Bijlagen bij toelichting_Bijlage 8 Quickscan Wet natuurbescherming.pdf
Tekst van het document
Quickscan Oosterweg 279 Wijchen Toetsing aan de Wet natuurbescherming 14 februari 2022
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Verantwoording Titel
Quickscan Oosterweg 279 Wijchen
Opdrachtgever
Schraven Hoveniers B.V.
Projectleider
Jordy Houkes
Auteur
Vincent Sanders
Kwaliteitscontrole
Harm Bolle
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Vincent Sanders
Projectnummer
1285176
Aantal pagina’s
33
Datum
14 februari 2022
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Inhoud 1
2
3
4
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Doel .................................................................................................................................... 5
1.2
Wettelijk kader .................................................................................................................... 5
1.3
Te beschouwen natuurwet- en regelgeving ....................................................................... 5
1.3.1
Natura 2000-gebieden ................................................................................................ 5
1.3.2
Provinciaal beschermde gebieden .............................................................................. 6
1.3.3
Houtopstanden ............................................................................................................ 6
1.3.4
Beschermde soorten ................................................................................................... 6
1.4
Kwaliteit .............................................................................................................................. 7
1.5
TAUW en biodiversiteit ....................................................................................................... 7
Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten ....................................................... 7 2.1
Huidige situatie ................................................................................................................... 7
2.2
Beoogde ontwikkeling ...................................................................................................... 12
2.3
Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing .................................................................. 13
Soortenbescherming ............................................................................................................... 13 3.1
Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 13
3.2
Vrijstellingen ..................................................................................................................... 14
3.3
Zorgplicht.......................................................................................................................... 15
3.4
Werkwijze ......................................................................................................................... 15
3.5
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 15
3.6
Toetsing beschermde soorten .......................................................................................... 16
3.6.1
Flora .......................................................................................................................... 16
3.6.2
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 17
3.6.3
Vleermuizen .............................................................................................................. 20
3.6.4
Vogels ....................................................................................................................... 22
3.6.5
Amfibieën .................................................................................................................. 26
3.6.6
Reptielen ................................................................................................................... 26
3.6.7
Vlinders ..................................................................................................................... 27
Uitvoerbaarheid bestemmingsplan .......................................................................................... 27 4.1
Inleiding ............................................................................................................................ 27
3/33
Kenmerk
4.2 5
6
7
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Beschermde soorten ........................................................................................................ 28
Kansen voor biodiversiteit ....................................................................................................... 29 5.1
Algemeen ......................................................................................................................... 29
5.2
Kansen in dit project ......................................................................................................... 29
Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................. 30 6.1
Aanleiding en doel ............................................................................................................ 30
6.2
Relevante natuurwet- en regelgeving .............................................................................. 30
6.3
Conclusies toetsing .......................................................................................................... 30
6.3.1
Natura 2000-gebieden .............................................................................................. 30
6.3.2
Soortenbescherming ................................................................................................. 30
6.3.3
Provinciaal beschermde gebieden ............................................................................ 31
6.4
Consequenties planvorming en uitvoering ....................................................................... 31
6.5
Uitvoerbaarheid bestemmingsplan ................................................................................... 31
Literatuur ................................................................................................................................. 33
4/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor de toetsing.
1.1
Doel
In opdracht van Schraven Hoveniers B.V. heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor de ontwikkeling van vier woningen op het terrein van Schraven Hoveniers B.V, gelegen aan de Oosterweg 279 te Wijchen. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen worden afgegeven en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In deze rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • Welke natuurwet- en regelgeving is van belang? • In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de geldende natuurwet- en regelgeving? • Zijn maatregelen en/of een vergunning/ontheffing/melding nodig? • Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? • Wat betekent dit voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan?
1.2
Wettelijk kader
De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten (flora en fauna) en houtopstanden. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzijprincipe’. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning of ontheffing. Provinciale Staten (PS) van de provincie Gelderland kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde soorten. Naast de Wet natuurbescherming geldt vanuit provinciale ruimtelijke beleidsregels ook regelgeving met betrekking tot beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland.
1.3
Te beschouwen natuurwet- en regelgeving
1.3.1 Natura 2000-gebieden In Nederland zijn 158 gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied, beschermd vanuit de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn; van nog eens drie gebieden is de aanwijzing nog in procedure. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ is circa 8 km. Verstoringsfactoren zoals geluid, licht en optische verstoring van de aanlegfase en gebruiksfase zorgen vanwege de afstand en kleinschalige aard van de werkzaamheden met zekerheid niet tot negatieve effecten in Natura 2000-gebieden.
5/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Negatieve effecten door stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase op Natura 2000gebieden (op circa 8 km afstand) worden niet verwacht. Zekerheid kan uitsluitend worden verkregen door een AERIUS-berekening. Het bevoegd gezag kan hier altijd om vragen. Sinds 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurherstel ingegaan. Met ingang van deze wet is een vrijstelling van de vergunningsplicht ingevolge de Wet natuurbescherming van toepassing voor effecten van stikstofdepositie bij bouw-, sloop- en aanlegfasen (de partiële vrijstelling). De partiële vrijstelling is juridisch vrij onzeker en ligt inmiddels onder beroep. Naar verwachting blijft deze echter nog enige tijd van toepassing. Daarnaast worden, door de afstand en aard van de activiteit tot Natura 2000-gebieden, effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van onder andere stikstofdepositie niet verwacht. Zekerheid kan echter uitsluitend worden verkregen door een AERIUS-berekening. 1.3.2 Provinciaal beschermde gebieden Veel natuurgebieden in Nederland zijn beschermd als het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland omvat bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden met als doel deze beter met elkaar en het omliggende gebied te verbinden. Provincies zijn verantwoordelijk voor het aanwijzen van de gebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland.
Een toetsing van de effecten op het Natuurnetwerk Nederland van ontwikkelingen die daarbuiten plaatsvinden (externe werking) is in provincie Gelderland niet van toepassing (provincie Gelderland, 2017). Toetsing van die effecten op het Natuurnetwerk Nederland is daarom niet noodzakelijk. In de provincie Gelderland zijn naast het Natuurnetwerk Nederland ook gebieden aangeduid en beschermd als Weidevogelgebieden, Ganzenrustgebieden en Natte landnatuur. Het plangebied maakt geen deel uit van Weidevogelgebieden, Ganzenrustgebieden of Natte landnatuur. Een toetsing van effecten vanwege externe werking is voor deze gebieden ook niet noodzakelijk. Een toetsing van effecten op deze gebieden is daarom niet aan de orde. 1.3.3 Houtopstanden Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are zijn beschermd, met enkele uitzonderingen. Dit heeft als doel het totale bosoppervlak in Nederland te behouden. Toetsing van eventuele effecten op beschermde houtopstanden is niet aan de orde, omdat dergelijke houtopstanden niet aanwezig zijn. 1.3.4 Beschermde soorten Onder de Wet natuurbescherming zijn diverse planten- en diersoorten specifiek beschermd en voor alle soorten geldt dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden.
Vanwege het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna in en nabij het plangebied is een toetsing van eventuele effecten op beschermde soorten noodzakelijk.
6/33
Kenmerk
1.4
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Kwaliteit
TAUW garandeert dat alle relevante beschermde gebieden en houtopstanden bij het ecologisch onderzoek zijn betrokken. Voor soortenbescherming is geen volledige zekerheid te geven over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Dat komt doordat beschermde soorten soms in heel kleine aantallen voorkomen en in sommige jaren zelfs afwezig kunnen zijn. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede daarom is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
1.5
TAUW en biodiversiteit
Naast de natuurwet- en regelgeving zijn er in alle projecten kansen waarmee dit project kan bijdragen aan herstel van biodiversiteit. In het hoofdstuk vijf zijn enkele van deze kansen voor dit project beschreven.
2 Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om het perceel aan de Oosterweg 279 te Wijchen, in de provincie Gelderland. Op het terrein is een woonhuis en een bedrijfsgebouw aanwezig waar twee bedrijven zijn gevestigd. Het bedrijf Schraven Hoveniers B.V., en een straatsteenleverancier. De directe omgeving van het bedrijfsgebouw bestaat uit voornamelijk verharding. Er staan twee overkappingen met enkelvoudig metselwerk en een tuinhuis. Aan de noordkant van het bedrijfsgebouw zijn recent twee vleermuiskasten opgehangen. Het zuidoosten van het plangebied betreft gazon. Ten noorden van het bedrijfsgebouw en de verharding is een paardenweide aanwezig. De randen van de paardenweide bestaan uit een bescheiden conifeerhaag met enige vorm van ruig grasland ernaast. Aan de zuidkant van de paardenweide is ruig grasland aanwezig en betreft een strook met (gedeeltelijke) beplanting die regelmatig wordt verplant door het hoveniersbedrijf. Ten westen van de paardenweide staat een voormalige kippenschuur die wordt verhuurt als opslagruimte. Het dak is asbesthoudend en onder het dak is isolatiemateriaal aanwezig. Op sommige plekken zijn openingen in de dakisolatieaanwezig.
7/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
De omgeving kenmerkt zich door agrarisch gebied ten westen en noorden van het plangebied. Aan de zuidkant (Oosterweg) en oostkant (N324) van het plangebied zijn druk bereden, wegen aanwezig die zorgen voor de ontsluiting van Wijchen richting Nijmegen (Gelderland) en Grave (Noord-Brabant). Ten oosten van het plangebied, achter de weg N324 ligt een bosperceel. Figuur 2.1 tot en met 2.8 geeft een sfeerimpressie van het gebied.
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd)
8/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Figuur 2.2 Bedrijfsgebouw van Schraven Hoveniers B.V. en de straatsteenleverancier
Figuur 2.3 Overkapping bestaande uit enkelvoudig metselwerk
9/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Figuur 2.4 Tuinhuis op verharde bestrating
Figuur 2.5 De zuidoosthoek van het plangebied bestaat uit gazon
10/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Figuur 2.6 De paardenweide in het noorden van het plangebied
Figuur 2.7 De voormalige kippenschuur, die nu in gebruik is als opslagruimte voor particulieren
11/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Figuur 2.8 Ruig grasland om de paardenweide heen. In dit gedeelte vindt regelmatig verplaatsing van beplanting plaats
2.2
Beoogde ontwikkeling
Figuur 2.9 geeft de beoogde ontwikkeling weer. In het oostelijk deel van het plangebied worden vier vrijstaande woningen gebouwd. Deze worden levensloopbestendig en energieneutraal gebouwd. Vanaf de N324 komen twee gezamenlijke inritten om de woningen te ontsluiten. De kippenschuur achter op het perceel wordt gesloopt, net als de overkapping en het tuinhuis. De woning, het bedrijfsgebouw en de directe omgeving daarvan blijft behouden. Om ruimte te maken voor de beoogde ontwikkeling is het nodig enkele (conifeer)hagen te verwijderen en wat jonge bomen. In het plan wordt veel rekening gehouden met het versterken van ecologische waarden. Zo worden de woningen geschikt gemaakt voor diersoorten. In de woningen worden inbouwstenen voor vleermuizen geplaatst, worden overhangende nokvorsten voor gierzwaluw gemaakt en wordt geen vogelschroot onder dakpannen toegepast, zodat huismus hier kan nestelen. Er wordt geen gebruik gemaakt van schuttingen of hekwerk, maar van groene hagen. Tegen de gevels en in de te planten bomen worden nestkasten voor vogels opgehangen. Ook in het noordwestelijk deel van het plangebied worden maatregelen genomen ten gunste van biodiversiteit. Het noordelijk deel van het plangebied wordt gebruikt voor het aanleggen van een natuurlijke inrichting. Dit deel wordt ingeplant met verschillende soorten bomen en ondergroei.
Er wordt een weide ingezaaid met bloem- en kruidenrijk grasland en er is ruimte voor waterberging. Overtollig water wordt vanaf de woning naar deze berging geleidt. Een brede groene verbinding
12/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
aan de noordkant van het plangebied zorgt voor een betere verbinding tussen het bosperceel ten oosten van het plangebied en groene gebieden aan de westkant van het plangebied. Dit deel wordt niet toegankelijk voor publiek om dieren voldoende rust te gunnen.
Figuur 2.9 De beoogde ontwikkeling
2.3
Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing
De volgende uitgangspunten worden gehanteerd bij de toetsing in dit rapport: • De sloop of renovatie van de woning en het bedrijfsgebouw is geen onderdeel van de werkzaamheden • Het vergraven of dempen van oppervlaktewater is geen onderdeel van de werkzaamheden • Op een enkele plek zal lage beplanting (jonge bomen en/of conifeerhagen) verwijderd worden
3 Soortenbescherming Dit hoofdstuk beschrijft of het voorgenomen plan of project negatieve effecten heeft op beschermde flora en fauna en of vervolgstappen nodig zijn.
3.1
Beschermingsregime en bepalingen
Het onderdeel soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar soms ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wet natuurbescherming kent 3 beschermingsregimes: • Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn Europees beschermd via de Vogelrichtlijn
13/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
•
Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn Europees
•
beschermd via de Habitatrichtlijn en/of de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en Bonn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd
Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Tabel 3.1 geeft een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in de bescherming van verblijfplaatsen en de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland kan een ontheffing verlenen van de verboden zoals benoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Dit kan alleen wanneer er sprake is van een geldend wettelijk belang, er geen reële alternatieven zijn en er geen effect is op de staat van instandhouding beschermde soorten.
3.2
Vrijstellingen
In de Wet natuurbescherming is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren landelijk beschermd onder de categorie ‘nationale soorten’, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland heeft bij verordening deze soorten ‘vrijgesteld’ van de ontheffingsplicht (provincie Gelderland, 2017). Dit betekent dat voor deze soorten geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht (zie paragraaf 3.3). Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming. VR = Vogelrichtlijn, HR = Habitatrichtlijn. Cijfers verwijzen naar de wetsartikelen Beschermingsregime
Vogels - VR
Verbodsbepaling
Dieren - HR/ Bonn/Bern
Planten -
Dieren -
Planten -
HR/
nationaal
nationaal
Bonn/Bern Dieren of planten: Doden of vangen
3.1.1
Storen/verstoren
3.1.4 (tenzij
3.5.1
3.10.1.a
3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of
3.1.2
wegnemen nesten Beschadigen of vernielen rust-
3.1.2
3.5.4
Vernielen (VR: en beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
3.10.1.b
of voortplantingsplaatsen Eieren:
14/33
Kenmerk
3.3
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Zorgplicht
De zorgplicht (Wet natuurbescherming, artikel 1.11) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. De initiatiefnemer neemt de noodzakelijke maatregelen om negatieve gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wet natuurbescherming geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is overal van toepassing, binnen en buiten beschermde gebieden. Ten aanzien van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen van toepassing: • Bosschages en struweel binnen de werkterreinen worden verwijderd in de periode medio september tot en met februari. Hierbij wordt langzaam één richting gewerkt om fauna (algemene muizen, egel et cetera) de kans te geven te vluchten
3.4
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data • Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) • De Ecoviewer van TAUW • Een oriënterend veldbezoek op donderdag 20 januari 2022 De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).
3.5
Literatuuronderzoek
Tabel 3.2 geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens en biotoop mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Op basis van de afwezigheid van oppervlaktewater en oude, rottende bomen in het plangebied worden de aanwezigheid van en negatieve effecten op beschermde soorten uit de volgende soortgroepen op voorhand uitgesloten: vissen, libellen en overige ongewervelden. Deze soortgroepen worden om die reden niet verder behandeld in deze rapportage. Tabel 3.2 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegeven en habitat mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen Soortgroep
Mogelijk aanwezige beschermde soorten
Flora
Akkerboterbloem, akkerogentroost, dreps, getande veldsla, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, korensla en ruw parelzaad
Grondgebonden
Bever, bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, boommarter, das, wild zwijn en
zoogdieren
eekhoorn
15/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Soortgroep
Mogelijk aanwezige beschermde soorten
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, franjestaart, tweekleurige vleermuis, meervleermuis en watervleermuis
Vogels - jaarrond
Buizerd, wespendief, havik, sperwer, slechtvalk, boomvalk, ransuil, kerkuil, steenuil,
beschermde nesten
ooievaar, roek, gierzwaluw, en huismus
Vogels - jaarrond
Diverse soorten, zie paragraaf 3.6.4.2
beschermd: afhankelijk van ecologische factoren Vogels – in gebruik
Diverse algemene soorten
zijnde nesten Amfibieën
Alpenwatersalamander, kamsalamander, heikikker, poelkikker en rugstreeppad
Reptielen
Levendbarende hagedis, zandhagedis en ringslang
Vlinders
Grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart
3.6
Toetsing beschermde soorten
In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 3.2 genoemde soorten beschreven. 3.6.1 Flora Akkerboterbloem, akkerogentroost, dreps, getande veldsla, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, korensla, ruw parelzaad komen in de omgeving van het plangebied voor rond het natuurgebied de Hatertse en Overasseltse Vennen. Groeiplaatsen betreffen speciaal voor wrattenbijter ingerichte graanakkers, die zeer extensief in beheer zijn. Buiten deze akkers zijn de soorten niet eerder aangetroffen. Op grote leeuwenklauw na zijn deze soorten gevoelig voor voedselrijke situaties. Omdat het plangebied een totaal ander habitat heeft en zeer voedselrijk is (getuige aanwezigheid van brandnetel en distel) zijn akkerboterbloem, akkerogentroost, dreps, getande veldsla, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, korensla en ruw parelzaad uitgesloten in het plangebied. Negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar, en het aanvragen van een ontheffing voor deze plantensoorten is niet nodig. Alleen grote leeuwenklauw kan in voedselrijke situaties voorkomen en groeien op kale grond zoals in bermen, tuinen en braakliggende grond.
In het plangebied zijn geschikte groeiplaatsen aanwezig, zoals het onverharde pad rondom de kippenschuur (zie voorblad) en de ruigte met omgewerkte grond tussen de paardenweide en het verharde deel rondom het bedrijfsgebouw. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het vernietigen van beschermde planten (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub c). Nader onderzoek naar groeiplaatsen van grote leeuwenklauw is noodzakelijk in de bloeiperiode die loopt van mei tot en met augustus.
16/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Gedurende één veldbezoek kan aan- of afwezigheid worden aangetoond door een ter zake kundige ecoloog. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. 3.6.2 Grondgebonden zoogdieren Steenmarter komt op allerlei plaatsen voor in Nederland. Zo ook in de bebouwde kom en het buitengebied. Verblijfplaatsen zijn aan te treffen in gebouwen met openingen, in takkenhopen en in holen van andere zoogdieren onder de grond. Voor steenmarter geschikte verblijfplaatsen zijn in het plangebied aan te treffen in de voormalige kippenschuur. Deze vertoont diverse openingen, waar steenmarter naar binnen kan treden (zie figuur 3.1). De beoogde ontwikkeling vindt plaats op plekken waar mogelijk verblijfplaatsen van steenmarter aanwezig zijn. De werkzaamheden (sloop voormalige kippenschuur) leiden mogelijk tot het doden van individuen en het vernietigen van verblijfplaatsen (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub a en b). Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van steenmarter is daarom noodzakelijk. Dit wordt uitgevoerd door het plaatsen van cameravallen gedurende vier tot zes weken in de periode maart – juni. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Figuur 3.1 Voorbeeld van een van de openingen in de voormalige schuur, die gebruikt kan worden door steenmarter
17/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Bunzing en wezel hebben een verborgen leven en verblijven vaak onder de grond. Hier worden muizen (bunzing en wezel) en ratten (bunzing) gevangen en worden nesten gemaakt in oude mollen- of muizennesten. In het leefgebied dient voldoende dekking aanwezig te zijn. Ook is het van belang dat verschillende leefgebieden met elkaar verbonden zijn. In het plangebied is geschikt habitat aanwezig, doordat er langs de randen van de paardenweide en de noordgrens van het perceel voldoende dekking aanwezig is door ruig grasland en een conifeerhaag. In de paardenweide zijn mollen aanwezig (zie figuur 3.2). Hierdoor is leefgebied (verblijfplaatsen en foerageergebied) van bunzing en wezel niet op voorhand uit te sluiten. Bunzing verblijft ook wel eens in schuren, waardoor een verblijfplaats in de voormalige kippenschuur niet uitgesloten is. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op het potentieel leefgebied van bunzing en wezel. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het doden van individuen en het vernietigen van verblijfplaatsen (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub a en b). Provincie Gelderland hanteert sinds kort beleid dat aangeeft dat regulier onderzoek met cameravallen niet volstaat om aanwezigheid van bunzing en wezel uit te sluiten. Er zijn (nog) geen andere methodes die wel geschikt zijn.
Indien een gebied geschikt wordt geacht, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Gelet op de geschiktheid van het noordelijk deel van het plangebied, adviseren wij voor bunzing en wezel een ontheffing aan te vragen en de nodige maatregelen te nemen ten gunste van bunzing en wezel.
Figuur 3.2 Molshopen tonen aanwezigheid van mol aan, waardoor leefgebied van bunzing en wezel niet uit te sluiten zijn
18/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Hermelijn komt in ons land tegenwoordig bijna uitsluitend voor in moerassen, veenweidegebieden, uiterwaarden en beekdalen (Zuid-Limburg uitgezonderd). Ze zijn nagenoeg verdwenen op de hoge zandgronden in het oosten en zuiden van het land (van Uchelen, E., 2021). Er zijn geen vochtige elementen in of om het plangebied aanwezig. Gelet hierop is het voorkomen van hermelijn in het plangebied uitgesloten. Er zijn dan ook geen geschikte verblijfplaatsen en er is geen foerageergebied voor hermelijn aanwezig in het plangebied. Negatieve effecten op hermelijn door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar, en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor hermelijn is niet nodig. Bever komt voor in waterrijke gebieden en maakt daar gebruik van oeverdelen om te foerageren. In het plangebied ontbreekt het aan dergelijke habitats. Er zijn daarom geen geschikte verblijfplaatsen en foerageergebied voor bever aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van bever in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar bever, en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Boommarter komt voornamelijk voor in bossen en heeft daar verblijfplaatsen in boomholtes en/of oude nesten van vogels. In het plangebied ontbreekt het aan dergelijke habitats.
Er zijn daarom geen geschikte verblijfplaatsen voor boommarter aanwezig in het plangebied. Het plangebied is wel geschikt als foerageergebied, maar dit is niet essentieel omdat te klein is qua oppervlak en in de omgeving voldoende geschikte alternatieven aanwezig zijn. Het voorkomen van essentiële onderdelen van het leefgebied van boommarter in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar, en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor boommarter is niet nodig. Das leeft in ondergrondse burchten die makkelijk te inventariseren zijn. Ook sporen zoals loopwissels, foerageerputjes, mestputjes en haren aan prikkeldraad verraadt aanwezigheid van das. Tijdens het veldbezoek zijn dassenburchten of andere sporen niet aangetroffen. Er zijn dan ook geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig en het plangebied wordt niet gebruikt als foerageergebied. Het voorkomen van das in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar, en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor das is niet nodig. Wild zwijn leeft in rustige, oude bossen. Dit habitat is afwezig in het plangebied. Buiten deze bossen wordt weleens gefoerageerd in graslanden. Dergelijke sporen zijn eenvoudig te inventariseren, doordat de hele bodem wordt omgewoeld.
Deze sporen zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Het voorkomen van wild zwijn en negatieve effecten daarop is dan ook uitgesloten in het plangebied. Nader onderzoek naar wild zwijn, en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Eekhoorn komt voor in bossen, parken en tuinen. Nesten zijn aan te treffen in bomen en bestaan uit een rond bladernest, of bevinden zich in oude bomen met holtes. Er zijn tijdens het veldbezoek geen bladernesten of oude bomen met holtes aangetroffen. Het voorkomen van eekhoorn in het
19/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar, en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. 3.6.3
Vleermuizen
Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wettelijk beschermd. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en niet-essentiële foerageergebieden en vliegroutes. 3.6.3.1 Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, allerlei andere bouwwerken zoals kerken, kantoorpanden en bunkers, in grotten, in boomholtes of achter schors en in kieren van bomen. Globaal kan daarbij onderscheid gemaakt worden tussen in gebouwen verblijvende vleermuissoorten en in bomen verblijvende vleermuissoorten. Omdat vleermuizen een duidelijke jaarcyclus kennen, maken we onderscheid tussen verschillende typen verblijfplaatsen, namelijk zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen. Tweekleurige vleermuis is uitgesloten in het plangebied, omdat deze enkel is hoge gebouwen verblijft. Rosse vleermuis verblijft uitsluitend in bomen met holtes.
Er zijn in het plangebied geen bomen met boomholtes aanwezig, waardoor rosse vleermuis en verblijfplaatsen van andere soorten die (soms) in bomen verblijven zijn uitgesloten. Watervleermuis verblijft in gebouwen uitsluitend in ondergrondse gebouwdelen. Deze zijn eveneens niet aanwezig onder de kippenschuur, waardoor het voorkomen van watervleermuis is uitgesloten. Negatieve effecten op tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis zijn uitgesloten. In het plangebied zijn mogelijke vleermuisverblijfplaatsen aanwezig in de voormalige kippenschuur. Via de openingen onder het de dakrand en de gevelbetimmering kunnen vleermuizen naar binnen treden. Tabel 3.3 geeft een overzicht welke vleermuizen in de kippenschuur kunnen verblijven. Omdat het een kippenschuur betreft die weinig isolatiewaarde heeft zijn kraam- en winterverblijfplaatsen uitgesloten. Zomer- en paarverblijfplaatsen zijn niet op voorhand uit te sluiten. Door het voornemen zal de kippenschuur verdwijnen. Hierdoor leiden de werkzaamheden mogelijk tot het verstoren en/of vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.5 lid 2 en 4). Om aan te tonen of uit te sluiten dat verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn is nader onderzoek noodzakelijk in de periode mei – september gedurende vijf bezoeken.
Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk.
20/33
Kenmerk
3.6.3.2
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Foerageergebieden
Het plangebied kan mogelijk deels door enkele vleermuizen gebruikt worden als onderdeel van het foerageergebied. Vanwege het geringe oppervlak aan groene beplanting in het plangebied is de aanwezigheid van essentieel foerageergebied echter uitgesloten. Daarnaast is ten oosten van het plangebied een groot bosperceel en ten westen van het plangebied diverse groene structuren aanwezig. Deze kunnen door diverse vleermuizen worden gebruikt als foerageergebied, en blijven onaangetast. Het is hiermee uitgesloten dat foerageergebieden verloren gaan die essentieel zijn voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. Een nader onderzoek naar dit type leefgebied is dan ook niet nodig. Een ontheffing voor het aantasten van essentieel foerageergebied is ook niet nodig. 3.6.3.3 Vliegroutes Het plangebied kan nauwelijks door vleermuizen gebruikt worden als onderdeel vliegroute of een onderdeel daarvan. Grote lijnvormige groenstructuren die dienst kunnen doen als vliegroute voor vleermuizen worden niet aangetast. Het is hiermee uitgesloten dat vliegroutes verloren gaan die essentieel zijn voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. Ten zuiden van het plangebied is een bomenrij aanwezig die dienst kan doen als vliegroute. Deze wordt van onder af, door de straatverlichting verlicht en is daardoor minder geschikt als vliegroute.
Om met zekerheid negatieve effecten uit te sluiten dient voorkomen te worden dat tijdens de bouwwerkzaamheden en in de permanente situatie geen uitstralende verlichting plaatsvindt richting de bomenrij ten zuiden van het plangebied. Door het nemen van deze maatregel zijn indirecte, negatieve effecten op vliegroutes uitgesloten. Door het nemen van bovenstaande maatregel is nader onderzoek naar dit type leefgebied niet nodig. Een ontheffing voor het aantasten van essentiële vliegroutes is ook niet nodig. Tabel 3.3 Mogelijk aanwezige soortfunctiecombinaties in het plangebied Type functie
Vleermuissoorten
Zomerverblijf in gebouw
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, baardvleermuis, laatvlieger en meervleermuis
Paarverblijf in gebouw
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en meervleermuis
Kraamverblijf en
Uitgesloten
winterverblijfplaats in gebouw Verblijfplaatsen in bomen
Uitgesloten
Essentieel foerageergebied
Uitgesloten
Essentiële vliegroute
Uitgesloten
21/33
Kenmerk
3.6.4 3.6.4.1
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Vogels Vogels - jaarrond beschermde nesten
De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. In het plangebied zijn geen nesten aangetroffen die door jaarrond beschermde soorten gebruikt kunnen worden. Om het plangebied zijn wel drie nesten aangetroffen die mogelijk in gebruik zijn door jaarrond beschermde soorten (zie figuur 3.3). Het betreft twee middelgrote nesten in oude bomen ten westen van het plangebied en één nestkast (zie figuur 3.4) voor steenuilen ten noorden van het plangebied.
Figuur 3.3 Overzicht van mogelijk jaarrond beschermde nesten in de directe omgeving van het plangebied
22/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Figuur 3.4 Nestkast voor steenuil ten noorden van het plangebied
Om te bepalen of de nestkast voor steenuil bezet is, is navraag gedaan bij de uilenwerkgroep van Natuur en Milieu Wijchen. Hieruit blijkt dat er bij de kast steenuilen zijn waargenomen. We gaan er van uit dat de kast daardoor bezet is. De kast staat op circa 50 m afstand van de paardenweide, die geschikt is als foerageergebied. Ten noorden en westen van het plangebied zijn meerdere paardenweides aanwezig, met een oppervlakte van circa 13.000 m2. Daarnaast zijn er vele weilanden en een houtwal aanwezig, waar de steenuil zijn voedsel vandaan kan halen. Daarom behoort de paardenweide in het plangebied niet tot een essentieel onderdeel van foerageergebied van steenuil. Daarnaast wordt in de permanente situatie de paardenweide natuurlijk ingericht, wat ook een positieve impuls heeft op de voedselvoorziening van steenuil. Een negatief effect op foerageergebied van steenuil is daardoor uitgesloten. Verblijfplaatsen van steenuil in de kippenschuur zijn uitgesloten, doordat er geen sporen (krijtstrepen en braakballen) zijn aangetroffen. Daarnaast heeft de uilenwerkgroep van Natuur en Milieu Wijchen meerdere jaren uilenonderzoek uitgevoerd en hierbij gebruik gemaakt van ‘tapen’ (het afspelen van roepende steenuilen, om een reactie van steenuilen in de omgeving uit te lokken). Tijdens deze onderzoeken zijn geen steenuilen aangetoond bij de kippenschuur.
Nader onderzoek naar steenuil en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
23/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
De twee nesten in bomen, die mogelijk in gebruik zijn door jaarrond beschermde soorten, bevinden zich buiten het plangebied en blijven daardoor behouden. Het noordelijk nest kan gebruikt worden door buizerd, sperwer, boomvalk en ransuil. Het zuidelijk nest ligt dichter bij de doorgaande weg en is daardoor onderhevig aan verstoring. Hierdoor wordt alleen sperwer en ransuil verwacht op deze locatie. Een effect op de functionele leefomgeving van deze nesten is er niet, doordat de nesten op enige afstand van de werkzaamheden liggen. Daarnaast wordt in de permanente situatie het gebied geoptimaliseerd voor roofvogels. Eventuele negatieve effecten bestaan enkel uit verstoring tijdens het broedseizoen. Het zuidelijk boomnest ligt op meer dan 50 m afstand van de werkzaamheden. Tussen de locaties waar werkzaamheden plaatsvinden is opgaand groen en bebouwing aanwezig. Hierdoor is verstoring in het broedseizoen uitgesloten. Het noordelijk boomnest ligt dicht bij het plangebied en ligt dichtbij de voormalige kippenschuur (20 m). De sloop van de voormalige kippenschuur en het groen inrichten van het noordwestelijk deel van het plangebied kan mogelijk verstorend werken op dit jaarrond beschermde nest. Door op de locatie van de voormalige kippenschuur te werken buiten het broedseizoen zijn negatieve effecten op (mogelijk) jaarrond beschermde boomnesten uitgesloten.
Nader onderzoek naar buizerd, sperwer, boomvalk en ransuil, en het aanvragen van een ontheffing is daarom niet nodig. Wespendief en havik broeden doorgaans in uitgestrekte bossen op rustige locaties. Slechtvalk broedt in Nederland uitsluitend op hoge bouwwerken zoals kerktorens, flatgebouwen, bruggen en hoogspanningsmasten. Deze elementen zijn niet aanwezig in het plangebied, waardoor negatieve effecten op wespendief, havik en slechtvalk zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar wespendief, havik en slechtvalk, en het aanvragen van een ontheffing is daarom niet nodig. Kerkuil broedt in nestkasten die zijn geplaatst in schuren in landelijk gebied. In de kippenschuur is geen nestkast aanwezig en de openingen in de schuur zijn te klein om voor kerkuil naar binnen te treden. Nesten van ooievaar zijn eenvoudig te inventariseren door de grote afmetingen. Dergelijke grote nesten zijn niet aangetroffen. Roeken broeden in kolonies, waardoor een clustering van nesten in bomen ontstaat. Er is geen clustering van nesten waargenomen tijdens het veldbezoek. Gelet op bovenstaande zijn negatieve effecten op kerkuil, ooievaar en roek is uitgesloten. Nader onderzoek naar kerkuil, ooievaar en roek, en het aanvragen van een ontheffing is daarom niet nodig. Gierzwaluw en huismus broeden in woningen met openingen of openingen onder het dak. Het bedrijfsgebouw heeft geen openingen.
De woning heeft mogelijk openingen, maar ligt voor gierzwaluw te beschut, waardoor er geen vrije aanvliegroutes zijn. Daarnaast blijft de woning behouden. Negatieve effecten op gierzwaluw zijn daardoor uitgesloten. Huismus wordt niet verwacht, maar is niet op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden vinden echter op voldoende afstand van de woning plaats en het groen in de tuin blijft behouden. Eventuele effecten door verstoring, of indirecte effecten door aantasting van de functionele leefomgeving zijn daardoor uitgesloten. Nader onderzoek naar gierzwaluw en huismus, en het aanvragen van een ontheffing is daarom niet nodig.
24/33
Kenmerk
3.6.4.2
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Vogels – jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren
Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn om een nieuw nest te maken of zich elders te vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied en dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Een omgevingsscan is nodig om per soort te bepalen of het nest en het functionele leefgebied bij dit voornemen jaarrond beschermd zijn. Daarbij spelen de landelijke staat van instandhouding (die voortkomt uit onder andere verspreiding, populatie en trend), het belang van de in en nabij het plangebied aanwezige populatie en alternatief leefgebied in de directe omgeving een belangrijke rol. Boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, groene specht, grote bonte specht, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, zeearend, zwarte kraai en zwarte roodstaart hebben allemaal een gunstige staat van instandhouding (SOVON, 2021). Maatregelen ten gunste van deze soorten worden daarom niet nodig geacht. Nesten van deze vogels zijn wel beschermd tijdens het broedseizoen.
Blauwe reiger, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, hop, huiszwaluw, spreeuw, torenvalk en zwarte specht hebben allemaal een matig ongunstige staat van instandhouding (SOVON, 2020). Draaihals, eider, ekster en tapuit hebben een ongunstige staat van instandhouding (SOVON, 2021). Van bovengenoemde soorten wordt alleen (mogelijk) gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, huiszwaluw, spreeuw en ekster in of om het plangebied verwacht. In de ruimte omgeving van het plangebied is voldoende vergelijkbaar of kwalitatief beter leefgebied aanwezig. Hierdoor zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden. Nader onderzoek en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming is daarom niet nodig. 3.6.4.3 Vogels – in gebruik zijnde nesten De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het veldbezoek zijn geschikte nestlocaties van broedvogels aangetroffen, zoals de conifeerhagen en de opgaande begroeiingen langs de randen van het plangebied. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren, rustplaatsen en nesten (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1, 2 en 4). Vogels kunnen gedurende het gehele jaar gaan broeden. Het is daarom belangrijk om hier voorafgaand aan de werkzaamheden rekening mee te houden.
De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Het advies is om het verwijderen van vegetatie (zoveel mogelijk) uit te voeren buiten deze periode. Ook buiten deze periode zijn broedende vogels beschermd. Het is noodzakelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of een controle op nesten van broedvogels noodzakelijk
25/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
is. Indien een broedende vogel aanwezig is, kan het nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen totdat de jongen zijn uitgevlogen en niet meer afhankelijk zijn van het nest. Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van een door een ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone. 3.6.5
Amfibieën
Alpenwatersalamander, kamsalamander, heikikker, poelkikker en rugstreeppad zijn voor voortplanting aan water gebonden soorten. Het ontbreekt in en om het plangebied aan waterpartijen. Daarom zijn geen geschikte voortplantingsplaatsen voor deze soorten aanwezig in het plangebied. Doordat er in de directe omgeving van het plangebied geen voortplantingswater aanwezig is wordt landhabitat voor bovengenoemde soorten eveneens uitgesloten. Voor deze soorten is het voorkomen in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen uitgesloten. Nader onderzoek naar, en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor Alpenwatersalamander, kamsalamander, heikikker, poelkikker en rugstreeppad zijn niet nodig. Rugstreeppad is een mobiele soort die snel nieuwe geschikte leefgebieden kan koloniseren. De soort kan zich voortplanten in ondiepe plassen, zonder watervegetatie en een goed vergraafbare bodem. Bouwterreinen zijn risicovolle locaties. Verspreiding van rugstreeppad is bekend op circa 700 meter afstand ten oosten van het plangebied. Vanuit deze hoek kan rugstreeppad tijdens de bouwfase in het voortplantingsseizoen het plangebied mogelijk koloniseren. Door het nemen van maatregelen is kolonisatie en een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
Indien er gewerkt wordt in het voortplantingsseizoen van rugstreeppad (lopend van april tot en met juli) moeten maatregelen getroffen worden om kolonisatie te voorkomen. Kolonisatie wordt voorkomen door stagnatie van regenwater op het bouwterrein te voorkomen. Door kale grond glad af te strijken is kolonisatie door rugstreeppad uitgesloten. Indien dit niet mogelijk is kan een amfibieënscherm geplaatst worden. Hierdoor kan rugstreeppad het plangebied minder goed tot niet bereiken. 3.6.6 Reptielen Levendbarende hagedis en zandhagedis komen in de bossen en heidevelden in het natuurgebied de Hatertse en Overasseltse vennen. Ringslang komt in waterrijke gebieden voor met reliëf in het landschap. Het ontbreekt in het plangebied aan dergelijke habitats. Een paardenweide, gazon en verharde delen betreffen ongeschikt habitat voor deze soorten. Daarom zijn geen geschikte voortplantings- en overwinteringsplaatsen voor levendbarende hagedis, zandhagedis en ringslang aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van levendbarende hagedis, zandhagedis en ringslang in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor deze soorten is niet nodig.
26/33
Kenmerk
3.6.7
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Vlinders
Teunisbloempijlstaart plant zich voort middels de waardplanten teunisbloem, grote kattenstaart, (harig) wilgenroosje en basterdwederik. De soort komt voor op ruderale terreinen, vochtige gebieden en in de bebouwde kom. Teunisbloempijlstaart wordt in toenemende mate in Nederland waargenomen en rukt vanuit het zuiden richting het noorden op. In het plangebied zijn enkele basterdwederiken aangetroffen in een bloempot. Overige waardplanten zijn niet aanwezig, of zijn gemist doordat het veldbezoek in de winterperiode plaatsvond. Omdat er waardplanten in het plangebied aanwezig zijn is niet op voorhand uit te sluiten dat voortplantingshabitat van teunisbloempijlstaart afwezig is. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op of direct nabij geschikte voortplantingsplaatsen en winterhabitat van teunisbloempijlstaart. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren en leefgebied (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.5, lid 1, 2, 3 en 4). Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor teunisbloempijlstaart is daarom noodzakelijk. Omdat er slechts enkele planten in een bloempot zijn aangetroffen dient eerst in de laatste week van mei of de eerste week van juni bepaald te worden of er waardplanten van teunisbloempijlstaart aanwezig zijn. Indien er waardplanten aanwezig zijn dient vervolgonderzoek plaats te vinden.
In de periode juni – augustus gedurende drie verspreide veldbezoeken. Dit kan eventueel (deels) gecombineerd worden met het veldbezoek dat nodig is voor grote leeuwenklauw. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek kunnen het nemen van maatregelen en het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. Waardplanten van grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en sleedoornpage bestaan uit iep, zoete kers, sommige wilgensoorten, kamperfoelie en/of sleedoorn. In het plangebied zijn geen van deze waardplanten aangetroffen. Er zijn daarom geen geschikte voortplantings- en overwinteringsplaatsen voor deze soorten aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en sleedoornpage in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar, en het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor deze soorten is niet nodig.
4 Uitvoerbaarheid bestemmingsplan In dit hoofdstuk beoordelen we of het voorgenomen plan redelijkerwijs uitvoerbaar is in het kader van de geldende natuurwetgeving.
4.1
Inleiding
Een bestemmingsplan kan uitsluitend worden vastgesteld wanneer dit redelijkerwijs uitvoerbaar is. Vanuit ecologie betekent dit dat effecten op beschermde gebieden, soorten en houtopstanden met zekerheid uitgesloten moeten zijn, of dat een vergunning, ontheffing respectievelijk toestemming redelijkerwijs kan worden verkregen.
27/33
Kenmerk
4.2
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
Beschermde soorten
Voor beschermde soorten is een bestemmingsplan redelijkerwijs uitvoerbaar als: • Het plan geen negatieve effecten heeft op beschermde soorten, of • Maatregelen genomen (kunnen) worden om negatieve effecten te voorkomen, of •
Een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming kan worden verkregen voor de realisatie van ontwikkelingen die het bestemmingsplan ruimtelijk mogelijk maakt
Een ontheffing kan uitsluitend worden verkregen wanneer voldaan wordt aan de volgende 3 punten: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing De initiatiefnemer moet onderbouwen waarom er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor het plan. Dit moet zowel onderbouwd worden voor de locatie en de inrichting als de werkwijze bij uitvoering. Wanneer een andere invulling leidt tot het voorkomen van het overtreden van een verbodsbepaling, dan moet deze optie worden gekozen. Financiën behoren hierbij niet als een redelijk argument. 2.
Het project heeft een wettelijk belang, waarbij uitsluitend de belangen gelden zoals bepaald in de Wet natuurbescherming Wanneer Europees beschermde soorten (beschermd onder Wet natuurbescherming, artikel 3.1 en 3.5) aanwezig zijn in het plangebied, is slechts een beperkt aantal wettelijke belangen (Vogelen/of Habitatrichtlijn) geldig voor het verkrijgen van een ontheffing (zie Wet natuurbescherming, artikel 3.3, lid 4, sub b en artikel 3.8, lid 5, sub b). De initiatiefnemer moet onderbouwen welk wettelijk belang geldt voor het project. Uitsluitend wanneer het belang kan worden aangetoond kan de ontheffing worden verleend. Indien dit belang niet kan worden aangetoond, moeten de aanwezige beschermde functies voor betreffende soorten in het plangebied worden ingepast en negatieve effecten worden voorkomen. 3.
De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort(en) De initiatiefnemer moet alle negatieve effecten op beschermde soorten zodanig mitigeren en zo nodig compenseren, dat zowel de individuele dieren als de populaties op korte en lange termijn niet worden aangetast. Dit kan door het inpassen van bestaande functies in het plan en/of door het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen en leefgebied binnen het plangebied en de directe omgeving. Samengevat moet de initiatiefnemer kunnen aantonen dat aan de bovenstaande 3 punten wordt voldaan. Een en ander is afhankelijk van soorten die wel of niet worden aangetroffen tijdens het ecologisch soortonderzoek. Indien aangetoond is dat er geen andere bevredigende alternatieven bestaan, er een geldend wettelijk belang bestaat voor het plan en alle maatregelen genomen worden om de gunstige staat van instandhouding voor elke beschermde soort te garanderen, dan kan de ontheffing voor die ontwikkeling worden verkregen. Uitsluitend dan is de beoogde
28/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
ontwikkeling redelijkerwijs uitvoerbaar en mag het plan dat de ontwikkeling mogelijk maakt worden vastgesteld. Het aspect ‘ecologie’ vormt voor dit project geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5 Kansen voor biodiversiteit 5.1
Algemeen
TAUW gelooft dat we samen de achteruitgang van biodiversiteit in Nederland kunnen stoppen. TAUW is aangesloten bij het Deltaplan Biodiversiteitsherstel waarin overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties samenwerken aan biodiversiteit als kerndoel voor de openbare ruimte. Vanuit deze ambitie kijken we met onze opdrachtgevers naar concrete en realistische mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel in onze projecten.
5.2
Kansen in dit project
De ecologen van TAUW kijken verder dan de aanwezigheid van strikt beschermde soorten. Vanuit het motto ‘meer biodiversiteit achterlaten dan je aantreft’ signaleren we kansen voor dit project om bij te dragen aan het herstel van biodiversiteit. Hieronder geven we op beknopte wijze enkele kansen aan. Wij bespreken deze voorstellen graag met u en werken desgewenst de praktische aspecten verder uit. Voor dit project liggen er mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel door: • Het opstellen van een concreet ecologisch beheer- en/of inrichtingsplan, bijvoorbeeld gericht op verhoging van de bloemrijkdom voor bijen. Hierbij sluiten we zo veel mogelijk aan op de (toekomstige) situatie in uw projectgebied, gemeentelijk natuurbeleid en regionale doelsoorten en potenties. Biodiversiteit vraagt om maatwerk en ieder project is anders. In een plan nemen we de best passende maatregelen op.
Voorbeelden van potentiële maatregelen zijn: Het vergroten van de diversiteit aan leefgebied voor planten en dieren door via aanplant of beheer te zorgen voor verschillende biotooptypen (water, oevers, kruidenvegetatie, struweel, bomen, bos) en geleidelijke overgangen hiertussen Het versterken van populaties door te voorzien in nestkasten en/of verblijfplaatsen (bijvoorbeeld vogels en vleermuizen), wanneer blijkt dat nestgelegenheid een beperkende factor is Het vergroten en versterken van leefgebieden voor planten en dieren door ecologisch beheer van (openbaar) groen, bijvoorbeeld door het beheer van grasvegetaties af te stemmen op bloemrijkdom en insecten Het verbinden van leefgebieden door het aanbrengen of herstellen van lijnvormige landschapselementen (houtwallen, singels, hagen, sloten) of het realiseren van andere ontsnipperingsmaatregelen (bijvoorbeeld faunapassage) Het versterken van leefgebied en migratiezones door het aanbrengen van natuurlijke elementen als takkenrillen, dood hout, of stenige elementen Het beperken van verstoring door bijvoorbeeld verlichting of geluid • Het opstellen van een integraal duurzaamheidsadvies. Herstel van biodiversiteit heeft raakvlakken met andere opgaven zoals energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie
29/33
Kenmerk
R001-1285176VSX-V02-kzo-NL
en verstedelijkingsvraagstukken. TAUW is gewend projecten integraal te benaderen. Ecologen werken daarvoor vaak samen met andere experts. Ook voor uw project kunnen kansen voor biodiversiteit worden gekoppeld aan andere duurzaamheidsopgaven
6 Conclusies en aanbevelingen 6.1
Aanleiding en doel
In opdracht van Schraven Hoveniers B.V. heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor de ontwikkeling van vier woningen op het terrein van Schraven Hoveniers B.V. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend.
6.2
Relevante natuurwet- en regelgeving
Voor de toetsing van het voornemen is de volgende natuurwet- en regelgeving van toepassing: • Wet natuurbescherming – onderdelen: Gebiedsbescherming - Natura 2000 Soortenbescherming Provinciaal beschermde gebieden
6.3
Conclusies toetsing
6.3.1 Natura 2000-gebieden Er is geen sprake van gevolgen op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten door stikstofdepositie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase op Natura 2000-gebieden (op circa 8 km afstand) worden niet verwacht. Voor werkzaamheden in de aanlegfase geldt momenteel een vrijstellingsregeling, waardoor effecten door stikstofdepositie niet getoetst hoeven te worden. Zekerheid omtrent stikstofdepositie kan uitsluitend worden verkregen door een AERIUSberekening. Het bevoegd gezag kan (voor de gebruiksfase) hier altijd om vragen. 6.3.2 Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Wet natuurbescherming beschermde soorten, namelijk grote leeuwenklauw, bunzing, wezel, steenmarter, vleermuizen, broedvogels, rugstreeppad en teunisbloempijlstaart. Door het nemen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten op broedvogels, rugstreeppad en vliegroutes van vleermuizen worden voorkomen. Nader onderzoek naar broedvogels en rugstreeppad is daarom niet nodig. Daarnaast zijn maatregelen nodig in het kader van de zorgplicht. Voor grote leeuwenklauw, steenmarter, vleermuizen en teunisbloempijlstaart is het noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren conform de vastgestelde soortspecifieke protocollen en methodes.