Bijlagen bij toelichting_Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek.pdf
Tekst van het document
RAPPORT:
Diverse (bodem)onderzoeken De Dreef 5 te Hernen
PROJECTNUMMER: B21.8154 Versie: 01
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl
RAPPORT: Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen
PROJECTNUMMER: B21.8154 Versie: 01
OPDRACHTGEVER: RE-Infra BV
DATUM: 1 oktober 2021
Auteur:
Autorisatie:
J.P.G. Boerakker Junior projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
B21.8154/R8154-01/JB Alle informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
2
SAMENVATTING RE-Infra BV heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar asbest, inclusief historisch onderzoek voor de onderzoekslocatie gelegen aan De Dreef 5 te Hernen. De aanleiding tot de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de NEN 5725:2017, de NEN 5740/A1:2016, de NEN 5707:2015/C2:2017 en de NEN 5897:2015/C2:2017. De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest en OCB) op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling. Tevens wordt de eindsituatie vastgelegd van de diverse (voormalige) bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Uit de beschikbare historische informatie kunnen de volgende zaken worden aangegeven: • Van de onderzoekslocatie zijn diverse gegevens bekend.
Op de onderzoekslocatie zijn een pompstation met twee ondergrondse tanks (gesaneerd / verwijderd in 1992) en een werkplaats voor onderhoud en reparatie van fietsen (smeerolie in lekbak) aanwezig geweest. Met een onderzoek, na het saneren / verwijderen van het pompstation en de ondergrondse tanks, zijn in zowel de grond als het grondwater geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond; • In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. Met de diverse onderzoeken zijn diverse bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Ten westen van de onderzoekslocatie is een sterk verhoogd gehalte voor zink aangetoond. Dit betrof een lokale spot (< 25 m3). Verder zijn er maximaal licht verhoogde gehalten in de water(bodem) aangetoond; • Er zijn voor zover bekend twee voormalige watergangen op de onderzoekslocatie aanwezig; • Op de locatie is een hobbymatige boomgaard aanwezig, daarnaast zijn er in de omgeving van de onderzoekslocatie boomgaarden aanwezig (geweest); • De eerste bebouwing op de onderzoekslocatie is in de jaren ‘30 van de vorige eeuw gerealiseerd. De huidige bebouwing is in 1952 gebouwd.
Daarnaast zijn op de onderzoekslocatie diverse (puin)verhardingen aanwezig, waaronder mogelijk een puinstabilisatie is toegepast; • Er zijn geen overige gegevens bekend van eventuele overige bodembedreigende activiteiten; • Met het locatiebezoek zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. De diverse (puin)verhardingen zijn aangetroffen en verder zijn er geen overige bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging; • Er wordt naar verwachting geen grond van de locatie wordt afgevoerd, waardoor een aanvullend onderzoek op PFAS vooralsnog niet noodzakelijk is. In verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling dient op basis van bovengenoemde gegevens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN 5740. Hierbij vormen het voormalige pompstation, de voormalige ondergrondse tanks, de voormalige werkplaats (smeerolie in lekbak), de voormalige watergangen en het mogelijk voorkomen van OCB in de teeltlaag (0,0-0,3 m-mv) aandachtspunten. Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
3 Er dient daarnaast een verkennend onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 ter plaatse van de (puin)verhardingen. Een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 en/of NEN5897 wordt voor het overige deel de onderzoekslocatie vooralsnog niet noodzakelijk geacht. Echter kan (nog) niet worden uitgesloten dat hier puin en/of asbestverdacht (plaat)materiaal wordt aangetroffen in de bodem. Verder zijn er geen overige gegevens van (kritische) bodembedreigende activiteiten bekend. Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen en proefgaten wordt rekening gehouden met de diverse aandachtspunten. Conclusies en aanbevelingen Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek Voor de onderzoekslocatie is voor de algemene kwaliteit inclusief de voormalige bodembedreigende activiteiten, de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Algemene kwaliteit Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese voor de algemene kwaliteit worden verworpen, aangezien in zowel de boven- als ondergrond maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden.
Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige werkplaatsen en voormalige watergangen. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping van de watergangen eventueel slib uit de watergangen verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. Voormalig bodembedreigende activiteiten Ter plaatse van de voormalige bodembedreigende activiteiten zijn in zowel de boven-, ondergrond als het grondwater geen verhoogde gehalten voor minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetoond. Hiermee is de eindsituatie voor de voormalige bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie vastgesteld. Teeltlaagonderzoek In de teeltlaag is maximaal een licht verhoogd gehalte voor de OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. De voormalige boomgaarden hebben derhalve niet geleid tot een bodemverontreinigingen met OCB in de teeltlaag. Verkennend onderzoek naar asbest (erf) Voor wat betreft de onderzoekslocatie is voor het erf de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien op het erf zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest is aangetoond (< 2,0 mg/kg d.s.).
Over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, aangezien in afwijking op de SIKB BRL 2000, protocol 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie is uitgevoerd in verband met de aanwezige obstakels (verhardingen) op het maaiveld. Ter plaatse van de overige locatie zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen en puinbijmengingen aangetroffen, waardoor een verkennend onderzoek naar asbest hier definitief niet noodzakelijk is.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
4 Algehele conclusie en aanbevelingen Met de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ten behoeve van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling ter plaatse van De Dreef 5 te Hernen in voldoende mate onderzocht. Daarnaast is de eindsituatie van de diverse voormalige bodembedreigende activiteiten in voldoende mate vastgelegd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling, waarbij rekening dient te worden gehouden met onderstaande aanbevelingen. Bij de eventuele afvoer van grond / puin dient rekening gehouden te worden met de resultaten van het onderzoek naar asbest, de NEN- en/of OCB-parameters. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen en onderzoeken worden verlangd (inclusief aanvullend onderzoek op PFAS). Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. Geadviseerd wordt om, na verwijdering van de momenteel aanwezige belemmering, nog aanvullend een maaiveldinspectie uit te voeren om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de contactzone.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
5 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.
INLEIDING .................................................................................................................................................. 6
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 6
3.
LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 6 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 6 3.2. HISTORISCH ONDERZOEK (NEN 5725) ...................................................................................................... 6
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE........................................................................................... 9 4.1. BODEMOPBOUW .......................................................................................................................................... 9 4.2. GEOHYDROLOGIE ....................................................................................................................................... 9
5.
HYPOTHESE ............................................................................................................................................... 9
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 10 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIEËN DIVERSE ONDERZOEKEN ............................................................................ 10 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 11
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 13 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 13 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 14
8.
LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN ........................................................... 15 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 15 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 15 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 18
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELING ....................................................................................................... 20 9.1. VERKENNEND EN EINDSITUATIE BODEMONDERZOEK ............................................................................. 20 9.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST (ERF) ...................................................................................... 20 9.3. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 20
10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 22
BIJLAGEN
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Situering in de regio Situatieschets met (voorgaande) boringen, peilbuizen en proefgaten Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater en asbest Achtergrond-, streef- en interventiewaarden grond en grondwater Veldwerkformulieren onderzoek naar asbest Relevante historische gegevens
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
6
1.
INLEIDING RE-Infra BV heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar asbest, inclusief historisch onderzoek voor de onderzoekslocatie gelegen aan De Dreef 5 te Hernen. De aanleiding tot de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 [1], de NEN 5740/A1:2016 [2], de NEN 5707:2015/C2:2017 [3] en de NEN 5897:2015/C2:2017 [4]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heren H.M.W. van der Donk en J.P.G. Boerakker.
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest en OCB) op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling. Tevens wordt de eindsituatie vastgelegd van de diverse (voormalige) bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie.
3.
LOCATIEGEGEVENS 3.1.
Algemene gegevens
De onderzoekslocatie is gelegen aan De Dreef 5 te Hernen en staat kadastraal bekend als gemeente Bergharen, sectie E, nummer 383. Op de locatie is een woning met werkplaats/winkel en diverse bijgebouwen gesitueerd. De onderzoekslocatie is uitpandig gedeeltelijk verhard en gedeeltelijk in gebruik als tuin. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt 3.465 m2. Voor de situering van het perceel in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.
Historisch onderzoek (NEN 5725)
Voorafgaand aan de diverse verkennende (bodem)onderzoeken is een historisch onderzoek uitgevoerd door een medewerker van Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) conform de NEN 5725. Door een medewerker zijn de historische gegevens opgevraagd bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN), de provincie Gelderland en de gemeente Wijchen, waarbij enkel van de ODRN gegevens zijn verkregen. Daarnaast is er een historische vragenlijst ingevuld door de opdrachtgever en zijn de bij hen beschikbare gegevens aangeleverd. Tevens zijn de websites www.topotijdreis.nl en www.bodemloket.nl bestudeerd. De relevante historische gegevens zijn opgenomen in bijlage 9. Bodemkwaliteitsgegevens Door de opdrachtgever zijn een basisdocument en een inventariserend bodemonderzoek van de onderzoekslocatie aangeleverd. Door de ODRN zijn enkel gegevens aangeleverd van de omgeving van de onderzoekslocatie.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
7 De Dreef 5 Van de onderzoekslocatie is een basisdocument (BMD Midden-Gelderland, kenmerk -, d.d. september 1998) opgesteld. Het doel van het basisdocument was het opstellen van een gedegen en doelmatige onderzoeksopzet voor een bodemonderzoek. Uit het historisch onderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie in het verleden als weiland heeft gediend. In de agrarische gebieden zijn in het verleden bestrijdingsmiddelen toegepast en door de ruilverkaveling is er een watergang op locatie volgestort met onbekend materiaal. Vanaf 1936 is de locatie bebouwd (agrarisch bedrijf), welke in 1948 is afgebrand. In 1952 is het huidige woonhuis gerealiseerd. Sindsdien zijn nog enkele bijgebouwen en uitbreidingen gerealiseerd. In 1959 is er een pompstation gerealiseerd met één ondergrondse benzinetank (3.000L). In 1982 is er een ondergrondse tank (6.000L) met superbenzine bijgekomen. In 1992 zijn beide tanks, de pompen en bijbehorende leidingen volledig verwijderd en opgevuld met ‘schoon’ zand. Er is hierbij echter geen bodemonderzoek uitgevoerd. Toendertijd waren er nog huidige bedrijfsactiviteiten. Dit betrof een winkel, waar fietsen en huishoudelijke artikelen werden verkocht. Daarnaast was er een werkplaats voor het repareren en onderhouden van fietsen. Voor het smeren van de kettingen was maximaal 5 liter smeerolie aanwezig, welke in een lekbak stond.
Op basis van de informatie is de locatie toendertijd opgedeeld in drie locaties, namelijk het voormalige pompstation (A), de voormalige watergang (B) en het overige terrein (C). Hiervoor zijn onderzoeksopzetten voorgesteld. Op basis van het basisdocument is door de toenmalige eigenaar opdracht gegeven voor het onderzoeken van deellocatie A (voormalige pompstation). Met het bodemonderzoek (De Klinker, kenmerk: 990113DH.110, d.d. 4 mei 1999) zijn zintuiglijk licht tot sterke bijmengingen met puin aangetroffen. Er zijn geen olie-waterreacties waargenomen. Analytisch zijn ter plaatse van deellocatie A (het voormalige pompstation en de voormalige ondergrondse benzinetanks) in zowel de boven-, ondergrond als het grondwater voor de onderzochte parameters geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrond-/streefwaarden. Omgeving Ten noorden van de onderzoekslocatie is middels een verkennend waterbodemonderzoek (Linge Milieu BV, kenmerk AA029601877, d.d. 31 oktober 2008) de gracht van Kasteel Hernen onderzocht. In zowel de vijver als de watergangen zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. Ten zuiden van de onderzoekslocatie zijn aan de Flederweg 10 diverse verkennende/aanvullende bodemonderzoek (-, kenmerk AA029602115, d.d. 1 augustus 2019 / 1 november 2019) uitgevoerd.
Zintuiglijk zijn maximaal matige bijmengingen met puin en zwakke bijmengingen met polystyreenschuim waargenomen. Analytisch zijn maximaal licht verhoogde gehalten in de bovengrond en het grondwater aangetoond. In de bovengrond en voor asbest zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Ten westen van de onderzoekslocatie is aan de Dreef 2 een nader onderzoek (-, kenmerk AA029601903, d.d. 8 maart 2012) uitgevoerd. Zintuiglijk zijn zwakke bijmengingen met kolengruis en sporen tot matige bijmengingen met puin waargenomen. Analytisch is in de bovengrond een sterk verhoogd gehalte voor zink aangetoond. Voor de overige parameters zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Het sterk verhoogd gehalte voor zink betreft een lokale spot (< 25 m3) en is derhalve niet van invloed voor onderhavige onderzoekslocatie.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
8 Historisch kaartmateriaal Uit bestudering van het historische kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl zijn er voor zover bekend twee watergangen op de onderzoekslocatie aanwezig geweest. Op de onderzoekslocatie is een kleine hobbymatige boomgaard aanwezig. Daarnaast zijn er in de omgeving van de onderzoekslocatie naar verwachting boomgaarden aanwezig (geweest), waarbij mogelijk organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB) zijn toegepast. Asbest De eerste bebouwing op de onderzoekslocatie is in de jaren ‘30 van de vorige eeuw gerealiseerd. De huidige bebouwing is in 1952 gebouwd. Daarnaast zijn op de onderzoekslocatie diverse (puin)verhardingen aanwezig, waaronder mogelijk een puinstabilisatie is toegepast. Bodembedreigende activiteiten (zoals boven- en/of ondergrondse brandstoftanks) Op de onderzoekslocatie zijn, zoals reeds bekend, een pompstation, twee voormalige ondergrondse benzinetanks en smeerolie (in lekbak) aanwezig geweest. Op 1 februari 1992 is gestopt met de verkoop van benzine waarna de pomp is verwijderd. De ondergrondse benzinetanks zijn op 9 juli 1992 gesaneerd. De tanks en leidingen zijn verwijderd en verschroot (Chemclean B.V., kenmerk 02342 en 02343). Er zijn geen overige gegevens bekend over eventuele overige bodembedreigende activiteiten.
PFAS Op 8 juli 2019 de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van toepassing verklaard. Dit heeft gevolgen voor de acceptatie van grond en baggerspecie bij grondbanken en verwerkers. Dus zodra er grond/slib van de locatie dient te worden afgevoerd, dient er een aanvullend onderzoek plaats te vinden naar PFAS (30 parameters) en/of GenX. Hierbij wordt de verdachte grondlaag (0,0-1,0 m-mv) onderzocht op PFAS en/of GENX. Voorliggende onderzoekslocatie is niet verdacht op GENX. Locatiebezoek Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is door een medewerker van VMT een locatiebezoek uitgevoerd. Hierbij zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. De diverse (puin)verhardingen zijn aangetroffen. Verder zijn er geen overige bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging. Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Uit de beschikbare historische informatie kunnen de volgende zaken worden aangegeven: • Van de onderzoekslocatie zijn diverse gegevens bekend. Op de onderzoekslocatie zijn een pompstation met twee ondergrondse tanks (gesaneerd / verwijderd in 1992) en een werkplaats voor onderhoud en reparatie van fietsen (smeerolie in lekbak) aanwezig geweest.
Met een onderzoek, na het saneren / verwijderen van het pompstation en de ondergrondse tanks, zijn in zowel de grond als het grondwater geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond; • In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. Met de diverse onderzoeken zijn diverse bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Ten westen van de onderzoekslocatie is een sterk verhoogd gehalte voor zink aangetoond. Dit betrof een lokale spot (< 25 m3). Verder zijn er maximaal licht verhoogde gehalten in de water(bodem) aangetoond; • Er zijn voor zover bekend twee voormalige watergangen op de onderzoekslocatie aanwezig; • Op de locatie is een hobbymatige boomgaard aanwezig, daarnaast zijn er in de omgeving van de onderzoekslocatie boomgaarden aanwezig (geweest); • De eerste bebouwing op de onderzoekslocatie is in de jaren ‘30 van de vorige eeuw gerealiseerd. De huidige bebouwing is in 1952 gebouwd. Daarnaast zijn op de onderzoekslocatie diverse (puin)verhardingen aanwezig, waaronder mogelijk een puinstabilisatie is toegepast; Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
9 • • •
Er zijn geen overige gegevens bekend van eventuele overige bodembedreigende activiteiten; Met het locatiebezoek zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. De diverse (puin)verhardingen zijn aangetroffen en verder zijn er geen overige bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging; Er wordt naar verwachting geen grond van de locatie wordt afgevoerd, waardoor een aanvullend onderzoek op PFAS vooralsnog niet noodzakelijk is.
In verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling dient op basis van bovengenoemde gegevens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN 5740. Hierbij vormen het voormalige pompstation, de voormalige ondergrondse tanks, de voormalige werkplaats (smeerolie in lekbak), de voormalige watergangen en het mogelijk voorkomen van OCB in de teeltlaag (0,0-0,3 m-mv) aandachtspunten. Er dient daarnaast een verkennend onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 ter plaatse van de (puin)verhardingen. Een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 en/of NEN5897 wordt voor het overige deel de onderzoekslocatie vooralsnog niet noodzakelijk geacht. Echter kan (nog) niet worden uitgesloten dat hier puin en/of asbestverdacht (plaat)materiaal wordt aangetroffen in de bodem. Verder zijn er geen overige gegevens van (kritische) bodembedreigende activiteiten bekend. Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen en proefgaten wordt rekening gehouden met de diverse aandachtspunten.
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale bodemopbouw en hydrogeologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1.
Bodemopbouw
Op de onderzoekslocatie is een circa 7 meter dikke deklaag die is opgebouwd uit Holocene afzettingen. Dit is een complexe eenheid bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Het onderliggende eerste watervoerend pakket is circa 34 meter dik en bestaat uit midden tot grof zand van de Formaties van Kreftenheye, Peize en Waalre. Hieronder bevindt zich een circa 6 meter dikke scheidende laag die is opgebouwd uit zandige klei, klei en midden zand van de Formatie van Waalre. Hieronder bevindt zich vanaf circa 46,5 m-mv het tweede watervoerend pakket. 4.2.
Geohydrologie
Het (ondiepe) grondwater stroomt naar verwachting globaal in westelijk richting. De stromingsrichting van het ondiepe grondwater wordt beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, oppervlaktewater, de ligging van rioleringen en de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). De locatie is, voor zover bekend, niet gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied.
5.
HYPOTHESE Op basis van de beschikbare informatie is voor de algemene bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodem verontreiniging. Hierbij vormen het voormalige pompstation, de voormalige ondergrondse tanks, de voormalige werkplaatsen (smeerolie in lekbak), de voormalige watergangen en het mogelijk voorkomen van OCB in de teeltlaag (0,0-0,3 m-mv) aandachtspunten. Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
10 Voor wat betreft asbest wordt vooralsnog alleen het erf (< 1.000 m2) verdacht gesteld met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Het overige gedeelte is vooralsnog onverdacht op het voorkomen van asbest. 6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.
Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken
Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek Algemene kwaliteit inclusief voormalige watergangen en voormalige werkplaatsen Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit wordt de NEN 5740 gehanteerd, waarbij voor de bovengrond wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie ‘diffuus belaste nietlijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL) voor een locatie van maximaal 4.000 m2. Voor de ondergrond wordt uitgegaan van een ‘onverdachte niet-lijnvormige locatie’(ONV-NL, < 4.000 m2). Aangezien op de locatie verschillende verhardingen aanwezig zijn worden er diverse boringen tot minimaal 1,0 m-mv doorgezet. Tevens wordt er één extra NEN-pakket opgenomen in verband met de verhardingen en de aangetroffen puinbijmengingen met voorgaand onderzoek. Daarnaast worden ter plaatse van / nabij de voormalige werkplaatsen boringen gesitueerd. Aangezien er enkel smeerolie in een lekbak heeft gestaan, wordt de grond in eerste instantie enkel zintuiglijk beoordeeld. Aanvullend worden er twee dwarsraaien van 3 boringen tot 2,0 m-mv per raai verricht ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige watergangen. In eerste instantie wordt de grond enkel zintuiglijk beoordeeld en is hier vooralsnog nog geen extra NEN-pakket voor opgenomen.
Voormalige ondergrondse benzinetanks met pompstation (eindsituatie) De voormalige ondergrondse benzinetanks met pompen worden onderzocht conform de NEN 5740, waarbij wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie “potentieel verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP; < 500 m2). Hiervoor worden twee steekbusmonsters met analyse op minerale olie en vluchtige aromaten en één minerale olie analyse opgenomen. Het grondwater wordt geanalyseerd op minerale olie en vluchtige aromaten. Teeltlaagonderzoek Aanvullend dient er een teeltlaagonderzoek uitgevoerd te worden conform de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740 voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigde stof op schaal van monsterneming (VED-HO-NL) voor een maximale oppervlakte van 1 ha. De (oorspronkelijke) teeltlaag wordt hierbij separaat bemonsterd (0,0-0,3 m-mv) en geanalyseerd op OCB. Verkennend onderzoek naar asbest (erf) Voor het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van het erf wordt de strategie voor een diffuus belaste verdachte locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging gehanteerd volgens de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 conform halfverhardingslagen (maximaal 1.000 m2).
Ten behoeve van het onderzoek naar asbest worden minimaal 6 proefgaten gegraven met een omvang van 0,3 m x 0,3 m tot minimaal 0,5 m-mv, waarvan minimaal 1 proefgat dieper wordt doorgeboord tot in de onverdachte/ongeroerde ondergrond. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
11 Van de meest verdachte grond-/puinlagen uit de proefgaten worden mengmonsters samengesteld voor analyse op asbest conform NEN 5898:2015 (fractie < 20 mm). Er wordt minimaal één mengmonster van de meeste verdachte grond- en/of puinlagen geanalyseerd op een kwalitatieve/kwantitatieve analyse op asbest conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin (< 20 mm). De veldwerkzaamheden van het verkennend onderzoek naar asbest zijn zoveel als mogelijk gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek. Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen en proefgaten is rekening gehouden met de diverse aandachtspunten. 6.2.
Veldwerkzaamheden
Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001: het plaatsen van boringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6) en protocol 2018, afgezien van een efficiënte maaiveldinspectie, locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een ramguts, schep en Edelmanboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde en opgegraven grond en puin zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). De peilbuizen zijn, na een standtijd van minimaal één week en minimaal twee maal afpompen, bemonsterd. In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerkers weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 6 september 2021
Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V.
Gecertificeerde medewerker De heer C.C.G. van Rossum
16 september 2021
Verhoeven Milieutechniek B.V.
De heer J.B. Koppelman
Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2002 (v. 6)
De volledige puinlagen op de onderzoekslocatie betreffen geen bodem en zijn derhalve niet conform protocol 2018 onderzocht. Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek Ten behoeve van het bepalen van de algemene bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie zijn, conform de onderzoeksopzet voor het verkennend bodemonderzoek, in totaal 23 boringen (B01 t/m B19) geplaatst. Boring PB05 is ter plaatse van het voormalig pompstation gesitueerd en de boringen B06 en PB07 ter plaatse van de voormalige ondergrondse benzinetanks. De boringen B09 en B11 zijn ter plaatse van / nabij de voormalige werkplaatsen gesitueerd. De raaiboringen B03A-C en B15A-C zijn ter plaatse van de voormalige watergangen geplaatst. Ten behoeve van het grondwateronderzoek zijn de boringen PB05 en PB07 dieper doorgezet en afgewerkt met een peilbuis. In tabel 6.2 op de volgende pagina zijn de uitgevoerde werkzaamheden weergegeven.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
12 Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Circa 0,5 m-mv Circa 1,0 m-mv Algemene kwaliteit B01, B02, B08, B10*, B11*, B04, B09, B12, B13 B14, B16 t/m B19 Voormalige bodembedreigende activiteiten -
Boringen / peilbuizen Circa 2,0 m-mv
Peilbuis (filterstelling m-mv)
B03A-C, B15A-C,
-
B06
PB05# (2,0-3,0) PB07 (2,0-3,0)
Toelichting bij de tabel: * Boring is gestaakt op een ondoordringbare laag; # Gecombineerd met de algemene kwaliteit.
Aangezien slechts een gering aantal boringen zijn gestaakt en deze nog minimaal tot 0,4 m-mv zijn doorgeboord, wordt niet verwacht dat de representativiteit van het onderzoek hierdoor wordt beïnvloed. Grondwater Het grondwater uit peilbuizen PB05 en PB07 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 16 september 2021 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. Asbest (erf) Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest dient op de locatie (erf) allereerst een locatie- en maaiveldinspecties te worden uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld op de locatie gedeeltelijk is bedekt met verhardingen (80 %). Er heeft derhalve, in afwijking van de BRL 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie ( > 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Mogelijk zijn hierdoor de resultaten beïnvloed. Op het maaiveld zijn desondanks, rekening houdend hiermee, geen asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet zijn in totaal 8 proefgaten (B04 t/m PB07, B10 t/m B13) van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven ter plaatse van het erf.
Voor de inspectie van de ondergrond zijn diverse proefgaten doorgezet middels een Edelmanboor met een diameter van 12 cm tot in de ongeroerde ondergrond. Om een bodemverontreiniging met asbest vast te stellen is, per proefgat, de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. In zowel de opgeboorde als opgegraven grond en puin zijn zintuiglijk geen asbestverdachte (plaat)materiaal aangetroffen. In het veld zijn drie grond-/puinmonsters samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijne fractie (< 20 mm). Een overzicht van de samengestelde grond/puinmonsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.5 van hoofdstuk 8 weergegeven. De situatieschets met de (voorgaande) boringen, peilbuizen en proefgaten is opgenomen als bijlage 2. De veldwerkformulieren van het verkennend onderzoek naar asbest zijn opgenomen in bijlage 6.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
13
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.
Grond/grondwater
De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [5]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [6] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.
De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid: Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd. Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering. Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit tot die tijd moet het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 29 november 2019, inclusief aanpassing d.d. 1 juli 2020), worden gehanteerd.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
14 In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOS een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.
Asbest
De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en bedraagt 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grondmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Indien tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond is dan verplicht.
De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
15
8.
LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN 8.1.
Zintuiglijke waarnemingen
De bodem op de onderzoekslocatie bestaat vanaf het maaiveld / onderzijde verharding tot circa 2,5 m-mv uit siltige zeer tot matig fijn, zwak siltig en/of zwak humeus zand. Lokaal is van 0,4 mmv tot 0,5 m-mv sterk zandige klei waargenomen. Vanaf circa 2,5 m-mv tot de maximaal geboorde diepte van circa 3,0 m-mv bestaat de bodem hoofdzakelijk uit zwak siltige of sterk zandige klei. Zintuiglijk zijn ter plaatse van het erf van de onderzoekslocatie diverse bodemvreemde bijmengingen aangetroffen, zoals weergegeven in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen Boring
Proefgat
Diepte boring (m -mv) 2,00 3,00 0,50
Traject (m -mv) 0,20 - 0,40 0,20 - 0,40 0,40 - 0,50
Grondsoort
B06 Ja + PB07 Ja + B10 Ja + Toelichting bij de tabel: + Betreft geen bodem (> 50 % bodemvreemd materiaal); Volledig ≥ 50 %.
Waargenomen bijzonderheden volledig puin volledig puin volledig baksteen
Verder zijn tijdens de veldwerkzaamheden geen overige waarnemingen in de grond / bodemvreemde lagen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Ter plaatse van de overige locatie, buiten het erf, zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen en puinbijmengingen aangetroffen, waardoor hier een verkennend onderzoek naar asbest definitief niet noodzakelijk is. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen als bijlage 3. 8.2.
Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten
De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam (grond, grondwater en asbest). De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. In tabel 8.2 is een overzicht opgenomen van de opmerking die aan een analysecertificaat is toegevoegd. Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat - nummer Grond 13529863
(Meng) monster
Parameter
Opmerking
Toelichting
MMOCB01, MMOCB02
Dieldrin
Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot.
Aangezien Dieldrin van de betreffende mengmonsters de achtergrondwaarde niet overschrijdt, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
16 Grond Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden zijn diverse (meng)monsters samengesteld. Aangezien ter plaatse van de voormalige watergangen en (nabij) de voormalige werkplaatsen geen afwijkende waarnemingen zijn gedaan, zijn de betreffende grondmonsters ingezet voor de algemene kwaliteit. Aangezien er geen afwijkende waarnemingen zijn gedaan ter plaatse van de voormalige ondergrondse benzinetanks en het voormalige pompstation zijn de steekbussen zijn genomen rond de grondwaterstand. De (meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Overzicht (meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng) Omschrijving monster Algemene kwaliteit MM01 Bovengrond, zand Zintuiglijk: -
MM02
Bovengrond, zand Zintuiglijk: -
MM03
Bovengrond, zand Zintuiglijk: -
MM04
Bovengrond, klei Zintuiglijk: - (laag onder volledig puin) Ondergrond, zand Zintuiglijk: -
MM05
(Voormalige) bodembedreigende activiteiten M06 Bovengrond, zand Zintuiglijk: - (t.p.v. voormalig pompstation) M07 Ondergrond, zand Zintuiglijk: - (t.p.v. voormalig pompstation) M08 Ondergrond, zand Zintuiglijk: - (t.p.v. voormalige ondergrondse benzinetanks) Teeltlaagonderzoek MMOCB01 Teeltlaag, zand Zintuiglijk: -
MMOCB02
Teeltlaag, zand Zintuiglijk: -
Boringen Analysepakket Resultaten (traject in (m -mv) > AW < I >I B01 (0,00 - 0,50) B02 (0,00 - 0,50) B03B (0,00 - 0,50) B14 (0,00 - 0,50) B04 (0,10 - 0,50) B09 (0,00 - 0,50) B11 (0,10 - 0,40) B13 (0,10 - 0,50) B08 (0,00 - 0,50) B15B (0,00 - 0,50) B17 (0,00 - 0,50) B19 (0,00 - 0,50) B06 (0,40 - 0,50) PB07 (0,40 - 0,50) B03B (1,00 - 1,50) B03B (1,50 - 2,00) B04 (0,50 - 1,00) B09 (0,50 - 1,00) B12 (0,50 - 1,00) B13 (0,50 - 1,00) B15B (1,00 - 1,50) B15B (1,50 - 2,00)
NEN
Pb
-
NEN
-
-
NEN
Cd, Pb, Zn, PAK
-
NEN
Zn
-
NEN
Zn
-
PB05 (0,10 - 0,50)
MO
-
-
PB05 (1,50 - 1,70)
MO + BTEXN
-
-
PB07 (1,50 - 1,70)
MO + BTEXN
-
-
B01 (0,00 - 0,30) B03B (0,00 - 0,30) B12 (0,20 - 0,50) B14 (0,00 - 0,30) B09 (0,00 - 0,30) B15B (0,00 - 0,30) B17 (0,00 - 0,30) B19 (0,00 - 0,30)
OCB
-
-
OCB
Chloordaan
-
Toelichting bij de tabel: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloor bifenylen (PCB) en minerale olie (MO), inclusief lutum en organische stof (humus); MO Minerale olie, inclusief organische stof (humus); BTEXN De vluchtige aromaten benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen, inclusief organische stof (humus); OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen, inclusief organische stof (humus); AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetroffen/waargenomen.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
17 Grondwater Ten behoeve van het grondwateronderzoek zijn er op basis van de onderzoeksopzet diverse grondwatermonsters geanalyseerd, waarbij het grondwatermonster uit peilbuis PB05 is gecombineerd met de algemene kwaliteit. De grondwatermonsters met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten zijn in tabel 8.4 weergegeven. Tabel 8.4: Peilbuizen met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten grondwater Peilbuis
Filterdiepte (m-mv) 2,00 - 3,00 2,00 - 3,00
GWS (m-mv) 1,65 1,68
pH
EC (µS/cm) 406 318
Troebelheid (NTU) 398 289
Analysepakket NEN MO + BTEXN
Resultaten >S<I >I -
PB05* (Voormalig pompstation) 6,2 PB07 (Voormalige ondergrondse 6,2 benzinetanks) Toelichting bij de tabel: NEN Zware metalen (Barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni], zink [Zn]), Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCl) en minerale olie (MO); MO Minerale olie; BTEXN De vluchtige aromaten benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen; * In combinatie met de algemene kwaliteit; S Streefwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetoond.
De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH) en geleidbaarheid (EC) zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie. In de genomen grondwatermonsters uit de peilbuizen is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (<10 NTU). De peilbuizen hebben voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Daarnaast zijn de peilbuizen zorgvuldig en met een voldoende laag debiet (≤ 0,1 l/min) afgepompt zodat de grondwaterstand in de peilbuizen minder dan 50 cm (niet belucht) is gedaald. Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Asbest Op zowel het maaiveld als in de vrijgekomen grond en puin zijn zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Op basis van de onderzoeksopzet en zintuiglijke waarnemingen zijn er drie grond-/puinmonsters samengesteld, waarvan er twee zijn aangeboden aan het lab voor analyse op asbest conform NEN5898:2015 (asbest in grond of puin in de fractie < 20 mm).
In verband met de puinstabilisatie is er één extra analyse op asbest aangeboden voor asbest in puin in de fractie < 20 mm De samenstelling van de grond-/puinmonsters met zintuiglijke waarnemingen en de bijbehorende analyses zijn in tabel 8.5 weergegeven. Tabel 8.5: Samenstelling grond-/puinmonsters asbest Monstercode
Proefgaten
Zintuiglijke waarnemingen
Traject (m -mv) 0,40 - 0,50 0,20 - 0,40 0,10 - 0,50
Soort
MMASB01 B10 Volledig baksteen Puin MMASB02 B06, PB07 Volledig puin Puin MMASB03 B04, B10 t/m B13 Grond Toelichting bij de tabel: Niets waargenomen; 1 Asbestanalyse conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin < 20 mm.
Analysepakket Niet geanalyseerd Asbest in puin (> 25 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1
De resultaten van de geanalyseerde grond-/puinmonsters en de gewogen hoeveelheid asbest (< 20 mm, conform analysecertificaten) is weergegeven in tabel 8.6 op de volgende pagina.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
18 Tabel 8.6: Overzicht onderzochte grond-/puinmonsters en gewogen hoeveelheid asbest < 20 mm conform analysecertificaat Monstercode
Soort
MMASB02 MMASB03 Toelichting bij de tabel: Niets aangetoond.
8.3.
Hechtgebonden
Type
-
-
Gemeten <20 mm (mg/kg d.s.) <2 <2
Totaal gewogen <20 mm (mg/kg d.s.) <2 <2
Interpretatie analyseresultaten
Grond Algemene kwaliteit In mengmonster MM01 van de zintuiglijk schone bovengrond (zand) is een licht verhoogd gehalte voor lood aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voor de overige onderzochte parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MM02 van de zintuiglijk schone ondergrond (zand) zijn voor de onderzochte parameters geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MM03 van de zintuiglijk schone bovengrond (zand) zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium, lood, zink en PAK aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voor de overige onderzochte parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MM04 van de zintuiglijk schone bovengrond onder de volledige puinlaag (klei) en in mengmonster MM05 van de zintuiglijk schone ondergrond (zand) zijn licht verhoogde gehalten voor zink aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. Voor de overige onderzochte parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden.
Voormalige bodembedreigende activiteiten In monster M06 van de zintuiglijk schone bovengrond (zand) en in steekbusmonster M07 van de zintuiglijk schone ondergrond (zand) ter plaatse van het voormalig pompstation zijn voor minerale olie en/of vluchtige aromaten geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In steekbusmonster M08 van de zintuiglijk schone ondergrond (zand) ter plaatse van de voormalige ondergrondse benzinetanks zijn voor minerale olie en vluchtige aromaten geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Teeltlaag In mengmonster MMOCB01 van de zintuiglijk schone teeltlaag (zand) zijn voor de onderzochte OCB-parameters geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MMOCB02 van de zintuiglijk schone teeltlaag (zand) is een licht verhoogd gehalte voor Chloordaan aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. Voor de overige onderzochte OCB-parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
19 Grondwater In het monster uit peilbuis PB05, ter plaatse van het voormalige pompstation (gecombineerd met de algemene kwaliteit), zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. In het monster uit peilbuis PB07, ter plaatse van de voormalige ondergrondse benzinetank, zijn geen verhoogde gehalten voor minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. Asbest Zowel op het maaiveld als in de vrijgekomen grond en puin zijn zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbest verdachte (plaat)materialen aangetroffen. In puinmonster MMASB02 van de volledige puinlaag (0,2-0,4 m-mv) is analytisch geen asbest aangetoond (< 2 mg/kg d.s.). In grondmonster MMASB03 van de zintuiglijk schone bovengrond (0,1-0,5 m-mv) is analytisch geen asbest aangetoond (< 2 mg/kg d.s.).
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
20
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELING 9.1.
Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek
Voor de onderzoekslocatie is voor de algemene kwaliteit inclusief de voormalige bodembedreigende activiteiten, de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Algemene kwaliteit Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese voor de algemene kwaliteit worden verworpen, aangezien in zowel de boven- als ondergrond maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige werkplaatsen en voormalige watergangen. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping van de watergangen eventueel slib uit de watergangen verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. Voormalig bodembedreigende activiteiten Ter plaatse van de voormalige bodembedreigende activiteiten zijn in zowel de boven-, ondergrond als het grondwater geen verhoogde gehalten voor minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetoond. Hiermee is de eindsituatie voor de voormalige bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie vastgesteld.
Teeltlaagonderzoek In de teeltlaag is maximaal een licht verhoogd gehalte voor de OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. De voormalige boomgaarden hebben derhalve niet geleid tot een bodemverontreinigingen met OCB in de teeltlaag. 9.2.
Verkennend onderzoek naar asbest (erf)
Voor wat betreft de onderzoekslocatie is voor het erf de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien op het erf zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest is aangetoond (< 2,0 mg/kg d.s.). Over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, aangezien in afwijking op de SIKB BRL 2000, protocol 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie is uitgevoerd in verband met de aanwezige obstakels (verhardingen) op het maaiveld. Ter plaatse van de overige locatie zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen en puinbijmengingen aangetroffen, waardoor een verkennend onderzoek naar asbest hier definitief niet noodzakelijk is. 9.3.
Algehele conclusie en aanbevelingen
Met de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ten behoeve van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling ter plaatse van De Dreef 5 te Hernen in voldoende mate onderzocht. Daarnaast is de eindsituatie van de diverse voormalige bodembedreigende activiteiten in voldoende mate vastgelegd.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
21 Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling, waarbij rekening dient te worden gehouden met onderstaande aanbevelingen. Bij de eventuele afvoer van grond / puin dient rekening gehouden te worden met de resultaten van het onderzoek naar asbest, de NEN- en/of OCB-parameters. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen en onderzoeken worden verlangd (inclusief aanvullend onderzoek op PFAS). Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. Geadviseerd wordt om, na verwijdering van de momenteel aanwezige belemmering, nog aanvullend een maaiveldinspectie uit te voeren om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de contactzone.
Diverse (bodem)onderzoeken, De Dreef 5 te Hernen Rapportnr.: B21.8154 versie: 01 datum: 1 oktober 2021
22
10.
REFERENTIES 1. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft 2009. NEN 5725:2017, norm Bodem - Landbodem Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader bodemonderzoek. 2. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft 2009. NEN 5740/A1:2016, Norm Bodem - Landbodem Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek, onderzoek naar de kwaliteit van de bodem en grond. 3. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft 2015. NEN 5707/C2:2017, Norm Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. 4. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft 2015, NEN 5897/C2:2017, norm Bodem – Landbodem Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. 5. Ministerie van VROM en Verkeer en Waterstaat, Regeling bodemkwaliteit, Staatscourant, 20 december 2007, nr. 247 (inclusief rectificaties en wijzigingen hierop volgend). 6. Ministerie van VROM, Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant, 27 juni 2013, nr. 16675 (inclusief rectificaties en wijzigingen hierop volgend).