Bijlagen toelichting_Bijlage 8 Aanvullend huismussenonderzoek_1
Tekst van het document
Aanvullend huismusonderzoek Woningbouwproject ‘De Steenuil’ in Bergharen In opdracht van gemeente Wijchen
Colofon Aanvullend huismusonderzoek woningbouwproject ‘De Steenuil’ in Bergharen
Opdrachtgever Contactpersoon
Gemeente Wijchen Dhr. J.J. van Hal
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum:
2461 Ing. R. Boerboom Drs. L.M.A. Witjes 29 juni 2022
Foto voorblad
Huismus (foto: R. Boerboom)
Eigendom Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever. Het rapport blijft eigendom van de opdrachtgever. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d. m. v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van eventuele beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek neemt. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Kwaliteitszorg Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).
Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5
Het ecologisch onderzoek ............................................................................................ 7 3.1
Onderzoeksmethode ............................................................................................ 7
3.2
Resultaten ............................................................................................................ 8
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 10 4.1
Beschermde status ............................................................................................. 10
4.2
Gebruik van het plangebied ................................................................................ 10
5
Conclusie ................................................................................................................... 12
6
Bijlagen ...................................................................................................................... 13
Bijlage 1 Inrichtingsschets stedenbouwkundig plan .......................................................... 14 Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming ............................................................. 15
Samenvatting Uit het gericht onderzoek blijkt dat de geplande woningbouw geen negatief effect heeft op de huismus. Er is geen sprake van aantasting van (de functionaliteit van) vaste rust- en verblijfplaatsen. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk. Bij de aanlegwerkzaamheden moet wel rekening worden gehouden met het broedseizoen van de huismus. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er moet worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om 19 starterswoningen te realiseren in Bergharen. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde diersoorten. Daarom is aanvullend onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van de gemeente Wijchen. Het bureau voerde gericht veldonderzoek naar aanwezigheid van en gebiedsgebruik door de huismus uit op de locatie.
Pagina 3
1 Inleiding en doel 1.1
Inleiding
Er zijn plannen voor de realisatie van 19 starterswoningen in Bergharen. Voor de voorgenomen activiteiten verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2) een initiatiefnemer oplegt. In dit kader heeft Staring Advies een quickscan natuurtoets uitgevoerd (SA rapport 2327, 29 juli 2021). Uit de natuurtoets blijkt dat aanvullend onderzoek naar de huismus noodzakelijk is, aangezien de geplande woningbouw mogelijk een negatief effect heeft op het functioneel leefgebied van de huismus. De heer Van Hal van Werkorganisatie Druten Wijchen is, namens de gemeente Wijchen, betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies gevraagd voor het uitvoeren van het aanvullend huismusonderzoek.
1.2
Doel
Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Fysieke aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen/nestlocaties van de huismus op de locatie is op voorhand uit te sluiten. In het plangebied bevinden zich geen geschikte nestlocaties of andere geschikte verblijfplaatsen van de huismus. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van aantasting van het leefgebied, en daarmee de functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen, van de huismus.
Pagina 4
2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1
Gegevens plangebied
Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
2.2
Dorsvlegel Bergharen Wijchen Gelderland
Beschrijving van het plangebied
Het plangebied De Steenuil is gelegen aan de oostrand van de bebouwde kom van Bergharen. Het plangebied wordt globaal begrenst door woningen met bijbehorende tuinen aan de Dorsvlegel aan de zuidwestzijde, een agrarisch perceel aan de noordwestzijde en enkele verspreid liggende erven aan de noordoost- en zuidoostzijde (zie figuur 1). Het plangebied bestaat voor het grootste deel uit een braakliggend agrarisch perceel dat voor het laatst in gebruik is geweest als aardappelveld. Hier is een vegetatie van grassen en ruigtekruiden ontstaan. In het perceel zijn geen opgaande groenstructuren, gebouwen of waterelementen aanwezig. Daarnaast behoren enkele achtertuinen van woningen aan de Dorsvlegel ook tot het plangebied. De tuinen bestaan hoofdzakelijk uit gazon met verharding en enkele opgaande groenstructuren (zie figuur 2). Het plangebied heeft een oppervlakte van ruim 7800 m².
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied
Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op de huismus in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt met name bepaald door de oostrand van de bebouwde kom van Bergharen, waar woningen te vinden zijn die potentieel geschikt zijn als nestlocatie voor de huismus. Daarnaast behoort ook een gedeelte van het buitengebied van Bergharen, met een afwisseling van agrarische percelen, boerenbedrijven, woonerven, lijnvormige groenstructuren, watergangen en infrastructuur tot het onderzoeksgebied voor het huismusonderzoek (zie figuur 2).
2.4
Geplande werkzaamheden
Er zijn plannen voor woningbouw in het plangebied aan de oostzijde van de bebouwde kom van Bergharen. Het uitgangspunt is de realisatie van 19 starterswoningen, verdeeld over 2 onder 1 kapwoningen, geschakelde woningen en levensloop woningen. In bijlage 1 is de inrichtingsschets uit het stedenbouwkundig plan weergegeven, waarop de verkaveling en de inrichting van de openbare ruimte zichtbaar is.
Pagina 5
Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2021).
Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied voor het huismusonderzoek (geel) met daarbinnen het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2022).
Pagina 6
3 Het ecologisch onderzoek In dit hoofdstuk worden de onderzoeksmethode en de resultaten van het huismusonderzoek besproken.
3.1
Onderzoeksmethode
Op basis van de landelijk erkende protocollen voor gericht natuuronderzoek is de onderzoeksintensiteit bepaald. Hiervoor hanteert Staring Advies de richtlijnen uit het Kennisdocument Huismus van BIJ12 en de Handleiding Broedvogel Monitoring Project (BMP) van SOVON Vogelonderzoek Nederland. De huismus is een gebouwbewonende soort waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Ook het functioneel leefgebied behorende bij deze nestlocaties is wettelijk beschermd. Deze soort kan het beste tijdens de ochtend geïnventariseerd worden. Dan is de zangactiviteit van mannetjes het hoogst. Er is geïnventariseerd op territoriaal gedrag, transport van voedsel, transport van nestmateriaal etc. Zo zijn de nestlocaties vastgesteld. Ook wordt specifiek geïnventariseerd op het gebruik van het plangebied door eventueel in de directe omgeving broedende huismussen. Volgens de richtlijnen van SOVON Vogelonderzoek Nederland zijn hiervoor 2 ochtendbezoeken uitgevoerd in de periode 1 april – 15 mei. Middels dit onderzoek is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door huismussen. Onderzoeker
Ronde
Datum
Tijd
R. Boerboom
1
2-5-2022
09.20 uur
S. van Kasteel
2
12-5-2022
10.00 uur
Weersomstandigheden Licht bewolkt, droog, 15°C, wind 12 Bft Licht bewolkt, droog, 14,5°C, wind 2 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek huismus.
Pagina 7
3.2
Resultaten
In deze paragraaf worden de resultaten van het gericht veldonderzoek naar de huismus besproken. Bij diverse woningen in de directe omgeving van het plangebied zijn territoria van de huismus vastgesteld. Er zijn bij het eerste veldbezoek onder andere zingende mannetjes, paringsgedrag en bezoeken aan de (waarschijnlijke) nestplaatsen waargenomen. De nestlocaties van deze huismussen bevinden zich vermoedelijk onder de dakpannen van de betreffende woningen. Hier zijn bij het tweede veldbezoek ook roepende jonge mussen gehoord. Het betreft de woningen aan de Dorsvlegel, de Ploegstraat, de Gerststraat, de Gaffelstraat en een boerderij aan de Wijksestraat. De zingende mannetjes zijn hoofdzakelijk op de dakgoten van de betreffende woningen waargenomen. De locaties zijn op kaart weergegeven in figuur 3. Met name de tuinbeplantingen direct rondom de betreffende woningen en aangrenzende woningen worden door de mussen gebruikt als foerageergebied, schuilplek en uitkijkpost. Slaapplaatsen bevinden zich hier vermoedelijk ook, bijvoorbeeld in wintergroene struiken en hagen. Plangebied Er is specifiek gelet op het gebruik van het plangebied door de huismus, aangezien de geplande woningbouw mogelijk een negatief effect heeft op het functioneel leefgebied van de soort.
Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit een open braakliggend perceel met een ruige vegetatie van grassen en ruigtekruiden als distels, boerenwormkruid, jakobskruiskruid etc.. Daarnaast behoort ook een deel van de achtertuinen van woningen aan de Dorsvlegel tot het plangebied voor de woningbouw (zie figuur 1). In het braakliggend perceel is geen activiteit van huismussen waargenomen. Het perceel is door de aanwezigheid van verschillende zadenhoudende planten en insecten geschikt als foerageergebied voor de huismus, maar werd tijdens het veldonderzoek niet door huismussen gebruikt. Mogelijk is het perceel door het ontbreken van dekking in de directe omgeving, in de vorm van dichte (doorn)hagen en struiken, ongeschikt voor de huismus. Bij gevaar moeten de mussen snel kunnen vluchten in dergelijke groenstructuren. Deze zijn niet aanwezig in dit perceel en ook niet in het overige deel van het plangebied. De gedeelten van de achtertuinen die binnen het plangebied vallen zijn ook zeer open met hoofdzakelijk kort gemaaide gazons en een enkele afrastering en tuinhuisje. Ook hier is geen activiteit van huismussen waargenomen tijdens het veldonderzoek. Incidenteel zal een foeragerende huismus aangetroffen kunnen worden in het plangebied, maar van intensief gebruik is geen sprake. Het plangebied is dan ook geen essentieel onderdeel van het functioneel leefgebied van de soort.
Pagina 8
Figuur 3. Waarnemingen van huismus in de omgeving van het plangebied.
Pagina 9
4 Wet natuurbescherming De effecten op de aangetroffen beschermde huismus en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden (zie bijlage 2). In de directe omgeving van het plangebied voor de geplande woningbouw zijn nestlocaties van de beschermde huismus vastgesteld.
4.1
Beschermde status
De huismus is beschermd via de Wet natuurbescherming. De nesten van de huismus en het daarbij behorend functioneel leefgebied zijn het gehele jaar beschermd. Bij werkzaamheden aan gebouwen is er vaak sprake van dat er voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus worden weggenomen of dat de functionaliteit daarvan niet behouden kan blijven. Door het toepassen van zorgplicht maatregelen en specifieke maatregelen is het wellicht mogelijk om negatieve effecten teniet te doen. Wanneer dit het geval is, is er geen sprake van een overtreding en behoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Wanneer dit niet of in onvoldoende mate het geval is, moet er een ontheffing worden aangevraagd omdat er dan wel sprake is van een overtreding van artikel 11: Voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren.
4.2
Gebruik van het plangebied
Er bevinden zich territoria van de huismus in de omgeving van het plangebied. De nestlocaties bevinden zich op diverse plekken onder de dakpannen van woningen in de nabijheid van het plangebied. Tuinbeplantingen en openbare groenstructuren (direct) rond deze woningen vormen het functioneel leefgebied van de huismus, waar functies als slaapplaatsen, schuilgelegenheid, foerageergebied, uitkijkposten en zandbaden aanwezig zijn. Het plangebied voor de woningbouw (woningbouwproject De Steenuil) is echter geen essentieel onderdeel van het functioneel leefgebied van de huismus. De woningbouw leidt niet tot aantasting van de functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen van de soort, bijvoorbeeld door het verloren gaan of onbereikbaar worden van een belangrijk foerageergebied of andere functie. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk. Bij de aanlegwerkzaamheden moet wel rekening worden gehouden met het broedseizoen van de huismus (globaal van maart t/m augustus). De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er moet worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord.
Pagina 10
Plangebied na afronding werkzaamheden In de huidige situatie is het plangebied door het ontbreken van nestgelegenheid en het ontbreken van voldoende dekking slechts marginaal geschikt voor de huismus. Door de herinrichting met 19 woningen ontstaat in potentie een ruim aanbod aan extra nestgelegenheid. Bij de inrichting van de openbare ruimte in het plangebied worden voorzieningen getroffen om het leefgebied van de steenuil te verbeteren, waar ook de huismus van zal profiteren. Zo worden er hagen, takkenrillen en houtsingels aangeplant en worden open delen ingericht met kruidenrijk grasland. De parkeervakken worden groen, zodat er een grasvegetatie ontstaat waar huismussen graszaden kunnen vinden (zie bijlage 1). Uiteindelijk zal de realisatie van het woningbouwproject De Steenuil voor een versterking van het leefgebied van de huismus zorgen en voor extra nestgelegenheid kunnen zorgen voor de lokale populatie.
Pagina 11
5 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk. Bij de aanlegwerkzaamheden moet wel rekening worden gehouden met het broedseizoen van de huismus. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er moet worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord.
Pagina 12
6 Bijlagen 1 2
Inrichtingsschets stedenbouwkundig plan Wettelijk kader
Pagina 13
Bijlage 1 Inrichtingsschets stedenbouwkundig plan
Pagina 14
Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 15
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist). Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 16
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 17
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 18
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •
•
•
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Pagina 19
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.
Pagina 20
3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.
Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •
ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;
Pagina 21
b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.
Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •
•
dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of
c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.
Pagina 22
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl
Pagina 23