Bospad 6 Wijchen_Bijlagen bij toelichting_Bijlage 3 Quickscan Flora en Fauna
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Bospad 6 te Wijchen Rapportnummer P2022-0136
www.starobv.nl
Quickscan flora en fauna
Bospad 6 te Wijchen mei 2022
Rapportnummer:
P2022-0136
Opdrachtgever:
Pouderoyen Tonnaer
Uitgevoerd door:
Staro Natuur en Buitengebied Lodderdijk 38a 5421 XB Gemert tel. 0492-450161 fax. 0492-450162 www.starobv.nl
Veldonderzoek:
E. Claassen
Auteur:
E. Claassen
Inhoud
1
Inleiding ............................................................................................................................................4 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................4 1.2 Doel ..........................................................................................................................................4 1.3 Geldigheid onderzoek ...............................................................................................................4 1.4 Zorgplicht ..................................................................................................................................5 1.5 Leeswijzer .................................................................................................................................5
2
Plangebied .......................................................................................................................................6 2.1 Ligging en beschrijving plangebied ..........................................................................................6 2.2 Voorgenomen plannen .............................................................................................................8
3
Methode ............................................................................................................................................9
4
Natuurwaarden ............................................................................................................................. 10 4.1 Beschermde gebieden ........................................................................................................... 10 4.2 Beschermde soorten ............................................................................................................. 12 4.2.1 Flora ................................................................................................................................... 12 4.2.2 Vlinders en libellen ............................................................................................................ 12 4.2.3 Kevers en weekdieren ....................................................................................................... 13 4.2.4 Vissen ................................................................................................................................ 14 4.2.5 Amfibieën en reptielen ....................................................................................................... 14 4.2.6 Vogels ................................................................................................................................ 16 4.2.7 Zoogdieren......................................................................................................................... 17
5
Conclusies .................................................................................................................................... 19 5.1 Beschermde gebieden ........................................................................................................... 19 5.2 Beschermde soorten ............................................................................................................. 19 5.3 Advies en aanbevelingen ...................................................................................................... 21
Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................................... 23 Bijlagen ................................................................................................................................................. 24 Bijlage 1 Wet- en regelgeving ...................................................................................................... 24
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens op de locatie Bospad 6 te Wijchen een woning te bouwen. De locatie van de woning bestaat in de huidige situatie uit tuin behorende bij Bospad 6. Ten behoeve van de planologische procedure is het noodzakelijk een quickscan flora en fauna uit te voeren om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde soorten en de mogelijke effecten van de voorgenomen plannen hierop. Door middel van de quickscan wordt in beeld gebracht of de ontwikkeling in strijd is met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden.
1.2
Doel Het doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortbescherming en gebiedsbescherming is sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van belang. Daarnaast is gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS genoemd). In bijlage 1 wordt deze wet- en regelgeving uitgebreid beschreven. Het in deze rapportage beschreven onderzoek stelt de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming vast. Tevens beoordelen we op welke wijze en in welke mate de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op het eventueel voorkomen van beschermde soorten. Op basis van de resultaten kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving zal worden gehandeld. Aanvullend zal worden bepaald of voorgenomen ontwikkelingen effect hebben op de beschermde natuurwaarden van nabijgelegen natuurgebieden.
1.3
Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
4
1.4
Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 wordt de gebruikte onderzoeksmethode besproken. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden en de effecten van de geplande ingrepen op aanwezige beschermde natuurwaarden worden beschreven in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op de mogelijke noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen. In het laatste hoofdstuk zijn de conclusies, adviezen en vervolgstappen uiteengezet.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
5
2
Plangebied
2.1
Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied bestaat uit het kadastrale perceel B2981 en ligt aan de rand van de bebouwde kom tussen Wijchen en Alverna. In het oosten grenst het plangebied aan het terrein en de parkeerplaats van een hotel. Aan de zuidkant vormt de weg Bospad de grens. Ten zuiden hiervan liggen sportvelden. Ten westen grenst het plangebied aan de tuin van Bospad 6 waar het perceel deel van uitmaakt. Ten noorden ligt een landbouwperceel. Het plangebied bestaat uit een deel van de tuin bij de woning aan Bospad 6. De tuin is omsloten door een muur, hagen en hekwerk. Binnen het plangebied zijn grote bomen aanwezig en plantvakken met heesters en bomen. Tussen de plantvakken lopen graspaden en ligt gazon. Aan de zuidkant van het plangebied ligt een kleine vijver met een rand van gemetselde stenen. Aan de noordkant van het plangebied ligt een moestuin. Langs de rand van de moestuin staan enkele lage schuurtjes onder ander voor opslag van haardhout. Op de grens van het plangebied met de rest van de tuin ligt een zwembad. Naast het zwembad staat een gebouw. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in figuur 1. De globale begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 2. De foto’s op pagina 7 en 8 geven een impressie van het plangebied.
Figuur 1. Ligging plangebied (blauw omlijnd) in de omgeving (bron luchtfoto: ESRI)
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
6
Figuur 2. Globale begrenzing plangebied (blauw omlijnd) (bron luchtfoto: ESRI)
Foto 1. Tuin met bomen en heesters
Foto 2. Graspaden door de tuin
Foto 3. Moestuin met schuurtjes voor houtopslag
Foto 4. Begroeide muur rondom de tuin
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
7
Foto 5. Overzicht tuin met grote bomen
2.2
Foto 6. Oostkant van de tuin
Voorgenomen plannen De initiatiefnemer heeft het voornemen om binnen het plangebied een woning te bouwen. Een klein deel van de muur om de tuin wordt aan de zijde van het Bospad gesloopt om een inrit te maken. De grote bomen blijven allen behouden. Behoudens de bouw van de woning blijft het plangebied zoveel mogelijk ongewijzigd. De moestuin en de schuurtjes daar omheen blijven in de huidige staat behouden.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
8
3
Methode
In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden waarbij gekeken is naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Voor het soortenonderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), de websites Vlinderstichting.nl, Waarneming.nl, EIS-nederland.nl, Zoogdiervereniging.nl en Verspreidingsatlas.nl en diverse verspreidingsatlassen. Met behulp van deze gegevens wordt gekeken welke beschermde soorten flora en fauna voorkomen binnen drie verschillende afstanden van het plangebied; binnen 1, 2 en 5 kilometer. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving. De ligging van Natura 2000-gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en het Natuurnetwerk Nederland in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarbij alle op de locatie (binnen het plangebied en de directe omgeving) aanwezige habitats zijn opgenomen. De aanwezigheid van deze habitats vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de habitats zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten.
Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten en het aantreffen van holen, uitwerpselen, prooiresten, vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige habitats zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Ook is gekeken of binnen het plangebied invasieve exoten voorkomen. Een veldbezoek voor een quickscan flora en fauna is nadrukkelijk geen volledige inventarisatie. Dat betekent dat op basis van het veldbezoek het voorkomen van beschermde soorten niet per definitie is uit te sluiten. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in deze rapportage. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 30 maart 2022 in de ochtend onder de volgende weersomstandigheden: helder, droog, windkracht 2 en circa 5 ˚C.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
9
4
Natuurwaarden
4.1
Beschermde gebieden Natura 2000 Uit de kaarten van de website van de provincie Gelderland blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 7 kilometer afstand ten noorden van het plangebied ligt, zie figuur 3. Dit betreft het Natura 2000-gebied Rijntakken.
Figuur 3. Ligging plangebied (rode stip) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (gekleurde vlakken) (bron:PDOK)
Effectbeoordeling Doordat het plangebied buiten een Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van effecten van verdroging, versnippering, optische en mechanische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling door de voorgenomen plannen. Ten aanzien van het aspect stikstof geldt een vrijstelling van vergunningsplicht voor de realisatiefase (bouw-, aanleg- en sloopfase). De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase. Vanwege de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de aard van de plannen, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat geen negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden optreden in de gebruiksfase. Dit is echter alleen uit te sluiten middels een AERIUS-berekening.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
10
Natuurnetwerk Nederland (NNN) & Groene ontwikkelingszone Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Sinds 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. In Gelderland is het NNN vastgelegd in het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Provincie Gelderland kent daarnaast de Groene ontwikkelingszone. De Groene ontwikkelingszone (hierna GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten is met het Gelders natuurnetwerk. Uit de planviewer van de Provincie Gelderland blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het GNN en de GO. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het GNN ligt op circa 800 meter ten zuiden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van de GO ligt op ongeveer dezelfde afstand ten zuiden van het plangebied. De ligging van het GNN en GO in de omgeving van het plangebied is weergegeven in figuur 4.
Figuur 4. Ligging plangebied (blauw omlijnd) ten opzichte van het GNN (donkergroen) en GO (lichtgroen)
Effectbeoordeling Het plangebied behoort niet tot het GNN en de GO. Gezien de relatief grote afstand tussen het plangebied en het GNN en de GO, en de kleinschalige aard van de voorgenomen plannen is het uit te sluiten dat de voorgenomen plannen een negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN en de kernkwaliteiten van de GO.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
11
Conclusie Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (7 kilometer) is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Vanwege de afstand kan redelijkerwijs worden aangenomen dat geen negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden optreden tijdens de gebruiksfase van het plangebied. Dit is echter alleen uit te sluiten middels een AERIUS-berekening. Voor het aspect stikstof in de realisatiefase (bouw-, aanleg- en sloopfase) geldt een vrijstelling van vergunningsplicht. De voorgenomen plannen hebben door de relatief grote afstand en de kleinschalige aard van de werkzaamheden geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN en de kernkwaliteiten van de GO.
4.2
Beschermde soorten Deze paragraaf beschrijft het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de ingreep zijn en of het nemen van mitigerende maatregelen nodig is.
4.2.1
Flora Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen een kilometer afstand van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn beschermde plantensoorten. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat in het plangebied geen geschikt habitat aanwezig is voor beschermde planten. Het plangebied bestaat uit een onderhouden tuin. Het voorkomen van beschermde plantensoorten binnen het plangebied is derhalve uit te sluiten.
4.2.2
Vlinders en libellen Vlinders Uit de gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat op een afstand tot één kilometer van het plangebied grote vos (§3.3 Wnb) voorkomt. Tussen één en twee kilometer van het plangebied zijn waarnemingen bekend van iepenpage (§3.3 Wnb). Op twee tot vijf kilometer afstand van het plangebied zijn waarnemingen bekend van teunisbloemstaart (§3.2 Wnb).
Grote vos is een zeldzame en kwetsbare soort die voorkomt in vochtige,
open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De waardplanten van deze soort zijn vooral iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. Iepenpage is een zeldzame soort die op verschillende locaties in Nederland voorkomt bij iepen in bossen, bosranden, parken en grotere
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
12
tuinen. De waardplanten van deze soort zijn diverse iepen zoals gladde iep, ruwe iep en sommige cultivars. Teunisbloempijlstaart is een zeldzame soort die voorkomt in open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. De waardplanten zijn wilgenroosje, teunisbloem, bastaardwederik en kattenstaart.
Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat in het plangebied het geschikte habitat en de geschikte waardplanten voor bovenstaande en andere beschermde vlindersoorten ontbreekt. Daarom is het voorkomen van beschermde vlindersoorten uit te sluiten. Libellen Uit de gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat op een afstand van één tot twee kilometer van het plangebied gevlekte witsnuitlibel (§3.2 Wnb) is waargenomen. Op een afstand van twee tot vijf kilometer zijn waarnemingen bekend van beekrombout (§3.3 Wnb) en sierlijke witsnuitlibel (§3.2 Wnb).
Gevlekte witsnuitlibel komt voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke
vennen en duinplassen. Het is nog steeds een vrij zeldzame soort, maar wordt de laatste jaren weer wat algemener en duikt regelmatig op nieuwe plekken op. Beekrombout komt voor bij grotere beken, kleine rivieren en soms ook in grote rivieren en in kanalen. De soort laat in de afgelopen periode een sterk herstel zien. Zowel in het rivierengebied als langs verschillende beken in Zuid- en Oost-Nederland is de soort weer teruggekeerd. Sierlijke witsnuitlibel is een zeer zeldzame libel die voorkomt in de buurt van schone, vegetatierijke vennen, plassen en dode rivierarmen. Er zit een populatie in de Weerribben. Echter in 2018 is de sierlijke witsnuitlibel op veel nieuwe plekken in Nederland gevonden.
Binnen het plangebied is geen geschikt oppervlaktewater aanwezig en daardoor ontbreekt het aan geschikt voortplantingshabitat voor beschermde libellen. Het voorkomen van essentieel habitat van (beschermde) libellen in het plangebied is uit te sluiten.
4.2.3
Kevers en weekdieren Volgens de gegevens van de NDFF en EIS Nederland blijkt dat waarnemingen van vermiljoenkever (§3.2 Wnb) bekend zijn op een afstand van twee tot vijf kilometer van het plangebied. Voor de beschermde kevers en weekdieren zijn weinig verspreidingsgegevens bekend, daarom wordt in deze paragraaf van alle beschermde kevers en weekdieren beoordeeld of ze in het plangebied kunnen voorkomen.
Vliegend hert (§3.3 Wnb) komt voor in (oude) eikenbossen, dit habitat is binnen het plangebied niet aanwezig. Het voorkomen van deze soort in het plangebied is uit te sluiten.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
13
De beschermde houtkevers; vermiljoenkever, heldenbok en juchtleerkever
(alle §3.2 Wnb) zijn afhankelijk van oude of holle vrijstaande bomen of (natte) gebieden met veel dood hout. Deze habitattypen zijn niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van deze beschermde houtkevers in het plangebied kan daarom worden uitgesloten. De beschermde waterkevers brede geelrandwaterroofkever en gestreepte waterroofkever (beide §3.2 Wnb) zijn voor het voorkomen afhankelijk van grote wateren. Het ontbreekt binnen het plangebied aan permanent oppervlaktewater en daarom is het voorkomen van beschermde waterkevers in het plangebied uitgesloten. De aquatische slakkensoort platte schijfhoren (§3.2 Wnb) is afhankelijk van de aanwezigheid van heldere, schone wateren met waterplanten. Bataafse stroommossel (§3.2 Wnb) is een soort die voorkomt in stromend water (rivieren of beken). Deze soort is al 50 jaar niet meer waargenomen in Nederland. Vanwege het ontbreken van geschikt permanent oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van platte schijfhoren en Bataafse stroommossel uitgesloten.
In het plangebied ontbreken geschikte habitats voor de beschermde soorten kevers en weekdieren. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied is derhalve uit te sluiten.
4.2.4
Vissen Vanwege het ontbreken van geschikt permanent oppervlaktewater is het voorkomen van (beschermde) vissoorten in het plangebied uit te sluiten.
4.2.5
Amfibieën en reptielen Amfibieën Uit de gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander (alle §3.3 Wnb), poelkikker en rugstreeppad (beide §3.2 Wnb) zijn waargenomen. Op een afstand van één tot twee kilometer van het plangebied is aanwezigheid bekend van Alpenwatersalamander (§3.3 Wnb) en heikikker (§3.2 Wnb). Op een afstand van twee tot vijf kilometer van het plangebied zijn vuursalamander (§3.3 Wnb) en kamsalamander (§3.2 Wnb) waargenomen. De vijver in het plangebied is vanwege de gemetselde rand niet geschikt als voortplantingswater voor amfibieën. Zodoende is in het plangebied de aanwezigheid van voortplantingshabitat van amfibieën uit te sluiten. De algemene amfibiesoorten bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als land- en overwinteringshabitat. Deze soorten kunnen zich verschuilen en overwinteren
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
14
tussen de wortels van bomen en struiken. Het is niet uit te sluiten dat deze soorten in het plangebied aanwezig zijn. Door het gebruik als tuin en de grotere afstand tot geschikt voortplantingswater is het voorkomen van Alpenwatersalamander, poelkikker, rugstreeppad, vuursalamander en kamsalamander in het plangebied uit te sluiten. Deze soorten stellen specifieke eisen aan hun leefgebied die in het plangebied niet aanwezig zijn.
Reptielen Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat binnen een kilometer afstand van het plangebied de aanwezigheid van adder (§3.3 Wnb) bekend is. Op een afstand van één tot twee kilometer van het plangebied zijn waarnemingen bekend van levendbarende hagedis (§3.3 Wnb).
Adder komt voor op half open plekken met een rijke vegetatiestructuur,
waar zowel zonbeschenen plekken als schuilplekken aanwezig zijn. De soort komt voor op de hoge zandgronden in veel verschillende habitats; in hoogveen, heiden, bossen en struweel. Levendbarende hagedis komt voor op droge en vochtige heiden en hoogvenen, en venoevers. De soort komt daarnaast ook voor in open bossen, ruige graslanden, in bermen en een beperkt deel van de duinen. Levendbarende hagedis is een vochtminnende soort en is vaak aanwezig langs oevers en op vochtige terreindelen.
Het ontbreekt binnen het plangebied aan geschikt habitat voor deze en andere beschermde reptielen. Het voorkomen van beschermde reptielensoorten in het plangebied is derhalve uit te sluiten. Effectbeoordeling Het is niet uit te sluiten dat het plangebied land- en overwinteringshabitat vormt voor de algemene amfibiesoorten bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Bij het verwijderen van bomen, struiken en andere begroeiing kunnen individuen van deze soorten worden verwond of gedood. Mitigerende maatregelen Voor bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het vernietigen van verblijfplaatsen, verwonden en niet opzettelijk doden van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden verkregen. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.4. In het kader van de zorgplicht dient bij het verwijderen van struiken en andere begroeiing in één richting gewerkt te worden, zodat individuen kunnen vluchten. Tevens dienen deze werkzaamheden plaats te vinden in de periode buiten de overwinteringsperiode van deze soorten. De overwinteringsperiode duurt van 1 november – 15 maart.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
15
4.2.6
Vogels Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied koolmees en vink waargenomen. Aan diverse bomen in het plangebied hangen nestkastjes. Tevens is een nestkast van steenuil en bosuil aanwezig in het deel van de tuin buiten het plangebied. Volgens de bewoner zijn deze uilenkasten nog nooit door een uil gebruikt. In de bomen in het plangebied zijn holtes aanwezig. Eveneens zijn in de bomen geen nesten waargenomen. Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat de volgende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest zijn waargenomen in de wijde omgeving van het plangebied: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief (alle §3.1 Wnb). Tijdens het veldbezoek zijn in het gehele plangebied geen nesten van vogels met een jaarrond beschermd nest aangetroffen. Voor alle bovengenoemde vogels waarvan het nest jaarrond is beschermd, is in het plangebied geen geschikte nestgelegenheid aanwezig. Gezien de kenmerken van het plangebied is het uit te sluiten dat jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Wel kan het plangebied tot het grotere leef- en foerageergebied behoren van enkele van bovenstaande soorten met een jaarrond beschermd nest.
Het plangebied biedt nest- en foerageergebied voor algemene vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd, zoals de tijdens het veldbezoek waargenomen koolmees en vink. Effectbeoordeling In het plangebied en grenzend aan het plangebied blijft broed- en foerageergebied bestaan voor algemene vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Derhalve heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten tot gevolg ten aanzien van broed- en foerageergebied van algemene vogelsoorten. Bij het snoeien of kappen van bomen en struiken kunnen echter wel nesten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Het plangebied kan deel uitmaken van het grotere leef- en foerageergebied van enkele vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Doordat het plangebied in verhouding tot het gehele leef- en foerageergebied van deze soorten slechts een kleine oppervlakte beslaat en er in de omgeving voldoende leefgebied beschikbaar blijft, zijn negatieve effecten uit te sluiten. Mitigerende maatregelen Het snoeien of kappen van bomen en struiken (indien nodig) dient te worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
16
geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is dat er geen broedgeval aanwezig is.
4.2.7
Zoogdieren Vleermuizen Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (1997), Korsten en Regelink (2010) en gegevens van de NDFF blijkt dat de soorten baardvleermuis, brandts vleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (alle §3.2 Wnb) voorkomen in de wijde omgeving van het plangebied. Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat in de bomen binnen het plangebied geen holtes aanwezig zijn die geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De schuurtjes in de moestuin kunnen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen bevatten. Op de locatie van de nieuwe woning zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Het is aannemelijk dat het plangebied door vleermuizen wordt gebruikt als foerageergebied. De bomen die langs het plangebied staan en in verbinding staan met lijnvormige groenstructuren buiten het plangebied maken mogelijk deel uit van een vliegroute van vleermuizen. Overige zoogdieren Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied de volgende soorten zijn waargenomen: algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, bunzing, das, eekhoorn, egel, haas, konijn, ree, steenmarter, vos en wezel (alle §3.3 Wnb).
Op een afstand van één tot twee kilometer van het plangebied is de aanwezigheid van bever bekend (§3.2 Wnb) bekend. Het plangebied kan onderdeel zijn van het leefgebied van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, eekhoorn en egel. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten of sporen van eekhoorn waargenomen. De aanwezigheid van nesten is zodoende uit te sluiten. De tuin en het plangebied kunnen wel deel uitmaken van het leefgebied van eekhoorn. Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat in het plangebied geschikt leefgebied ontbreekt voor bever, haas, konijn, ree, vos, steenmarter en wezel. Bovendien is door de omheining van de tuin met een muur, hagen en hekwerk het plangebied voor deze soorten niet te bereiken. Effectbeoordeling De moestuin en de schuurtjes in de moestuin blijven gehandhaafd. Zodoende treden geen negatieve effecten op ten aanzien van mogelijke vleermuisverblijfplaatsen in de schuurtjes.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
17
In het plangebied en de directe omgeving blijft geschikt foerageergebied voor vleermuizen behouden. Zodoende is het uit te sluiten dat negatieve effecten zullen ontstaan op het foerageergebied van vleermuizen. De grote bomen in het plangebied blijven behouden. Eventuele vliegroutes waar deze bomen mogelijk deel van uitmaken blijven zodoende bestaan. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen zijn daarmee uit te sluiten. Bij het verwijderen van begroeiing kunnen verblijfplaatsen van algemene spits, woel- en ware muizensoorten en egel worden vernietigd en individuen worden verwond of gedood. In het plangebied en de directe omgeving blijft voldoende leefgebied voor deze soorten beschikbaar. In het plangebied en de omgeving blijft voldoende leefgebied voor eekhoorn beschikbaar. Zodoende zijn negatieve effecten op eekhoorn uit te sluiten. Mitigerende maatregelen Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en egel geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het vernietigen van verblijfplaatsen, verwonden en niet opzettelijk doden van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden verkregen. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.4.
Om het verwonden of niet opzettelijk doden van dieren te voorkomen dient bij het verwijderen van begroeiing in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. In verband met de winterslaap van egel is het aan te bevelen dichte vegetaties en takkenhopen buiten de overwinteringsperiode van egel (november tot en met half mei) te verwijderen.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
18
5
Conclusies
5.1
Beschermde gebieden Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (7 kilometer) is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Vanwege de afstand kan redelijkerwijs worden aangenomen dat geen negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden optreden tijdens de gebruiksfase van het plangebied. Dit is echter alleen uit te sluiten middels een AERIUS-berekening. Voor het aspect stikstof in de realisatiefase (bouw-, aanleg- en sloopfase) geldt een vrijstelling van vergunningsplicht. De voorgenomen plannen hebben door de relatief grote afstand en de kleinschalige aard van de werkzaamheden geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN en de kernkwaliteiten van de GO.
5.2
Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, vissen en reptielen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht, zie §1.4 van dit rapport. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemeen voorkomende vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op het broed- en foerageergebied van deze vogelsoorten. In het plangebied en de directe omgeving blijft voldoende broed- en foerageergebied beschikbaar. Het snoeien of kappen van bomen en struiken dient te worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels, om te voorkomen dat nesten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is dat er geen broedgeval aanwezig is.
In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. Het plangebied kan deel uitmaken van het grotere leef- en foerageergebied van enkele vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Doordat het plangebied in verhouding tot het gehele leef- en foerageergebied van deze soorten slechts een kleine oppervlakte beslaat en er in de omgeving voldoende leefgebied beschikbaar blijft, zijn negatieve effecten uit te sluiten.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
19
Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming Op de locatie van de nieuwe woning zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De schuurtjes in de moestuin kunnen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen bevatten. De moestuin en de schuurtjes in de moestuin blijven gehandhaafd. Zodoende treden geen negatieve effecten op ten aanzien van mogelijke vleermuisverblijfplaatsen in de schuurtjes. Het is aannemelijk dat het plangebied door vleermuizen wordt gebruikt als foerageergebied. De bomen die langs het plangebied staan en in verbinding staan met lijnvormige groenstructuren buiten het plangebied maken mogelijk deel uit van een vliegroute van vleermuizen. In het plangebied en de directe omgeving blijft voldoende foerageergebied beschikbaar. De bomen binnen het plangebied blijven behouden. Zodoende ontstaan geen negatieve effecten op het foerageergebied en mogelijke vliegroutes van vleermuizen. Soorten van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming Het is niet uit te sluiten dat het plangebied land- en overwinteringshabitat vormt voor de algemene amfibiesoorten bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Tevens kan het plangebied onderdeel zijn van het leefgebied van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en egel.
Bij het verwijderen van bomen, struiken en andere begroeiing kunnen individuen van deze soorten worden verwond of gedood en kunnen verblijfplaatsen worden vernietigd. Voor deze soorten geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het vernietigen van verblijfplaatsen, verwonden en niet opzettelijk doden van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden verkregen. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.4. Om het verwonden of niet opzettelijk doden van dieren te voorkomen dient bij het verwijderen van begroeiing in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. In verband met de winterslaap van egel is het aan te bevelen dichte vegetaties en takkenhopen buiten de overwinteringsperiode van egel (november tot en met half mei) te verwijderen. Tevens dienen deze werkzaamheden plaats te vinden in de periode buiten de overwinteringsperiode van amfibieën (1 november – 15 maart). Het plangebied kan onderdeel zijn van het leefgebied van eekhoorn. De aanwezigheid van nesten van eekhoorn is uit te sluiten. In het plangebied en de omgeving blijft voldoende leefgebied voor eekhoorn beschikbaar. Zodoende zijn negatieve effecten op eekhoorn uit te sluiten.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
20
Tabel 1. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied Soort(groep)
Bescherming
Functie
Mogelijk
Ontheffing
plangebied
effect
nodig Nee, mits
§3.1 Wnb (nest Vogels
niet jaarrond
Nestgelegenheid
Ja
beschermd)
maatregelen worden uitgevoerd
Maatregelen
Snoeien en kappen wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten broedseizoen
§3.1 Wnb (nest Vogels
(niet) jaarrond
Foerageergebied
Nee
-
-
Nee
-
-
Nee
-
-
beschermd) Verblijfplaatsen Vleermuizen
§3.2 Wnb
(schuurtjes moestuin)
Vleermuizen
§3.2 Wnb
Foerageergebied en vliegroute
Bastaardkikker,
Verwijderen van
bruine kikker, gewone pad en
Land- en §3.3 Wnb
kleine water-
overwinterings-
Ja
habitat
Nee,
begroeiing in één
algehele
richting uitvoeren en
vrijstelling
buiten
salamander
overwinteringsperiode Verwijderen van
Algemene spits-, woel- en ware
§3.3 Wnb
muizen en egel
Verblijfplaatsen en leefgebied
Nee, Ja
algehele vrijstelling
begroeiing in één richting uitvoeren en buiten overwinteringsperiode van egel
Eekhoorn
5.3
§3.3 Wnb
Onderdeel van leefgebied
Nee
-
-
Advies en aanbevelingen Overtreding van de Wet natuurbescherming dient te worden voorkomen door het nemen van de volgende vervolgstappen en maatregelen: 1. het snoeien of kappen van bomen en struiken dient te worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli; 2. om het verwonden of niet opzettelijk doden van grondgebonden zoogdieren en amfibieën te voorkomen dient bij het verwijderen van begroeiing in één richting gewerkt te worden. Tevens dienen deze werkzaamheden plaats te vinden buiten de overwinteringsperiode van amfibieën en egels. De overwinteringsperiode van amfibieën duurt van 1 november – 15 maart en van egel van 1 november tot 15 mei. 3. Rekening houdend met de kwetsbare perioden van vogels, amfibieën en egel kan het verwijderen van begroeiing worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober. Wanneer de begroeiing is verwijder is het kale terrein
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
21
ongeschikt voor amfibieën, egel en als broedgebied voor vogels. Werkzaamheden in kaal terrein zijn verder niet aan een periode gebonden. Wanneer bovenstaande kwetsbare perioden in acht worden genomen, treden geen negatieve effecten op ten aanzien van beschermde soorten. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is dan niet nodig.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
22
Geraadpleegde bronnen
Literatuur
Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De
dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Bouwens, S. Provincie Noord-Brabant, 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging - rapport 2017.32. Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging - rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3 december 2016. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Internet
GNN en GO:
https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=7ee7f076e44b48f18d36 528e9f9d1d87, 04-05-2022 Natura 2000: https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=6b1adc4e421a4c7ebcb 84d7c12cb7af6, 04-05-2022 NDFF – 04-04-2022 www.eis-nederland.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.verspreidingsatlas.nl
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
23
Bijlagen Bijlage 1
Wet- en regelgeving
Wet natuurbescherming In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden (Natura 2000) en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2.
Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is; Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
24
Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 (§ 3.1 Wnb)
Categorie 2 (§ 3.2 Wnb)
Categorie 3 (§ 3.3 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende
Het is verboden soorten in hun
Het is verboden soorten opzettelijk te
vogels opzettelijk te doden of te
natuurlijke verspreidingsgebied
doden of te vangen
vangen
opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten,
Het is verboden de
Het is verboden de vaste
rustplaatsen en eieren van vogels te
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
vernielen of te beschadigen, of nesten
van dieren te beschadigen of te
van dieren opzettelijk te beschadigen
van vogels weg te nemen
vernielen
of te vernielen
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
Het is verboden eieren te rapen en
Het is verboden eieren van dieren in
deze onder zich te hebben
de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te
Het is verboden dieren opzettelijk te
storen, tenzij de storing niet van
verstoren
-
wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort -
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun
Het is verboden plantensoorten in hun
natuurlijke verspreidingsgebied
natuurlijke verspreidingsgebied
opzettelijk te plukken en te
opzettelijk te plukken en te
verzamelen, af te snijden, te
verzamelen, af te snijden, te
ontwortelen of te vernielen
ontwortelen of te vernielen
Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing. Natura 2000 (bron: Rijksoverheid) Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze Natura 2000gebieden worden bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit (soortenrijkdom) te behouden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn bestaan uit soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. In Nederland is de bescherming van de Natura 2000-gebieden verankert in de Wet natuurbescherming.
De wet biedt een beschermingskader voor de flora en fauna binnen de aangewezen beschermde gebieden, de Natura 2000- gebieden en bijzondere nationale gebieden. Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
25
De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000gebieden. Dit gebeurt met de habitattoets. De habitattoets bestaat uit drie onderdelen: oriëntatiefase (en vooroverleg); verslechterings- en verstoringstoets; passende beoordeling. De oriëntatiefase maakt geen deel uit van de in de wet geregelde procedures. In de praktijk is deze stap nodig. Gezamenlijk met het bevoegd gezag wordt bepaald of goedkeuring van het plan nodig is en welke verdere procedure doorlopen moet worden. Afhankelijk van de kans en omvang van de effecten op een Natura 2000-gebied bestaat de vervolgprocedure uit het uitvoeren van een verslechterings- en verstoringstoets, een passende beoordeling of geen enkele toetsing. Indien er geen kans is op negatieve effecten op een Natura 2000-gebied is geen goedkeuring voor de plannen of het project nodig. Als uit de oriëntatiefase is gebleken dat er kans is op significant negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd.
Indien uit de passende beoordeling blijkt dat er kans is op een significant negatief effect moet aan de volgende criteria worden voldaan: er zijn geen alternatieve oplossingen voor het project die minder of geen negatieve effecten hebben voor het Natura 2000-(deel)gebied; er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang; er is voorzien in compenserende maatregelen. Alléén als aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan goedkeuring worden verleend. Indien uit de oriëntatiefase is gebleken dat er een kans is op (niet-significante) negatieve effecten, dient een verslechterings- en verstoringstoets te worden uitgevoerd. Met dit onderzoek wordt bepaald: of deze kans reëel is en of de verslechtering of verstoring aanvaardbaar is. Natuurnetwerk Nederland / Ecologische hoofdstructuur (bron: Rijksoverheid) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. Hierdoor zijn deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden kunnen bovendien meer soorten planten en dieren leven.
Het doel van het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur is om de EHS als netwerk van natuurgebieden te beschermen tegen negatieve effecten van ruimtelijke ingrepen. Dat betekent niet dat ontwikkelingen zoals woningbouw en bedrijvigheid, verboden zijn. Door het doorlopen van het afwegingskader wordt vastgesteld of, en zo ja, onder welke voorwaarden een ontwikkeling in de Ecologische Hoofdstructuur kan worden toegelaten.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
26
De bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur vindt plaats door het nee-tenzij-regime uit de Nota Ruimte. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen in de EHS met een negatief effect op de EHS in principe niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. De beleidsmatige basis voor het afwegingskader voor de Ecologische Hoofdstructuur is de Nota Ruimte. Daarnaast hebben Rijk en provincies een beleidskader Spelregels EHS opgesteld. Het beleidskader geeft een uitwerking, verduidelijking en aanscherping van de verschillende onderdelen van het afwegingskader. De provincies laten de inhoud van de Spelregels EHS doorwerken in het provinciaal ruimtelijk beleid. De bescherming van de EHS gebeurt via de regelgeving van de ruimtelijke ordening. Het beschermingsregime is onder de Wro door het Rijk vastgelegd in de AMvB Ruimte en werkt via provinciale verordeningen.
Quickscan flora en fauna, Bospad 6 te Wijchen, mei 2022
27