CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Kraanvogelstraat fase 1a_Bijlage 6 Onderzoek flora en fauna

Raad openbaar Wijchen 30 november 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 128696 Beslisnota Bestemmingsplan Kraanvogelstraat fase 1a Wijchen4.198 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN NATUURWETGEVING Wijchen, Kraanvogelstraat 7, 9, 15 en 15 a

QUICKSCAN NATUURWETGEVING Wijchen, Kraanvogelstraat 7, 9, 15 en 15 a

COLOFON Datum: 11 mei 2023 Versie: 1.1-20230511 Status: Concept Door: HSRO Hoogstraat 1 6654 BA Afferden www.hsro.nl info@hsro.nl 0487-542906

INHOUDSOPGAVE

1 INLEIDING................................................................................................................................................................................4 1.1 Aanleiding......................................................................................................................................................................4 1.2 Doel van het onderzoek................................................................................................................................................4 1.3 Leeswijzer......................................................................................................................................................................5 2 WETTELIJK KADER....................................................................................................................................................................6 2.1 Wet natuurbescherming...............................................................................................................................................6 2.2 Zorgplicht ......................................................................................................................................................................6 2.3 Soortenbescherming

....................................................................................................................................................6 2.4 Gebiedenbescherming .................................................................................................................................................6 3 HUIDIGE en Nieuwe SITUATIE..................................................................................................................................................8 3.1 Locatie...........................................................................................................................................................................8 3.2 Huidige situatie..............................................................................................................................................................8 3.3 Nieuwe situatie............................................................................................................................................................12 4 ONDERZOEKSMETHODE........................................................................................................................................................13 4.1 Soortenbescherming...................................................................................................................................................13 4.2

Gebiedsbescherming...................................................................................................................................................13 5 NATUURWAARDEN................................................................................................................................................................14 5.1 Flora.............................................................................................................................................................................14 5.2 Broedvogels.................................................................................................................................................................14 5.3 Zoogdieren...................................................................................................................................................................16 5.4 Amfibieën, reptielen en vissen....................................................................................................................................17 5.5 Overige beschermde soorten .....................................................................................................................................17 6 BEOORDELING SOORTENBESCHERMING..............................................................................................................................19 6.1 Wet

natuurbescherming.............................................................................................................................................19 6.2 Broedvogels.................................................................................................................................................................19 6.3 Uitwerking algemene zorgplicht.................................................................................................................................19 7 BEOORDELING GEBIEDSBESCHERMING................................................................................................................................20 7.2 Wet Natuurbescherming.............................................................................................................................................20 7.2 Natuurnetwerk Nederland..........................................................................................................................................20 8 SAMENVATTING & EINDCONCLUSIE......................................................................................................................................22 8.1 Soortenbescherming...................................................................................................................................................22 8.2 Gebiedsbescherming

..................................................................................................................................................22 8.3 Eindconclusie...............................................................................................................................................................22 8.4 Algemene aanbevelingen............................................................................................................................................22 LITERATUUR.............................................................................................................................................................................23

Versie 1.1-20230511

3

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding De initiatiefnemer heeft het voornemen om de gedeeltelijk leegstaande bedrijfspanden aan Kraanvogelstraat 7, 9, 15 en 15 te slopen en hier woningen te gaan bouwen. De Kraanvogelstraat 7 omvat een buitenopslag, een steenachtige bedrijfsgebouw en een romneyloods. Het steenachtige deel staat gedeeltelijk leeg. De overige delen van het complex zijn net zoals nummer 9 nog in gebruik. Dit gebied (figuur 1.1) is onderdeel van de transformatiezone Kraanvogel in Wijchen. Het is de bedoeling dat hier geleidelijk aan bedrijfsterrein omgezet gaat worden in een woongebied dat qua woningdichtheid aansluit bij de karakteristieken van het centrum van Wijchen. Naar aanleiding van deze ontwikkeling is, in het kader van de Wet natuurbescherming en Natuurnetwerk Nederland, onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de beschermde planten diersoorten en de effecten van het voornemen op beschermde gebieden. Aangezien de geplande werkzaamheden mogelijk invloed kunnen hebben op beschermde soorten en gebieden, is dit onderzoek noodzakelijk om indien nodig een ontheffing en/of vergunning aan te vragen.

Figuur 1.1: Ligging en ruimtelijke context transformatiezone Kraanvogel (aangemerkt als plangebied)

1.2

Doel van het onderzoek Het doel van dit onderzoek is om, door middel van een veldonderzoek en een aanvullend bronnenonderzoek, vast te stellen of er wettelijk beschermde flora- en faunasoorten binnen de planlocatie voorkomen en welke beschermde natuurgebieden in de omgeving van de planlocatie zijn gesitueerd. Vervolgens wordt nagegaan wat de effecten van de voorgenomen plannen hierop zullen zijn en hoe deze effecten zich verhouden tot de (inter-) nationale natuurwetgeving. Indien er beschermde soorten binnen de planlocatie voorkomen, wordt tenslotte geadviseerd op welke wijze hiervoor beschermende maatregelen noodzakelijk zijn en op welke wijze deze kunnen worden gerealiseerd.

Versie 1.1-20230511

4

1.3

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het wettelijke kader van dit onderzoek beschreven. Hierna volgt in hoofdstuk 3 een beschrijving van de onderzoekslocatie en het voornemen. Hoofdstuk 4 beschrijft de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 5 geeft een overzicht van de huidige natuurwaarden aan de hand van veld- en bronnenonderzoek. Hoofdstuk 6 en 7 beoordelen het voornemen aan de uitvoerbaarheid binnen respectievelijk de soorten- en gebiedsbescherming. Hoofdstuk 8 geeft een samenvatting en een eindconclusie.

Figuur 1.1. Impressie opslag in Romneyloods Kraanvogelstraat 7

Figuur 1.2. Gebruik buitenterrein Kraanvogelstraat 7 en 9

Versie 1.1-20230511

5

2

WETTELIJK KADER

2.1

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt daarmee de eerder Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming is gericht op: • het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; • het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waarde-volle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dieren plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

2.2

Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel I). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden.

2.3

Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijf-plaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); • andere soorten (artikel 3.10).

2.4

Gebiedenbescherming Indien een planlocatie in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.

Versie 1.1-20230511

6

2.4.1

Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheer-plan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudings-doelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de Provincie.

2.4.2

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande, te versterken en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Versie 1.1-20230511

7

3

HUIDIGE EN NIEUWE SITUATIE

3.1

Locatie De planlocatie is gelegen op een bedrijventerrein in de bebouwde kom van Wijchen aan de Kraanvogelstraat (figuur 3.1). Het terrein is geheel omgeven door bedrijven. De percelen waar de de beoogde werkzaamheden voorzien zijn staan kadastraal bekend als kadastrale gemeente Wijchen, Sectie I, nummer 1233, 1484, 1485, 1815 en 1863 (figuur 3.2). De oppervlakte bedraagt circa 5037 m2.

Figuur 3.1. Impressie omgeving planlocatie met in het midden de bebouwing langs de Kraanvogelstraat

Figuur 3.2. Uitsnede kadastrale kaart

3.2

Huidige situatie De onderzochte percelen zijn geheel bebouwd en verhard. De bedrijfsgebouwen op nummer 7 en 9 zijn nog gedeeltelijk in bedrijf. Hier zijn een strijkerij, een meubelbedrijf en autobedrijf gevestigd (figuur 3.3). De gebouwen op nummer 15 en 15 a staan sinds een half jaar vrijwel geheel leeg (figuur 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8). Deze gebouwen waren de laatste jaren in gebruik voor opslag en als stalling voor auto's. Een klein deel werd een aantal jaren geleden door een huurder ook een korte periode illegaal als kwekerij gebruikt. Dit wisselende tijdelijke gebruik is ontstaan nadat de vorige gebruikers (Molco en Todo food) hun activiteiten gestaakt hebben.

Versie 1.1-20230511

8

De vastgoed beheerder heeft de laatste jaren wel regulier beheer en onderhoud aan gebouwen en buitenruimte uitgevoerd. Daarnaast was in een beperkt deel van deze gebouwen in de kantoren sprake van anti kraak bewoning.

Figuur 3.3. Autobedrijf Kraanvogelstraat 9 (perceel 1863)

Aan de voorzijde staan in openbaar gebied enkele bomen en zijn kleine grasperkjes aangelegd (figuur 3.4). Deze gronden zijn in eigendom van de gemeente en zijn geen onderdeel van het woningbouwplan en het onderzoek. Het bestaande gras en de bomen blijven volgens de stedenbouwkundige studies gehandhaafd in het nieuwe plan. Ook worden nieuwe bomen toegevoegd.

Figuur 3.4. Bomen en gras in openbaar gebied grenzend aan het onderzoeksgebied.

Versie 1.1-20230511

9

Figuur 3.5. Binnenkant Kraanvogelstraat 15 en 15a

Figuur 3.6. Verharding, lichtmast en gevels achterzijde Kraanvogelstraat 15 en 15 a

Versie 1.1-20230511

10

Figuur 3.7. Verharding, lichtmasten en gevels tussenzone Kraanvogelstraat 9 en 15

Figuur 3.8. Leegstandsbeheer kantoren Kraanvogelstraat 15

Versie 1.1-20230511

11

Figuur 3.9. In gebruik deel Kraanvogelstraat 7

Figuur 3.10. Leegstaande delen Kraanvogelstraat 7

Versie 1.1-20230511

12

3.3

Nieuwe situatie De Gemeente Wijchen heeft in 2020 een visie- en ambitiedocument “Transformatie Kraanvogel” vastgesteld. Het voornemen is om in dit gebied grondgebonden woningen en appartementen te bouwen. Op de nu onderzochte percelen zal het voornamelijk gaan om rijwoningen. Hieronder is een stedenbouwkundige impressie te zien. Het gebied ten zuiden en ten westen zal op termijn ook omgezet worden in woningen en appartementen. Deze zones zijn echter geen onderdeel van het nu onderzochte gebied.

Figuur 3.7. impressie isometrie ontwikkelingsschets

Figuur 3.8. impressie inrichting- en ontwikkelingsschets

Versie 1.1-20230511

13

4

ONDERZOEKSMETHODE

4.1

Soortenbescherming In februari, april en mei 2023 zijn de percelen en de gebouwen onderzocht op het voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Soorten zijn genoteerd aan de hand van zicht- en geluidswaarnemingen. De planlocatie is onderzocht op sporen (wissels, haren, graafsporen, uitwerpselen etc.) om de aanwezigheid niet direct-waargenomen soorten te kunnen vaststellen. Waar tijdens de quickscan vooral naar gezocht is zijn: • Holtes, spleten en scheuren in bebouwingen die door vogels en vleermuizen gebruikt worden; • Mogelijke verblijfplaatsen voor vogels en vleermuizen onder daken of achter gevelbekleding; • Mogelijke verblijfplaatsen en holen van marterachtigen Hiernaast is op basis van de aanwezige biotopen, biotoopkwaliteit en verspreidingsgegevens (zie literatuurlijst) beoordeeld welke beschermde soorten binnen de planlocatie aanwezig kunnen zijn. Tevens is gebruikt gemaakt van de informatie van de Nationale Databank Flora & Fauna Bij elk inventariserend onderzoek (veldonderzoek en de verspreidingsgegevens uit een bronnenonderzoek) zullen, ongeacht de expertise van de uitvoerders, vertegenwoordigers van enkele soortgroepen op de waarnemingslijsten ontbreken.

De intentie van dit type onderzoek ligt echter niet zozeer in de volledigheid aan soorten, maar in de inschatting van het ecologisch potentieel van de onderzoekslocatie en het (mogelijk) voorkomen van beschermde en/of bedreigde soorten.

4.2

Gebiedsbescherming

4.2.1

Wet Natuurbescherming In het kader van de Natuurbeschermingswet is onderzocht of de onderzoekslocatie in of nabij een door de Natuurbeschermingswet beschermd Natura 2000-gebied is gesitueerd. Op basis van ‘expert judgement’ is beoordeeld of het voornemen een significant effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden.

4.2.1

Natuurnetwerk Nederland en Groene Ontwikkelingszone In het kader van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Ontwikkelingszone is onderzocht of de onderzoekslocatie in of nabij een beschermd gebied is gesitueerd. Op basis van ‘expert judgement’ is beoordeeld of door het voornemen de wezenlijke kenmerken en waarden van dit deel van het GNN/GO significant worden aangetast.

Versie 1.1-20230511

14

5

NATUURWAARDEN

5.1

Flora Tijdens de veldbezoeken zijn geen in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten aangetroffen. De planlocatie is momenteel vrijwel geheel verhard en bebouwd. Het betreft een bedrijfsterrein waar op zowel de gebouwen als het grootste buitenterrein voor opslag en stalling gebruikt werd. Bij nummer 7 zijn aan de achterzijde enkele kleine struiken en populieren- en berkenbomen bij de hekken aangetroffen. Op en tussen de verharding groeit her en der gras, zevenblad, jong gewortelde zaailingen van esdoorn en enige paardenbloemen. Op enkele plekken zijn bij nummer 9 en 15 langs de scheidingsmuren met aangrenzende percelen enige Klimop (Hedera Helix) aanwezig (figuur 5.1). Deze Hedera werd en wordt erg kort gehouden en biedt geen nestgelegenheid. Tussen de stenen groeit op enkele plekken ook hier wat gras en een enkele Paardenbloem (Taraxacum Officinale). Aan de voorzijde liggen bij alle panden wat perkjes met gras. Dit gras wordt door de gemeente gemaaid en vrij kort gehouden. Gezien deze situatie en de beschikbare verspreidingsgegevens kan de aanwezigheid van strikt beschermde vaatplanten binnen de planlocatie worden uitgesloten.

Figuur 5.1. Beperkte begroeiing muren en gevels achterzijde Kraanvogelstraat 15 en 15 a

Figuur 5.2. Opschot en begroeiing op verharding achterzijde Kraanvogelstraat 7

Versie 1.1-20230511

15

5.2

Broedvogels In en om de planlocatie zijn tijdens het veldbezoek enkele algemene vogelsoorten waargenomen waaronder huismus, houtduif, koolmees en merel. Volgens de beschikbare verspreidingsgegevens zijn in de directe en verdere omgeving van de planlocatie de volgende vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie in de afgelopen vijf jaar waargenomen: boerenzwaluw, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief. In het plangebied zijn deze soorten en hun nesten echter niet waargenomen. Voor de boomwonende broedvogels als ransuil, boomvalk, buizerd, sperwer, steenuil en wespendief is het plangebied simpelweg niet geschikt door de afwezigheid van groepen bomen. De bestaande bebouwing is onderzocht op het voorkomen van nesten van gebouwbroedende soorten. De gevels bestaan deels uit metselwerk en deels uit plaatmateriaal. Hier zijn geen geschikte openingen en/of sporen als nestmateriaal en/of uitwerpselen gevonden. De begroeiing op het terrein is te gering van omvang en hoogte om nesten te herbergen. De bestaande platte daken zijn ongeschikt als broedplaats. Een groot deel bij nummer 15 is van dakleer voorzien. Een klein deel, wat tot voor kort open was, is voorzien van metalen dakplaten (figuur 5.4).

Hoewel er in het profiel openingen zijn, zijn in het gebouw geen sporen, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen. Op de foto's hieronder is dit goed te zien. Er zijn ook geen vogels op het dak waargenomen. In de tuinen, bedrijven en woningen ten westen en ten zuiden van de planlocatie zijn enkele huismussen waargenomen. Dit gebied is door de aanwezigheid van meer beplanting en groenvoorzieningen geschikter dan het zeer stenige bedrijfsterrein. Dit alles maakt het onwaarschijnlijk dat het bestaande dak gebruikt wordt als broedlocatie voor huismussen. Het platte dak is ongeschikt voor gierzwaluwen. Daarnaast zijn er bij de overstekken bij de entree van de kantoren geen zwaluwen waargenomen tijdens het veldbezoek en ook zijn er geen sporen of andere verblijfsindicatoren gevonden van de verschillende zwaluwsoorten.

Figuur 5.3. Bestaand dak Kraanvogelstraat 15 en 15 a

Versie 1.1-20230511

16

Figuur 5.4. Beperkte begroeiing muren en gevels achterzijde Kraanvogelstraat 15 en 15 a

Figuur 5.5. Daken Kraanvogelstraat 7 en 9 met beperkte begroeiing achterzijde Kraanvogelstraat 9.

5.3

Zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Op de planlocatie zijn tijdens het veldbezoek geen zoogdiersoorten waargenomen. Naar verwachting kunnen algemeen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten binnen de planlocatie voorkomen zoals verschillende muizen of rattensoorten. In het verleden werd hier namelijk voedsel geproduceerd. In het kader van hygiëne en kwaliteitseisen werd echter streng gecontroleerd op de aanwezigheid van ratten en muizen. Ook is een professionele rattenvoerdoos met rattenval aangetroffen. De openingen in de leegstaande bedrijfshallen zijn echter klein of de laatste jaren adequaat preventief afgesloten. Beluchtingsroosters zijn al tijdens de bedrijfsvoering van Molco en Todo voorzien van zeer fijn gaas.

Versie 1.1-20230511

17

Figuur 5.6. Met fijn gaas afgedichte ventilatieopeningen

Figuur 5.7. Afgeplakte deur en glasopeningen

Figuur 5.8. Tussenruimte plafond en dakplaten Kraanvogelstraat 7

Versie 1.1-20230511

18

Daarnaast is gekeken of de planlocatie een rol vervult voor marterachtigen en dan met name voor de steenmarter. Er zijn in de ruimten en tussenruimten bij de plafonds geen sporen gevonden die duiden op de aanwezigheid van marterachtigen zoals nestlocaties, uitwerpselen of voedselresten.In het gebouw en aan de gevels zijn in het verleden en vorig jaar door de vorige gebruikers en de beheerder preventieve maatregelen getroffen om het binnenkomen van ratten en muizen te voorkomen. Mede hierdoor is het ook voor marterachtigen waarschijnlijk erg moeilijk om in het gebouw te komen.

Figuur 5.9. Onderzoek plafonds Kraanvogelstraat 15 a

Vleermuizen Tijdens het veldbezoek zijn binnen en buiten geen sporen in de vorm van uitwerpselen en prooidieren zoals afgebeten vlindervleugels of andere verblijfsindicatoren gevonden van vleermuizen. Het bestaande gebouw is geïnspecteerd op geschikte openingen voor vleermuizen om het pand te kunnen betreden. Het gehele pand kent geen geschikte openingen voor vleermuizen. Daarnaast is er ook geen betimmering aanwezig waar vleermuizen achter kunnen schuilen. Er kan dan ook met enige mate van zekerheid uitgesloten worden dat het bestaande gebouw gebruikt wordt als verblijfplaats door vleermuizen. Het gebouw is bovendien omgeven door lichtmasten. Dit maakt het gebouw en de omgeving onaantrekkelijk voor vleermuizen. 5.4

Amfibieën, reptielen en vissen Beschermde amfibieën, reptielen of vissen zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Binnen de planlocatie is geen oppervlakte water of andere vochtige plekken aanwezig. Daarnaast ligt het dichtsbijzijnde oppervlakte water op een te grote afstand en ligt er tussen de planlocatie en dit oppervlakte water teveel bebouwing waardoor de planlocatie onbereikbaar is voor amfibieën. Hierdoor kan het voorkomen van beschermde amfibiesoorten met enige mate van zekerheid worden

5.5

Overige beschermde soorten Voor alle overige soorten geldt dat de planlocatie niet van belang is als leefgebied. Er komen geen bijzondere habitats voor die voor libellen, vlinders, kreeftachtigen of voor weekdieren van betekenis zijn. Verder zijn er geen aanwijzingen dat er hier duurzame populaties van ecologische waardevolle soorten voorkomen

Versie 1.1-20230511

19

Figuur 5.10. Geen openingen en spleten Kraanvogelstraat 9

Figuur 5.11. Gras en Paardenbloemen op en tussen verharding Kraanvogelstraat 9

Figuur 5.12. Rattenval/ Rattenvoerdoos Kraanvogelstraat 15 a

Versie 1.1-20230511

20

6

BEOORDELING SOORTENBESCHERMING

6.1

Wet natuurbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen algemeen beschermde broedvogels binnen de planlocatie voorkomen. Jaarrond en niet jaarrond beschermde nesten zijn eveneens niet aangetroffen. Voor de overige soortgroepen, waar onder vleermuizen, zijn door het ontbreken van geschikt habitat en/of verblijfsindicatie, de aard van de ingreep of door een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming.

6.2

Broedvogels Binnen de Wet natuurbescherming genieten alle vogelsoorten een strenge wettelijke bescherming. Voor schade aan vogels kan slechts onder strenge voorwaarden ontheffing, laat staan vrijstelling verkregen worden. Deze bescherming is voor alle soorten gelijk, van de zeer algemene soorten tot de zeer zeldzame.

6.3

Uitwerking algemene zorgplicht Voor de te verwachten grondgebonden zoogdieren geldt een vrijstelling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkelingen en herinrichting die plaats zullen vinden binnen de planlocatie. Voor de overige te verwachten soorten is het voorkomen uit te sluiten. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor alle aanwezige planten diersoorten en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dit betekent dat tijdens de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van algemene soorten als bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis en gewone pad. Aanwezige dieren dienen de gelegenheid te krijgen om het terrein zelfstandig te verlaten. Indien deze dieren of planten het terrein niet zelfstandig kunnen verlaten dienen deze te worden verplaatst naar geschikt habitat buiten de ingreep. Dergelijke werkzaamheden dienen bij voorkeur niet plaats te vinden tijdens de winterperiode.

Versie 1.1-20230511

21

7

BEOORDELING GEBIEDSBESCHERMING

7.2

Wet Natuurbescherming De locatie van de te slopen bebouwing ligt op ca. 7,2 kilometer van het door de Wet natuurbescherming beschermde Natura 2000-gebied ''Rijntakken'. Door de afstand en de kleinschaligheid doet de beoogde planontwikkeling geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Een nadere beoordeling of vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

Figuur 7.1: Wijchen ten opzichte van Natura-2000 gebied 'Rijntakken' (groene arcering)

7.2

Natuurnetwerk Nederland De planlocatie maakt geen deel uit van de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het Gelders Natuurnetwerk (GNN) (zie figuur 7.2 en 7.3) Het meest nabij gelegen GNN (bos bij alverna) ligt op ca. twee kilometer van de planlocatie. Door de kleinschaligheid doet de beoogde planontwikkeling geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van zowel het GNN als de GO. Een nadere beoordeling of vergunning is niet nodig.

Versie 1.1-20230511

22

Figuur 7.2: Wijchen in relatie tot de Groene Ontwikkelzone (GO)

Figuur 7.3: Wijchen in relatie tot het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en verbindingszones

Versie 1.1-20230511

23

8

SAMENVATTING & EINDCONCLUSIE

8.1

Soortenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen vaste verblijf- en rustplaatsen van beschermde diersoorten binnen de planlocatie voorkomen. Met inachtneming van de algemene zorgplicht, is een ontheffing in het kader van het soortenbescherming van de Wet natuurbescherming niet nodig.

8.2

Gebiedsbescherming De planlocatie heeft geen status als beschermd Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (‘Rijntakken') is aanwezig op 7,2 kilometer ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de ingreep doet het voornemen geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Een onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Natura 2000Voortoets) is niet nodig. Hiernaast maakt de planlocatie ook geen deel uit van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Het dichtstbijzijnde GNN is aanwezig op circa 2,2 kilometer van de planlocatie. Het voornemen heeft door zijn aard en omvang geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere beoordeling is niet nodig.

8.3

Eindconclusie De planlocatie en de directe omgeving heeft geen belangrijke functie voor verschillende beschermde diersoorten. Verstoring van de broedgevallen is niet toegestaan en wordt bovendien geen ontheffing voor verleend. Door buiten het broedseizoen te werken, kunnen negatieve effecten met zekerheid worden voorkomen. Het broedseizoen is een globale periode, ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd. Andere beschermde natuurwaarden (soorten en/of gebieden) worden uitgesloten.

8.4

Algemene aanbevelingen Bij het verder uitwerken van de ontwerpen voor de openbare inrichting, gebouwen en tuinen is het aan te bevelen om de principes van natuur-inclusief bouwen ter harte te nemen. Door plantkeuze en bijvoorbeeld kleine aanpassingen als vleermuispannen, vleermuiskasten bij westgevels, nestvoorzieningen voor onder andere huismussen, mezen en onder andere zwaluwen kan de ecologische waarde verhoogd worden. Geadviseerd wordt met de verlichting rekening te houden met soorten die gevoelig zijn voor licht (bijvoorbeeld vleermuizen). Dit kan door het licht zo veel mogelijk te richten en strooilicht zo veel mogelijk te beperken.

Versie 1.1-20230511

24

LITERATUUR Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, De Dagvlinders van Nederland, 2006, Odonata, KNNV, Utrecht. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren, KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M., & Delft, J.J.C.W. van, (RAVON) (redactie) 2009 De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorische Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. NDFF, april 2023 Bekende verspreiding van soorten ten opzichte van de planlocatie – levering uit de NDFF, NDFF – quickscanhulp.nl NDFF, 2022 NDFF verspreidingsatlas 20 augustus 2022 NDFF – verspreidingsatlas.nl RAVON, 2021, Ravon no. 63, bijlage, Waarnemingenoverzicht 2021, RAVON, Nijmegen. www.quickscanhulp.nl www.libellennet.nl www.vlindernet.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx www.waarneming.nl

Versie 1.1-20230511

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=066b77b5-ce68-41eb-ab9d-b4ed59a7b40f