CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 5 Quickscan flora en fauna.pdf

Raad openbaar Wijchen 2 maart 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 76490 Beslisnota Vaststellen bestemmingsplan 'Woeziksestraat 416, Wijchen'6.296 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BURO SRO OOST B.V. T.a.v. Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem

Datum

14 augustus 2020

Kenmerk

BE/2020/520/r

Uw kenmerk

Email d.d. 29-06-2020

Auteur(s) Collegiale toets

Quickscan Wet natuurbescherming Woeziksestraat 416 te Wijchen Aan de Woeziksestraat 416 te Wijchen is een boerenerf gesitueerd met een woning met tuin, een open kapschuur met daarin verwerkt een kleine schuur en een veestal, een voormalige veestal, een overkapping en drie schuren. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren. Er worden twee nieuwe woningen met bijgebouw gerealiseerd. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Woezeriksestraat 416 te Wijchen (figuur 1). De planlocatie betreft een boerenerf met een woning (F) met tuin, een open kapschuur (A) met daarin verwerkt een kleine schuur (B) en een veestal (C), een voormalige veestal (D), een overkapping (E) en drie schuren (G, H en I). Er is een onverharde oprit aanwezig. Verder is er groen aanwezig in de vorm van verruigd grasland, struweel, struiken en bomen. Het geheel heeft een laag onderhoudsbeeld. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de bebouwing op de planlocatie de directe omgeving hiervan. Gebouw A: een open kapschuur opgetrokken uit een houten spantconstructie en muren en een dak van golfplaten. Dit gebouw wordt gesaneerd. Gebouw B: een kleine schuur opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en een plat dak met dakbeschot. Dit gebouw wordt gesaneerd. Gebouw C: Een veestal opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en met een golfplaten dak (doorgetrokken van kapschuur). Er is geen dakbeschot aanwezig. Dit gebouw wordt gesaneerd. Gebouw D: een veestal opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en een zadeldak bedekt met dakpannen. Er is een dakgoot en deels dakbeschot aanwezig. Gebouw E: een overkapping van damwandplaten. Dit gebouw wordt gesaneerd.

Gebouw F: een woning opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en een wolfsdak bedekt met dakpannen. Dit gebouw wordt gesaneerd. Gebouw G: een schuur opgetrokken uit stenen muren zonder spouw en een zadeldak bedekt met golfplaten. Er is deels dakbeschot aanwezig. Dit gebouw wordt gesaneerd. Gebouw H: een schuur opgetrokken uit stenen muren zonder spouw en een zadeldak bedekt met golfplaten. Er is geen dakbeschot aanwezig. Dit gebouw wordt gesaneerd. Gebouw I: een schuur opgetrokken uit stenen muren zonder spouw en een zadeldak bedekt met golfplaten. Er is dakbeschot aanwezig. Dit gebouw wordt gesaneerd. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied in de binnenste kring en daarbuiten stedelijk gebied. De bebouwde kom van Wijchen ligt ten oosten, zuiden en westen op circa 300 m afstand of meer. Ten noorden ligt de A326 op circa 600 m afstand. Verder ten noorden bevindt zich een industrieterrein. De A326 ligt aan de westzijde op ongeveer 1,7 km. Op ongeveer 750 m ten zuiden ligt een spoorlijn en de A73 ligt op circa 2,1 km ten oosten.

2

F E I

B

D

A C

H

Figuur 1

3

G

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Woeziksestraat 416 te Wijchen. De geel gestreepte omkadering geeft de te saneren bebouwing weer. De gele arcering geeft de locatie van open kapschuur A weer. Gebouw B en C zijn verwerkt in deze open kapschuur (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

A

B

C

D

E

F

G

H

I

Figuur 2

4

Fotografische indruk van de diverse gebouwen op de planlocatie. De letters corresponderen met de letter in de beschrijving.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van alle bestaande bebouwing. Verder worden er twee nieuwe woningen, elk met bijgebouw, gerealiseerd. Het meeste groen blijft staan en er worden geen bomen gekapt. De functie van het perceel dient te wijzigen van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •

saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 8 juli 2020 en is uitgevoerd door ir. M. Poelman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 16 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

5

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

6

d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving, binnen een straal van circa 2 km, van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: kartuizer anjer en wilde ridderspoor (NDFF 2010-2020). De kartuizer anjer groeit op zonnige plaatsen op droge, matig voedselarme, vaak kalkhoudende grond. Voorbeelden van groeiplaatsen zijn schraal grasland, kalkgrasland, bermen en rotsachtige plaatsen. Wilde ridderspoor groeit op zonnige plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, matig bemeste, kalkrijke, omgewerkte zandige klein. Voorbeelden van groeiplaatsen zijn akker, soms ruderale plaatsen, bij graansilo’s en graanoverslagbedrijven (Wilde planten, 2020).

Het veldbezoek heeft plaatsgevonden binnen de bloeiperiode van beide planten en de soorten zijn niet aangetroffen. De planlocatie is niet erg geschikt als habitat voor deze twee soorten, gezien het een boerenerf betreft met een verstoorde en geëutrofieerde bodem. De aanwezigheid van de grote brandnetel indiceert een hoge stikstof concentratie in de bodem. Het bodemtype betreft een loodpodzolgrond met grof zand. Het voorkomen van kartuizer anjer en wilde ridderspoor binnen het plangebied wordt uitgesloten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerdistel, appelboom, grote brandnetel, klimop, laurier, lijsterbes, populier, ruwe berk en wilg. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.

Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, rode eekhoorn, steenmarter en wezel.

7

Voor de bever en de das is geen geschikt habitat aanwezig op de planlocatie. Negatieve effecten op deze twee soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) bestaat uit voortplantings- en rustplaatsen, belangrijke foerageergebieden en migratieroutes. Ze hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende dekking en schuilgelegenheid. Vaak betreffen het landschappen met afwisselend graslanden, akkerlanden en bosschages. Ze zitten dan veelal in bescherming biedende structuren als (oever) begroeiingen, houtwallen, bosranden, akkerranden, heggen en droge sloten. De hermelijn en in mindere mate de bunzing prefereren daarnaast waterrijke gebieden. Bunzing en in minder mate wezel worden ook wel in bebouwde omgevingen met voldoende groen aangetroffen, maar de hermelijn vermijdt bebouwing (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017; stichting kleine marters, 2020). De aanwezigheid van hermelijn kan worden uitgesloten, gezien er bebouwing en derhalve te veel verstoring aanwezig is op de planlocatie en in de omgeving daarvan. Nest- en rustplaatsen in de vorm van allerlei goed beschutte structuren als takkenhopen, rommelhoeken, holen van andere dieren en holle boomstammen zijn zeer beperkt aangetroffen op de planlocatie.

Indien kleine marterachtigen gebruik zouden maken van de planlocatie en vaak terugkomen naar dit gebied, zoals het geval bij een voortplantings- of vaste rustplaats, zullen er sporen van de soorten waargenomen kunnen worden. Door de beperktheid van de (hoeveelheid) potentieel geschikte plekken, en door het ontbreken van uitwerpselen, prooiresten, urinemarkering, etc. wordt de aanwezigheid van een voortplantings- of vaste rustplaats van kleine marterachtigen niet verwacht. Het is niet onmogelijk dat kleine marterachtigen het plangebied passeren en er foerageren. Echter, ligt het wat omkaderd door wegen en bebouwing en zijn er weinig goed beschutte structuren rondom de planlocatie, waardoor het niet waarschijnlijk is dat de planlocatie onderdeel is van een belangrijke migratie route. Als kleine marterachtigen wel sporadisch foerageren dan hoeft deze functie niet te vervallen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling, gezien het groen grotendeels behouden blijft. Significante negatieve effecten op kleine marterachtigen worden derhalve niet verwacht. De rode eekhoorn leeft in loofbos, naaldbos of gemengd bos, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Oudere loof en naaldbomen bieden schuil en nestgelegenheid en voorzien de soort in hun voedselbehoefte. Eekhoorns bouwen op minstens 5 m hoogte slaapnesten in bomen (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2020).

Op de planlocatie zijn geen potentieel geschikte nestbomen aanwezig voor rode eekhoorns. Daarnaast is er geen sprake van aansluiting in de omgeving met groter bos- of parkachtig gebied. Dit maakt het zeer onwaarschijnlijk dat rode eekhoorns de planlocatie veilig kunnen bereiken. Verder is er geen tot weinig voedselaanbod in de vorm van noten en zaden. Negatieve effecten op de rode eekhoorn kunnen worden uitgesloten. De steenmarter wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Het voorkeurshabitat betreft steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt veel voor in parklandschappen en gebieden met kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, gezien deze kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied. De steenmarter heeft binnen zijn leefgebied soms wel tientallen schuilplaatsen, die echter niet allemaal even frequent gebruikt worden. Dit kunnen bijvoorbeeld boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes zijn. Maar ook spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. De steenmarter kan al door openingen van 5-6 cm kruipen om bij een schuilplaats te komen (Zoogdiervereniging steenmarter, 2020).

Op de planlocatie bevinden zich een aantal oude schuren die (beperkt) potentieel interessant zouden kunnen zijn voor steenmarters. Er zijn in en rondom deze schuren echter geen sporen aangetroffen van de soort, wat de aanwezigheid van een vaste rust- of verblijfplaats erg onwaarschijnlijk maakt. Het is niet onmogelijk dat er sporadisch een steenmarter passeert of foerageert op de planlocatie, echter ligt het wat omkaderd door wegen en bebouwing en zijn er weinig goed beschutte structuren rondom de planlocatie, waardoor het niet waarschijnlijk is dat de planlocatie onderdeel is van een belangrijke migratie route. Gezien het groen grotendeels behouden blijft hoeft een mogelijke sporadische foerageerfunctie niet te vervallen. Derhalve worden er geen negatieve effecten verwacht op de steenmarter ten gevolge van de beoogde ontwikkeling.

8

Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats voor vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen. Bovendien blijven alle bomen behouden. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bebouwing op de planlocatie heeft geen spouwmuren. De daken van de schuren zijn bedekt met golfplaten en hebben niet allemaal dakbeschot.

Derhalve is hier weinig tot geen potentie aanwezig voor het voorkomen van verblijfplaatsen voor vleermuizen. De daken van de woning en schuur D zijn bedekt met dakpannen, echter zijn er geen geschikte openingen aangetroffen waardoor vleermuizen naar een open dakruimte zouden kunnen kruipen. In de woning is wel een opening bij een dakrand door een ontbrekende baksteen aangetroffen, echter leidt deze niet naar een geschikte verblijfplaats. In gebouw D ontbreekt het dakbeschot deels, waardoor er kans is op te veel tochtstroming. Wegens het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw, toegankelijke open dakruimtes of andere gevel of dak structuren waar vleermuizen een geschikte rust- of verblijfplaats in zouden kunnen vinden, wordt niet verwacht dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Het voorkomen van gewone grootoorvleermuis kan worden uitgesloten, gezien er geen krijtsporen, prooiresten of andere sporen zijn aangetroffen aan de houten dakbalken in schuren C, D, G en H. Daarnaast zijn deze houten balken in deze schuren aan de lage kant om überhaupt geschikt te zijn voor grootoorvleermuizen.

Hoewel het niet aannemelijk is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Het is mogelijk dat er foerageeractiviteit plaatsvindt op de planlocatie. Echter, zal er

9

geen sprake zijn van essentieel foerageergebied op de planlocatie, gezien er veel vergelijkbaar habitat en geschikt foerageergebied in de omgeving aanwezig is. Ook is er geen sprake van een essentiële vliegroute, gezien er geen lijnvormige houtige elementen of watergangen aanwezig zijn op de planlocatie die foerageergebieden met elkaar verbinden. Bovendien blijft het grootste deel van het groen behouden en worden er geen bomen gekapt. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden er derhalve geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes aangetast. Er kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad, groene kikker, kleine watersalamander en vuursalamander (NDFF 2010-2020).

Voor enkel de vuursalamander geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is deels bebouwd en wordt gebruikt, waardoor er verstoringen optreden. Daarnaast is er geen oppervlaktewater aanwezig op de planlocatie; enkel sloten naast de randen van naastliggende graslanden. Er zijn geen voor amfibieën geschikte overwinteringsstructuren aangetroffen als houtwallen, hopen vergraafbare grond, bosschages of geschikte struwelen. Het leefgebied van de vuursalamander betreft heuvelachtige landschappen met vochtig loofbos, doorsneden met bronbeekjes. Kalkrijke bodems, bronnen, een vochtige bodem en de aanwezigheid van koele, vochtige schuilplaatsen zijn belangrijke aspecten van het leefgebied. De verspreiding van de soort beperkt zich voornamelijk tot Zuid-Limburg, met enkele meldingen uit het zuidoosten van Gelderland en het noorden van Overijssel. Het exemplaar dat in de omgeving van Wijchen is waargenomen is mogelijk een uitgezet individu. De planlocatie is niet van belang voor de vuursalamander.

Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen kunnen worden uitgesloten.

Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos en iepenpage (NDFF 2010-2020). De grote vos is een zwervende dagvlinder die gebonden is aan (hoge) houtige vegetatie in een bosrijke omgeving.

10

Waardplanten zijn iep, zoete kers en sommige wilgensoorten worden ook gebruikt. De iepenpage komt voor in iepen in (vochtige) bossen, bosranden, parken en grotere tuinen. De soort heeft geen groot leefgebied nodig en kan al voorkomen op plaatsen waar enkele iepen bij elkaar staan (Vlinderstichting, 2020). Op de planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig voor de grote vos en de iepenpage soorten. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, houtduif, kauw, merel en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies.

Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Het pannendak van schuur D is niet goed toegankelijk en er ontbreekt een dakgoot of andere constructie dat als opstapje/zitbalkje kan fungeren. Het pannendak van de woning (gebouw F) is niet goed toegankelijk door de aanwezigheid van een vrij nauw aansluitende houten plank. Het golfplaten dak van schuur I is niet goed toegankelijk voor huismussen, gezien er geen dakgoot of andere constructie aanwezig dat als opstapje/zitbalkje kan fungeren. Daarnaast is één zijde niet toegankelijk door dichte begroeiing direct naast het gebouw. Aan de andere zijde is in de nabije omgeving geen sprake van jaarrond groen. De rest van de bebouwing is ongeschikt wegens het ontbreken van dakbeschot. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ontwikkeling leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied van huismussen.

Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Er zijn in de te saneren bebouwing geen geschikte potentiële verblijfplaatsen en/of invliegopeningen aangetroffen voor gierzwaluwen. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn op de houten dakbalken geen sporen als braakballen en uitwerpselen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Het voorkomen van een nest- of rustplaats voor deze soorten kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van uilen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van roofvogelsoorten, gezien het grotendeels bebouwd is. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig.

Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.

11

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 augustus Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

12

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 10 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 4). Op een afstand van circa 1,6 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,6 km ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 5).

10 km

Figuur 4

De planlocatie ligt op een afstand van circa 10 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK).

1,6 km

1,6 km

1,6 km

Figuur 5

13

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,6 km tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,6 km tot een Groene ontwikkelingszone (bron: nationaal Georegister PDOK).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van bestaande bebouwing en de realisatie van twee nieuwe woningen met bijgebouw. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Gezien er sprake is van een grote afstand (10 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, en in de gebruiksfase sprake is van geen tot een zeer beperkte toename in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien

14

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS calculatie, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

-

-

-

-

-

-

-

n

n

n

n

+

-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

10 km

geen

n.v.t.

Gelders Natuurnetwerk

1,6 km

geen

n.v.t.

Groene Ontwikkelingszone

1,6 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

nee

n.v.t.

Bomen

ja

nee

n.v.t.

n

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (n het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De ontwikkeling aan de Woeziksestraat 416 te Wijchen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

15

Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarde (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio augustus). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.

op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

16

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

17

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

18

Bijlage 1 Fotografische impressie

19

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Woeziksestraat 416 te Wijchen.

Figuur 2

De woning.

20

Figuur 3

Het weiland ten westen van de planlocatie

Figuur 4

De tuin van de woning en naastliggend de onverharde oprit

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=2152bcdc-094a-41e6-8bfd-bd7547aeea01