CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen toelichting_Bijlage 7 Quickscan natuurtoets en effectbeoordeling steenuil_1

Raad openbaar Wijchen 22 juni 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 111196 Beslisnota Vaststelling juridisch en ruimtelijk kader voor CPO de Steenuil13.291 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurtoets en effectbeoordeling steenuil Dorsvlegel in Bergharen In opdracht van gemeente Wijchen

Colofon Quickscan natuurtoets en effectbeoordeling steenuil Dorsvlegel in Bergharen

Opdrachtgever Contactpersoon

Gemeente Wijchen Dhr. J.J. van Hal

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2327 Ing. R. Boerboom Drs. L.M.A. Witjes 29 juli 2021 Plangebied (foto: R. Boerboom)

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5

2.4

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 6

Beschermde status plangebied .................................................................................... 8 3.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................ 8

3.2

Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 8

3.3

Natura 2000 ........................................................................................................ 10

3.4

Houtopstanden ................................................................................................... 12

Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 13 4.1

Methode ............................................................................................................. 13

4.2

Resultaten .......................................................................................................... 14

5

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 22

6

Conclusie ................................................................................................................... 33

Bijlage 1

Impressie plangebied ..................................................................................... 35

Bijlage 2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming ......................................................... 37

Bijlage 3

Beschermde plant- en diersoorten.................................................................. 45

Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de voorgenomen woningbouw in het plangebied ‘Dorsvlegel’ in Bergharen aanvullend onderzoek naar de huismus noodzakelijk is. Aanvullend onderzoek naar overige beschermde soort(groep)en flora of fauna is niet noodzakelijk. Uit de effectbeoordeling voor de steenuil blijkt dat de geplande ruimtelijke ontwikkeling ten koste gaat van een gedeelte foerageergebied van tenminste één steenuilenpaar. De functionaliteit van het leefgebied blijft echter behouden door beschikbare alternatieven. Voor de steenuil zijn wel mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk om aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats te voorkomen. Het mitigatieplan moet door de provincie Gelderland beoordeeld worden middels een ontheffingsaanvraag. Bij werkzaamheden en activiteiten dient altijd rekening te worden gehouden met (overige) broedvogels. Indien werkzaamheden en activiteiten plaatsvinden buiten het broedseizoen is de kans op conflicten met broedende vogels het kleinst. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om vast te stellen of een vergunningsaanvraag met betrekking tot stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Rijntakken” en andere Natura 2000-gebieden noodzakelijk is.

Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor het Gelders Natuurnetwerk is niet aan de orde. Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen voor woningbouw in het plangebied nabij de Dorsvlegel in Bergharen. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van de gemeente Wijchen. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek op de locatie.

Pagina 3

1

Inleiding en doel

1.1 Inleiding Er zijn plannen voor de realisatie van 19 woningen in Bergharen, in de gemeente Wijchen. Voor de voorgenomen activiteiten verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. De heer Van Hal van de Werkorganisatie Druten Wijchen is betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies gevraagd voor het uitvoeren van een quickscan natuurtoets. Dit is een vorm van verkennend natuuronderzoek dat op korte termijn en in een kort tijdsbestek kan worden uitgevoerd. Tevens heeft de heer Van Hal Staring Advies gevraagd voor het uitvoeren van een effectbeoordeling van het functioneel leefgebied van de steenuil met betrekking tot de beoogde woningbouw.

1.2 Doel Tijdens de uitvoering van het verkennende natuuronderzoek wordt het voorkomen van beschermde soorten planten en dieren op de locatie nagegaan. Het doel van de quickscan is om snel te inventariseren of door het uitvoeren van de plannen schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna, het beoordelen van de geplande werkzaamheden in relatie tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000 en het vaststellen of een kapmelding bij de provincie Gelderland gedaan moet worden. Er wordt onderzocht op welke wijze de plannen voor de locatie in overeenstemming gebracht kunnen worden met hetgeen bepaald is in de Wet natuurbescherming. Tevens vindt er een effectbeoordeling voor de steenuil plaats. Het doel van de effectbeoordeling voor de steenuil is om vast te stellen of de geplande woningbouw leidt tot aantasting van de functionaliteit van het leefgebied van de aanwezige steenuil en hoe negatieve effecten voorkomen of gecompenseerd kunnen worden, indien noodzakelijk.

Pagina 4

2

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden

2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Dorsvlegel Bergharen Wijchen Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de oostrand van de bebouwde kom van Bergharen. Het plangebied wordt globaal begrenst door woningen met bijbehorende tuinen aan de Dorsvlegel aan de zuidwestzijde, een agrarisch perceel aan de noordwestzijde en enkele verspreid liggende erven aan de noordoost- en zuidoostzijde (zie figuur 1). Het plangebied bestaat voor het grootste deel uit een braakliggend agrarisch perceel dat voor het laatst in gebruik is geweest als aardappelveld. Tussen de nog zichtbare aardappelplanten is een vegetatie van grassen en ruigtekruiden ontstaan. In het perceel zijn geen opgaande groenstructuren, gebouwen of waterelementen aanwezig. Daarnaast behoren enkele achtertuinen van woningen aan de Dorsvlegel ook tot het plangebied. De tuinen bestaan hoofdzakelijk uit gazon met verharding en enkele opgaande groenstructuren (zie figuur 2 en bijlage 1). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 7500 m². De omgeving van het plangebied bestaat uit de bebouwde kom van Bergharen en uit het buitengebied ten oosten van Bergharen, met een afwisseling van agrarische percelen, boerenbedrijven, woonerven, lijnvormige groenstructuren, watergangen en infrastructuur. Ten noorden van het plangebied ligt een bebost rivierduinengebied (zie figuur 1).

2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door de oostrand van de bebouwde kom van Bergharen en een gedeelte van het buitengebied van Bergharen, met een afwisseling van agrarische percelen, boerenbedrijven, woonerven, lijnvormige groenstructuren, watergangen en infrastructuur (zie figuur 2). Voor de effectbeoordeling naar het leefgebied van de steenuil is binnen een groter onderzoeksgebied gekeken naar de aanwezigheid van geschikt habitat voor de soort (zie figuur 5 en 6).

Pagina 5

2.4 Geplande werkzaamheden Er zijn plannen voor woningbouw in het plangebied aan de oostzijde van de bebouwde kom van Bergharen. Het uitgangspunt is de realisatie van 19 starterswoningen, verdeeld over 2 onder 1 kapwonigen, geschakelde woningen en levensloop woningen. Het exacte ontwerp, met verkaveling, infrastructuur en inrichting van de openbare ruimte is nog niet uitgewerkt. De resultaten van de effectbeoordeling voor de steenuil zijn van invloed op het ontwerp van het stedenbouwkundig plan. Verschuiven van de plangrens ten behoeve van een maatregel vanwege de steenuil is nog mogelijk.

Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2021).

Pagina 6

Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied voor de quickscan natuurtoets (geel) met daarbinnen het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2021). Voor de effectbeoordeling naar het leefgebied van de steenuil is een groter onderzoeksgebied gehanteerd (zie figuur 5 en 6).

Pagina 7

3

Beschermde status plangebied

3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. Daarnaast beschermt de Wet natuurbescherming bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen. In paragraaf 3.4 wordt het plangebied behandeld in relatie tot deze beschermde houtopstanden.

3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN/GNN. De kernkwaliteiten van het NNN/GNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.

3.2.2 Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten.

Pagina 8

Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.

3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO (zie figuur 3). In de omgeving van het plangebied liggen verschillende bos- en natuurgebieden die zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Het betreft onder andere de beboste rivierduinen ten noorden van Bergharen, natuurgebied ‘De Elzent’ ten noordwesten van het plangebied en verschillende bos- en natuurgebieden rond de Nieuwe Wetering, ten zuiden van het plangebied. Tussen deze gebieden liggen GO’s als ecologische verbindingszones.

Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het GNN (donkergroen) en de GO (lichtgroen), bron: Provincie Gelderland 2021.

Pagina 9

3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Rijntakken” en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren of indirecte verstoringsfactoren, met uitzondering van stikstofdepositie. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van een (significante) toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied “Rijntakken” en overige Natura 2000-gebieden.

3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.

3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Rijntakken” ligt op circa 4,2 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4). Overige Natura 2000-gebieden, zoals ‘Unterer Niederrhein’, ‘Veluwe’, ‘De Bruuk’, ‘Binnenveld’ en ‘Sint Jansberg’ liggen op grotere afstand, vanaf circa 12 kilometer. Door de aard en de beperkte omvang van de werkzaamheden en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied “Rijntakken” en overige Natura 2000-gebieden, worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn, met uitzondering van effecten door stikstofdepositie, op voorhand uit te sluiten door de ruime afstand tot Natura 2000gebieden en de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten. Stikstofdepositie In veel Natura 2000-gebieden is stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats.

Ook in het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Rijntakken” is sprake van overbelasting door stikstof (bron: www.natura2000.nl/gebieden). De afspraken over stikstof staan in de gebiedsanalyse van het betreffende Natura 2000-gebied. Alleen als de hoeveelheid op

Pagina 10

termijn vermindert, zijn nieuwe bedrijfsactiviteiten met stikstofuitstoot mogelijk. In het plangebied wordt woningbouw gerealiseerd. Door de inzet van werktuigen tijdens de realisatiefase en een mogelijke toename van verkeersbewegingen in de gebruiksfase is een toename van stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Sinds 1 juli 2021 geldt op basis van het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering een vrijstelling voor de bouwsector, waardoor eventuele stikstofdepositie veroorzaakt tijdens de aanlegfase geen vergunning meer aangevraagd hoeft te worden. Voor een eventuele toename tijdens de gebruiksfase, bijvoorbeeld door een toename van verkeer, is nog altijd wel een vergunning noodzakelijk. Een stikstofberekening is dan ook noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van een (significante) toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van de geplande activiteiten.

Rijntakken

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000-gebied “Rijntakken”, bron: http://natura2000.eea.europa.eu/ (2021).

Pagina 11

3.4 Houtopstanden 3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.

3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.

3.4.3 Plangebied In het plangebied is geen sprake van bomenkap. Een kapmelding bij de provincie Gelderland is dan ook niet aan de orde.

Pagina 12

4

Beschermde soorten plangebied

4.1

Methode

Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.

4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. De NDFF is echter niet volledig en vlakdekkend. In de NDFF is voor een zoekgebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten, uit de afgelopen 10 jaar.

4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

Ing. R. Boerboom

1

19-07-2021

13:00 uur

Half bewolkt, droog, 22°C, windkracht 1 Bft

Tabel 1. Veldonderzoek.

Pagina 13

4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.

4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor het zoekgebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kan wel een territorium bezetten in het plangebied of in de directe omgeving hiervan, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de omgeving waargenomen buizerd, huismus, kerkuil, ransuil, roek en steenuil zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal nationaal en internationaal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: • •

Nationaal beschermde soorten: aardmuis, bosmuis, das, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis en vos1. Internationaal beschermde soorten: bever, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger.

Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van enkele beschermde amfibieënsoorten: • •

Nationaal beschermde soort: bruine kikker en gewone pad1. Internationaal beschermde soorten: grote modderkruiper.

Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van beschermde ongewervelde diersoorten.

1 Deze soorten zijn, met uitzondering van de das en eekhoorn, in de provincie Gelderland vrijgesteld van de

verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Pagina 14

4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat voor het grootste deel uit een braakliggende akker met tussen de nog aanwezige aardappelplanten een vegetatie van grassen en ruigtekruiden. Daarnaast behoren enkele particuliere tuinen tot het plangebied. De natuurlijke begroeiing bestaat hoofdzakelijk uit algemene soorten van matig voedselrijke tot voedselrijke omstandigheden, zoals Canadese fijnstraal, hoge fijnstraal, melganzenvoet, jakobskruiskruid, bezemkruiskruid, akkerviooltje, bleke klaproos, reukeloze kamille, kompassla, ridderzuring, gewoon varkensgras, muskuskaasjeskruid en algemene grassen. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Beschermde plantensoorten worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten aangetroffen in het onderzoeksgebied: huismus, merel, boerenzwaluw, putter, gierzwaluw, groenling, winterkoning, tjiftjaf, boomkruiper, witte kwikstaart, pimpelmees, vink, zwarte kraai en zwartkop.

Bij een woning aan de Dorsvlegel is een restant van een oud nest van de huiszwaluw aangetroffen. Het plangebied zelf is hooguit geschikt voor een enkele grondbroedende soort als fazant, patrijs of gele kwikstaart. In opgaande groenstructuren in de omgeving van het plangebied kunnen diverse algemene soorten broeden, waaronder een deel van de aangetroffen soorten. In/aan woningen en andere bebouwing in de omgeving van het plangebied kunnen soorten als boerenzwaluw, gierzwaluw, holenduif, huismus, huiszwaluw, kerkuil, steenuil en witte kwikstaart broeden. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de buizerd, huismus, kerkuil, ransuil, roek en steenuil, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied de gierzwaluw en huismus waargenomen. Er zijn geen overige jaarrond beschermde vogelsoorten waargenomen tijdens het veldbezoek. Buizerd en ransuil Van de buizerd en ransuil zijn territoria bekend vanuit een bosgebied ten noorden van het plangebied (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten niet aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Buizerds en ransuilen broeden in forse bomen, voornamelijk in bossen en soms in grote parken of andere bosjes in halfopen landschap.

De ransuil broedt ook in forse bomen in tuinen, zowel in het buitengebied als in de bebouwde kom. Het plangebied, bestaande uit een open akkerperceel, is ongeschikt als

Pagina 15

nestlocatie voor de buizerd en overige jaarrond beschermde soorten, waaronder de in de NDFF vermelde ransuil. In de opgaande groenstructuren rondom het plangebied zijn geen recent gebruikte nesten aangetroffen. Ook zijn er geen sporen, zoals plukplaatsen, uitwerpselen, veren of prooiresten van de buizerd of ransuil waargenomen. Incidenteel kan een foeragerend of overvliegend exemplaar van de buizerd, ransuil of andere boombewonende soort met jaarrond beschermde nesten in het plangebied worden waargenomen, maar het plangebied is niet van belang voor de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten. Gierzwaluw en huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn verspreide waarnemingen van de jaarrond beschermde huismus bekend. De waarnemingen komen van locaties binnen de bebouwde kom van Bergharen, voornamelijk van woningen langs de Molenweg (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn bij diverse woningen in de omgeving van het plangebied roepende huismussen gezien en gehoord. Het betreft onder andere woningen aan de Dorsvlegel, direct grenzend aan het plangebied. Verder zijn huismussen waargenomen bij woningen aan de Molenweg, Hebkesweg, Wijksestraat, Gaffelstraat en Keltenpad. Bij enkele woningen werd ook de ruimte onder de dakpannen bezocht door mussen. De nestlocaties bevinden zich hier vermoedelijk onder de pannen.

In het luchtruim boven de bebouwde kom van Bergharen en boven het plangebied is een groep gierzwaluwen (circa 15 exemplaren) waargenomen. De gierzwaluwen leken een binding te hebben met woningen aan de Gerststraat, ten westen van het plangebied. Hier zijn exemplaren laag gierend door de straat en langs de gevels van de woningen waargenomen. Delen van het plangebied behoren vermoedelijk tot het functioneel leefgebied van de huismus. Dit gaat met name om exemplaren die mogelijk broeden bij de woningen aan de Dorsvlegel. De tuinen en het braakliggend perceel in het plangebied worden vermoedelijk als foerageergebied, slaapplaats en schuilgelegenheid gebruikt. Voor de gierzwaluw is het plangebied geen functioneel leefgebied. Kerkuil Uit de omgeving van het plangebied zijn verspreide waarnemingen van deze jaarrond beschermde soort bekend. Vanuit een erf aan de Elzendweg, ten noordwesten van het plangebied, is een nestlocatie van de kerkuil bekend. Ook vanuit een erf aan de Wijksestraat, net ten zuiden van het plangebied, is een nestlocatie bekend (bron: NDFF). De waarnemingen betreffen roepende/baltsende exemplaren, mogelijk behorende bij bovenstaande territoria. Tijdens het veldbezoek is deze soort niet waargenomen in of om het plangebied. De kerkuil is voor de nesten in hoge mate afhankelijk van gebouwen of andere door de mens aangebrachte constructies zoals schuren en bruggen.

Vaak wordt er in speciale nestkasten gebroed. In het plangebied zijn dergelijke gebouwen of constructies niet aanwezig en derhalve zijn er in of om het plangebied geen geschikte nestelgelegenheden voor de kerkuil aanwezig. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor de soort, door de aanwezigheid van een kruidenrijke vegetatie.

Pagina 16

Roek Vanuit een groenstructuur langs de Nieuwe Wetering, ten zuiden van het plangebied, is een roekenkolonie bekend. Ook vanuit een groenstructuur langs de Wijksestraat, ten noordoosten van het plangebied is een kolonie bekend (bron: NDFF). Het plangebied is door het ontbreken van geschikte nestlocaties, zoals forse bomen in bosschages met voldoende rust en dekking, ongeschikt als broedlocatie voor deze soort. Enkele forse bomen op een erf ten zuiden van het plangebied en de bomenrijen langs de Wijksestraat, ten zuidoosten van het plangebied, zijn geschikt als nestlocatie voor de soort. Hier zijn tijdens het veldbezoek echter geen recente gebruikte nesten aangetroffen. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor de soort. Steenuil Vanuit de omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen van (broedgevallen) van de steenuil bekend. Er zijn onder andere territoria vastgesteld op erven langs de Wijksestraat, Stompendijk en Hebkesweg. Ook vanuit twee erven in de directe omgeving van het plangebied zijn territoria van de steenuil bekend (bron: NDFF). Tijdens gericht steenuilonderzoek (Staro, 2020) is vastgesteld dat er sprake is van twee territoria van de steenuil binnen de invloedsfeer van de geplande woningbouw. Deze nestlocaties bevinden zich buiten het plangebied.

In het plangebied ontbreken geschikte nestgelegenheden, zoals toegankelijke schuurtjes, stallen, knotwilgen en speciale nestkasten in (fruit)bomen. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied verder geen gebruikssporen van steenuilen, zoals braakballen, veren, prooiresten of uitwerpselen aangetroffen. Ook hangen er geen steenuilenkasten, waarmee een nestlocatie uitgesloten is. Het plangebied kan echter wel onderdeel zijn van het leefgebied van de soort. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor de soort. Voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten is het plangebied niet van belang als nestlocatie of functioneel leefgebied. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen) van zoogdieren aangetroffen in het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is geschikt als leefgebied en/of foerageergebied voor verschillende soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, steenmarter, wezel en diverse soorten (spits)muizen. De NDFF vermeldt het voorkomen van de beschermde aardmuis, bever, bosmuis, das, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis en vos voor de omgeving van het plangebied. Voor de genoemde soorten geldt, met uitzondering van de bever, das en eekhoorn, in de provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Bever De in de NDFF vermelde strikt beschermde bever is gebonden aan open water en bijbehorende oeverzones met hoofdzakelijk zachthout ooibos, met voldoende rust en

Pagina 17

schuilmogelijkheden. Dit habitat is niet in het plangebied of direct hieraan grenzend aanwezig. Het plangebied is geen onderdeel van het leefgebied voor deze soort en incidenteel gebruik van het plangebied wordt ook niet verwacht. Das Vanuit een bosgebied ten noorden van het plangebied is een verblijfplaats (burchtlocatie) van de das bekend. Het plangebied is marginaal geschikt als foerageergebied voor de strikt beschermde das. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen sporen als wissels, krabsporen, uitwerpselen, haren of graafsporen waargenomen in het plangebied. Ook zijn er geen dassenburchten in het plangebied en de directe omgeving aangetroffen. Eekhoorn Vanuit een bosgebied ten noorden van het plangebied zijn diverse waarnemingen van de eekhoorn bekend. In het plangebied zelf zijn geen bomen aanwezig en er zijn ook geen sporen (zoals afgeknaagde dennenkegels) van eekhoorns aangetroffen. Het is dan ook uitgesloten dat er een vaste verblijfplaats aanwezig is van de eekhoorn in het plangebied. Het akkerperceel binnen het plangebied is niet van belang als leefgebied voor de eekhoorn. Sporadisch kan een eekhoorn het plangebied doorkruisen. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. Kleine marterachtigen Er zijn geen waarnemingen van kleine marterachtigen, zoals de bunzing, hermelijn en wezel bekend uit de directe omgeving van het plangebied (bron: NDFF).

In de ruime omgeving van het plangebied komen deze soorten wel voor (bron: verspreidingskaarten Zoogdiervereniging). Met name het braakliggend perceel binnen het plangebied is geschikt als foerageergebied voor kleine marterachtigen. De tuinen van de particuliere woningen aan de Dorsvlegel behorende tot het plangebied zijn niet of nauwelijks geschikt door het ontbreken van dekking. Een verblijfplaats van een kleine marterachtige wordt niet verwacht in het plangebied door het ontbreken van schuilgelegenheden als stenenstapels, houtstapels, takkenhopen, zoogdierholen of dicht struikgewas. In de omgeving van het plangebied bevinden zich wel geschikte verblijfplaatsen, zoals de takkenhopen in het steenuilcompensatiegebied (zie foto 1) aan de noordzijde van het plangebied en dichte groenstructuren in de omgeving.

Pagina 18

Foto 1. Takkenhoop in het steenuilcompensatiegebied naast het plangebied (foto: R. Boerboom).

Steenmarter Vanuit de NDFF zijn geen waarnemingen van de steenmarter bekend uit de directe omgeving van het plangebied. Gezien het huidige/actuele verspreidingsbeeld van de soort in de regio kan de steenmarter in en rond de het plangebied wel verwacht worden. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. De soort is niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Ook zijn er geen sporen als uitwerpselen/latrines, prooiresten of krabsporen waargenomen. Een verblijfplaats van de steenmarter wordt niet verwacht door het ontbreken van bebouwing en andere geschikte schuilgelegenheden als stenenstapels, houtstapels, takkenhopen, zoogdierholen of dicht struikgewas. In de omgeving van het plangebied bevinden zich wel geschikte verblijfplaatsen, met name in de vorm van woningen en andere geschikte bebouwing. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren.

Pagina 19

Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen In het plangebied ontbreken gebouwen. Verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals de uit de omgeving bekende gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger, zijn dan ook uitgesloten in het plangebied. In de woningen direct rond het plangebied kunnen zich mogelijk wel verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied ontbreken bomen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn dan ook uitgesloten in het plangebied. Vliegroutes en foerageergebied(en) van vleermuizen Het plangebied is door de afwezigheid van opgaande groenstructuren niet of nauwelijks geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Incidenteel kan een overvliegend of langs de randen foeragerend exemplaar van bijvoorbeeld een gewone dwergvleermuis of rosse vleermuis worden aangetroffen. Van een vliegroute of essentieel foerageergebied is echter geen sprake. Amfibieën, reptielen, vissen Beschermde amfibieën, reptielen of vissen zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Vanuit de NDFF zijn waarnemingen van de beschermde bruine kikker, gewone pad en grote modderkruiper bekend.

De NDFF meldt geen beschermde reptielen voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). In het plangebied is geen sprake van oppervlaktewateren die kunnen dienen als voorplantingswater/leefgebied voor bovenstaande of andere beschermde amfibieën of vissen. Door het ontbreken van opgaande groenstructuren is het plangebied eveneens ongeschikt als landhabitat en overwinteringsplek voor amfibieën. Incidenteel kan het plangebied doorkruist worden door een algemene soort als bruine kikker of gewone pad. Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Door het ontbreken van geschikte leefgebieden en het ontbreken van aansluiting op bekende populaties worden er geen strikt beschermde amfibieën of reptielen in het plangebied verwacht. Het bronnenonderzoek bevestigt tevens de afwezigheid van strikt beschermde amfibieën en reptielen voor het plangebied en omgeving. Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn de atalanta, bruin zandoogje, dagpauwoog, icarusblauwtje, klein koolwitje en kleine vuurvlinder in het plangebied waargenomen. Dit zijn algemene, niet beschermde dagvlindersoorten. Ook zijn diverse algemene soorten sprinkhanen in het

Pagina 20

plangebied waargenomen, waaronder de grote groene sabelsprinkhaan. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. De NDFF vermeldt geen beschermde ongewervelde diersoorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Beschermde ongewervelde diersoorten worden ook niet in het plangebied verwacht, door het ontbreken van geschikt leefgebied.

Pagina 21

5

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In hoofdstuk 4 is vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie en is bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. In dit hoofdstuk worden deze effecten getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht doordat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. In het plangebied kunnen broedvogels worden verwacht in de opgaande groenstructuren, zoals de bomenrijen en braamstruwelen.

Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels in de directe omgeving van de werkzaamheden minimaal. Het broedseizoen ligt, afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd.

Pagina 22

Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de buizerd, huismus, kerkuil, ransuil, roek en steenuil, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Tijdens het veldbezoek zijn in het onderzoeksgebied de huismus en gierzwaluw waargenomen. Buizerd, ransuil en roek Een nestlocatie van de buizerd, ransuil, roek of andere boombewonende soort met jaarrond beschermde nesten is uit te sluiten door de afwezigheid van bomen in het plangebied. In de directe omgeving bevinden zich wel enkele bomen, maar door het ontbreken van voldoende rust en dekking worden hier geen nestlocaties van jaarrond beschermde boombewonende soorten verwacht. Gierzwaluw Tijdens het veldbezoek zijn overvliegende gierzwaluwen waargenomen. Deze broeden vermoedelijk in woningen in de bebouwde kom van Bergharen, ten westen van het plangebied. In het plangebied bevinden zich geen geschikte nestlocaties. Bij de gierzwaluw is geen sprake van een functioneel leefgebied, aangezien de soort alle voorzieningen uit het luchtruim haalt. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk voor deze soort. Huismus Bij diverse woningen in de directe omgeving van het plangebied zijn huismussen waargenomen, waardoor het plangebied mogelijk tot het functioneel leefgebied van de soort behoort.

Door de geplande woningbouw is mogelijk sprake van verstoring van nabijgelegen nestlocaties en oppervlakteverlies van functioneel leefgebied. Aanvullend onderzoek naar deze soort is noodzakelijk. Om uit te sluiten, dan wel aan te tonen dat de huismus broedt binnen de invloedsfeer van de geplande woningbouw in het plangebied, dienen 2 veldbezoeken uitgevoerd worden in de periode van 1 april tot en met 20 juni tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang (bron: Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, Netwerk Groene Bureaus). Kerkuil In het plangebied bevinden zich geen voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- of verblijfplaatsen van de kerkuil. De soort broedt vermoedelijk wel in de omgeving van het plangebied, waardoor het plangebied mogelijk onderdeel is van het functioneel leefgebied van de soort. Een leefgebied van de kerkuil varieert van 60 hectare in een heel goed gebied, tot 1200 hectare in een heel arm gebied. De grootte van het functionele leefgebied wordt grotendeels bepaald door het voedselaanbod. Bij een geschikt voedselaanbod hebben kerkuilen voldoende aan een gebied van 500 tot 1.500 meter rond de broedplaats. Als het voedselaanbod kleiner is, heeft de kerkuil een groter gebied nodig (bron: Kennisdocument Kerkuil, BIJ12).

Door de beperkte omvang van het plangebied (circa 7500 m²) en het ruime aanbod aan geschikt foerageergebied in de omgeving is er geen sprake

Pagina 23

van aantasting van de functionaliteit van het essentieel leefgebied van de soort. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk voor deze soort. Steenuil In het plangebied bevinden zich geen voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- of verblijfplaatsen van de steenuil. Vermoedelijk zijn in het gebied ten (zuid)oosten van het plangebied twee territoria aanwezig. Ten noordoosten van het plangebied, aan de Wijksestraat 41, is sprake van een vastgesteld territorium. Ook bij de Wijksestraat 29/31a is een territorium aanwezig (bron: Staro, 2020). Het plangebied is vermoedelijk onderdeel van het functioneel leefgebied van deze steenuilen. Analyse territorium De gemiddelde territoriumgrootte van een steenuil is circa 5 – 30 hectare (bron: Soortenstandaard Steenuil, Ministerie van Economische Zaken). De foerageergebieden liggen, met name in het broedseizoen, binnen 300 meter afstand van de nestlocatie (bron: Soortenstandaard Steenuil, Ministerie van Economische Zaken). Op basis van de habitateisen van de steenuil, veldwaarnemingen en de ligging van de nestlocaties in de omgeving van het plangebied is een inschatting gemaakt van het gebiedsgebruik en de omvang van het functioneel leefgebied van de twee steenuilenparen nabij het plangebied (Wijksestraat 29/31a en Wijksestraat 41).

Op basis hiervan blijkt dat het plangebied volledig binnen het leefgebied van beide steenuilenparen valt (zie figuur 5). Er is een duidelijke overlap tussen de twee territoria. Incidenteel gebruiken ook in de verdere omgeving broedende steenuilen mogelijk het plangebied, maar door de fysieke afstand tot deze percelen en de beschikbaarheid van voldoende foerageergebied dichterbij de nestlocaties zal gebruik van plangebied incidenteel zijn. Territorium Wijksestraat 29-31a Binnen dit territorium blijft circa 13,3 hectare geschikt foerageergebied aanwezig binnen een straal van 300 meter rond de nestlocatie (zie figuur 5). Binnen de geschikte terreindelen bevinden zich wel elementen als bebouwing, verhard oppervlak en ongeschikte tuinen die niet geschikt zijn als foerageergebied. Er is bovendien sprake van een duidelijke overlap met de territoria van de Wijksestraat 41. Ongeschikte delen zijn de grootschalige intensieve graslanden ten zuidoosten van de Wijksestraat, enkele gesloten bospercelen en de bebouwde kom van Bergharen.

Pagina 24

Figuur 5. Analyse leefgebied steenuil Wijksestraat 29/31a. Overlap met het territorium van de Wijksestraat 41 is met de zwarte cirkel weergegeven.

Buiten het broedseizoen is het mogelijk dat ook foerageergebieden op ruimere afstand van de verblijfplaats gebruikt worden. Buiten de straal van 300 meter is, met name ten noordwesten van de Molenweg, meer geschikt foerageergebied aanwezig, in de vorm van kleinschalige graslanden/dierenweiden en enkele bosranden. Door de geplande woningbouw gaat er voor dit steenuilenpaar binnen de straal van 300 meter circa 0,75 hectare geschikt leefgebied verloren. Daarmee blijft er nog circa 13,3 hectare geschikt leefgebied over. De overgebleven oppervlakte ligt boven de minimum territoriumgrootte van 5 hectare, die in de Soortenstandaard Steenuil gehanteerd wordt. Er is echter sprake van overlap met het territorium aan de Wijksestraat 41, waardoor twee steenuilenparen min of meer dezelfde percelen zullen gebruiken als foerageergebied.

Pagina 25

Territorium Wijksestraat 41 Binnen dit territorium blijft circa 15,6 hectare geschikt foerageergebied aanwezig binnen een straal van 300 meter rond de nestlocatie (zie figuur 6). Binnen de geschikte terreindelen bevinden zich wel elementen als bebouwing, verhard oppervlak en ongeschikte tuinen die niet geschikt zijn als foerageergebied. Er is bovendien sprake van een duidelijke overlap met de territoria van de Wijksestraat 29/31a. Ongeschikte delen zijn de grootschalige intensieve graslanden ten zuidoosten van de Wijksestraat, enkele gesloten bospercelen en de bebouwde kom van Bergharen.

Figuur 6. Analyse leefgebied steenuil Wijksestraat 41. Overlap met het territorium van de Wijksestraat 29/31a is met de zwarte cirkel weergegeven.

Buiten het broedseizoen is het mogelijk dat ook foerageergebieden op ruimere afstand van de verblijfplaats gebruikt worden. Buiten de straal van 300 meter is, met name ten noordwesten van het plangebied, meer geschikt foerageergebied aanwezig, in de vorm van kleinschalige graslanden/dierenweiden en enkele bosranden.

Pagina 26

Door de geplande woningbouw gaat er voor dit steenuilenpaar binnen de straal van 300 meter circa 0,75 hectare geschikt leefgebied verloren. Daarmee blijft er nog circa 15,6 hectare geschikt leefgebied over. De overgebleven oppervlakte ligt boven de minimum territoriumgrootte van 5 hectare, die in de Soortenstandaard Steenuil gehanteerd wordt. Er is echter sprake van overlap met het territorium aan de Wijksestraat 29/31a, waardoor twee steenuilenparen min of meer dezelfde percelen zullen gebruiken als foerageergebied. Conclusie effectbeoordeling steenuil Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor de steenuil door de aanwezigheid van kruidenrijke vegetatie. In het plangebied bevinden zich geen voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- of verblijfplaatsen van de steenuil. Er bevinden zich wel twee steenuilen territoria in de nabijheid van het plangebied, waardoor het plangebied onderdeel is van het functioneel leefgebied van de soort. Door de geplande woningbouw is er een afname van circa 0,75 hectare geschikt leefgebied. Het resterend geschikt foerageergebied dat beide territoria overlapt is 11,3 hectare. Dit zal voldoende draagkracht hebben als foerageergebied voor beide steenuilenparen.

Ondanks dat de functionaliteit van het leefgebied van de steenuil niet aangetast wordt door dit oppervlakteverlies, door de aanwezigheid van voldoende alternatieven, is er wel sprake van een verslechtering van het leefgebied. Daarnaast komt de nieuwbouw vrijwel direct naast een erf met nestlocatie (zie figuur 5) wat zowel tijdens de bouwfase als de gebruiksfase voor extra verstoring kan zorgen. Ook kunnen er in het overlappende foerageergebied tussen de twee steenuilenparen conflictsituaties ontstaan, doordat het steenuilenpaar aan de Wijksestraat 29/31a meer is aangewezen op noordelijk gelegen foerageergebieden. Er kan bovendien sprake zijn van een cumulatief effect van de huidige woningbouw ten noordwesten van het plangebied. De functionaliteit van (met name) de vaste rust en verblijfplaats van de steenuil aan de Wijksestraat 29/31a komt daarmee mogelijk in het geding. De volgende mitigerende en compenserende maatregelen zijn noodzakelijk om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen met betrekking tot de steenuil (zie ook figuur 7): •

•

•

Om verstoring tijdens de aanlegfase te voorkomen, moeten aanleg- en bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen van de steenuil uitgevoerd worden (februari – juli). Bij de verkaveling van het plangebied moet zoveel mogelijk rekening gehouden worden met de nestlocatie van de steenuil, door woningen zover mogelijk van dit erf (Wijksestraat 29) te situeren. Er moet een groene bufferzone aangebracht worden aan de noordoostrand van het plangebied, grenzend aan het erf van de Wijksestraat 29. Dit wordt bij voorkeur een dichte struweelhaag/houtsingel, bestaande uit inheems bosplantsoen, met enkele boomvormers. Langs de rand van de singel kan een takkenril aangebracht worden, om extra voedselaanbod voor de steenuil te creëren.

Pagina 27

• •

•

• •

De bufferzone moet doorgetrokken worden aan de noordwestrand, zodat aansluiting gevonden wordt met het bestaande compensatiegebied. Ter versterking van het leefgebied moet het huidige compensatiegebied uitgebreid worden in noordoostelijke richting (zie figuur 7). Invulling van de uitbreiding kan op dezelfde wijze als het huidige compensatiegebied. Het reeds ingerichte compensatiegebied (zie figuur 7) voor de huidige woningbouw moet op steenuil vriendelijke wijze beheerd worden, door de grazige vegetatie extensief (en bij voorkeur gefaseerd) te maaien of te begrazen. Inboet van afgestorven bosplantsoen (door de droogte van afgelopen jaren) is noodzakelijk. De maatregelen moeten tijdig gerealiseerd zijn om te kunnen functioneren. De omgeving van het plangebied vormt in de huidige situatie verder een optimaal foerageergebied voor de soort, door de aanwezigheid van extensieve graslanden en dierenweides met paaltjes er langs, bestaande uit gras van verschillende lengten en door de aanwezigheid van verschillende opgaande groenstructuren (bomenrijen, bosranden en singels). De waarde van dit gebied zit bovendien in de afwisseling van de kleinschalige graslanden/dierenweiden met opgaande groenstructuren en de aansluiting op aangrenzende bosschages, zoals het rivierduin ten noordoosten hiervan. Zie bijlage 1 voor een impressie.

Versterking van het leefgebied van de steenuil is hier uitsluitend mogelijk door het aanbrengen van hagen langs de percelen. Aanbevolen wordt om in overleg met de grondeigenaren te kijken naar mogelijkheden om hier hagen te realiseren. In dit gebied zijn momenteel geen plannen voor woningbouw.

Pagina 28

Voorstel mitigatie steenuil binnen plangebied:

Huidig compensatiegebied

Aanbrengen takkenril Aanbrengen haag/singel als bufferzone Woningen zo ver mogelijk van deze zijde positioneren Uitbreiding compensatiegebied Plangebied Figuur 7. Voorstel mitigatie steenuil.

Het mitigatieplan moet door de provincie Gelderland beoordeeld worden middels een ontheffingsaanvraag. Hierbij moet ook het cumulatief effect van de huidige woningbouw meegenomen worden. In het plangebied bevinden zich geen nestlocaties van overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. De functionaliteit van het leefgebied van deze soorten wordt niet aangetast door de geplande activiteiten. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek naar deze soorten of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

Pagina 29

Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt als leefgebied voor enkele soorten grondgebonden zoogdiersoorten, zoals bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, steenmarter, wezel en diverse soorten (spits)muizen. Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel. Daarnaast zijn van de strikt beschermde bever, das en eekhoorn waarnemingen bekend uit de omgeving van het plangebied. Bever, das en eekhoorn Het voorkomen van de strikt beschermde bever, das en eekhoorn is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen of essentieel leefgebieden aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze beschermde zoogdiersoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Kleine marterachtigen In de provincie Gelderland zijn per 1 maart 2019 de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit betekent dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kunnen zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood. Kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel kunnen in het plangebied verwacht worden.

Van deze soorten zijn uit het plangebied en de directe omgeving geen waarnemingen bekend (bron: NDF), maar kleine marterachtigen blijven door hun verborgen levenswijze vaak onopgemerkt. De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten (bron: Zoogdiervereniging). De hermelijn en wezel komen in vergelijkbare landschapstypen voor, maar is over het algemeen minder gebonden aan waterrijke gebieden. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor kleine marterachtigen, maar een vaste rust- en verblijfplaats wordt niet verwacht door het ontbreken van takkenhopen, bosranden, greppels, stapels materiaal, zoogdierholen en dicht braamstruweel. Door de beperkte omvang van het plangebied leidt de geplande woningbouw niet tot aantasting van de functionaliteit van een mogelijk aanwezig leefgebied van kleine marterachtigen. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze beschermde zoogdiersoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk.

Pagina 30

Steenmarter Het voorkomen van de strikt beschermde steenmarter is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen of essentieel leefgebieden aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze beschermde zoogdiersoort en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Overige strikt beschermde zoogdieren worden niet in het plangebied verwacht. Aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet nodig voor overige grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging (2021). Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er voor gebouwbewonende vleermuizen als verblijfplaats geschikte gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Nee → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen is niet noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen is niet noodzakelijk. 3.

Worden er struiken, gewassen, bomen of andere elementen verwijderd of aangetast die deel uitmaken van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Nee → Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden is niet noodzakelijk. Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden worden geen verblijfplaatsen, vliegroutes of essentiële foerageergebieden van vleermuizen verwacht. Aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag is voor vleermuizen niet noodzakelijk. Amfibieën In het plangebied worden alleen algemene soorten amfibieën verwacht, waarvoor in de provincie Gelderland de vrijstellingsregeling voor ruimtelijke ingrepen geldt. Aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag is voor amfibieën niet noodzakelijk.

Pagina 31

Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren niet te verwachten in het plangebied. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen.

Pagina 32

6

Conclusie

Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt niet in het GNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast door de geplande inrichting. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Natura 2000 Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om vast te stellen of een vergunningsaanvraag met betrekking tot stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Rijntakken” en andere Natura 2000-gebieden noodzakelijk is. Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek naar de huismus is noodzakelijk. Aanvullend onderzoek is naar overige beschermde soort(groep)en flora en fauna is niet noodzakelijk. Voor de steenuil zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk om aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats te voorkomen. Het mitigatieplan moet door de provincie Gelderland beoordeeld worden middels een ontheffingsaanvraag. Er moet verder rekening worden gehouden met (overige) broedvogels. Werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden.

Pagina 33

Bijlagen 1 2 3

Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten

Pagina 34

Bijlage 1 Impressie plangebied Plangebied

Pagina 35

Impressie omgevingscheck steenuil

Pagina 36

Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=018c9307-7076-4032-ac2b-d120d5ea6d58