Bijlagen bij toelichting_Bijlage 10 Selectiebesluit archeologie.pdf
Tekst van het document
SELECTIEBESLUIT ARCHEOLOGIE Locatie: Oosterweg 279, Wijchen Uitgevoerd onderzoek: Verkennend bodemonderzoek (milieutechnisch) Datum selectiebesluit: 24-03-2022 Deskundige namens bevoegd gezag: Ester van der Linden (beleidsadviseur archeologie) Resultaten uitgevoerd onderzoek: In verband met de gewenste ontwikkeling aan de Oosterweg 279 in Wijchen heeft de opdrachtgever een milieutechnisch verkennend bodemonderzoek laten uitvoeren door een hiervoor gecertificeerd bureau (Ortageo rapport 216492/R01). Bij dat onderzoek is gebleken dat er in de jaren ’70 op dit perceel ontgronding heeft plaatsgevonden. De historische gegevens uit het rapport luiden als volgt: “Van oudsher landbouwgrond. Begin jaren ’70 heeft op het terrein ontgronding plaatsgevonden. De ontgronding is uitgevoerd door Boesewinkel B.V. (bron 6D*). De onderzijde van de ontgronding lag op circa 14 à 15 m -mv. Het zand uit de ontgronding is gebruikt bij de reconstructie van de Graafseweg. Na ontgraving is de zandwinput aangevuld met zand en klei tot circa 2 m-mv. De herkomst hiervan is onbekend. Van 0,5 tot 2,0 m -mv is de ontgronding aangevuld met onder andere zand, beton en puin. Daarna is een afdeklaag aangebracht. […].” Uit de boringen van Ortageo blijkt dat er inderdaad afwisselend zand en klei aanwezig is. In de eerste 2 meter -mv is ook vaak puin aanwezig.
Meerdere boringen zijn op dieptes tussen 0.70 en 2.10 m –mv gestuit op beton of puin. De andere boringen laten afwisselend klei- en zandlagen zien, waar op grond van de archeologische verwachting en kennis van de directe omgeving alleen rivierduinzand op die niveaus aanwezig zou moeten zijn. * bron: Verkennend Onderzoek Stortplaatsen, i.o.v. Provincie Gelderland, De Straat Milieu-adviseurs, projectnr B52211, 10 april 2000.
Selectiebesluit gemeente Wijchen (bevoegd gezag): Hoewel normaal gesproken een milieutechnisch verkennend bodemonderzoek niet gebruikt kan worden om de archeologische waarde en/of verwachting voor een plangebied vast te stellen, is dat in dit geval wel mogelijk. De informatie uit het historische onderzoek en uit de gezette boringen geven een duidelijk beeld dat de bodem tot op flinke diepte geroerd is. Veel boringen zijn tot op 2 meter diepte gestuit op puin of beton en andere boringen laten afwisselende lagen van klei en zand zien, waar op grond van de archeologische verwachting en kennis van de directe omgeving alleen rivierduinzand op die niveaus aanwezig zou moeten zijn. De twee archeologische vondstmeldingen binnen dit plangebied zijn uit 1969 en 1970 afkomstig, dus van vóór of tijdens de ontgronding. Het plangebied kan dan ook worden vrijgegeven wat betreft archeologie. Ook de archeologische dubbelbestemming hoeft niet gehandhaafd te worden binnen dit plangebied. Als er onverwachts toch archeologische sporen of resten worden gevonden tijdens de werkzaamheden voor de bouw, dan is het een wettelijke verplichting om deze te melden. Dat staat in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Dit kan worden gemeld bij de gemeente Wijchen of bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
www.wijchen.nl