CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE Bestemmingsplan Bergharen Kerkenweide (15-11-2023)

Raad openbaar Wijchen 29 februari 2024, gemeente wijchenBij agendapunt: 130081 Beslisnota Bestemmingsplan Kerkenweide te Bergharen20.909 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie (wonen) niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp De WHO hanteert advieswaarden voor fijnstof (PM10) van 15 microgram per kuub, en 5 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Uit de grootschalige concentratie en depositiekaarten blijkt dat de concentratie fijnstof (PM2,5) onder de 6 microgram per kuub ligt. Hoewel naar verwachting de komende jaren de lucht een stuk schoner wordt, wordt de WHO-advieswaarde voor PM2,5 in de nabije toekomst niet gehaald. Uit grootschalige concentratie en depositiekaarten voor fijnstof (fijnstof PM10, meetjaar 2030) blijkt dat de concentratie fijnstof onder de 14 microgram per kuub bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de advieswaarden. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Het plangebied is met de rode cirkel indicatief aangeduid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp

Afbeelding 5.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas leefomgeving)

Uit raadpleging van de risicokaart (www.risicokaart.nl) is gebleken dat op enige afstand van het plangebied een LPG-station ligt. Het plangebied is echter ruimschoots buiten de risicocontouren van dit object gelegen. In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen aardgastransportleidingen van de Gasunie of zijn geen andere transportroutes over weg of water van gevaarlijke stoffen aanwezig. Overige Voor het overige blijkt uit de inventarisatie dat de locatie: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Het project is in overeenstemming met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van milieugevoelige objecten worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. In voorliggend geval kan worden uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk gezien de ligging aan de rand van Bergharen. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Omliggende functies worden dan ook niet in hun woon- en leefklimaat aangetast. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In dit geval worden de woningen binnen het plangebied aangemerkt als milieugevoelige functies. In de omgeving van het plangebied liggen enkele (agrarische) bedrijven en andere milieubelastende functies. Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan.

Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten dan geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid In de onderstaande tabel zijn deze bedrijven weergegeven, waarbij tevens de functie, milieucategorie, richtafstand (m.u.v. geur) en daadwerkelijke afstand tot het plangebied zijn weergegeven. De daadwerkelijke afstand is gemeten van de grens van het bouwvlak van de belastende functie tot de grens van het bouwvlak van de dichtstbijzijnde gevoelige functie (betreffende de woonbestemming). Functie Breekwagen ong.: Bedrijventerrein Dorpsstraat ong.: Gemaal Dorpsstraat 20: Grondgebonden agrarisch bedrijf Dorpsstraat 48: Kerk en begraafplaats Stompendijk 4: Grondgebonden agrarisch bedrijf Veldsestraat 10: Kerkgebouw

Milieucategorie 3.2

Richtafstand 100 m (geluid)

Daadwerkelijke afstand 300 m

2

15 m

3.1

30 m (geur) en 10 m (geluid) 30 (stof en geluid)

2

30 m (geluid)

10 m

3.2

30 m (geluid)

150 m

2

30 m (geluid)

45 m

65 m

Zoals uit voorgaande tabel blijkt, wordt de richtafstand ten aanzien van een gemaal en ten aanzien van een kerk met een begraafplaats niet gehaald. Ten aanzien van de kerk en de begraafplaats wordt gesteld dat het echter gaat om functies in maximaal milieucategorie 2. Dit zijn functies die over het algemeen zodanig weinig milieubelastend zijn dat deze goed in een woonomgeving kunnen voorkomen. Het feit dat rond de kerk en begraafplaats reeds woningen aanwezig zijn, bevestigd dit. Ten aanzien van het gemaal wordt gesteld dat het gaat om een zeer kleinschalig gemaal. Middels een geurzone is geborgd dat binnen een zone van 30 m geen geurgevoelige objecten zijn toegestaan. Hiermee is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd. Daarnaast wordt de werking van het gemaal niet belemmerd. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van het sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Algemeen

5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. De gemeente Wijchen ligt binnen een concentratiegebied. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).

Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp 5.6.2

Situatie plangebied

In dit geval liggen er twee agrarische bedrijven in de nabijheid van het plangebied. In de tabel in paragraaf 5.5 zijn deze weergegeven. Zoals aangegeven gaat het om grondgebonden veehouderijen. Hiervoor geldt een vaste afstand van 100 meter voor het aspect geur. Zoals ook uit de verbeelding van dit bestemmingsplan blijkt, ligt het bouwvlak van de dichtstbijzijnde nieuwe woningen op circa 65 meter afstand. Het gaat om het agrarisch bedrijf aan de Dorpsstraat 20. De afstand van 100 meter wordt niet gehaald. Hier kan echter een nuancering op worden aangebracht. Van het daadwerkelijk houden van vee is ter plaatse van dit bedrijf nauwelijks sprake meer. Het gaat immers om een veehandelsbedrijf. Binnen het bouwvlak staat slechts één schuur waarin vee wordt gehouden. De schuur heeft een oppervlakte van circa 125 m2. Gezien de directe nabijheid van reguliere woningen rondom dit bedrijf ligt groei van het bedrijf ook niet meer in de lijn der verwachting. Binnen het bouwvlak is daar ook geen ruimte voor. Ten aanzien van geur kan daarom gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Omgekeerd wordt dit bedrijf niet beperkt, vanwege de nabije ligging van verscheidene andere woningen. 5.6.3

Conclusie

Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. . De locatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen ten zuidwesten van het plangebied op circa 4,2 kilometer afstand. Dit betreft het Natura 2000-gebied “Rijntakken”. Van directe effecten op Natura 2000-gebieden, bijv. geluid- of lichthinder, is geen sprake. Om de gevolgen van de gewenste ontwikkeling wat betreft stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen is een Aerius-berekening door uitgevoerd (opgenomen in bijlage 3). Hierna wordt op de resultaten van dit onderzoek ingegaan. Resultaten stikstofdepositie onderzoek Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp 5.7.2.2 Nederlands Natuurnetwerk (NNN) Het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en de invloedsfeer is lokaal. De voorgenomen activiteit heeft geen negatief effect op het NNN. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is ook de Wnb van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.7.3.2 Situatie plangebied Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, is door BJZ.nu een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek richt zich op beschermde gebieden en beschermde soorten. Hieronder zijn de conclusies van dit rapport weergegeven. Het rapport is tevens bijgevoegd als Bijlage 4 bij deze toelichting. Op basis van de uitgevoerde quickscan flora en fauna wordt het volgende geconcludeerd. Vogels Van de in het plangebied verwachte soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren, vernielen en/of beschadigen van vogelnesten dienen daarom buiten het broedseizoen van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari.

Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd en/of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Grondgebonden zoogdieren Er wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Vleermuizen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroute verstoord. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. 5.7.4

Bomeneffectanalyse

De herontwikkeling van de Veldsestraat, waarbij deze wordt verbreed, zorgt ervoor dat de weg dichter bij een zevental bomen komt. Het is wenselijk om in beeld te brengen of de bomen kunnen worden behouden. Hierbij is rekening gehouden met het gegeven dat de fundering van de rijbaan 20 tot 30 cm buiten de wegverbreding

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp valt. De totale verbreding/ontgraving van de bodem die benodigd is voor een wegverbreding van 50 cm komt dan op maximaal 80 cm. Hiermee wordt de huidige berm 80 cm smaller. Tevens is de kwaliteit van de bomen opgenomen. Daarom is door Pius Floris een Bomeneffectanalyse (BEA) uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage 5 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Boomkwaliteit Het project betreft in totaal zeven bomen. De kwaliteit van deze bomen is voldoende tot goed. De levensverwachting van deze bomen is meer dan 15 jaar. De onderhoudstoestand van de zes linden is goed. Bij de walnoot is er een achterstand in het onderhoud. De boom behoeft begeleidingssnoei in verband met de benodigde vrije doorgang voor verkeer. Projectinvloed Verbreden van de rijbaan inclusief fundering zal van geringe invloed zijn op de bomen. • Bij de ontgraving zal lichte schade aan het wortelgestel van de bomen ontstaan; • De ernst van de schade die optreedt wordt bepaald door de diepte en de breedte van de ontgraving; • Uitgangspunt is dat de het wegdek met 50 cm wordt verbreed en van de fundering maximaal 30 cm breder wordt dan de wegverbreding (totale breedte van ontgraving maximaal 80 cm). • Na realisatie van de verbreding blijft er circa 75 cm ruimte tussen de stamvoet van de bomen en de rijbaan.

• Behoud van de bomen in combinatie met een verbreding van de rijbaan is boomtechnisch haalbaar. • Of een afstand van 75 cm voldoende wordt bevonden is aan de afdeling ‘wegen’ van gemeente Bergharen. • Tussen de stamvoet van de bomen en de rand van de fundering is 45 cm ruimte beschikbaar voor diktegroei van de stamvoet van de bomen. Advies Behoud van de huidige zeven bomen in combinatie met een verbreding van de weg is aanbevolen. Geadviseerd wordt om een funderingstechniek toe te passen met een maximale ontgraving van 60 cm minus maaiveld. Treffen van maatregelen om ingroei van wortels te beperken zijn aanbevolen. Plaatsen van een wortelscherm of folie tot 60 cm minus maaiveld. Tevens toepassen van een verdichte funderingslaag die ongeschikt is voor wortelgroei. 5.7.5

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee moet worden gehouden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Op grond van deze wet is het verplicht om tijdig rekening te houden met archeologische waarden. De Erfgoedwet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. Waar dit niet mogelijk is, moet het bodemarchief met zorg ontsloten worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. Om de bescherming op gemeentelijk niveau te borgen heeft de gemeente Wijchen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp een archeologische beleids- en verwachtingenkaart (RAAP-rapport 1828, 2009). Op deze kaart is de archeologische verwachting voor de gronden binnen de gemeentegrenzen aangegeven en waar archeologische waarden (vindplaatsen, waarnemingen) in de bodem bekend zijn. Het plangebied valt op de gemeentelijke verwachtingskaart vanwege de ligging op een rivierduin in een gebied met een hoge archeologische verwachting, waarbij het plangebied tevens behoort tot een AMK-terrein (oranje zone) met een aandachtzone van 50 m (grijs gestippeld). In afbeelding 5.2 is het plangebied met zwarte stippellijn weergegeven.

Afbeelding 5.2: Uitsnede uit archeologische verwachtingskaart gemeente Wijchen (Bron: RAAP)

5.8.1.2 Situatie plangebied Vanwege hoge archeologische verwachting heeft RAAP in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage 6 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, welke gegevens zijn bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Tot op heden zijn binnen het plangebied geen archeologische resten aangetroffen. Direct ten oosten van het plangebied zijn resten uit de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen A en B aangetroffen. In de ruimere omgeving zijn ook resten vanaf de steentijd tot en met de nieuwe tijd gevonden. Deze resten zijn op verschillende niveaus binnen de rivierduin en overstromingslagen aangetroffen. Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en welke gegevens zijn bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? In het plangebied bevinden zich achtereenvolgens pleistocene rivierafzettingen met daarop rivierduinafzettingen (met mogelijk meerdere verstuivingsfases), al dan niet met plaatselijk overstromingsklei en afgedekt door een plaggendek. De bodemopbouw die bij onderzoeken rondom het plangebied is aangetroffen is echter variabel, waardoor de exacte bodemopbouw en dieptes van mogelijke archeologische BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp lagen binnen het plangebied niet bekend is. In het zuidelijke deel van het plangebied heeft in de 20e eeuw bebouwing gestaan, waardoor de bodem mogelijk plaatselijk verstoord is geraakt. Tevens wordt het plangebied doorsneden door een zone met kabels en leidingen die de bodem verstoord zal hebben. Tot welke diepte deze verstoringen exact reiken en of daarbij (alle) archeologische lagen verstoord zijn geraakt is niet bekend. Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied? Voor het plangebied geldt voor het mesolithicum tot en met de middeleeuwen een (middel)hoge verwachting De diepte waarop deze resten aanwezig zijn hangt af van de aanwezige verstuivingsfasen, maar bevindt zich naar verwachting onder een 80 cm dik plaggen- en stuifzanddek. In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm? Als gevolg van de herinrichting van het plangebied voor de woningbouw zal de bodem naar verwachting tot in ieder geval het bovenste archeologisch niveau worden verstoord. Niet alleen het uitgraven van de bouwvlakken zal de bodem verstoren, maar ook de aanleg van kabels en leidingen, het graven van het wegcunet en mogelijk ook de aankleding van het gebied met groen kan de bodem en daarmee de aanwezige archeologische waarden verstoren.

Daarom wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren om de archeologische verwachting te toetsen en nader te specificeren. Gezien archeologische waarde van het gebied (AMK-terrein) en de verwachte archeologische resten, vormt een proefsleuvenonderzoek hiervoor de meest geëigende vorm. Voorafgaand aan dit onderzoek dient een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen te worden opgesteld, waarin de eisen waaraan het onderzoek dient te voldoen worden vastgelegd. Aangezien de exacte bodemopbouw en daarmee de diepte van de archeologische niveaus niet duidelijk is, wordt geadviseerd om voorafgaand aan het PvE een verkennend booronderzoek uit te voeren om in beeld te brengen hoeveel archeologische niveaus er zijn en op welke diepte deze zich bevinden. Door een duidelijk beeld te krijgen van bodemopbouw, kan veel gerichter onderzoek worden gedaan en kunnen daarmee overbodige kosten worden vermeden. Voorafgaand aan dit onderzoek dient een Plan van Aanpak (PvA) te worden opgesteld, dat eveneens dient te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Bovenstaand advies dient voorgelegd te worden door de bevoegde overheid (gemeente Wijchen) in het kader van de vergunningsaanvraag en vormt de basis voor het selectiebesluit van de gemeente. Dit betekent niet dat reeds gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten.

Bovenstaand advies dient voorgelegd te worden door de bevoegde overheid (gemeente Wijchen) in het kader van de vergunningsaanvraag en vormt de basis voor het selectiebesluit van de gemeente. Dit betekent niet dat reeds gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten. Inventariserend veldonderzoek Aanvullend op het bureauonderzoek is door ADC Archeoprojecten een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 7 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. In het zuidelijk deel van het plangebied is een rivierduin aanwezig. De rivierduin is afgedekt door de Laag van Wijchen, waarin bodemvorming heeft plaatsgevonden. In deze laag kunnen archeologische resten daterend uit het Laat Paleolithicum – Mesolithicum aanwezig zijn (archeologische laag 1). De Laag van Wijchen is vervolgens weer afgedekt geraakt door een rivierduin in twee fases. In de top van de rivierduin is plaatselijk een B-horizont en een cultuurdek waargenomen. Afhankelijk van de ouderdom van het rivierduinzand kunnen in de top archeologische resten verwacht worden daterend vanaf het Mesolithicum tot en met de Bronstijd (archeologische laag 5), vanaf 35-65 cm -mv. In het centrale en het noordelijke deel is het Wijchens Maasje actief geweest.

In deze zones zijn meerdere fases van bedding-, crevasse-, en oeverafzettingen waargenomen. In deze zone zijn drie fases van het Wijchens Maasje waargenomen, die langzaam naar het noordelijk deel van het plangebied is getrokken. Deze opeenvolgende oeverafzettingen kunnen archeologische resten bevatten: •

Archeologische laag 2: Wijchens Maasje fase 1: niet waargenomen tijdens het aanvullend booronderzoek;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp • •

Archeologische laag 3: Wijchens Maasje fase 2: 190-210 cm – mv (5,93-5,97 m +NAP) Laat – Neolithicum – Vroege Bronstijd; Archeologische laag 4: niet waargenomen tijdens het aanvullend booronderzoek

In het gehele plangebied zijn de afzettingen van het Wijchens Maasje en vroege fases van de rivierduinafzettingen, afgedekt door een laatste fase van de rivierduin. Naast het zuidelijk deel zijn in het noordelijk deel ook enkele B-horizonten aanwezig. In het plangebied is de bodemopbouw plaatselijk verstoord. Hieronder volgt een opsomming van de boringen waarin verstoringen in zijn waargenomen: • Boring 3: tot 170 cm – mv (6,37 m +NAP); • Boring 5: tot 230 cm – mv (5,30 m +NAP); • Boring 6: tot 120 cm – mv (6,60 m +NAP);; • Boring 10: tot 80 cm – mv (7,03 m +NAP); • Boring 12: tot 230 cm – mv (5,79 m +NAP) ADC ArcheoProjecten adviseert om in het gehele plangebied een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P), met uitzondering van de aangetoonde verstoorde zones (afb.5). In de verstoorde zones zijn geen proefsleuven noodzakelijk indien de geadviseerde verstoringsdiepte blijft gehandhaafd. De zones met een mogelijke verstoring kunnen niet worden vrijgegeven, omdat de verstoringsdiepte hiervan onbekend blijft. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. De sleuven dienen in zones te worden geplaatst met een midden en/of hoge verwachting.

In de aangetoonde verstoorde zones zijn geen proefsleuven noodzakelijk, indien, de verstoring boven de geadviseerde verstoringsdiepte blijft. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door het bevoegd gezag goed te keuren programma van eisen. Door middel van een archeologische dubbelbestemming zijn de archeologische waarden geborgd. Het vervolgonderzoek zal in een later stadium worden uitgevoerd. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Om de cultuurhistorische waarden in de gemeente te borgen hanteert de gemeente Wijchen het paraplubestemmingsplan 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen' (vastgesteld, 3 mei 2017).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp Ter plaatse van het plangebied geldt een cultuurhistorische dubbelbestemming. Gronden die zijn voorzien van deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waarden. Daarom is er een cultuurhistorische effectrapportage (CHER) uitgevoerd teneinde in beeld te brengen of het beoogde plan cultuurhistorisch passend is. Het gehele rapport is als bijlage 8 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Doelstelling en resultaten CHER Het cultuurhistorisch onderzoek dient te inventariseren welke historisch-geografische waarden in het gebied aanwezig zijn, waarna vervolgens wordt bekeken wat het effect van de geplande herinrichting van het gebied is op de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt vervolgens een advies gegeven over de omgang met de eventueel aanwezige waarden. Algemeen Uit het bureauonderzoek blijkt dat hoewel het historisch grondgebruik van het plangebied niet of nauwelijks is gewijzigd, de historisch-geografische waarde van het plangebied als gevolg van de verdichting uit uitbreiding van de bebouwing rondom het plangebied is aangetast.

Ondanks de situering tussen de twee kerken van Bergharen is aan het plangebied slechts een gemiddelde waardering toegekend. Met name de uitbreiding van de bebouwing in en achter de historische bebouwingslinten heeft de toegankelijkheid en beleefbaarheid van het plangebied (door het blokkeren van de oude kerkenpaden en zichtlijnen) sterk beperkt. De historischgeografische waarde van het plangebied bestaat slechts nog uit het gebruik als agrarisch gebied, de aanwezigheid van persistente historische perceelsgrenzen, onderdeel van het (verdicht en dus relatief recent) historisch bebouwingslint en de aanwezigheid van enkele resterende historische zichtlijnen. Hieronder zal per cultuurhistorische waarde het effect van de geplande ontwikkeling worden besproken. Open agrarisch gebied Volgens de huidige plannen zal in het plangebied een vrij open cluster erven met veel openbaar en privé groen worden gerealiseerd (zie paragraaf 1.4). Bij de herontwikkeling is al rekening gehouden met zichtlijnen en een zachte overgang naar het aangrenzende agrarische gebied. Het gevolg van de herontwikkeling is onvermijdelijk dat de waarde ‘open agrarisch gebied’ zal verdwijnen. Tegelijkertijd is deze ontwikkeling al in de 20e eeuw in gang gezet met de inbreidingslocaties ten noorden, oosten en westen van het plangebied, die tevens de cultuurhistorische waarde van het plangebied al hebben aangetast.

Een deel van de bebouwing vindt bovendien plaats op een locatie waar voorheen ook al bebouwing aanwezig was (zie ‘gesloopt historisch bebouwingslint’, tussen Veldsestraat 6 en 10). Onderdeel (verdicht) historisch bebouwingslint (zuidelijke deel) Het zuidelijke deel van het plangebied maakt deel uit van het zeer ijle, historische bebouwingslint langs de Veldsestraat. Lange tijd was dit gebied onbebouwd, maar als gevolg van de doorgaande verdichting van het bebouwingslinten is het terrein vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw bebouwd geraakt. De bebouwing die volgens de huidige plannen op deze locatie is gepland, valt daarom binnen de historische ontwikkeling van het gebied. Persistente historische perceelsgrenzen De huidige plannen laten de resterende historische perceelgrenzen (zie afb. 3.1 van het rapport) overwegend ongemoeid. Uitzondering hierbij betreft het perceel van de nieuwbouw die deels in de tuin van de Dorpsstraat 78 valt. Hiervoor wordt geadviseerd om de voorzijde van het perceel te laten samenvallen met de (meer oostelijk gelegen) historische perceelsgrens. In het algemeen geldt het advies om de historische perceelsgrenzen zowel in de plannen als in de uiteindelijke uitvoering zichtbaar te laten en/of te maken. Hierbij dienen de afrasteringen echter geen visuele barrière te vormen.

Restant historische zichtlijnen Tot slot worden de momenteel aanwezige zichtlijnen niet geblokkeerd door de geplande herinrichting. De toegangsweg vanaf de Veldsestraat laat een inkijk in het plangebied toe en ter hoogte van de zichtlijn ten noorden van het plangebied (vanaf het Uilengat) zijn geen ingrepen gepland. Ook op de locaties waar geen sprake is van een directe, open zichtlijn, vanwege de aanwezigheid van schuttingen, heggen/bomen of muren,

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp is rekening gehouden met zichtlijnen/openheid. Zo is in het verlengde van het kerkhof van de Roomskatholieke kerk een open ruimte in het plan opgenomen. Dit geldt ook voor de (grotendeels door bomen geblokkeerde) zichtlijn tussen de Dorpsstraat 92 en de Stompendijk 2 waar in het verlengde een weg/wandelpad is opgenomen. Invloedssfeer monumenten Het plangebied wordt omringd door historische bebouwingslinten, waarin diverse rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. Bij herinrichting dient rekening te worden gehouden met de omgeving van deze monumenten. Het gaat daarbij niet om het voorkomen van aantasting van de omgeving op zich, maar om aantasting van de omgeving van een monument die dat monument ontsiert of beschadigt te voorkomen. De meeste monumenten rond het plangebied zijn voorzien van een ruime buffer in de vorm van een tuin (groter dan het oorspronkelijke erf) en/of reeds bestaande (niet waardevolle) bebouwing (zie afb. 3.1) of duidelijk begrensd door hoge afscheiding in de vorm van een schutting of heg al dan niet met opgaande bomen. Voor de meeste monumenten (boerderijen, pastorie en klooster) geldt daarom dat ingrepen die buiten het eigen erf plaatsvinden niet of nauwelijks van invloed zijn op de monumentale waarde. De aanwezige kerken vormen hierop een uitzondering.

Kerktorens vormden lange tijd een baken in het landschap, waardoor hun invloedssfeer veel groter is dan van andere bebouwing. De Hervormde kerk, aan de westzijde van het plangebied, heeft een relatief lage toren, die aan de oostzijde grotendeels door bomen en de bestaande bebouwingslinten aan het zicht worden onttrokken. Desondanks is door de ruime opzet van de bebouwing en de bouwmassa’s wel rekening gehouden met vrij zicht van de omwonenden op de kerk. De belangrijkste zichtlijn op deze kerk, namelijk vanaf het open agrarische gebied in het westen, wordt door de plannen niet beperkt. De Rooms-katholieke kerk heeft een veel hogere toren en steekt ruim boven de bebouwing uit. Bovendien is ook hiermee rekening gehouden met het bouwplan, waardoor vanaf de bestaande openbare weg (Veldsestraat) een vrije zichtlijn is op de kerk. De plannen hebben daarom geen negatieve invloed op de monumentale waarde van de aangrenzende monumenten. Op basis van het bovenstaande kan daarom de conclusie worden getrokken dat hoewel de geplande herinrichting van het gebied een deel van de historisch-geografische waarden (namelijk ‘open agrarisch gebied’) van het plangebied schaadt, deze ontwikkeling valt binnen een bestaande ontwikkeling waarbij het bebouwde gebied zich vanaf de Dorpsstraat over het voormalige akkergebied heeft uitgebreid.

Tevens valt daarbij op te merken dat de geplande herinrichting zorgt voor een zachtere overgang naar het agrarische gebied dan momenteel het geval is én het gebied weer openbaar toegankelijk maakt, zoals in het verleden ook sprake van was. Er is daarom, zeker gezien de middelmatige waardering van het gebied, geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden. 5.8.3

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan daarom de conclusie worden getrokken dat hoewel de geplande herinrichting van het gebied een deel van de historisch-geografische waarden (namelijk ‘open agrarisch gebied’) van het plangebied schaadt, deze ontwikkeling valt binnen een bestaande ontwikkeling waarbij het bebouwde gebied zich vanaf de Dorpsstraat over het voormalige akkergebied heeft uitgebreid. Tevens valt daarbij op te merken dat de geplande herinrichting zorgt voor een zachtere overgang naar het agrarische gebied dan momenteel het geval is én het gebied weer openbaar toegankelijk maakt, zoals in het verleden ook sprake van was. Er is daarom, zeker gezien de middelmatige waardering van het gebied, geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp

•

•

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: • • •

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij 2.000 woningen of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit (o.a. 2.000 woningen of meer) wordt vergeleken met de omvang van voorliggende ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp

5.10

Verkeer en parkeren

5.10.1 Algemeen Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de mogelijke extra verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiervoor kunnen berekeningen worden uitgevoerd. Op 16 juni 2016 is het Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen in werking getreden. Het gemeentelijke uitgangspunt luidt dat elk gebied, voorziening, complex, bedrijf of instelling in de eigen parkeerbehoefte dient te voorzien. Daarbij is het belasten van omliggende gebieden met parkeerdruk door een plaatselijk tekort ongewenst. Gemeente Wijchen toetst bij nieuwe ontwikkelingen aan de door het CROW (Nationaal kenniscentrum verkeer, vervoer en infrastructuur) opgestelde landelijke parkeernormen. Hiervoor wordt aansluiting gezocht bij de landelijke parkeerkencijfers op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren (december 2018)' van het CROW. Wat betreft de functies wordt aansluiting gezocht bij de functies zoals genoemd in deze CROW-publicatie. De parkeernormen in CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren bestaan uit een minimum- en maximumwaarde. Dit is de bandbreedte. In de gemeente Wijchen wordt uitgegaan van de maximale parkeernormen. De kern Bergharen wordt aangemerkt als een weinig stedelijke gebied. Gelet op de ligging wordt uitgegaan van ‘rest bebouwde kom’.

5.10.2 Parkeren Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat de volgende parkeerberekening. Type Koop, vrijstaand Koop, twee onder één kap Koop, tussen/hoek Huur, huis, sociale sector Totaal

Aantal 6 4

Parkeernorm 2,7 2,6

Aantal parkeerplaatsen 16,2 10,4

9 4

2,4 2,3

21,6 9,2 57,4

Zoals blijkt is er een parkeerbehoefte van 58 parkeerplaatsen. In dit geval worden er in totaal 59 parkeerplaatsen aangelegd. Hiermee wordt ruimschoots aan de parkeernormering voldaan. Opgemerkt wordt dat ook qua type woning aan de normering per type woning wordt voldaan. In de volgende afbeelding is de parkeernormering visueel weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp

Afbeelding 5.3: Parkeerbalans (Bron: La4Sale)

5.10.3 Verkeersgeneratie De ontsluiting van het woongebied is een aandachtspunt, aangezien deze via de Veldsestraat dient te worden gerealiseerd. Dit betreft een vrij smalle weg. Ten aanzien van dit aspect is daarom door Roelofs Groep een verkeersadvies gegeven. Het advies is als bijlage 9 opgenomen. Hierna wordt op de doelstelling van dit advies en op belangrijkste conclusies ingegaan. Per saldo leidt het planvoornemen voor ‘Kerkenweide’ tot een verkeersgeneratie van afgerond 180 voertuigbewegingen per gemiddelde weekdag. Uitgaande van een omrekenfactor van 1,11 (bron: CROW publicatie 381, functie wonen), leidt dit tot een verkeersgeneratie van 197 (= afgerond 200) voertuigbewegingen per gemiddelde werkdag. Om de doorstroming op de Veldsestraat in de plansituatie te garanderen, worden de volgende maatregelen geadviseerd: 1.

2.

3.

Verplaatsen van de ontsluiting van het plangebied in westelijke richting, langs per perceel van huisnummer 10. Hiermee heeft het vertrekkende verkeer vanuit het plangebied circa 25 m recht zicht om te anticiperen op tegemoetkomend arriverend verkeer. Ook het anticipatiezicht voor arriverend verkeer wordt hiermee gewaarborgd; Verbreden van Veldsestraat met 0,5 m tot rijbaanbreedte van 4,8 meter tussen de Stompendijk en het gebouw nummer 3 en vanaf dit gebouw tot de ontsluiting van het plangebied. Beide verbredingen kunnen aan de zuidzijde van de rijbaan binnen de bestaande grondeigendommen van de gemeente gerealiseerd worden. De technische uitwerking van de wegverbreding nabij de bomenrij moet nader onderzocht worden. Met de bestaande rijbaanbreedte van 4,3 m is er ook ter plaatse van de versmalling voldoende profielruimte voor hulpdiensten, afvalinzameling en vrachtwagens e.d. Wel wordt aanbevolen om de versmalling met straatmeubilair aan te duiden, zodat dit ook goed zichtbaar is in het donker. Verwijderen asmarkering op Stompendijk ter hoogte van het kruispunt met de Veldsestraat. De markering kan de indruk wekken dat verkeer op de Stompendijk voorrang heeft, terwijl het een gelijkwaardig kruispunt (rechts heeft voorrang) betreft. Dit sluit ook aan bij andere gelijkwaardige kruispuntlocaties op de Stompendijk, waar ook geen asmarkering aanwezig is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp Het vorenstaande is in afbeelding 5.3 gevisualiseerd.

Afbeelding 5.3: Verbetervoorstellen ontsluiting plangebied (Bron: Roelofs) De hiervoor genoemde maatregelen worden overgenomen. Daarnaast zal door de verbreding van de Veldsestraat voldoende ruimte zijn om tegemoetkomende verkeer op een veilige wijze te kunnen passeren. Het uitvoeren van maatregelen nummer 1, 2 en 3 wordt middels een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd. De Dorpsstraat betreft een ontsluiting die enkel in het geval van calamiteiten en langzaamverkeer gebruikt zal worden. Daarom zal deze worden afgesloten met een hek of inklapbare verkeerspaal.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp

5.11

Wateraspecten

5.11.1 Algemeen inzake de waterhuishouding Wettelijk kader Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten enregelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. In de waterparagraaf is tevens het advies van de waterbeheerder verwerkt.

Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. De adviezen in dit rapport voldoen aan vigerende wet- en regelgeving van lokaal tot en met Europees niveau. Voor een beschrijving van het watersysteem, waaronder de geomorfologie en geohyfrologie, het oppervlakteen afvalwatersysteem en het ecosysteem, wordt verwezen naar deel 1 hoofdstuk 2 en 3 van het waterhuishoudkundig plan (bijlage 11 van deze toelichting). 5.11.2 Leefomgeving en ruimtegebruik Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. • De ruimtelijke ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. • De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. • Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening is gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven zijn gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, welzijn, volkshuisvesting, verkeer/vervoer en energie. Gevolgen van/voor het plan Ter plaatse wordt een gescheiden stelsel aangelegd. De woningen zullen aangesloten worden op het aan te leggen DWA-stelsel binnen het plangebied.

Door het planvoornemen wordt er verhard oppervlak aangebracht wat leidt tot versnelde afstroom van hemelwater. Het algemeen beleid is er op gericht om nieuwe verharding binnen nieuwbouwprojecten zoveel mogelijk te beperken en hemelwater dient ter plaatse verwerk te worden (neutraal ontwikkelen). Bij het gescheiden houden en lokaal infiltreren van neerslag dienen de juiste milieuhygiënische maatregelen getroffen te worden zodat het hemelwater schoon blijft (zie ook hoofdstuk 5). De voorkeur gaat uit bij voorkeur uit naar hergebruik met aanvullend lokaal infiltreren of bergen met vertraagde afvoer. Hiervoor dient binnen de ontwikkeling ruimte voor een voorziening gereserveerd te worden, tenzij dit fysiek niet mogelijk is

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

“Bestemmingsplan Bergharen, Kerkenweide” Ontwerp door te hoge grondwaterstand of te slecht doorlatende bodem (Beleidsplan water en riolering 2023-2027). Het hemelwater wordt verwerkt conform de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren. Het opvangen van hemelwater in groendaken en wadi’s heeft hierbij de voorkeur, vanwege de bewustwording van de gebruikers voor de zichtbare verwerking van het hemelwater en voorkoming van hittestress. De groene en ruime inrichting binnen het plangebied maken dat er voldoende ruimte is om binnen het plangebied te voorzien in deze bergingscapaciteit. Het hemelwater wordt op het eigen perceel aan het oppervlak geborgen en in de bodem geïnfiltreerd. Waar er onvoldoende ruimte is, wordt het hemelwater op het eigen perceel ondergronds geborgen en in de bodem geïnfiltreerd. Om de waterbergingsopgave te beperken wordt er alleen verharding aangebracht waar dit strikt noodzakelijk is. Het minimaliseren van de verhardingsoppervlak en maximaliseren van de hoeveelheid groen zorgt voor een beperking van de kans op hittestress. Verder wordt rekening gehouden met de bestaande ruimtelijke aspecten zoals het nabijgelegen rioolgemaal (centraal westelijk van het plangebied) en de riooltransportleidingen welke zuidelijk door het plangebied lopen. Hiervoor wordt een dubbelbestemming opgenomen.

Aandachtspunten hiervoor zijn het gebruik van de bovengrond, de vrijwaringzone/zakelijk recht voor de leidingen en aandacht bij kruisingen van de leiding met infra/kabels/leidingen. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de planinvulling (geen graafwerken, bomen of bebouwing zonder toestemming/vergunning toegestaan).

5.11.3 Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde kwaliteitseisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater wordt voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in de bodem of op het oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende ma-terialen (Dubobepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater wordt alleen geloosd via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater wordt zo mogelijk verbeterd door de aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden worden behouden of verder ontwikkeld door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij zijn water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen, zoveel mogelijk, zichbaar (bovengronds) afvoeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=9ad618ee-833e-411f-859e-b222015c9ab6