Bijlagen bij toelichting_Bijlage 9 Soortgericht onderzoek Wet natuurbescherming.pdf
Tekst van het document
Soortgericht onderzoek Oosterweg 279 Wijchen Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming 3 november 2022
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Verantwoording Titel
Soortgericht onderzoek Oosterweg 279 Wijchen
Opdrachtgever
De heer R. Schraven
Projectleider
Jordy Houkes
Auteur
Eline Dierikx
Tweede lezer
Harm Bolle
Projectnummer
1285176
Aantal pagina’s
23
Datum
3 november 2022
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Ekkersrijt 4008 Postbus 1680 5602 BR Eindhoven T +31 40 23 25 55 0 E info.eindhoven@tauw.com
2/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Inhoud 1
2
3
4
5
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding en doel onderzoek ............................................................................................ 5
1.2
Leeswijzer .......................................................................................................................... 5
Plangebied en beoogde ontwikkeling ........................................................................................ 5 2.1
Plangebied ......................................................................................................................... 5
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 6
Relevante soorten en mogelijke effecten en verbodsbepalingen .............................................. 8 3.1
Grote leeuwenklauw ........................................................................................................... 8
3.2
Steenmarter ....................................................................................................................... 8
3.3
Vleermuizen ....................................................................................................................... 8
3.4
Teunisbloempijlstaart ......................................................................................................... 9
3.5
Bunzing en wezel ............................................................................................................... 9
Onderzoeksmethode ................................................................................................................. 9 4.1
Onderzoeksgebied ............................................................................................................. 9
4.2
Protocollen ....................................................................................................................... 10
4.3
Grote leeuwenklauw ......................................................................................................... 10
4.4
Steenmarter ..................................................................................................................... 10
4.5
Vleermuizen ..................................................................................................................... 11
4.6
Teunisbloempijlstaart ....................................................................................................... 12
4.7
Bunzing en wezel ............................................................................................................. 12
Resultaten ............................................................................................................................... 13 5.1
Wettelijk kader .................................................................................................................. 13
5.2
Grote Leeuwenklauw ....................................................................................................... 14
5.2.1
Resultaten ................................................................................................................. 14
5.2.2
Effecten en verbodsbepalingen ................................................................................ 15
5.3
Steenmarter ..................................................................................................................... 15
5.3.1
Resultaten ................................................................................................................. 15
5.3.2
Effecten en verbodsbepalingen ................................................................................ 17
5.4
Vleermuizen ..................................................................................................................... 17
5.4.1
Resultaten ................................................................................................................. 17
3/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
5.4.2 5.5
7
8
Teunisbloempijlstaart ....................................................................................................... 18
5.5.1
Resultaten ................................................................................................................. 18
5.5.2
Effecten en verbodsbepalingen ................................................................................ 19
5.6 6
Effecten en verbodsbepalingen ................................................................................ 18
Kleine marterachtigen ...................................................................................................... 19
Vervolgstappen........................................................................................................................ 19 6.1
Mitigerende maatregelen ................................................................................................. 19
6.2
Ontheffing ......................................................................................................................... 19
6.3
Overige maatregelen ........................................................................................................ 21
Conclusie ................................................................................................................................. 21 7.1
Aanleiding ........................................................................................................................ 21
7.2
Conclusie ......................................................................................................................... 22
Literatuur ................................................................................................................................. 23
4/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel onderzoek
De heer R. Schraven is voornemens vier woningen te ontwikkelen in combinatie met natuurontwikkeling op het terrein van Schraven Hoveniers B.V. aan de Oosterweg 279 te Wijchen. TAUW heeft deze plannen reeds getoetst aan de Wet natuurbescherming in een natuurtoets (TAUW, 2022). De natuurtoets concludeert dat negatieve effecten op beschermde soorten niet op voorhand zijn uitgesloten en dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. TAUW heeft daarom soortgericht onderzoek uitgevoerd om de functie van het plangebied te bepalen voor vleermuizen, steenmarter, grote leeuwenklauw en teunisbloempijlstaart. Deze rapportage doet verslag van het soortgericht onderzoek en geeft antwoord op de vraag of een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is.
1.2
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 volgt een overzicht van het plangebied en de beoogde ontwikkeling. In de navolgende hoofdstukken staan de details en de resultaten van het ecologisch onderzoek. In hoofdstuk 3 volgt eerst een samenvatting van de conclusies uit de natuurtoets. In hoofdstuk 4 is de onderzoeksmethode uitgewerkt, waarna in hoofdstuk 5 de resultaten van het onderzoek zijn behandeld. Aan de hand van de resultaten is een effectbeoordeling uitgevoerd. In hoofdstuk 6 ‘vervolgstappen’ is aangegeven of mitigerende maatregelen van toepassing zijn, of een ontheffing nodig is en onder welke voorwaarden een ontheffing redelijkerwijs verleend kan worden. Tot slot vat hoofdstuk 7 alles in een conclusie samen.
2 Plangebied en beoogde ontwikkeling 2.1
Plangebied
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om het perceel aan de Oosterweg 279 te Wijchen, in de provincie Gelderland. Op het terrein is een woonhuis en een bedrijfsgebouw aanwezig waar twee bedrijven zijn gevestigd. Het bedrijf Schraven Hoveniers B.V., en een straatsteenleverancier. De directe omgeving van het bedrijfsgebouw bestaat voornamelijk uit verharding. Er staan twee overkappingen met enkelvoudig metselwerk en een tuinhuis. Aan de noordkant van het bedrijfsgebouw zijn recent twee vleermuiskasten opgehangen. Het zuidoosten van het plangebied betreft gazon. Ten noorden van het bedrijfsgebouw en de verharding is een paardenweide aanwezig. De randen van de paardenweide bestaan uit een bescheiden conifeerhaag met enige vorm van ruig grasland ernaast.
5/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Aan de zuidkant van de paardenweide is ruig grasland en een strook met (gedeeltelijke) beplanting die regelmatig wordt verplant door het hoveniersbedrijf aanwezig. Ten westen van de paardenweide staat een voormalige kippenschuur die in gebruik is als opslagruimte. Het dak is asbesthoudend en onder het dak is isolatiemateriaal aanwezig. Op sommige plekken zijn openingen in de dakisolatie aanwezig. De omgeving ten westen en noorden van het plangebied bestaat uit agrarisch gebied. Ten zuiden (Oosterweg) en oosten (N324) lopen druk bereden wegen. Aan de overzijde van de N324 ligt een vrijwel gesloten bosgebied.
Figuur 2.1 Ligging plangebied (globaal begrensd)
2.2
Beoogde ontwikkeling
In het oostelijk deel van het plangebied worden vier vrijstaande woningen gebouwd (zie figuur 2.2). Deze worden levensloopbestendig en energieneutraal gebouwd. Vanaf de N324 komen twee gezamenlijke inritten om de woningen te ontsluiten. De kippenschuur achter op het perceel wordt gesloopt, net als de overkapping en het tuinhuis. De woning, het bedrijfsgebouw en de directe omgeving daarvan blijven behouden. Om ruimte te maken voor de beoogde ontwikkeling is het nodig enkele (conifeer)hagen en enkele jonge bomen te verwijderen.
6/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
In het plan wordt veel rekening gehouden met het versterken van ecologische waarden. Zo wordt er natuurinclusief gebouwd. In de woningen worden inbouwstenen voor vleermuizen geplaatst, worden overhangende nokvorsten voor gierzwaluw gemaakt en wordt geen vogelschroot onder dakpannen toegepast, zodat huismus hier kan nestelen. Er wordt geen gebruik gemaakt van schuttingen of hekwerk, maar van groene hagen. Tegen de gevels en in de te planten bomen worden nestkasten voor vogels opgehangen. Ook in het noordwestelijk deel van het plangebied worden maatregelen genomen ten gunste van biodiversiteit. Het noordelijk deel van het plangebied wordt gebruikt voor het aanleggen van een natuurlijke inrichting. Dit deel wordt ingeplant met verschillende soorten bomen en ondergroei. Er wordt een weide ingezaaid met bloem- en kruidenrijk grasland en er is ruimte voor waterberging. Overtollig regenwater wordt vanaf de woning naar deze berging geleidt. Een brede groene verbinding aan de noordkant van het plangebied zorgt voor een betere verbinding tussen het bosperceel ten oosten van het plangebied en groene gebieden aan de westkant van het plangebied. Dit deel wordt niet toegankelijk voor publiek om dieren voldoende rust te gunnen.
Figuur 2.2 Plattegrond van de beoogde ontwikkeling
7/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
3 Relevante soorten en mogelijke effecten en verbodsbepalingen In dit hoofdstuk staan de soorten benoemd uit de natuurtoets en de bijbehorende verbodsbepalingen In de natuurtoets is op voorhand niet uitgesloten dat beschermde soorten in het plangebied voorkomen en dat negatieve effecten op beschermde soorten tot een overtreding van verbodsbepalingen leidt (TAUW, 2022). Het gaat om de soorten grote leeuwenklauw, steenmarter, vleermuizen en teunisbloempijlstaart.
3.1
Grote leeuwenklauw
Binnen het plangebied zijn meerdere groeiplaatsen geschikt voor grote leeuwenklauw, zoals het onverharde pad rondom de kippenschuur en de ruigte met omgewerkte grond tussen de paardenweide en het verharde deel rondom het bedrijfsgebouw. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het vernietigen van beschermde planten (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub c).
3.2
Steenmarter
Steenmarter kan mogelijk verblijfplaatsen hebben in de voormalige kippenschuur. Hier zijn diverse openingen aangetroffen waar steenmarter binnen kan treden. De werkzaamheden (sloop voormalige kippenschuur) leiden mogelijk tot het doden van individuen en het vernietigen van verblijfplaatsen (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub a en b).
3.3
Vleermuizen
In het plangebied zijn mogelijke vleermuisverblijfplaatsen aanwezig in de voormalige kippenschuur. Via de openingen onder het de dakrand en de gevelbetimmering kunnen vleermuizen naar binnen treden. Omdat het een kippenschuur betreft die weinig isolatiewaarde heeft zijn kraam- en winterverblijfplaatsen uitgesloten. Zomer- en paarverblijfplaatsen zijn niet op voorhand uit te sluiten. Tabel 3.1 geeft een overzicht van mogelijke soortfunctiecombinaties die de kippenschuur bieden. Door het voornemen verdwijnt de kippenschuur. Hierdoor leiden de werkzaamheden mogelijk tot het verstoren en/of vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.5 lid 2 en 4).
8/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Tabel 3.1 Mogelijk aanwezige soortfunctiecombinaties in het plangebied Type functie
Vleermuissoorten
Zomerverblijf in gebouw
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, baardvleermuis, laatvlieger en meervleermuis
Paarverblijf in gebouw
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en meervleermuis
Kraamverblijf en winterverblijfplaats
Uitgesloten
in gebouw
3.4
Teunisbloempijlstaart
Tijdens het veldbezoek voor de quickscan (TAUW, 2022) zijn in het plangebied zijn enkele basterdwederiken aangetroffen. Omdat er waardplanten van teunisbloempijlstaart in het plangebied aanwezig zijn is niet op voorhand uit te sluiten dat voortplantingshabitat van teunisbloempijlstaart afwezig is. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op of direct nabij geschikte voortplantingsplaatsen en winterhabitat van teunisbloempijlstaart. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren en leefgebied (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.5, lid 1, 2, 3 en 4).
3.5
Bunzing en wezel
Provincie Gelderland hanteert sinds kort beleid dat aangeeft dat regulier onderzoek met cameravallen niet volstaat om aanwezigheid van bunzing en wezel uit te sluiten. Indien een gebied geschikt wordt geacht, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Doordat het plangebied (deels) geschikt is als leefgebied en mogelijk verblijfplaatsen kan bieden is een ontheffing Wnb (artikel 3.10, lid 1, sub a en b) nodig.
4 Onderzoeksmethode In dit hoofdstuk is de methode van het uitgevoerde onderzoek per verwachte soort beschreven.
4.1
Onderzoeksgebied
Doordat de woning, het bedrijfsgebouw en de directe omgeving hiervan behouden blijft, vallen deze elementen binnen het plangebied buiten de scope van het onderzoek. Het onderzoeksgebied is als volgt weergegeven in figuur 4.1.
9/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Figuur 4.1 Het onderzoeksgebied weergegeven binnen het plangebied
4.2
Protocollen
Het veldwerk voor het ecologisch soortonderzoek is uitgevoerd volgens de meest recente versies van algemeen geaccepteerde onderzoeksprotocollen. In sommige gevallen betreft dit de kennisdocumenten van BIJ12 of de soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus. Indien voor een soort geen onderzoeksprotocol aanwezig is, is het onderzoek afgestemd op basis van trefkans. In deze gevallen is een nadere toelichting gegeven over de gehanteerde onderzoeksopzet. In de volgende paragrafen is per soort(groep) de methode van het onderzoek beschreven.
4.3
Grote leeuwenklauw
Voor het onderzoek naar grote leeuwenklauw is geen onderzoeksprotocol aanwezig. Op basis van expert judgement is de onderzoeksmethode van grote leeuwenklauw vastgesteld. Door middel van één veldbezoek is de aan- of afwezigheid van grote leeuwenklauw onderzocht door een ter zake kundige ecoloog. Het veldbezoek is uitgevoerd in de bloeiperiode die loopt van mei tot en met augustus (zie tabel 4.1).
4.4
Steenmarter
Voor de aan- of afwezigheid van steenmarter aan te tonen is geen onderzoeksprotocol aanwezig. Voor het onderzoek zijn twee cameravallen ingezet, die over een aaneengesloten periode van acht weken draaiende zijn gehouden (zie figuur 4.1). Dit aantal is gebaseerd op basis van geschiktheid, de omvang/oppervlakte van het potentieel habitat en expert judgement.
10/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
De cameravallen zijn geplaatst rondom de voormalige kippenschuur, waar verblijfplaatsen van steenmarter niet op voorhand uitgesloten zijn. In totaal zijn drie bezoeken uitgevoerd door één ervaren ecoloog (zie tabel 4.1). Tijdens het eerste bezoek zijn de cameravallen geplaatst. Na drie weken zijn de cameravallen gecontroleerd, zijn de batterijen vervangen en SD-kaarten geleegd. Vijf weken na het tweede veldbezoek zijn de camera’s weer opgehaald. De door de camera’s vastgelegde beelden zijn geanalyseerd op de aanwezigheid van steenmarter.
Figuur 4.2 Plaatsing en oriëntatie van wildcamera’s in het plangebied
4.5
Vleermuizen
Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuizenprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2021). Dit is gedaan met behulp van een batdetector. Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt, omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Aan de hand van het ritme en de frequentie kan worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Voor het determineren van soorten wordt daarnaast gebruik gemaakt van opnameapparatuur en speciale software om vleermuisgeluiden te analyseren. Om verblijfplaatsen in kaart te brengen hebben twee ervaren ecologen door het plangebied gelopen en gepost. Bij het rondlopen is gekeken naar vleermuisactiviteit en vleermuisgedrag.
11/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
In totaal zijn vijf veldbezoeken uitgevoerd in de periode mei tot en met september. Meerdere bezoeken zijn nodig omdat vleermuizen gebruik maken van een netwerk van verblijfplaatsen met bijbehorende foerageergebieden en routes tussen deze plekken. Door de bezoeken te spreiden wordt een beter beeld verkregen van de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied en hiermee van de betekenis van het plangebied voor vleermuizen. In tabel 4.1 zijn de data en weersomstandigheden van de veldbezoeken weergegeven. Het veldwerk is sterk weersafhankelijk en is alleen bij gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Dit houdt voor vleermuizen in dat er geen of weinig neerslag is, niet te veel wind en het warm genoeg is.
4.6
Teunisbloempijlstaart
Voor het onderzoek naar teunisbloempijlstaart is geen protocol, waardoor het onderzoek opgezet is op basis van expert judgement. Het onderzoek richt zich op zichtwaarnemingen van rupsen van teunisbloempijlstaart in de periode juni tot september. Het onderzoek richt zich op rupsen door de verhoogde zichtbaarheid ten opzichte van de eitjes. Onderzoek naar poppen verstoort het overwinteringshabitat en vergoot de kans op het doden van individuen, deze methode wordt daarom niet toegepast. Het voorkomen van voortplantingsplaatsen van de teunisbloempijlstaart is onderzocht aan de hand van drie veldbezoeken in de periode juni tot en met augustus (zie tabel 4.1). Het eerste veldbezoek heeft zich gericht op onderzoek naar de aanwezigheid van waardplanten voor de voortplanting. Hierbij is ook gelet op de aanwezigheid van vraatsporen of poep op de aangetroffen waardplanten. Het tweede en derde veldbezoek richtten zich op het zoeken naar rupsen, vraatsporen en poep op waardplanten in het plangebied.
4.7
Bunzing en wezel
Provincie Gelderland hanteert sinds kort beleid dat aangeeft dat regulier onderzoek met cameravallen niet volstaat om aanwezigheid van bunzing en wezel uit te sluiten. Er zijn (nog) geen andere methodes die wel geschikt zijn. Indien een gebied geschikt wordt geacht, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Voor het aantonen van de aan- of afwezigheid van bunzing en wezel binnen het plangebied zijn hierdoor geen onderzoeken uitgevoerd.
12/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Tabel 4.1 Data, focus/doel en weersomstandigheden per veldbezoek Datum veldbezoek
Tijden
Focus/doel
Weersomstandigheden
18 maart 2022
Start 14:30
Plaatsen wildcamera’s
15⁰C, droog, bewolkt, wind 3
steenmarter (1/3)
Bft.
4 april 2022
Start 14:30
Controleren wildcamera’s
10⁰C, droog, bewolkt, wind 5
steenmarter (2/3)
Bft.
11 mei 2022
Start 12:15
Ophalen wildcamera’s
22⁰C, droog, half bewolkt, wind
steenmarter (3/3)
2 Bft.
18 mei 2022
21:20 – 00:00
Verblijfplaatsen
24⁰C, droog, half bewolkt, wind
vleermuizen (1/5)
0 Bft.
Verblijfplaatsen
19⁰C, droog, onbewolkt, wind 3
vleermuizen (2/5)
Bvt.
Groeiplaatsen grote
21⁰C, droog, onbewolkt, wind 2
leeuwenklauw (1/1)
Bft.
Inventarisatie flora
21⁰C, droog, onbewolkt, wind 2
teunisbloempijlstaart (1/3)
Bft.
Verblijfplaatsen
15⁰C, droog, onbewolkt, wind 2
vleermuizen (3/5)
Bft.
Onderzoek
25⁰C, droog, onbewolkt, wind 3
teunisbloempijlstaart (2/3)
Bft.
Onderzoek
19⁰C, droog, onbewolkt, wind 2
teunisbloempijlstaart (3/3)
Bft.
Verblijfplaatsen
17⁰C, droog, onbewolkt, wind 1
vleermuizen (4/5)
Bft.
Verblijfplaatsen
19⁰C, droog, half bewolkt, wind
vleermuizen (5/5)
1 Bft.
15 juni 2022
21 juni 2022
21 juni 2022
11 juli 2022
21:55 – 00:30 10:20 – 12:30 10:20 – 12:30 02:30 – 05:30
14 juli 2022
13:45 – 15:10
8 augustus 2022
9:15 – 10:00
18 augustus 2022
21:00 – 00:00
12 september 2022
20:00 – 23:20
5 Resultaten In dit hoofdstuk zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek uitgewerkt. Tevens is bepaald wat de effecten van de beoogde ontwikkeling zijn op de aangetroffen soorten en functies en of/welke verbodsbepalingen (mogelijk) worden overtreden.
5.1
Wettelijk kader
Vleermuizen en teunisbloempijlstaart zijn beschermd onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Steenmarter en grote leeuwenklauw zijn beschermd onder Wnb artikel 3.10. Door de beoogde werkzaamheden is het mogelijk dat een of meerdere verbodsbepalingen overtreden worden. Hieronder staan de verbodsbepalingen per artikel Wnb weergegeven.
13/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Voor vleermuizen en teunisbloempijlstaart zijn de volgende verbodsbepalingen opgesteld (artikel 3.5 Wnb): • Artikel 3.5, lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te doden of te • vangen (vleermuizen en teunisbloempijlstaart) • •
Artikel 3.5, lid 2 Het is verboden dieren te storen/verstoren (vleermuizen en teunisbloempijlstaart) Artikel 3.5, lid 3 Het is verboden of eieren te beschadigen of te vernielen
• •
(teunisbloempijlstaart) Artikel 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen (vleermuizen en teunisbloempijlstaart)
Voor steenmarter, bunzing, wezel en grote leeuwenklauw bestaan de volgende verbodsbepalingen (artikel 3.10 Wnb): • • •
Artikel 3.10, lid 1.a Het is verboden soorten te doden of te vangen (steenmarter, bunzing en wezel) Artikel 3.10, lid 1.b Het is verboden de vaste voortplantings-plaatsen of rustplaatsen van
• •
dieren (Wnb Bijlage A) te beschadigen of te vernielen (steenmarter, bunzing en wezel) Artikel 3.10, lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te
•
plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen (grote leeuwenklauw)
5.2
Grote Leeuwenklauw
5.2.1 Resultaten Tijdens het onderzoek voor de aanwezigheid van grote leeuwenklauw zijn er kleine aantallen grote leeuwenklauw aangetroffen. Grote leeuwenklauw is aangetroffen op plaatsen waar ook kleine leeuwenklauw groeit en maakt circa 1 tot 10% van de bedekkingsgraad op. De gevonden groeiplaatsen staan weergegeven in figuur 5.1.
14/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Figuur 5.1 Locaties binnen het plangebied waar grote leeuwenklauw aangetroffen is
5.2.2 Effecten en verbodsbepalingen De resultaten van het onderzoek tonen aan dat het voorkomen van grote leeuwenklauw binnen het plangebied niet uitgesloten is. Op groeiplaats van grote leeuwenklauw ten zuidoosten van het plangebied worden woningen gebouwd, waardoor deze groeiplaats verloren gaat. De noordelijk gelegen groeiplaats bevindt zich op beoogd natuurontwikkelingsterrein. Indien maatregelen genomen worden waarbij negatieve effecten op groeiplaatsen van grote leeuwenklauw worden voorkomen, is het aanvragen van een ontheffing Wnb niet noodzakelijk. Als het niet mogelijk is om negatieve effecten op groeiplaatsen te voorkomen, moet een ontheffing verkregen worden voor het overtreden van Wnb artikel 3.10, lid 1c.
5.3
Steenmarter
5.3.1 Resultaten In de acht weken dat de cameravallen in het plangebied aanwezig zijn geweest is steenmarter meermaals waargenomen op beide cameravallen (zie tabel 5.1 en figuur 5.2). Ook zijn er minstens twee steenmarters waargenomen tijdens het vleermuisonderzoek op 18 augustus 2022. Hier werden vanaf 21:30 uur steenmarters meermaals waargenomen op en in het dak van de voormalige kippenschuur.
15/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Tabel 5.1 Locatie, datum en tijd met steenmarter waarnemingen op de wildcamera’s Locatie
Camera
Datum
Tijdstip
Soort
Zuidelijk van kippenschuur
78
18-03-22
01:54
Steenmarter
Zuidelijk van kippenschuur
78
18-03-22
05:06
Steenmarter
Zuidelijk van kippenschuur
78
28-03-22
3:14
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
29-03-22
00:19
Steenmarter
Zuidelijk van kippenschuur
78
1-04-22
04:30
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
2-04-22
01:46
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
4-04-22
02:02
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
4-04-22
02:23
Steenmarter
Zuidelijk van kippenschuur
78
6-04-22
1:13
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
8-04-22
3:33
Steenmarter
Zuidelijk van kippenschuur
78
8-04-22
03:06
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
9-04-22
00:03
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
10-04-22
01:58
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
20-04-22
03:26
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
21-04-22
00:22
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
22-04-22
00:48
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
29-04-22
03:39
Steenmarter
Noordelijk van kippenschuur
77
29-04-22
03:41
Steenmarter
Zuidelijk van kippenschuur
78
6-05-22
00:26
Steenmarter
16/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Figuur 5.2 Een van de afbeeldingen waarop steenmarter is vastgelegd in het plangebied
5.3.2
Effecten en verbodsbepalingen
De resultaten van het onderzoek tonen aan dat steenmarter binnen het plangebied voorkomt. De voormalige kippenschuur dient als schuil- en/of verblijfplaats voor steenmarter. Negatieve effecten door de werkzaamheden op een verblijfplaats van minimaal 2 steenmarters zijn hierdoor niet uit te sluiten. Het leefgebied van steenmarter bedraagt een grote van, afhankelijk van de kwaliteit van het gebied, 80 tot 700 hectare. In de omgeving van het plangebied is voldoende geschikt leefgebied aanwezig, waardoor negatieve effecten tijdens de werkzaamheden zijn uitgesloten. In de gebruikersfase kan de aangelegde natuur in het noordwesten van het plangebied fungeren als leefgebied voor steenmarter. Het nemen van maatregelen en/of het aanvragen van een ontheffing Wnb (art. 3.10, lid 1a en 1b) voor steenmarter is noodzakelijk.
5.4
Vleermuizen
5.4.1
Resultaten
Tijdens het eerste veldbezoek zijn de eerste gewone dwergvleermuizen vanaf 22:00 uur waargenomen. Daarna zijn er regelmatig foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen rond de bomen en de heggen rondom de voormalige kippenschuur. Er is geen binding met de voormalige kippenschuur vastgesteld. Tegen het einde van het veldbezoek zijn steeds minder vleermuizen waargenomen.
17/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Activiteit van foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen is vooral tussen 22:30 en 23:15 uur waargenomen tijdens het tweede veldbezoek. Na 23:15 is er, op enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen, weinig activiteit waargenomen. Het derde veldbezoek heeft wederom geen waarnemingen van binding met de voormalige kippenschuur opgeleverd. Foeragerende gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen bij de bosschages ten zuidwesten en noordwesten van het plangebied. Hier is geen sprake van een essentiële vliegroute. Bij het vierde veldbezoek is vanaf het begin activiteit van gewone dwergvleermuis aan de zuidelijke kopgevel en aangrenzende bomen waargenomen. In de loop van de avond werd de activiteit van gewone dwergvleermuis minder. In het begin van het vijfde veldbezoek zijn minimaal twee foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen aan de westkant van de voormalige kippenschuur. Hier vlogen de vleermuizen tussen noordwestelijke bomenrij en zuidwestelijke bosschage. Aan het einde van de avond was de activiteit aanzienlijk minder. De meeste activiteit is hierbij waargenomen bij de noordelijke bomenrij, de heg ten westen van de voormalige kippenschuur en de bosschage ten zuidwesten van de voormalige kippenschuur.. Tijdens het veldbezoek op 18 augustus 2022 is een bunzing (zie paragraaf 5.6) waargenomen die in de schuur een conflict kreeg met twee steenmarters. 5.4.2
Effecten en verbodsbepalingen
Tijdens de veldbezoeken zijn meerdere foeragerende gewone dwergvleermuizen aan het begin van de avond waargenomen. Door de lage aantallen en het korte tijdsbestek van waargenomen activiteit van vleermuizen is er geen sprake van een duidelijke vliegroute. Er zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen waargenomen tijdens de veldbezoeken, waardoor geconcludeerd is dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de voormalige kippenschuur. Uit de onderzoeken is gebleken dat er geen verblijfplaatsen of essentiële vliegroutes binnen het plangebied aanwezig zijn. Door geen directe verlichting te gebruiken richting de bomenrij en bosschage (zie paragraaf 6.2), worden negatieve effecten op foeragerende vleermuizen voorkomen. Indien aan deze maatregel wordt voldaan is het aanvragen van een ontheffing Wnb voor vleermuizen niet nodig.
5.5
Teunisbloempijlstaart
5.5.1 Resultaten Binnen het plangebied zijn op diverse plekken waardplanten van de teunisbloempijlstaart aangetroffen, zoals basterdwederik, teunisbloem en harig wilgenroosje. Op deze waardplanten zijn geen aanwijzingen gevonden van de aanwezigheid van rupsen.
18/23
Kenmerk
5.5.2
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Effecten en verbodsbepalingen
Teunisbloempijlstaart komt niet voor in het plangebied. Negatieve effecten door werkzaamheden op deze soort zijn uitgesloten. Maatregelen om vestiging van teunisbloempijlstaart in de toekomst te voorkomen zijn beschreven in paragraaf 6.1.
5.6
Kleine marterachtigen
Provincie Gelderland hanteert sinds kort beleid dat aangeeft dat regulier onderzoek met cameravallen niet volstaat om aanwezigheid van bunzing en wezel uit te sluiten. Er zijn (nog) geen andere methodes die wel geschikt zijn. Indien een gebied geschikt wordt geacht, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Gelet op de geschiktheid van het noordelijk deel van het plangebied en de waarneming van een bunzing tijdens het veldbezoek voor vleermuizen op 18 augustus 2022 kan het voorkomen van bunzing en wezel niet uitgesloten worden. Wij adviseren voor bunzing en wezel een ontheffing Wnb (artikel 3.10, lid 1a en 1b) aan te vragen en de nodige maatregelen te nemen ten gunste van deze kleine marterachtigen.
6 Vervolgstappen In dit hoofdstuk is aangegeven of mitigerende maatregelen van toepassing zijn, of een ontheffing nodig is en onder welke voorwaarden een eventuele ontheffing redelijkerwijs verleend kan worden.
6.1
Mitigerende maatregelen
Vleermuizen De aanwezigheid van foeragerende vleermuizen is tijdens het nader onderzoek vastgesteld. Negatieve effecten zijn uitgesloten mits er tijdens de werkzaamheden geen directe aanlichting van de bomenrij ten noorden en de bosschage ten zuidwesten van het plangebied plaatsvindt tussen zonsondergang en zonsopgang. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn uitgesloten. Met het nemen van maatregelen is een ontheffing Wnb is niet nodig. Teunisbloempijlstaart Om toekomstige vestiging van teunisbloempijlstaart in het plangebied te voorkomen dienen de waardplanten (teunisbloem, basterdwederikken en harig wilgenroosje) in 2022 verwijderd te worden. Het verwijderen van de waardplanten dient herhaalt te worden vóór mei 2023. Door deze maatregel te herhalen voor de vliegtijd van teunisbloempijlstaart, wordt voorkomen dat eitjes afgezet kunnen worden en alsnog een ontheffing voor teunisbloempijlstaart nodig is. Een ontheffing is niet nodig mits deze maatregel uitgevoerd wordt.
6.2
Ontheffing
Negatieve effecten op groeiplaatsen van grote leeuwenklauw en verblijfplaatsen van steenmarter, bunzing en wezel zijn niet uitgesloten. Negatieve effecten leiden zonder het nemen van maatregelen tot het overtreden van Wnb artikel 3.10, lid 1a, -b, en -c. Er zijn mitigerende maatregelen nodig en er moet een ontheffing worden aangevraagd.
19/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Een ontheffing kan alleen verkregen worden als: • • •
Het belang van het voornemen een overtreding rechtvaardigt De staat van instandhouding niet verslechterd Uit een alternatievenafweging blijkt dat er ten aanzien van bijvoorbeeld de locatie, planning, inrichting en ontwerp en werkwijze geen reële opties zijn die gunstiger uitpakken voor benadeelde soorten
Grote leeuwenklauw, steenmarter, bunzing en wezel zijn beschermd via artikel 3.10. Een ontheffing kan redelijkerwijs verkregen worden als kan worden onderbouwd dat het voornemen minstens één van de onderstaande belangen dient: • •
Andere dwingende redenen van groot openbaar belang Ter voorkomen van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren of andere vormen van eigendom
• • •
Ruimtelijke inrichting Bestendig beheer of onderhoud Algemeen belang
•
Bestendig gebruik
Het ontwikkelen van vier woningen dient de wettelijke belangen ‘ruimtelijke inrichting’ en het ‘algemeen belang’. Doordat er op het terrein ook natuurontwikkeling plaatsvindt, is er voldoende ruimte voor mitigerende en compenserende maatregelen zodat de staat van instandhouding van de aanwezig beschermde soorten gewaarborgd kan worden. Doordat in de omgeving ook (dezelfde of andere) beschermde soorten voorkomen zal het uitvoeren van de werkzaamheden op een andere locatie zal niet leiden tot minder negatieve effecten op de beschermde soorten. Doordat er in de voormalige kippenschuur en de omliggende zone verontreiniging van asbest aanwezig is, dient deze gesaneerd te worden. De beoogde ontwikkeling is daarom ook specifiek aan deze locatie gebonden. Gelet hierop kan ook een alternatievenafweging voldoende onderbouwt worden. Gelet op het bovenstaande is een ontheffing redelijkerwijs verleenbaar en vormt ecologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de wijziging van het bestemmingsplan. Om een ontheffing aan te vragen moet een activiteitenplan opgesteld worden. In het activiteitenplan moet ingegaan worden op de volgende onderdelen: • • •
De beoogde ontwikkeling en de planning hiervan De aanwezige soorten, de beschermde ecologische functies en hoe die zijn onderzocht De te overtreden verbodsbepalingen
• • •
De mitigerende en compenserende maatregelen Het wettelijk belang van de ontwikkeling De staat van instandhouding van de soort
•
Een alternatievenafweging
20/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Als het bevoegd gezag akkoord gaat met de alternatievenafweging, het wettelijk belang en de maatregelen die getroffen worden om negatieve effecten te verzachten of te voorkomen, verleent deze een ontheffing. In dat geval zijn er vaak in de verleende ontheffing voorwaarden beschreven. Meestal is één van die voorwaarden het opstellen van een werkprotocol waarin de mitigerende en compenserende maatregelen uitgewerkt worden en wordt de aanwezigheid van ecologische begeleiding vereist. Bij formele ontheffingsaanvragen dient rekening gehouden te worden met een proceduretijd. De wettelijk vastgestelde proceduretermijn voor de behandeling van een ontheffingsaanvraag bedraagt dertien weken. Het bevoegd gezag kan deze termijn eenmalig met zeven weken verlengen tot een maximale proceduretermijn van twintig weken. Het komt echter voor dat de proceduretermijnen langer duren dan twintig weken.
6.3
Overige maatregelen
In het kader van de zorgplicht dienen er enkele aanvullende maatregelen genomen te worden, om schade aan niet beschermde soorten te voorkomen. Deze maatregelen bestaan uit: •
Voorkomen van uitstralende verlichting tijdens bouwwerkzaamheden en in de permanente situatie richting de bomenrij langs de Oosterweg om negatieve effecten op foeragerende vleermuizen te voorkomen
• •
Negatieve effecten op nesten van boomvalk, buizerd en ransuil kunnen voorkomen worden door buiten het broedseizoen te werken op de locatie van de voormalige kippenschuur. Negatieve effecten op algemene vogelsoorten door de vegetatie te verwijderen buiten het
•
broedseizoen. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden dient contact opgenomen te worden met een ter zake kundige ecoloog Indien werkzaamheden plaatsvinden van april tot augustus dient de kale grond glad
•
afgestreken te worden om stagnatie van regenwater te voorkomen. Hiermee wordt vestiging en van amfibieën grotendeels voorkomen en kunnen negatieve effecten worden voorkomen Bosschages en struweel binnen de werkterreinen worden verwijderd in de periode medio september tot en met februari. Hierbij wordt langzaam in één richting gewerkt om fauna de kans te geven te vluchten
7 Conclusie In dit hoofdstuk zijn de conclusies en gevolgen voor de beoogde ontwikkeling samengevat.
7.1
Aanleiding
De heer R. Schraven is van plan vier woningen te ontwikkelen in combinatie met natuurontwikkeling op het terrein van Schraven Hoeveniers B.V. aan de Oosterweg 279 te Wijchen. TAUW heeft een natuurtoets uitgevoerd, gevolgd door een nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen, steenmarter, grote leeuwenklauw en teunisbloempijlstaart.
21/23
Kenmerk
7.2
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
Conclusie
Uit de onderzoeken is gebleken dat negatieve effecten op vleermuizen en teunisbloempijlstaart voorkomen kunnen worden door het nemen van maatregelen (zie hoofdstuk 6). Mits deze maatregelen getroffen worden is het aanvragen van een ontheffing Wnb met betrekking tot deze soorten niet nodig. De onderzoeken hebben aangetoond dat er groeiplaatsen van grote leeuwenklauw en verblijfplaatsen van steenmarter in het plangebied aanwezig zijn. Daarnaast geldt het beleid van provincie Gelderland dat er een ontheffing aangevraagd dient te worden voor bunzing en hermelijn indien het plangebied geschikt is als leefgebied en/of verblijfplaatsen. Maatregelen ter voorkoming van een overtreding van Wnb artikel 3.10, lid 1a, -b en -c en/of het aanvragen van een ontheffing zijn noodzakelijk. Om een ontheffing aan te kunnen vragen is een activiteitenplan nodig. Een ontheffing kan worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). Het traject van een ontheffingsaanvraag tot gunning kan 3 tot 6 maanden duren. Gelet op voorgaande hoofdstukken vormt het aspect ecologie geen belemmering voor een wijziging van het bestemmingsplan.
Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is redelijkerwijs verleenbaar doordat de staat van instandhouding van de aanwezige soorten gewaarborgd kan worden, de beoogde ontwikkeling een wettelijk belang dient en de alternatievenafweging voldoende onderbouwt kan worden. De resultaten van het soortgericht onderzoek in het plangebied zijn samengevat in tabel 7.1. Tabel 7.1 Samenvatting resultaten soortgericht onderzoek Soort
Aanwezig in het plangebied?
Ontheffing nodig?
Grote leeuwenklauw
Ja
Ja
Steenmarter
Ja
Ja
Vleermuizen
Ja
Nee, mits maatregel
Teunisbloempijlstaart
Nee
Nee, mits maatregel
Bunzing
Ja
Ja
Wezel
Mogelijk
Ja
22/23
Kenmerk
R002-1285176EHD-V02-hgm-NL
8 Literatuur NGB, 2021. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021. Vleermuisprotocol 2021. TAUW (Sanders, V), 2022. Quickscan Oosterweg 279 Wijchen. TAUW-rapportage met kenmerk: R001-1285176VSX-V02-kzo-NL, 14 februari 2022. Bezochte websites: www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdierenvereniging.nl
23/23