve van de biodiversiteit aan te brengen. Eveneens wordt aandacht gevraagd voor de locatiekeuze van de bomen ten opzichte van de toekomstige volwassen situatie.
Bij de soortkeuze wordt naast de esthetiek van de boom, zorgvuldig gekeken naar de combinatiemogelijkheden met parkeren, wadi’s en de bestaande ondergrond. Woonstraten met gemengd gebruik Voor het hele plangebied geldt een verkeersregime van 30 km/u, waarin bij voorkeur straten met een meanderend of geknikt verloop worden toegepast. Hierdoor kunnen verkeersdrempels worden vermeden of slechts incidenteel toegepast. Op deze wijze wordt de ongedwongen dorpse sfeer benadrukt. Deze verkeerskundige situatie wordt doorgezet in Fase 3, waarbij zowel de fiets als auto gebruik maken van eenzelfde rijbaan. Om de dorpse sfeer nog verder te versterken is het maaiveld eenvoudig vormgegeven: een brede rijbaan met gebakken stenen,
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
65
die tevens ruimte biedt voor langsparkeren. Aan de andere zijde van de rijbaan is een groene zone voorzien, met een afwisselende breedte en ingericht met gras en (een variatie aan) bomen. In deze groene zone is tevens en wadi voorzien, waarin het regenwater van de verhardingen terechtkomt en kan infiltreren. Langs de woningen is een voetpad voorzien. Toepassing van duurzame materialen De ambitie is om niet meer verharding aan te leggen dan strikt noodzakelijk is. Dit voorkomt de nodige vegetaties tussen verharding op plaatsen waar deze niet of nauwelijks gebruikt wordt. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van duurzame keramische verhardingsmaterialen. Gebakken straatklinkers zijn de basis voor de inrichting van het maaiveld. Deze worden toegepast voor zowel de voetpaden als de rijwegen. Inpasbaarheid zonnepanelen Het wordt landelijk gestimuleerd om zonnepanelen op daken toe te passen. Om de toepassing van zonnepanelen op voorhand niet uit te sluiten, is de oriëntatie van de woningen van groot belang. In het algemeen levert een zonnepaneel gericht op het zuiden of zuidwesten het beste rendement. Bebouwing langs de lanenstructuur is daarom voor een groot deel op het zuid(west)en gericht. In principe worden alle daken als zadeldak uitgevoerd. Voor de meeste daken is de nokrichting evenwijdig aan de lanen, enkele zullen dwars op de lanen worden uitgevoerd.
Dit betekent dat optimale condities voor plaatsing van zonnepanelen worden geboden. Hiermee is een basis gecreëerd voor de toepassing van duurzame energie door particulieren. 8.9.3 Conclusie Het aspect Duurzaamheid is in de planvorming meegenomen. Uit voorgaande paragraaf blijkt dat de uitvoering van dit bestemmingsplan ten aanzien van duurzaamheid voldoende aanknopingspunten biedt.
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
66
9
Uitvoerbaarheid
9.1
Economische uitvoerbaarheid Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Kostenverhaal en tegemoetkoming in schade Tussen de gemeente en VOF Huurlingsedam is een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Uit deze overeenkomst blijkt dat er afspraken zijn gemaakt inzake het kostenverhaal en planschade. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd, het opstellen van een exploitatieplan is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
9.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De ontwikkeling van Huurlingsedam Fase 4 bouwt voort op de stedenbouwkundige structuur en uitgangspunten die zijn toegepast in de eerste drie fases en voorziet in de grote vraag naar woningen. Daarnaast biedt het voorliggende bestemmingsplan ook participatiemogelijkheden. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is de mogelijkheid geboden om een inspraakreactie en later een zienswijze in te dienen (zie ook hoofdstuk 10).
9.3
Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking.
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
67
Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling In dit bestemmingsplan is aangesloten bij de actuele maatschappelijke behoefte voor wat betreft bouwen en gebruik, bijvoorbeeld ten aanzien van aan-huis-verbonden beroepen.
Vervolgens is door middel van het opnemen van flexibiliteitsbepalingen (algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingen) in voldoende mate ingespeeld op eventuele toekomstige ontwikkelingen. De verbeelding, de regels en de toelichting zijn, tot slot, zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering zo veel mogelijk worden voorkomen.
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling
68
10
Procedure
10.1 Voorbereidingsfase Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het plan is opgestuurd naar de vooroverlegpartners en er is een vooroverlegreactie van de provincie ontvangen. Deze reactie heeft geleid tot een aanpassing van het plan. 10.2 Ontwerpfase Het ontwerpbestemmingsplan “Huurlingsedam fase 4” lag op grond van artikel 3.8 Wet ruimtelijk ordening 6 weken ter inzage, van 21 juli 2022 tot en met 1 september 2022. Eenieder werd gedurende deze termijn in de gelegenheid gesteld zijn/haar zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Er is één zienswijze ontvangen. De zienswijze heeft betrekking op handhaving door de gemeente bij parkeren buiten de daarvoor aangewezen locaties in de al gerealiseerde plandelen. De zienswijze geeft geen aanleiding om het onderhavige bestemmingsplan aan te passen. 10.3 Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.
Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.
Bestemmingsplan ‘Huurlingsedam, Fase 4’ Toelichting Vaststelling