CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Stedelijk Gebied Wijchen_Regels_Bijlage 7 Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Raad openbaar Wijchen 30 januari 2025, gemeente wijchenBij agendapunt: 9643 Beslisnota Bestemmingsplan Stedelijk gebied Wijchen7.914 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

in de toekomst zullen leven, wordt algemeen erkend. Van die geschiedenis zijn er in onze omgeving nog tal van tastbare resten te zien en te beleven. Overal om ons heen vinden we gebouwen of gebieden die elementen van vroeger laten zien of in zich herbergen. Voor eigenaren en overheden betekent dat een opgave: hoe houden we bij het veranderen of het beheren van een gebouw, complex van gebouwen of een gebied zo goed mogelijk rekening met de bouwkundige of landschappelijke geschiedenis? Om hierin een verantwoorde keuze te maken, kan men het beste een analyse van de bouw- en gebruiksgeschiedenis en een waardestelling laten maken. Een uitgelezen manier daarvoor is bouwhistorisch onderzoek. In sommige gevallen vereist de overheid een dergelijk onderzoek om het plan in verband met een vergunning of subsidie op de juiste waarde te kunnen toetsen. Deze Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek zijn bedoeld voor eigenaren, gebruikers en beheerders van gebouwen, complexen en gebieden. Tevens bieden zij een handreiking aan overheden, architecten en adviseurs, aan projectmanagers en aan bouwhistorici zelf. Vanzelfsprekend vormen de richtlijnen lesstof in opleidingen op het gebied van historie en bouwkunde.

De Richtlijnen kwamen tot stand onder verantwoordelijkheid van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de Stichting Bouwhistorie Nederland, de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het Atelier Rijksbouwmeester en de Rijksgebouwendienst. Voor vragen naar aanleiding van deze publicatie kunt u zich tot deze instanties wenden. Bij gemeenten is bovendien de Brochure bouwhistorisch onderzoek verkrijgbaar; deze bevat een korte samenvatting van het hoe en waarom van bouwhistorisch onderzoek.

ISBN/EAN: 978-90-9024049-7 Den Haag, april 2009

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Het belang van de geschiedenis voor hoe we nu en

Lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Stichting Bouwhistorie Nederland Vereniging Nederlandse Gemeenten Atelier Rijksbouwmeester Rijksgebouwendienst

Inhoud

1

Inleiding

2

Bouwhistorisch onderzoek

2.1 Vraagstelling en Plan van Onderzoek 2.2 Vormen van bouwhistorisch onderzoek

3

Inbedding van bouwhistorisch onderzoek in het bouwproces

4

Systematisch bouwhistorisch onderzoek

4.1 Uitvoering 4.2 Methodologie 4.3 Waardestelling 4.4 Rapportage 4.5 Presentatie 4.6 Toegankelijkheid van resultaten

5

Gebruikte termen en illustraties

Richtlijnen bouwhistorisch bouwhistorisch onderzoek Richtlijnen onderzoek

1

1 - Inleiding

Het verleden vinden we terug in geschriften en boeken,

bouwmaterialen en de afwerking. Zij kijken dus naar

op tekeningen en foto’s, maar ook in de structuur van

de ‘oorspronkelijke’ of primair gerealiseerde situatie én

landschappen, in de plattegronden van steden en

naar de veranderingen in de loop der tijd (de bouw-

dorpen en in vormen en constructies van gebouwen.

en gebruiksfasen). Zelfs bij gebrek aan schriftelijke

Het zijn allemaal belangrijke bronnen voor het onder-

gegevens of oude afbeeldingen, kunnen bouwhistorici

zoek naar de geschiedenis van onze cultuur.

de bouw-, verbouwings- en gebruiksgeschiedenis in

Elke verandering in de omgeving of bebouwing heeft

kaart brengen. Het gebouw, het gebouwencomplex,

gevolgen voor de mate waarin we de cultuurhistorie

het landschapselement – het object van onderzoek – is

daar nog aan kunnen aflezen. Nieuwe ingrepen kunnen

dan zelf de belangrijkste ‘gegevensbron’ voor zijn eigen

die ‘leesbaarheid’ van de cultuurhistorie vergroten door

geschiedenis.

historische aspecten opnieuw zichtbaar te maken, of verrijken door er nieuwe elementen aan toe te voegen

Om hun onderzoek zoveel mogelijk diepgang te geven,

(historische gelaagdheid).

doen bouwhistorici vaak een beroep op andere vakdis-

In de afgelopen decennia is de interesse voor cultuur-

ciplines. Andersom leveren bouwhistorici vanuit hun

historie enorm toegenomen: bij historici, bij bewoners

kennis en analyse van individuele gebouwen of gebou-

en bezoekers (toeristen) en bij de overheid. Wie een in-

wencomplexen vaak een bijdrage aan onderzoek naar

greep aan een gebouw of gebied wil doen, moet steeds

grotere ruimtelijke eenheden (stads- en dorpskernen,

vaker verantwoorden in welke mate die ingreep de lees-

bouwblokken, gebieden en landschappen) of naar

baarheid van de cultuurhistorie schaadt. In de cultuur-

het werk van individuele architecten, architectuur-

historie onderscheiden we in de fysieke omgeving:

stromingen en institutionele opdrachtgevers.

- het bodemarchief; - het cultuurlandschap;

Men kan bouwhistorisch onderzoek voor verschillende

- het bouwkundig erfgoed (gebouwen en structuren).

doelen inzetten. Het meest gebruikelijk is het onderzoek naar individuele gebouwen. Eigenaars en archi-

Om cultuurhistorische aspecten volwaardig mee te

tecten nemen de onderzoeksresultaten en de daaruit

kunnen wegen bij besluiten tot bouwkundige of plano-

voortkomende ‘waardestellingen’ dan als uitgangspunt

logische ingrepen, moet er eerst specialistisch onder-

voor verbouwingen. Overheidsdiensten kunnen ze

zoek naar zijn gedaan. Eén van de belangrijke vormen

gebruiken als toetsingskader voor de monumenten-

daarvan is bouwhistorisch onderzoek. In principe zijn

en/of bouwvergunning.

het opdrachtgevers die dergelijk onderzoek initiëren;

Met bouwhistorisch onderzoek kan men ook een

eigenaars, projectontwikkelaars, overheden of andere

bijdrage leveren aan waarden- en verwachtingskaarten

initiatiefnemers en belanghebbenden van bouw- en

van gebieden, of selecties opstellen ten behoeve van

herinrichtingsplannen.

monumentenlijsten.

De cultuurhistorie in de ondergrond is het onderwerp

Ten behoeve van verdergaand historisch onderzoek is

van de archeologie. Zij legt de oude bewonings- en

het nuttig om te beschikken over een nauwgezette do-

bebouwingssporen bloot. Bovengronds bestuderen

cumentatie van historische gebouwen, waardoor meer

onder meer historisch-geografen, cultuur-, architectuur-

inzicht ontstaat in bouwactiviteiten en -processen in het

en bouwhistorici onze cultuurgeschiedenis.

verleden en in het veranderende gebruik van gebouwen en complexen.

Bouwhistorici analyseren gebouwen of complexen van gebouwen bij uitstek aan de hand van de onderlinge samenhang, de vorm, de constructies, de gebruikte 2

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

3

2 - Bouwhistorisch onderzoek

2.1 - Vraagstelling en Plan van Onderzoek

kunnen worden. Voor een goede vergelijking is het bovendien van belang dat de bouwhistorici hun inter-

Bouwhistorisch onderzoek is steeds maatwerk. Het

pretatie van het PvO geven in de vorm van een goede

doel, de omvang en de diepgang van het onderzoek

werkomschrijving. Op basis van hun eigen ervaringen

zijn afhankelijk van de plannen en wensen van de

en kennis van het vakgebied kunnen zij ook aan-

opdrachtgever, van de aard van het onderzoeksobject

passingen van het PvO voorstellen. De aanbestedings-

en van eventuele eisen van gemeenten of andere

procedure moet voldoende soepel zijn om op zulke

overheidsinstellingen. De logische gang van zaken is

voorstellen in te kunnen spelen.

dat men eerst de uitgangspunten van het onderzoek vastlegt in een Plan van Onderzoek (PvO), zodat het

Vaak wordt bouwhistorisch onderzoek in verschil-

voor iedereen duidelijk is waar het onderzoek voor

lende fasen uitgevoerd, bijvoorbeeld voorafgaand aan

bedoeld is en wat het kan opleveren. Op basis van het

het ontwerp, bij het begin van de uitvoering van de

PvO kan men een werkomschrijving, begroting en

werkzaamheden (ontmanteling) en tijdens de werk-

offerte opstellen en de opdracht verlenen.

zaamheden. Deze fasering kan worden vastgelegd in het PvO. Ook kan men ervoor kiezen om voor even-

Bij het opstellen van een PvO speelt de opdrachtgever

tuele vervolgfasen één of meer nieuwe, aanvullende

of initiatiefnemer van een verbouwing natuurlijk een

PvO’s te maken.

cruciale rol, omdat die weet hoe omvangrijk zijn plannen zijn. Maar als de overheid voor een monumenten- of bouwvergunning een bouwhistorisch onderzoek verplicht heeft gesteld, is het raadzaam om met die overheid overeenstemming te bereiken over de criteria waaraan het bouwhistorisch onderzoek moet voldoen. Die criteria staan niet altijd op papier. Een PvO kan heel uitgebreid en gedetailleerd zijn, of juist bestaan uit een korte omschrijving, een standaardomschrijving of een aanvinklijst. Bijvoorbeeld bij kleine ingrepen en weinig gecompliceerde objecten kan een beperkt PvO volstaan als onderlegger voor een offerte en een opdrachtbevestiging. Een beperkt PvO kunt u zelfs laten maken door dezelfde bouwhistoricus die later het onderzoek zal uitvoeren. Bij grotere onderzoeksobjecten en gebiedsgericht onderzoek is een gedetailleerd PvO gewenst, zeker als er meerdere disciplines aan het onderzoek deelnemen. In dit geval kunt u het gedetailleerde PvO beter laten opstellen door een onafhankelijke partij die het uiteindelijke onderzoek niet zelf zal uitvoeren. Als een onderzoek in concurrentie wordt aanbesteed dienen de bureaus hetzelfde PvO te krijgen, zodat de uitgebrachte offertes goed met elkaar vergeleken 4

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

5

2 - Bouwhistorisch onderzoek

2 - Bouwhistorisch onderzoek

A

B

Administratieve gegevens ten behoeve van het onderzoek

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Welke positie heeft de opdrachtgever in het proces (eigenaar, initiatiefnemer van een verbouwing, architect, gemeente)? ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Wat is de achtergrond van de vraag (beheer, restauratie, verbouwing, toetsing van bouwplan)? ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Waar bevindt het gebouw of gebied zich, welke functie heeft het, hoe groot is het, wat is er bijzonder aan, hoe ingewikkeld is het? ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Wat is de formele status van het object (beschermd monument, onderdeel van een beschermd stadsof dorpsgezicht)? ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Hoe is de

toegankelijkheid van het object of het gebied geregeld? ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Welke eerdere (onderzoeks)rapporten, publicaties en tekeningen zijn beschikbaar? ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Hoe wordt het onderzoek gefaseerd en wanneer moet het af zijn? ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Wie begeleidt en toetst het onderzoek? ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Mag het onderzoek openbaar worden gemaakt of gepubliceerd worden (geheimhouding)? ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Moet de onderzoeker zijn resultaten rechtstreeks aan overheidsinstanties verstrekken of doet de opdrachtgever dat?

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Mag het rapport worden verstrekt aan archiefinstellingen (bijvoorbeeld de bibliotheek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Koninklijke Bibliotheek)? ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Wie heeft de publicatierechten van het rapport? ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Het Plan van Onderzoek (PvO) omvat twee delen. Het eerste deel (A) bestaat uit een aantal administratieve gegevens, het tweede deel (B) vormt een specificatie van de onderzoeksvraag.

Specificatie en definiëring van de onderzoeksvraag

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Wat is het doel van het onderzoek? Staat het onderzoek ten dienste van de planvorming en de aanvraag van een vergunning? --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Wat is de gewenste diepgang van het bouwhistorisch onderzoek, afgestemd op de onderzoeksvraag (ensemble, gebouw, cluster, ruimte, element of component) en op de eisen van overheidsinstanties? Kan een bepaalde onderzoeksvraag los van de context worden beantwoord of niet? Voor een detailvraag kan het soms noodzakelijk zijn om toch het gehele object te onderzoeken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Is een waardestelling wenselijk? Zo ja, dan moet men van tevoren het beschouwingsniveau en de diepgang helder vaststellen.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Zijn er andere disciplines bij het onderzoek nodig: architectuur- en/of kunsthistorici, dendrochronologen, interieurhistorici, kleuronderzoekers, onderzoekers van stedenbouwgeschiedenis, historisch-geografen, tuinhistorici? Is er specialistisch onderzoek nodig naar de (oorspronkelijke) functie van het object en naar de achtergronden of omstandigheden van voormalige eigenaars en bewoners? --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Welke bronnen moeten onderzocht worden: omgeving, terrein, gebouw, literatuur, archieven? Of oral history door interviews met oud-bewoners, beheerders en eerder betrokken architecten of aannemers? --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Moeten er opmetingen en/of documentatietekeningen worden gemaakt? Zo ja, welke schaal moet worden gehanteerd?

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Hoe moeten de resultaten van het onderzoek worden vastgelegd en aangeleverd? --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Welke afbeeldingen zijn minimaal noodzakelijk of wenselijk; foto’s van de bestaande toestand, historische foto’s en tekeningen (houdt rekening met levertijden van archieven), bouwtekeningen, recente opmetingstekeningen? Moeten er faserings- en/of reconstructietekeningen worden gemaakt? --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Wordt het onderzoek in één of meerdere fasen uitgevoerd? Moeten er op verschillende momenten rapporten of conceptrapporten worden aangeleverd? --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Welke mogelijkheden zijn er voor nader onderzoek op verzoek van de vergunningverlenende instantie, indien er naar aanleiding van de ingediende plannen

gedetailleerde vragen opgeroepen worden? Wordt dit een stelpost in het huidige PvO, of komt daar een aanvullend PvO voor? --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Is er tijdens de uitvoering van herstel- of wijzigingswerkzaamheden gelegenheid om nog nader onderzoek of documentatie te verrichten? Zo ja, voor wiens rekening? --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Moet het onderzoek worden uitgewerkt tot een wetenschappelijke publicatie? Welke eisen worden aan de wetenschappelijke publicatie gesteld en waar moet deze gepubliceerd worden? Wie draagt de kosten voor een publicatie in die vorm? ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

6

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

7

3 - Inbedding van bouwhistorisch onderzoek in het bouwproces

2 - Bouwhistorisch onderzoek

opnames kunnen ook een hulpmiddel zijn om een

Bij het veranderen van een gebouw of complex van

Men moet daarvoor kennis hebben van de bouw-,

object (cultuurhistorisch) verantwoord te beheren.

gebouwen is het van belang om zorgvuldig rekening

verbouwings- en gebruiksgeschiedenis. Aan de hand

Er zijn drie vormen van bouwhistorisch onderzoek:

De diepgang van een bouwhistorische opname hangt

te houden met cultuurhistorische waarden, zowel

daarvan is te begrijpen hoe het gebouw of complex

bouwhistorische inventarisatie, bouwhistorische

af van de wensen en eisen van de opdrachtgever en

vanuit het perspectief van de eigenaar als de overheid.

van gebouwen tot stand is gekomen, en kan tevens

opname en bouwhistorische ontleding. Het Plan van

de overheid, zoals die in het PvO zijn geformuleerd.

Ook bij dagelijks beheer en onderhoud is het van

vastgesteld worden welke cultuurhistorische waarden

Onderzoek (PvO) geeft voor elke vorm de mate van

Een bouwhistorische opname op hoofdlijnen wordt

belang om de cultuurhistorische waarden te kennen.

daarin aanwezig zijn. Bij beschermde monumenten is

diepgang, breedte en uitwerking aan.

ook wel een ‘bouwhistorische verkenning’ of ‘quick

Deze kunnen dan samen met andere waarden, zoals

weliswaar van overheidswege al vastgesteld dat ze cul-

scan’ genoemd.

vastgoedeconomische- en gebruiksoverwegingen,

tuurhistorische waarden hebben, echter dat betekent

leiden tot afgewogen en integrale besluitvorming.

meestal niet dat alle waarden ook in beeld zijn.

2.2 - Vormen van bouwhistorisch onderzoek

Bouwhistorische inventarisatie Bij een bouwhistorische inventarisatie classificeert

Bouwhistorische ontleding

de bouwhistoricus de structuren en de bebouwing

Bij een bouwhistorische ontleding levert de bouw-

Hoe valt de cultuurhistorische waarde van een wille-

deringen, en liefst ook bij dagelijks beheer en onder-

van een gebied of beheerportefeuille (een verzame-

historicus een gedetailleerde documentatie van een

keurig gebouw of complex van gebouwen te bepalen?

houd, aangetoond moeten worden dat er zorgvuldig

ling gebouwen op meerdere locaties, van één of meer

bouwwerk of object. Om dit te kunnen doen, moet de

Wat moet een individuele eigenaar doen om dat te

met monumentwaarden wordt omgegaan.

eigenaars) aan de hand van geconstateerde of vermoe-

bouwhistoricus vaak later aangebrachte interieur-

weten te komen?

delijke monumentwaarden. Gewoonlijk beperkt een

afwerkingen (gedeeltelijk) verwijderen: voorzetwanden,

bouwhistorische inventarisatie zich tot een beoorde-

pleisterlagen of verlaagde plafonds. Het is een stan-

ling van de objecten vanaf de buitenzijde. De onder-

daardprocedure om bij deze ontmanteling eerst een

zoeker kan dan een uitspraak doen in termen van

waardestelling te maken van de interieurafwerkingen

mogelijke, vermoede of zekere monumentwaarden.

die moeten worden verwijderd.

Indien hij de objecten ook van binnen kan bezoeken,

Essentiële onderdelen van een bouwhistorische ont-

krijgt de bouwhistorische inventarisatie de vorm van

leding zijn gedetailleerde opmetingen, fotodocumen-

een aantal lichte bouwhistorische opnames.

tatie, faseringstekeningen en reconstructietekeningen

De resultaten van een bouwhistorische inventarisatie

per bouwfase. Bij de meeste bouwhistorische ontle-

zijn bruikbaar voor het opstellen van (bouw- of cul-

dingen komen ook specialistische onderzoekingen aan

tuurhistorische) waarden- of verwachtingenkaarten,

de orde: dendrochronologisch onderzoek, materiaal-

voor het ontwikkelen van ruimtelijk beleid of bestem-

technisch onderzoek, interieurhistorisch onderzoek

mingsplannen, of voor het opstellen of herzien van

en kleuronderzoek.

een monumentenlijst.

Een bouwhistorische ontleding kan leiden tot

Bouwhistorische inventarisaties maken vaak deel uit

gedetailleerde waardestellingen ten behoeve van

van een breder opgezet en multidisciplinair onder-

een restauratie of verbouwing. Een bouwhistorische

zoek naar de ruimtelijke opbouw van een gebied,

ontleding kan van toepassing zijn op volledige bouw-

waarbij men bijvoorbeeld ook de archeologische en

werken, maar ook op kleinere eenheden, zoals één

landschappelijke waarden in beeld brengt.

wand of plafond. We spreken dan meestal van een

Ook bij beschermde monumenten zal er bij veran-

Opdrachtgever

Gebruik en Beheer

Inventarisatie vraag, bepaling scope, Plan van Onderzoek (PvO), aanvraag offerte, aanbesteding, opdrachtverlening.

Uitvoerder van (bouw)historisch onderzoek

INITIATIEF Offerte op basis van het PvO en plan van aanpak van het onderzoek. Uitvoering van het onderzoek.

B O U W - of G E B I E D S O N T W I K K E L I N G S P R O J E C T

Resultaten worden gebruikt bij programma van eisen (voor het gebied of voor de bouw).

Verdere inbedding van resultaten in ontwerpproces en vooroverleg toezichthouder(s).

DEFINITIE

ONTWERP

Presentatie van de onderzoeksresultaten (overdrachtsprotocol).

Advisering.

Gebruik en Beheer

Aanvraag vergunning en vergunningsprocedures.

Aandacht voor vondsten tijdens de uitvoering.

Beschikbaar stellen van resultaten van het onderzoek en informatie over de besluitvorming tijdens het proces (kennisoverdracht).

UITWERKING

UITVOERING

NAZORG

Documentatie tijdens uitvoering, en eventueel aangepaste waardestelling n.a.v. nieuwe vondsten.

Evaluatie van de nieuwe situatie, aanbevelingen voor beheer, publicatie.

‘deelontleding’. Bouwhistorische opname Bij een bouwhistorische opname onderzoekt de bouwhistoricus de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een object (de gebouwde structuur) en brengt hij in kaart welke elementen uit de verschillende bouwfasen het object nu nog bevat. Op basis hiervan bepaalt hij een waardestelling, die weer kan dienen als uitgangspunt en toetsingskader voor restauratie, verbouwing of herbestemming. Bouwhistorische 8

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

9

3 - Inbedding van bouwhistorisch onderzoek in het bouwproces

Bouwhistorisch onderzoek zal daarom altijd in een

productomschrijving zijn, of een uitvoerige notitie.

zo vroeg mogelijk stadium plaats moeten vinden,

Indien de gemeente geen uitgeschreven criteria voor

voordat er sprake is van het ontwikkelen van plan-

een bouwhistorisch onderzoek hanteert kan het nut-

nen. In het schema op pagina 9 is aangegeven hoe

tig zijn om het PvO eerst nog voor te leggen aan de

bouwhistorisch onderzoek ingebed kan worden in

beoordelingsinstanties. Nadat het PvO is vastgesteld,

een proces van beheer, onderhoud en verandering.

de offerte is aangevraagd en de opdracht is verleend, begint het eigenlijke bouwhistorische onderzoek:

Sommige gemeenten eisen een bouwhistorisch

de uitvoering en de rapportage. Dit wordt nader

onderzoek bij een aanvraag voor wijziging van een

omschreven in hoofdstuk 4.

beschermd monument (monumentenvergunning)

Als de monumentwaarden eenmaal voldoende

en soms ook bij bouwaanvragen in een beschermd

bekend zijn, kan een ontwerpplan worden gemaakt

stads- of dorpsgezicht. Het rapport van het bouwhis-

en, indien noodzakelijk, een monumenten- en/of

torisch onderzoek dient dan als toetsingskader voor

een bouwvergunning worden aangevraagd.

de beoordeling van het plan door de welstands- en/of monumentencommissie, de gemeente, de Provincie

Vervolgens wordt het plan getoetst door de eerder

en/of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

genoemde overheidsinstanties, waarbij het onder-

Voor een goede afstemming is contact met de gemeente

zoek en de waardestelling als toetsingskader wordt

in een vroegtijdig stadium van het onderzoek

gebruikt. Het is daarom van wezenlijk belang dat het

essentieel.

bouwhistorisch rapport en de waardestelling objectief, verifieerbaar en toetsbaar zijn. Bij twijfel aan de

Bouwhistorisch onderzoek dient afgestemd te wor-

kwaliteit kan de gemeente het rapport afwijzen en een

den op de fasering van het bouw- of gebiedsontwik-

nieuw onderzoek eisen. Als het rapport aan alle eisen

kelingsproject. Als er voor het object van onderzoek

voldoet en als het ontwerp goed is afgestemd op de

een bouw- of restauratieplan in voorbereiding is,

resultaten van het bouwhistorisch onderzoek, zal de

moet een eerste bouwhistorisch onderzoek altijd zo

planbeoordeling over het algemeen vlot verlopen, wat

vroeg mogelijk plaatsvinden. Dan kunnen de onder-

veel tijdwinst oplevert. Veel gemeenten accepteren

zoeksresultaten en de waardestelling een rol spelen

een schetsontwerp om een bouw- of restauratieplan

als referentiepunt en inspiratiebron bij de planont-

al vroegtijdig te toetsen.

wikkeling. Als men op die wijze de resultaten van het onderzoek goed in het ontwerp verwerkt, zullen er

Als er in die fase wordt vastgesteld dat het ontwerp

meestal geen bijstellingen van het plan nodig zijn.

op gespannen voet staat met de monumentwaarden die in de waardestelling zijn aangegeven, kan nader

10

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

10

Voor de uitvoering van bouwhistorisch onderzoek

onderzoek gevraagd worden. Dat is bijvoorbeeld het

kan men een beroep doen op gespecialiseerde onder-

geval als een nieuwe trap gepland staat en daarom de

zoekers of bureaus. Zij moeten de opdracht onafhan-

oorspronkelijke balklaag doorsneden moet worden.

kelijk en objectief kunnen uitvoeren en mogen dus

Dan kan nader onderzoek nodig zijn. In het voor-

geen rol hebben in de totstandkoming of toetsing

beeld van deze trap moet men misschien kijkgaten in

van het ontwerp voor een beoogde verbouwing of

verlaagde plafonds maken. Pas dan kan de onderzoe-

wijziging. Voor een goede opdrachtomschrijving en

ker vastleggen hoe gaaf en compleet de betreffende

offerteaanvraag maakt de opdrachtgever een Plan

balklaag is, en kan hij zien of er nog decoratieve

van Onderzoek (PvO), waarin het doel, de betrokken

beschilderingen of andere bijzondere afwerkingen

disciplines, de omvang en de diepgang zijn vastgelegd

aanwezig zijn. De omvang van dit soort onderzoek is

(zie hoofdstuk 2.1). Het PvO kan een korte werk- of

moeilijk van tevoren in te schatten. Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

11

3 - Inbedding van bouwhistorisch onderzoek in het bouwproces

4 - Systematisch bouwhistorisch onderzoek

Gewoonlijk verstrekt men dan een aanvullende op-

Tijdens een verbouwing of bij restauratiewerkzaam-

4.1 - Uitvoering

dracht voor een uitbreiding van het bouwhistorisch

heden worden vaak recente voorzetwanden en ver-

onderzoek. Op basis van de resultaten hiervan kan de

laagde plafonds in hun geheel verwijderd. Dan komen

Voor bouwhistorisch onderzoek is het gebouw of het

afhankelijk van het PvO verkennend tot diepgravend

vergunningverlenende instantie een nadere afweging

nog meer gegevens vrij over de bouw- en gebruiks-

complex van gebouwen – met bijbehorende context – de

kan zijn. De onderzoeker verzamelt het relevante

maken tussen de eigenaarsbelangen (het maken van

geschiedenis. In die fase kan de bouwhistoricus alle

primaire bron van gegevens. Dit noemen we de eerste

(historisch) kaartmateriaal, oude bouw- en verbou-

een trap) en de monumentwaarden (de betekenis van

bouwsporen in het muurwerk traceren, de balklagen

pijler. De onderzoeker legt die gegevens zo goed mo-

wingstekeningen, foto’s en afbeeldingen. Ook zijn

de balklaag).

en kapconstructies opmeten en uittekenen en resten

gelijk vast in woord en beeld. De nadruk ligt daarbij

bestekken, rekeningen en correspondenties dankbare

Eventueel kan de bouwhistoricus na voltooiing van

van oude interieurafwerkingen nader analyseren.

op bouwvorm (bouwmassa), gevels, indeling, con-

gegevensbronnen. Van de meeste oude gebouwen,

zijn onderzoek ook advies over het ontwerp geven

Als er ‘nieuwe’ waarden worden ontdekt, kan de

structies en interieurafwerking. Afhankelijk van de

complexen en gebieden is weinig archiefmateriaal

en meedenken over alternatieve oplossingen. Zulke

bouwhistoricus aan de bouwdirectie aanbevelingen

onderzoeksvraag kan de onderzoeker afwerkingen of

meer voorhanden. Uitzonderingen hierop zijn

adviezen maken géén deel uit van het eigenlijke

doen over de precieze uitvoering van de werkzaam-

elementen verwijderen om onderliggende onderdelen

kastelen, landhuizen, grote patriciërswoningen en

bouwhistorisch onderzoek maar zijn onderdeel van

heden of over eventuele planwijzigingen. Direct en

te kunnen bestuderen en documenteren (natuurlijk

(semi)overheidsgebouwen.

een overdrachtsprotocol.

regelmatig contact tussen de opdrachtgever, de archi-

zonder cultuurhistorische waarden aan te tasten). De

Uit de 19de en vooral 20ste eeuw zijn veel archieven

tect en de bouwhistoricus is in deze fase van wezenlijk

onderzoeker let op onregelmatigheden, sporen van

bewaard gebleven, zodat archiefonderzoek voor die

belang.

wijzigingen (bouwsporen), hij let op details van het

periode vaak meer resultaten oplevert. Archief-

De bouwhistoricus heeft hier nog een andere belang-

materiaalgebruik en op sporen van bewerkingen op

onderzoek neemt daarom een belangrijker plaats in

rijke taak. Als er door de werkzaamheden

materialen.

naarmate het object van onderzoek jonger is. Ook

materiaal met historische waarden vrijkomt, is het

Op dezelfde manier neemt hij de context onder de

als een gebouw, complex of gebied nog niet zo lang

van belang om dit veilig te stellen, te archiveren en er

loep. Ook hier let hij op onregelmatigheden, onder

geleden gerestaureerd of verbouwd is, zijn er meestal

materiaalmonsters van te nemen voor nader,

andere in parcellering, verkaveling en aanleg.

archieven aanwezig.

De tweede pijler van bouwhistorisch onderzoek is doelgericht archief- en literatuuronderzoek, dat

specialistisch onderzoek. De bouwhistoricus doet het onderzoek en de documentatie in deze fase vaak in opdracht van de overheid. Soms is dit ook als voorwaarde gesteld bij de verstrekking van (restauratie) subsidies. Steeds meer particuliere opdrachtgevers vinden onderzoek in deze fase ook belangrijk, niet alleen uit historische interesse maar ook om bij de uitvoering van de werkzaamheden van alle beschikbare gegevens gebruik te kunnen maken. Na de afronding van een verbouwing of herinrichting volgt de fase van nazorg. Deze fase kan in het oorspronkelijke PvO zijn voorzien of er wordt een apart PvO voor opgesteld. De bouwhistoricus kan dan adviezen geven om de monumentwaarden in het gebouw zo goed mogelijk te beheren. Eventueel doet hij daarbij een beroep op andere specialisten. Verder ligt het voor de hand om een nieuwe waardestelling te maken, omdat de eerdere waardestelling na de werkzaamheden niet meer actueel hoeft te zijn (evaluatie).

12

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

13

4 - Systematisch bouwhistorisch onderzoek

4 - Systematisch bouwhistorisch onderzoek

Uit vergelijking van bevindingen aan het object zelf

4.2 - Methodologie

met uitkomsten van het archiefonderzoek blijkt in

Elk bouwhistorisch onderzoek begint met een pre-

Interpretaties krijgen meer gewicht naarmate de

sentatie van de feitelijke gegevens. Een belangrijk deel

onderzoeker meer informatie uit eerder of ander on-

welke mate die met elkaar overeenstemmen of ver-

De bruikbaarheid van een bouwhistorisch rapport is

van deze gegevens zijn waarnemingen in het object

derzoek gebruikt – denk aan typologisch onderzoek

schillen. Dit kan interessante constateringen opleveren

ten eerste afhankelijk van de kwaliteit van het on-

van onderzoek zelf. Andere gegevens bestaan uit

en onderzoek van soortgelijke objecten in dezelfde

over wat er werkelijk gebeurd is en wat men erover

derzoek, en daarnaast van een goede en herkenbare

kaartmateriaal, (bouw)tekeningen, oude foto’s, prenten,

context of regio. Interpretaties moeten zo duidelijk

heeft vastgelegd.

opbouw van het rapport. Feitelijke gegevens, interpre-

beschrijvingen en correspondentie. De laatstge-

mogelijk gebaseerd zijn op gegevens, zodat anderen

taties en waardestellingen dienen in woord en beeld

noemde gegevens zijn niet per definitie betrouwbaar:

de gedachtegang kunnen volgen.

Een derde pijler van het object van onderzoek bestaat

scherp van elkaar onderscheiden te worden. Dan

plannen kunnen nog zijn veranderd, beschrijvingen

uit het maken van vergelijkingen met soortgelijke ge-

kunnen anderen het onderzoek verifiëren, toetsen en

dienden wellicht een ander doel en foto’s kunnen

Uit het overzicht van de bouwgeschiedenis en de

bouwen, complexen of gebieden. Dit kan bijvoorbeeld

eventueel nog eens overdoen (reproduceren).

ingekleurd of bijgewerkt zijn. Alle gegevens worden

wijzigingen per periode valt af te leiden welke onder-

ruimtelijke, functionele of bouwkundige aspecten

De inleiding van een rapport van een bouwhistorisch

verwerkt tot geïllustreerde beschrijvingen.

delen en aspecten uit verschillende bouwfasen in het

betreffen, maar ook eigendomssituaties of maatschap-

onderzoek bevat de belangrijkste uitgangspunten uit

Door gegevens uit verschillende bronnen met elkaar

object van onderzoek bewaard zijn gebleven. Dan is in

pelijke omstandigheden.

het PvO: de feitelijke gegevens van het onderzoeks-

te vergelijken kan een bouwhistoricus conclusies

principe ook de relatieve betekenis van deze onderde-

object, de namen van de opdrachtgever en de uitvoe-

trekken over de bouw- en gebruiksgeschiedenis en

len voor het historisch karakter van het totale gebouw

Zonder rapportage is een goede overdracht van

rende onderzoekers, het doel van het onderzoek, de

hiervan een interpretatie geven. Bij complexe gebou-

vast te stellen. Dit werkt door in de waardestelling.

bouwhistorische onderzoeksresultaten onmogelijk en

betrokken onderzoeksdisciplines en de diepgang. Ook

wen is het vaak heel lastig om goed inzicht te geven

gaan gegevens onherroepelijk verloren. In hoofdstuk

de beperkingen waar de onderzoeker op is gestuit

in de bouwgeschiedenis. Goede hulpmiddelen daarbij

4.4 van deze Richtlijnen komen de opzet en structuur

moeten worden vermeld, zoals ontoegankelijke ruim-

zijn faseringsplattegronden en (opengewerkte)

van het rapport nog nader aan de orde. De belangrijkste

ten en niet-ontsloten archieven.

massaschetsen.

onderdelen zijn:

Onderdeel van het overdrachtsprotocol

- een overzicht van de bouw- en gebruiksgeschiedenis;

4

Adviezen over hoe om te gaan met het object van onderzoek, gebaseerd op de cultuurhistorische waardestellingen.

- beschrijvingen van de bestaande situatie; - de waardestelling.

Onderzoeksrapportage

3

Waardestellingen

Uitspraken over waarden van het object van onderzoek, gebaseerd op de interpretaties en gekoppeld aan referenties en vergelijkingen.

Referentieobject(en) en vergelijkingen

2

Interpretaties

Interpretaties zijn gebaseerd op vergelijking en analyse van gegevens in de context van de onderzoeksvraag.

Vakliteratuur, kennis en ervaring

1

Gegevens

Waarneming ter plaatse

Etc.

Waarneming ter plaatse Resultaat van specifiek

onderzoek (destructief Hetof object van niet-destructief) onderzoek als naar bijzonderheid of broneigenaardigheid. van gegevens

Gegevens ontleend aan het object van onderzoek zelf, of aan andere bronnen (bijvoorbeeld archieven).

14

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Adviezen

Informatie Brief over herkomst, Informatie Foto en datering over etc. etc.herkomst, Tekening Informatie en datering over etc. etc.herkomst, Informatie en datering over etc. etc.herkomst en datering etc. etc.

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

15

4 - Systematisch bouwhistorisch onderzoek

4 - Systematisch bouwhistorisch onderzoek

Bewaarde onderdelen en aspecten uit bouwfasen in het

eventuele ontwerpoverwegingen en financiële aspecten.

verleden worden in het algemeen geclassificeerd als

Deze afweging van belangen dient door anderen

hoge, positieve of indifferente monumentwaarden

gedaan te worden. De bouwhistoricus doet daarover

(de waardestelling). Het is niet altijd zo dat geldt: hoe

in zijn rapport geen uitspraak.

ouder de onderdelen en aspecten, hoe hoger de monumentwaarden.

Een waardestelling heeft een beperkte geldigheidsduur. Immers, vergelijkingen met referentieobjecten,

De waardestelling is mede afhankelijk van de gaafheid

vergelijkingen met resultaten uit eerder onderzoek,

(authenticiteit) en de zeldzaamheid, gerelateerd aan

en maatschappelijke ontwikkelingen beïnvloeden de

andere objecten met dezelfde of soortgelijke waarden.

waardestelling. Hoe meer bouwhistorische onder-

Ook op die punten moet de waardestelling geverifi-

zoeken worden gepubliceerd, des te meer referentie-

eerd kunnen worden. Er moeten daarom definities

objecten er zijn en des te meer vergelijkingen er

opgenomen zijn van:

gemaakt kunnen worden. Daarnaast vindt er ook

- de referentiebasis: contextueel of alleen

ontwikkeling plaats binnen het vakgebied, waardoor

binnen het gebouw (intern); - de gezichtspunten en de beschouwingsniveaus: van globaal tot gedetailleerd;

eerder toegekende waarden soms anders gewogen worden. Dat zien we bijvoorbeeld in de toegenomen interesse voor de stedenbouw en de bebouwing uit de

- de vergelijkingsniveaus: algemene historie, ensemble,

Wederopbouw (1945-1965). Als een bouwhistoricus

architectuurhistorie, bouwhistorie, gebruikshistorie,

waardestellingen uit eerder onderzoek bij zijn onder-

enzovoort.

zoek betrekt, moet hij daarom kritisch controleren of de gebruikte referenties en vergelijkingen nog relevant

De waardestelling is in het rapport een apart hoofd-

zijn. De bouwhistoricus kan zijn waardestelling alleen

stuk. De tekst van de waardestelling maakt op een

maar baseren op de bestaande situatie. De waarde van

duidelijke manier gebruik van de interpretaties en de

verdwenen onderdelen of verdwenen gebouwen kan

gegevens.

namelijk op geen enkele wijze getoetst of geverifieerd worden.

Bij een gebouw dat nog in gebruik is, heeft de bouwhistoricus misschien niet alles uitputtend kunnen

Referentiebasis

onderzoeken. Dan kan hij in het rapport of in een

Men kan de referenties voor een waardestelling buiten

aanvullend overdrachtsprotocol aanbevelingen doen

het object of gebied zoeken (we noemen dat de ‘con-

voor nader onderzoek. Het overdrachtsprotocol kan

textuele waardestelling’), of alleen binnen het object

ook adviezen bevatten over de beste inbedding van

of gebied (de ‘interne waardestelling’). Deze keuze

monumentwaarden in een verbouwings- of restaura-

moet vastliggen in het PvO en in de opdracht.

tieplan. Bij een contextuele waardestelling vergelijkt de bouw4.3 - Waardestelling

historicus de cultuurhistorische waarden van een bouwwerk of structuur met soortgelijke gebouwen

16

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Het is van wezenlijk belang dat de waardestelling on-

op landelijk, regionaal of plaatselijk niveau. Zo zal hij

afhankelijk en objectief is, dus toetsbaar, verifieerbaar

een schoolgebouw uit het Interbellum (1918-1940)

en reproduceerbaar. ‘Onafhankelijk’ wil in dit verband

vergelijken met andere schoolgebouwen uit dezelfde

zeggen dat de bouwhistoricus zijn waardestelling

periode, uiteraard rekening houdend met de lokale

alleen op de cultuurhistorische waarden baseert, los

context en de omstandigheden. Voor beschermde

van de bouwtechnische toestand, gebruikersbelangen,

monumenten heeft al een contextuele waardestelling Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

17

4 - Systematisch bouwhistorisch onderzoek

4 - Systematisch bouwhistorisch onderzoek

plaatsgevonden. De objecten danken immers hun

Belangrijke aspecten van een interne waardestelling:

Beschouwingsniveau

Er dient daarom één samenhangende waardestelling

plaats op de lijsten van beschermde monumenten

- de context: de stedenbouwkundige, of landschap-

Bij elk onderzoek moet men in het PvO en de op-

vastgesteld te worden, een overkoepelende ‘cultuur-

dracht goed vastleggen op welk beschouwingsniveau

historische waardestelling’. Dit is de resultante van

de waardestelling moet worden uitgevoerd:

meerdere ‘deelwaardestellingen’, die afhankelijk van de

- het gebied (en de context);

aard van het onderzoeksobject en de onderzoeksvraag

- het ensemble van gebouwen, het gebouw, het cluster

per stuk meer of minder gewicht krijgen.

aan eerder verrichte inventarisaties, eventueel nader

pelijke situering;

onderzoek, een selectie (weging van de waarden) en

- het exterieur: de bouwmassa, de kapvormen

een plaatsingsbesluit (redengevende omschrijving).

en de gevels;

Bij deze beschermde monumenten is een verificatie

- de constructies;

van de contextuele waardestelling mogelijk. Let wel,

- het interieur per bouwlaag: de indeling, de bouw-

De meest gebruikte ‘deelwaarden’ zijn:

(samenhangende reeks ruimten);

de uitkomst van de waardestelling verandert de juridi-

kundige elementen (trappen, schouwen, deuren etc.)

- de ruimten zelf;

- algemene historische waarden;

sche status van bescherming niet.

en de interieurafwerking;

- de elementen (onderdelen van constructie);

- ensemblewaarden of stedenbouwkundige waarden;

- de componenten (details).

- architectuurhistorische waarden;

- andere historische aspecten. Bij een interne waardestelling bepaalt de bouwhisto-

- bouwhistorische waarden;

ricus het relatieve belang van onderdelen en aspecten

Gezichtspunten en vergelijkingsniveaus

van een bouwwerk of structuur door ze te benoemen

Meestal vindt bouwhistorisch onderzoek in een

als hoge, positieve of indifferente monumentwaarden.

breder kader plaats waarin men ook cultuurhistori-

Elk van deze deelwaarden wordt getoetst aan de hand

Hij vergelijkt deze dan vooral binnen de context van

sche, stedenbouwkundige en architectuurhistorische

van de criteria gaafheid (authenticiteit) en zeldzaam-

het object van onderzoek.

aspecten beschouwt. In theorie kan men vanuit elke

heid.

- waarden vanuit de gebruikshistorie.

historische discipline een zelfstandige waardestelling geven. In de praktijk levert dat geen bruikbaar resul-

Status van de waardestelling

taat op, want deze waarden zijn soms complementair

Een (cultuurhistorische) waardestelling is geen dic-

en soms staan ze zelfs haaks op elkaar. De bronnen

taat. Naarmate cultuurhistorische waarden hoger zijn,

van de waardestellingen zijn namelijk ook uiteen-

zal men wél met meer kracht van argument – mede

lopend: voor de bouwhistoricus is het in de eerste

vanuit andere overwegingen – moeten verdedigen

plaats de fysieke verschijning, voor de historicus zit

dat men ze wil aantasten.

de waarde vaak in een historische gebeurtenis die zich op die plaats heeft voltrokken, of in de specifieke bewonings- of gebruiksgeschiedenis.

G F E D

G

H

Beschouwingsniveau Beschouwingsniveau Beschouwingsniveau

F

C

E

H

D

Gebied Gebied Gebied Ensemble Ensemble Ensemble / /gebouw /gebouw gebouw Cluster Cluster Cluster Ruimte Ruimte Ruimte Element Element Element Component Component Component

C

B B A

L

K

L

I

N

N

0

0

10m

10m

XII XIII XIV XV XVI XVII XVIII XIX 1824-1830 1844-1847 XX

gracht

18

K

I

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

XII XIII XIV XV XVI XVII XVIII XIX 1824-1830 1844-1847 XX

gracht

A: Keyzerryk B: De Ster C: Leeuwensteyn D: Nyenborch E: De Gulden Arent A: Keyzerryk F: Klein Lichtenberch Groot Lichtenberch B: DeG:Ster H: Hasenbergh C: Leeuwensteyn I: Broodbrug K: Loghenbrug D: Nyenborch L: Stadhuisbrug

E: De Gulden Arent Tekening: H.Hundertmark. F: Klein Lichtenberch G: Groot Lichtenberch H: Hasenbergh I: Broodbrug K: Loghenbrug L: Stadhuisbrug

Cultuurhistorische Cultuurhistorische Cultuurhistorische waardestelling waardestelling waardestelling Algemene historische Algemene Algemene historische historische waarden waarden waarden

Ensemblewaarden Ensemblewaarden Ensemblewaarden

Architectuurhistorische Architectuurhistorische Architectuurhistorische waarden waarden waarden

Bouwhistorische Bouwhistorische Bouwhistorische waarden waarden waarden

Waarden Waarden Waarden vanuit vanuit vanuit de de de gebruikshistorie gebruikshistorie gebruikshistorie

Contextueel Contextueel Contextueel - Gaafheid - -Gaafheid Gaafheid RE RR F EE FF R EE E RR N EE T NN ITETI EI E - Zeldzaamheid - -Zeldzaamheid Zeldzaamheid Intern Intern Intern

Contextueel Contextueel Contextueel - Gaafheid - -Gaafheid Gaafheid RE RR F EE FF R EE E RR N EE T NN ITETI EI E - Zeldzaamheid - -Zeldzaamheid Zeldzaamheid Intern Intern Intern

Contextueel Contextueel Contextueel - Gaafheid - -Gaafheid Gaafheid RE RR F EE FF R EE E RR N EE T NN ITETI EI E - Zeldzaamheid - -Zeldzaamheid Zeldzaamheid Intern Intern Intern

Contextueel Contextueel Contextueel - Gaafheid - -Gaafheid Gaafheid RE RR F EE FF R EE E RR N EE T NN ITETI EI E - Zeldzaamheid - -Zeldzaamheid Zeldzaamheid Intern Intern Intern

Contextueel Contextueel Contextueel - Gaafheid - -Gaafheid Gaafheid RE RR F EE FF R EE E RR N EE T NN ITETI EI E - Zeldzaamheid - -Zeldzaamheid Zeldzaamheid Intern Intern Intern

Tekening: H.Hundertmark.

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

19

4 - Systematisch bouwhistorisch onderzoek

4 - Systematisch bouwhistorisch onderzoek

Voor een vijftal deelwaardestellingen zijn de belangrijkste aandachtspunten in onderstaande tabel nader

Waardestellingsrepresentatietekeningen

relaties tussen ruimten aangeven. Het lastigst is het

uitgewerkt tot een praktisch handvat:

Omdat alleen de tekst van een waardestelling vaak

om op de tekening de ‘immateriële waarden’ of herin-

onvoldoende handvatten geeft om concrete bouw- en

neringswaarden aan te geven. Mede daarom moeten

restauratieplannen te beoordelen, geeft de bouwhisto-

de waardestellingsrepresentatietekeningen en hun

ricus de waarden van de ruimtelijke structuur, de ge-

legenda’s steeds naar de tekst verwijzen.

Algemene historische waarden (gerelateerd aan maatschappelijke ontwikkelingen)

vels, constructies en indeling met kleur aan op recente (opmetings)plattegronden of schetsen.

-

Belang van het object/complex als uitdrukking van (een) culturele, sociaal-economische en/of geestelijke ontwikkeling(en); Belang van het object/complex als uitdrukking van (een) geografische, landschappelijke en/of bestuurlijke ontwikkeling(en); Belang van het object/complex als uitdrukking van (een) technische en/of typologische ontwikkeling(en); Belang van het object/complex wegens innovatieve waarde of pionierskarakter.

Ensemblewaarden (samenhang) en stedenbouwkundige waarden -

Belang van het object/complex als essentieel onderdeel van een groter geheel dat cultuurhistorisch, architectuurhistorisch en stedenbouwkundig van (inter)nationale betekenis is; Belang van het object/complex wegens de situering, verbonden met de ontwikkeling/uitbreiding van een streek, stad of wijk; Belang van het object/complex wegens de wijze van verkaveling/inrichting/voorzieningen; Belang van het object/complex voor het aanzien van een streek, stad, dorp of wijk; Belang van het object/complex wegens de hoge kwaliteit van de bebouwing en de historisch- ruimtelijke relatie met groenvoorzieningen, wegen, wateren en/of de bodemgesteldheid.

4.4 - Rapportage - blauw: hoge monumentwaarden, deze zijn van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis

Het rapport van een bouwhistorisch onderzoek bevat

van het object of gebied.

tenminste tekst, één of meer plattegronden, schetsen

- groen: positieve monumentwaarden, deze zijn van

en foto’s. Daarnaast kan de bouwhistoricus kaarten

belang voor de structuur en/of de betekenis van het

tekenen (zeker bij bouwhistorische inventarisaties)

object of gebied.

en opmetings- en reconstructietekeningen maken (bij

- geel: indifferente monumentwaarden, deze zijn

bouwhistorische ontledingen). Steeds moet er helder

van relatief weinig belang voor de structuur en/of

onderscheid zijn tussen gegevens, interpretaties en

de betekenis van het object of gebied.

waardestellingen. De omvang, de opzet en de precieze uitvoering van het rapport zijn sterk afhankelijk van

Desgewenst kan men met symbolen ook nog de

de onderzoeksvraag, zoals geformuleerd in het Plan

waarde van de interieurafwerking en de eventuele

van Onderzoek (PvO).

Architectuurhistorische waarden -

Belang van het object/complex voor de geschiedenis van de architectuur; Belang van het object/complex voor het oeuvre van een bouwmeester of architect; Belang van het object/complex wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp; Belang van het object/complex wegens de ornamentiek; Belang van het object/complex wegens de interieurafwerking (in samenhang met het exterieur).

Waardestelling op hoofdlijnen, geprojecteerd over een bestaande plattegrondtekening. Deze waardestelling kan niet zonder de bijbehorende tekst worden gebruikt. hoge monumentwaarden positieve monumentwaarden indifferente monumentwaarden

Bouwhistorische waarden -

Belang van het object/complex voor de geschiedenis van de bouwtechniek; Belang van het object/complex vanwege de afleesbaarheid van de bouwgeschiedenis (historische gelaagdheid); Belang van het object/complex wegens het materiaalgebruik.

monumentwaarden van plafond, zoldering of kap (3 categorieën) interieuraspecten (3 categorieën)

Waarden vanuit de gebruikshistorie (gerelateerd aan het object van onderzoek) -

Belang vanwege de ordening, samenhang of inrichting van gebouwen of ruimten, passend bij een (historische) functie, gebruik of productie in het object/complex; Belang vanwege een (historische) functie, gebruik of productie in het object/complex; Belang van het object/complex als herinnering aan een historische gebeurtenis of prominente bewoner/gebruiker/ opdrachtgever.

Elk van deze deelwaarden wordt getoetst aan de hand van de criteria gaafheid (authenticiteit) en zeldzaamheid.

20

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

21

Waardestelling op hoofdlijnen, geprojecteerd over een bestaande plattegrondteken

4 - Systematisch bouwhistorisch onderzoek

4.5 - Presentatie

4.6 - Toegankelijkheid van resultaten

Meestal is het rapport de afronding van het bouw-

Bouwhistorisch onderzoek kan verricht worden naar

historisch onderzoek. Om ervoor te zorgen dat de

allerlei soorten gebouwen, dus ook gevangenissen,

cultuurhistorische waarden van het object zo goed

musea of overheidsgebouwen. Om redenen van vei-

mogelijk worden meegewogen bij het voorgenomen

ligheid of privacy kan de opdrachtgever de versprei-

restauratie- of verbouwingsplan, valt aan te raden om

ding van het rapport beperken tot enkele instanties en

de resultaten van het onderzoek en de waardestelling

personen. Eventueel kan men dan het rapport onder

aan de opdrachtgever te presenteren. Daarbij kan het

voorwaarden aan een archief of bibliotheek verstrekken.

nuttig zijn om ook andere partijen bij zo’n presentatie uit te nodigen, zoals vertegenwoordigers van de over-

Het is wenselijk dat men bouwhistorische rapporten

heden die de plannen moeten beoordelen.

via openbare archieven, bibliotheken of internet kan raadplegen. Dit voorkomt dubbel onderzoek en het

22

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Ook kan een overdrachtsprotocol worden gemaakt.

waarborgt dat toekomstige eigenaars en/of beheer-

Dat is een apart document, los van het rapport, waarin

ders er gebruik van kunnen maken. Bovendien kun-

adviezen, aanbevelingen en aandachtspunten staan.

nen de resultaten dan een rol spelen bij onderzoeken

Deze kunnen betrekking hebben op de integratie van

door anderen. Het wetenschappelijke belang en de

cultuurhistorische waarden in het ontwerp, nader

eventuele nadere verspreiding van bevindingen zijn

onderzoek tijdens uitvoering, of zorgvuldig beheer en

het beste gediend als de bouwhistoricus zijn rapport

onderhoud van karakteristieke historische elementen.

tot een publicatie uitwerkt.

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

23

4 - Systematisch bouwhistorisch onderzoek

Uit welke componenten bestaat een bouwhistorisch rapport? Als voorbeeld volgt hier een beredeneerde inhoudsopgave van een rapport van een objectgerichte bouwhistorische opname: ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Een inleiding met aanduiding van de betrokken partijen (opdrachtgever, onderzoekers en, indien relevant, de gemeente, de subsidiegever en anderen), de aanleiding en het doel van het onderzoek, een omschrijving van het type onderzoek en de beperkingen van het betreffende onderzoek. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Het adres van het onderzochte object of structuur, de kadastrale aanduiding en eventuele andere aanduidingen. De situering moet duidelijk blijken uit een kaart of deelkaart van recente datum. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Samenvattingen van de bouw- en gebruiksgeschiedenis en de waardestelling.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Een beschrijving van de bouw- en gebruiksgeschiedenis, gebaseerd op het verrichtte (interdisciplinaire) onderzoek. Voorzover mogelijk en relevant vindt de lezer hier ook de gegevens over de locatie (de vestigingsomstandigheden, de situering en de samenhang met andere objecten), de maatschappelijke context en de achtergronden van de opdrachtgevers, de eigenaren en de architecten. Afbeeldingen van historisch kaartmateriaal (waaronder historische kadastrale kaarten), verbouwings- en opmetingstekeningen, faseringsplattegronden en oude foto’s zijn hier essentieel. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Een overzichtelijke beschrijving van de belangrijkste onderdelen van een bouwwerk of structuur: de context of situering, de bouwmassa, de structuur, de constructie, het exterieur (gevels en daken) en het interieur (plattegronden, ruimten en interieurafwerking). Bij deze beschrijvingen horen de nodige illustraties: foto’s, opmetingstekeningen, en/of -schetsen.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Een cultuurhistorische waardestelling van het bouwwerk of de structuur als geheel en de (voornaamste) onderdelen ervan, waarin de uitgangspunten voor de waardestelling en de resultaten van het onderzoek zijn verwerkt. Hier moet de formele status van het pand vermeld worden: redengevende omschrijving van het monument, situering in een beschermd stadsgezicht, etc. Deze waardestelling wordt weergeven op de ingekleurde ‘waardestellingsrepresentatietekeningen’. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------o Adviezen voor nader onderzoek. Na een bouwhistorische opname kunnen er bijvoorbeeld nog bouwhistorische ontledingen plaatsvinden (na verwijdering van voorzetwanden en verlaagde plafonds), of nader archiefonderzoek, kleuronderzoek, interieuronderzoek, dendrochronologisch onderzoek of archeologisch onderzoek. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

24

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek

25

5 - Gebruikte termen en illustraties

Bouwhistorie

Gebruiksgeschiedenis

(1) Wetenschappelijke discipline waarvan de beoefe-

Onderzoek naar de chronologie van het gebruik of de

naars de geschiedenis van gebouwen, de praktijk van

bewoning van een gebouw, complex van gebouwen of

het bouwen in het verleden en de ontwikkeling van

gebied, gekoppeld aan de bouwhistorische ontwikke-

materialen en constructies onderzoeken.

ling.

(2) Chronologisch overzicht van de stichting, bouw en verbouwingen van een gebouw of complex van gebouwen. Daarbij is het gebouw of complex van gebouwen – het object van onderzoek – doorgaans de belangrijkste gegevensbron. Bouwhistorisch onderzoek Onderzoek naar de bouw, verbouwings- en gebruiksgeschiedenis van gebouwen, complexen van gebouwen, of gebieden, in hun ruimtelijke samenhang, aan de hand van de vorm, de constructies, de gebruikte materialen en de afwerking. Het onderzoek brengt – onder andere aan de hand van bouwsporen – in kaart hoe de oorspronkelijke situatie was, welke veranderingen er in de loop der tijd zijn aangebracht, en het beschrijft de bestaande situatie als uitkomst van die eerdere processen. Cultureel erfgoed Relicten uit het verleden die nu nog zichtbaar en tastbaar zijn, inclusief de daaraan verbonden gebruiken, verhalen en gewoonten. Cultuurhistorie Het verhaal van alle fenomenen die met de beschavingsgeschiedenis van de mens te maken hebben en niet op natuurlijke wijze zijn ontstaan. In de praktijk

Illustratieverantwoording cover

Haarlem, spiltrap in de kap van de Grote of St.-Bavokerk

pagina 1

Eindhoven, fabrieksterrein Strijp S: ‘Hoge Rug’ (vanaf 1927)

pagina 2

Utrecht, luchtfoto van Domtoren en Oudegracht op 9 juli 1958

pagina 4

Utrecht, Parijs’ behang (ca. 1785), gevonden in een woonhuis

pagina 5

Leens, detail van de gevel van de borg Verhildersum met aanduiding van fasering

pagina 9

Donkerbroek, woningwetwoningen uit 1913/1914

pagina 10

Den Haag, nieuwbouwvleugel van het landhuis Ockenburgh uit 1974

pagina 12

Amsterdam, woonhuis na sloop van de zijgevel

pagina 13

Deventer, ruïne van de Mariakerk (15de eeuw) waarin

pagina 14

Zaltbommel, bouwhistorische documentatie van de stadsmuur

pagina 16

Deventer, Deken Doyshuis (1306), fotogrammetrische opname

pagina 18

Utrecht, faseringsplattegrond van de kelder van het stadhuis

pagina 21

Den Haag, waardestellingsrepresentatietekening van landhuis

pagina 22

Steenwijk, schuur op landgoed de Eese uit 1925

pagina 23

Utrecht, polder Rijnenburg

pagina 24

Tongeren, kleuronderzoek in de St.-Jan de Doperkerk

woningen (17de eeuw) (veldwerk)

Ockenburgh

pagina 25 l Eindhoven, 17de-eeuwse kapconstructie pagina 25 m Deventer, Lange Bisschopstraat pagina 25 r Blokzijl, linksdekkende Oudhollandse pannen pagina 26

Utrecht, Haverstraat

binnen

Utrecht, 17de-eeuwse beschildering op de zijkant van een balk

flap

Maastricht, tegel in een schouw (ca. 1920), zwarte overschildering verwijderd

Fotostrip achterzijde (van boven naar beneden): Voorschoten, landgoed Duivenvoorde Eindhoven, fabrieksterrein Strijp S, ansicht ca. 1928

wordt vaak een smallere definitie van cultuurhisto-

Utrecht, Loeff Berchmakerstraat

rie gehanteerd met de focus op het onroerende deel

Den Haag, nieuwbouwvleugel van het landhuis Ockenburgh uit 1974

van het erfgoed, waarin archeologie (bodemarchief), historische geografie (cultuurlandschap), architectuurgeschiedenis, bouwhistorie en interieurhistorie (gebouwen en complexen) worden betrokken.

Franeker, haardsteen Utrecht, trap uit 1793 Herkomst illustraties: KLM Aerocarto (pagina 2) Hinder en ontklontering, Rotterdam 2003 (pagina 10) Herkomst onbekend (pagina 12) H. Hundertmark (pagina 14 en 18)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=6783039e-220c-4538-b35c-b84bb38cac84